Het ontbijt in hotel Des Falaises was tenminste weer een beetje van niveau. Toch zeggen sterren ook niet alles, bleek nu. Het weer zag er ook niet al te beroerd uit, dus de dag begon vandaag goed. Tijdens het optuigen van de fietsen miezerde het wel licht, maar dat was snel weer over. Na een paar honderd meter fietsen, passeerden we de 0-meridiaan weer en zaten we weer op “onze helft”van de aardbol, op weg naar Deauville/Trouville. We weken af van onze track en bleven de kustweg volgen in de hoop niet te hoeven klimmen. Dat was niet helemaal goed gegokt want al gauw moesten we toch weer een klif over. Regenjacks en lange broeken moesten daarbij uit.
Na Blonville en Benerville kwamen we in Deauville waar weer veel van die kenmerkende grote vakwerkhuizen stonden, vooral dicht bij zee. Ook weer een casino uiteraard; bijna elk stadje van enig formaat heeft er hier één. Ook het station en het Hotel de Ville van Trouville waren de moeite waard.
Na Trouville volgden we de D513 - ook weer afwijkend van de geplande route, we improviseren wat af … - maar ontkwamen toch niet aan enig klimwerk. Vooral deze stad uit was weer behoorlijk pittig en liep weer uit op lopen, maar leverde wel mooie uitzichten op over stad, strand en zee. Vooral nu het zonnetje zich even liet zien. De fleece-jes konden nu ook uit, het was gewoon te warm. Wel even wennen weer, maar voor de verandering ook wel eens lekker. We stegen verder geleidelijk naar toch weer zowat 100m hoogte. Via wat minder bekende dorpjes, maar met klinkende namen als Criquebouef en Pennedepie, kwamen we in Honfleur, waar het een drukte van jewelste was. Het was markt en dat trekt altijd veel toeristen. Het haventje herinnerden we ons nog van 20 jaar geleden. Toen waren we hier een weekje in de buurt om fossielen te zoeken. Deden we toen nog. Nu verzamelen we zandjes.
Het was tot hier een mooie weg om te fietsen, maar het uitzicht op de overkant van de baai van de Seine was wat minder fraai: rookpluimen van petrochemische en andere industrie van Le Havre. Gelukkig stond de wind van ons af.
Na Honfleur kruisten we een paar grote wegen en zagen we de enorme Pont de Normandie liggen: een gigantische brug waarvan de weg aardig steil op en af ging. Daar mocht je vast niet overheen fietsen en zou ook niet kunnen, leek het. Later hoorden we anders.
Bij Fiquefleur namen we de D312, langs de rand van een wat minder hoge berg (40-50m). Een mooie, groene, licht op en neer gaande weg met soms mooie uitzichten op de Seine-monding. We zaten inmiddels in het dept. Eure - wie kent het niet? - en in de Haute-Normandie. Bij Conteville reden we een stukje het dal de Risle in, een zijriviertje van de Seine. Via een lange klim over de D90 - vanaf Foulbec - fietsten we naar boven op de côte die de scheiding vormde tussen het Risle-dal en dat van de Seine zelf. Weer 100 hms erbij!
Na iets afdalen kwamen we op een panoramapunt met een informatietableau over het weidse uitzicht op de zgn. Marais-Vernier. Dat was dus een moerasgebied ontstaan uit een vroegere meander van de Seine. Erg interessant, maar je kreeg er wel honger van. Na een vlotte afdaling kwamen we in het dorpje Marais-Vernier waar allerlei schattige vakwerkhuisjes stonden, waarvan vele met een rieten dak met op de nok over de hele lengte een begroeiing met - volgens ons - lelieachtige planten en ook wat lager spul daartussen. Heel apart en fotogeniek. Hadden we nog nooit ergens anders gezien, kennelijk niets van deze streek.
Over de enige weg door het moeras reden we naar Quilleboeuf-sur-Seine, achtervolgd - maar grotendeels ontweken - door een regenbui. Voor de zekerheid maar wel de was binnengehaald. In Quilleboeuf doken we via een 20%-ige helling omlaag naar de Seine, waar de Bac (pont) net kwam aan varen. Tijdens de overtocht trokken we veel bekijks.
Aan de overkant kwamen we uit op een enorm industriegebied van de Esso olieraffinaderij. Al te nieuwsgierige blikken werden hier niet op prijs gesteld, getuige de vele borden die sommeerden om maar vooral door te rijden. Inmiddels hadden we Eure al weer verruild voor Seine-Maritime.
Bij Notre-Dame de Gravechon sloegen we - we gingen vanaf hier afsnijden - rechtsaf de D81 op. Eerst nog een brede weg, maar na Noville een stuk smaller en rustiger. Bovendien mooier, vooral de afdaling naar de Seine toe. Na Villequier was het nog slechts 4 km naar Caudebec-en-Caux en - shit! - vlak daarvoor reden we langs een camping… Op zich was de temperatuur wel geschikt hiervoor, maar de luchten achter ons zagen er weer erg dreigend uit. Na even twijfelen toch maar door gereden naar Caudebec. Hier waren een paar hotels, maar eerst gingen we nog bij de VVV langs om te informeren naar eventuele CH’s. De dame van de VVV probeerde er één voor ons te regelen, maar kreeg geen gehoor. Een andere was te ver weg dus restte een hotel. We kozen hotel Le Normandie waar we net voor een bui arriveerden. Mooie kamer met uitzicht op de Seine waar af en toe een groot zeeschip langskwam en vlak bij de Pont de Brotonne, een klein broertje van de Pont de Normandie.
Omdat elke dag een hotel met het daarbij horende uit eten een beetje begrotelijk begon te worden, hielden we vandaag maar een brooddag-plus op de kamer: stokbrood met goed beleg, een salade en een bak couscous erbij. Omkomen van de honger deden we niet.
’s Avonds de kids gebeld. Het was nog erg lekker buiten en het bleef droog. Dat scheen morgen anders te worden en overmorgen al helemaal!
De omgeving was hier best aardig: het ‘Parc Naturel Regional des Boucles de la Seine Normande’, met naast het Marais-Vernier nog verscheidene bossen, zoals b.v. het Fôret de Brotonne.
Vandaag was eigenlijk best een goede fietsdag geworden: vrijwel droog, lekkere temperatuur en mooie dingen gezien. |