Na de donderbui gisteravond laat was het verder rustig gebleven. Om 4 uur was het weer bijna onbewolkt. Bij het openritsen van de tent was het bewolkt, maar we zagen ook wat hoopvol blauw.
De gevreesde klim in Chaumont viel erg mee, had inderdaad een beetje Cauberg-trekjes, maar met 6% lang niet zo steil. Het was goed te doen. Helaas was de bakker in Chaumont op woensdag gesloten; de eerstvolgende gelegenheid zou Pontlevoy moeten zijn. Daar bleek de bakker ook al op woensdag gesloten! Gelukkig was er - zo bleek bij navraag bij een dorpsbewoonster - een kleine Vival superette die de honneurs waar nam.
Licht op en neer gingen we door het afwisselende landschap van het Loiredal naar het dal van de Cher. Meer wijngaarden dan gisteren: kennelijk waren we aangekomen in de Touraine, een gebied met veel wijnbouw en caves. In Monthou-sur-Cher hielden we de eerste stop bij het eenvoudige maar toch mooie witte kerkje dat prachtig afstak tegen de inmiddels aardig blauwe lucht. We waren - net als gisteren - weer in een flinke zonnige periode terecht gekomen; het werd weer een perfecte fietsdag. Niet zo warm meer.
In Chenonceaux bleek het beroemde over de rivier gebouwde kasteel helaas niet vrij te bezichtigen. Pas later hoorden we dat we even naar de andere kant van de Cher hadden moeten gaan om het goed te kunnen zien... Volgende keer beter!
Na deze teleurstelling vervolgden we onze weg door het dal van de Cher. We besloten niet weer terug te keren naar Amboise aan de Loire, want we hadden ons ruim 10 km verteld en dan zou deze etappe een beetje te lang worden. Het plan werd: doorrijden tot Veigné en dan morgen een halve etappe van 40 km naar Rigny-Ussé en dan ’s middags aldaar het château bezoeken. Zo gezegd, zo gedaan. Het was bovendien wel aardig fietsen hier: links beneden de Cher, die we nauwelijks zagen want er zat nog een spoorlijn tussen, rechts in de hoogte nu en dan erg leuke huisjes. Ook passeerden we bij Bourré rotspartijen met daarin holwoningen van oude ‘troglodytes’.
Bij St.Martin kwamen we weer op de oorspronkelijke route uit en hadden we 15 km bespaard, maar wel het kasteel van Amboise en de pagode van Chanteloup gemist. Maar het was mooi weer, dus wat geeft het? En we wilden graag voor de mogelijke middagbui binnen zijn. We staken de Cher over en begonnen aan de klim over de waterscheiding van Cher en Indre, de volgende zijrivier van de Loire. Tot aan Cormery veel zigzaggen en op en neer door een wat minder boeiend landschap. Voor afwisseling zorgden het kasteel van Nitray - een pittig klimmetje er naartoe - en de Prieuré de St.Jean, een 12e-eeuwse abdij in Le Grais.
In Cormery schoten we vlak na een brug bijna een heel smal straatje voorbij waar we in moesten. Nu volgde het laatste stuk naar Veigné, een smalle weg die nog een paar keer behoorlijk op en neer ging (7-8%); was wel weer goed voor de hoogtemeters.
De camping in Veigné maakte een beetje verlaten indruk, maar er stonden toch een paar caravans en de “Acceuil” was open. Wel lekker rustig; ook geen vliegjes, wél weer die duiven (of andere).
Voor boodschappen moesten we 4 km terug over een drukke weg - D17 - naar Esvres, naar de ATAC. In Veigné was slechts een hele kleine superette, wel twee bakkers. Eentje had moeilijk te weerstane taartjes in de vitrine staan: we probeerden er twee van. Bij de kerk bleek Veigné een St. Jacobs-pelgrimsplaats te zijn op de route van Haarlem via Tours naar Santiago. Er was hier allerlei sportiefs te doen: zo werden er heteluchtbalonnen opgelaten en was er een wildwaterbaan bij “Le Moulin”. Leuk om te zien hoe de jeugd zich daar vermaakte.
Het weer was tot nu toe erg wisselvallig en onbetrouwbaar. Toch fietsten wij er steeds aardig tussendoor, op een paar keer na.... Shit! Toch weer die rotvliegjes!
We waren dwars door het dept. Loire-et-Cher heengereden en nu gearriveerd in Indre-et-Loire. |