Dussen en de watersnood van 1775, 1776 en 1809

Dussen en de watersnood van 1775, 1776 en 1809

Overgenomen uit Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken, 1775, p. 1393 (december)

Den meergenoemden 14den van den Slachtmaend [november] na den middag kwam het water van het Bergsche Vlak door de Oude Maes zo geweldig aenstuiven, dat het welhaest met de kruin der benedendyken gelyk was. Van Meeuwen af tot aen den Baerdwykschen Overlaet toe, zyn de dyken op meer dan op 60 plaetsen overstroomd, hier en daer aen den binnenkant uitgekolkt, zo dat men alle ogenblikken voor doorbraken bedugt was. De Heerlykheden Meeuwen, Eethen, Babylonienbroek, Genderen, Doveren en Drongelen raekten ook, zo door het loopen van 't water over de Dyken, als door twee doorbraken boven en beneden de sluis van Meeuwen, onder water. Men zag hier en daer planken, huisraed, verdronkene paerden en eene menigte hoornvee aendryven. Onder Meeuwen zyn eenige huizen aen den dyk ingestort, en een man is verongelukt. De meeste dorpen en onderhoorige polders vertoonde zig als eene bare Zee. Het ingezamelde graen en hooi is door 't water verdorven, en het gezaeide op 't veld vergaen.

In 't Land van Altena, liep het water alleronverwagts, ruim 2 1/2 voet over den ganschen dyk in de Dussensche polder, waer door een man, vrouw en twee kinderen en nog een meisje van 14 jaren, onder het geschrei om hulp, zyn omgekomen. Anderen zyn na de akelikste vooruitzigten te hebben doorgestaen, van daken, schoorsteenen en boomen gered. Agt huizen zyn geheel weggespoeld, zeventien onbruikbaer geworden, over de dertig zo huizen als schueren zyn zeer beschaedigd: veele paerden en ander vee verongelukt. Behalve de schaden aen hooi, koorn en vlas is al het gezaeide verdronken, daer wel twee derde deelen van ruim 2000 morgen, die overstroomd waren, uit bouwlanden bestaen. De armoede en ellenden van zoveele huisgezinnen die hierdoor in de grootste rampen zyn gedompeld, is onbeschryvelyk.

Bron: Met Gansen Trou, jaargang 11, 1961.

DUSSEN (in het Land van Altena) den 22 November. Gelijk ook op andere Plaatsen, zoo heeft, ook allerbijzonderst de hevige storm en verschrijkkelijke Vloed van den 14 alhier eene allertreurigste verwoesting aangerecht; het water liep zoo onverwagt als spoedig schier over onze geheele Dijk een halve mans lengte hoog, waar door ze aanmerkelijk is beschadigd en een grooten doorbraak gekomen is. Schrik en vrees waren zeer groot, al zoo men dagt dat deze Plaats als in den Jare 1421 onder de wateren geheel versmoord zouden zijn geworden. Het hardbrekende geschrei en geroep der verdronkenen, die onmogelijk geredd konden worden, het allerjammerlijkst gekerm van hun die na eenige uren in het water gezeten te hebben nog van de Daken, Schoorstenen en Bomen zijn verlost, het ijselijk geloei van de Runderen, het gesnork der Paarden, deden den hoorderen het harte inkrimpen en vertoonen de doodschrik op veler aangezigten. Vijf menschen zijn verdronken, het getal der Paarden en Hoornvee is nog niet zeker bekend; agt huizen zijn ingestort en weggespoeld; zeventien onbewoonbaar geworden en 32 zoo Huizen als Schuren zwaar beschadigd; ruim twee duizend Mergen (waar onder twee derde Bouwland) zijn met het daarop genouwde ge´nundeerd; de wegen kunnen nog heden te Paard maar nauwelijks begrond worden. De schade van Meubelen, maar vooral van Hooi, Koorn en Vlasch is niet na te gaan, en wordt nog daaglijks grooter, door het schadelijk ongedierte van Ratten en Muizen, welke in de Na-Zomer reeds veel nadeel aan 't gewasch toegebragt hebbende, nu in groote getaalen in de Huizen, Schuren en Bergen zijn ingekomen, daar ze alle dreigen te zullen opeten en te vernielen; waar door de Bouwman niet alleen bitterlijk weent, maar ook een getal van honderd vier en veertig Huisgezinnen, die niet zonder hunnen handen arbeid bestaan kunnen voor het meeder gedeelte werkloos zitten en wegens gebreken, krijtende armoede in tranen wegsmelten.

Overgenomen uit 's-Hertogenbosche Courant van 1 december 1775

Zie voor meer informatie omtrent de slachtoffers van de watersnood van november 1775 het artikel Begraven in Muilkerk elders op deze website.

DUSSEN Den 24 November 1776. Tusschen gepasseerden Woensdag en Donderdag, kreegen wij alhier, door een zwaaren aanhoudende Stormwind, het Water tot zulk een hoogte voor onzen Zeedijk, Dat dezelve daar door zoodanig overstroomde, dat weinige Binnenlanden boven Water zijn gebleven: In den Buitendijk van onzen Nieuwen Polder. zijn twee Doorbraken gevallen, waar door de beste onzer Bouwlanden ge´nundeert zijn; Veertig, zoo Huizen als Schuren, telt men, waarvan er eenige zijn ingestort, verscheidene onbewoonbaar gemaakt, en sommige zwaar beschadigt; niettegenstaande het ieverig vlugten met het Vee, na Huizen en Dijken, is er echter nog eenig verdronken; ook zijn veele Graanen in Huizen en Schuuren bedorven; de importante Schaden door dezen Vloed veroorzaakt acht men grooter te zijn, dan de excessive nadeelen, welke door den Watervloed, van den 14 November des gepasserde Jaars, zijn geleden, wordende veele beklagenswaardige Ingezeten genoodzaakt, om deeze en andere voorafgaande, en nog treffende Slagen te zugten, en om hunne onherstelbaren Stand jammerlijk te betreuren.

Overgenomen uit Haarlemse Courant van 28 november 1776

DUSSEN Den 7 February [1809]. Sedert den noodlottigen 30 January, waarop dit Dorp met het geheelen Land van Heusden en Altena, door het water scheen verzwolgen te zullen worden, is iedere dag door nieuwe akelykheden gekenteekend. De nacht van den 30 en 31 leverde een jammerlyk toneel op. Geheele Huisgezinnenzag men op Bedden in slyk op den dyk liggen, terwyl anderen, welke alles verloren hadden, half naakt en hulpeloos rondzwierven. Velen hadden zich in kleine Vaartuigen geworpen en waren alzoo aan de woedenden wind en hooggaande golven overgelaten. De volgende dagen, vooral des nachts, hoorde men niet dan het roepen om hulp door de zoodanigen, welke men nog niet uit hunne instortende Huizen had kunnen redden. In den laatst afgekoopen nacht werd noch een Huisgezin van acht Persoonen met levensgevaar geborgen.
De Kerk-toren is ingestort. Meer dan de helft der Woningen zijn door het ruwe weder reeds zodanig geteisterd, dat zy, als is het water geweken, onbewoonbaar zullen zyn. Velen zijn reeds geheel ingestortd en weggespoeld. De ongelukkige bewoners zyn genoodzaakt geworden, deels op Hooitassen, deels in de Kerken achter het Vee en op Zolders eene schuilplaats te zoeken. Indien de wind blyft aanhouden, is het te vrezen, dat de meeste Wooningen een prooi der golven zullen worden. Door de zorg van Z. M. heeft men de beste maatregelen genomen om de noodlydenden van Levensmiddelen te voorzien, doch door gebrek aan kleine Vaartuigen en den hevigen wind, is men dikwijl niet in staat om de ongelukkige Landliedente hulp te komen en van het nodige te voorzien.

Overgenomen uit Leeuwarder Courant van 21 februari 1809

Op 18 januari 1849 was er opnieuw wateroverlast. Tijdens de overstroming kwamen 14 huizen onder water te staan en werden daardoor onbruikbaar voor bewoning. Enkele woningen stortten zelfs in. Maar liefst 150 mensen, voornamelijk arbeiders, waren overgeleverd aan de kerkelijke en burgelijke hulpinstellingen en armenfondsen. Dit drukte zwaar op de begrotingen van deze lokale organisaties. Bovendien stonden door de innundatie alle werkzaamheden stil.

Overgenomen uit Middelburgsche Courant van 8 februari 1849

Bronnen

Buisman, Drs. J. Bar en Boos, Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen, (1984 Baarn, Bosch en Keuning).

Terug naar Streekhistorie


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl