De Rooij

Het geslacht De Rooij (Roij, Rooy), boeren en ondernemers in Dussen

Oorsprong

De geslachtsnaam De Rooij wordt door het Meertens-instituut beschreven als: in de eerste plaats oorspronkelijk een bijnaam voor een 'rode', een persoon met rossig haar. In een aantal gevallen kan echter verwarring zijn opgetreden met de naam Van Rooij wat als een toponiem wordt beschouwd. De Rooij blijkt een veel voorkomende geslachtsnaam, vooral in Brabant maar ook in Noord- en Zuid-Holland en in Utrecht. De naamvariant Van Rooij is in de provincie Brabant overigens nog nadrukkelijker aanwezig dan De Rooij.

Eerste vermelding in Dussen

De naam werd voor het eerst opgetekend in Dussen, in de eerste helft van de zeventiende eeuw, na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Het betrof de persoon Wouter Joris de Roij die schout (1635-1654) en secretaris (1634-1658) van Muilkerk was. Hij bleef ongeveer twee decennia lang in functie. Toch is het niet zeker dat Wouter Joris de Roij ook daadwerkelijk in Dussen woonde. Hij werd geboren in 's-Grevelduin-Capelle waar zijn vader en ook zijn grootvader schout was, terwijl dat zijn overgrootvader Gerrit Adriaens waarschijnlijk ook wel een bestuursfunctie bekleed zal hebben want dienst broer Jan Adriaensz - die we verderop in dit verhaal nog zullen tegenkomen - was heemraad in Capelle. Het is goed mogelijk dat Wouter Joris, afkomstig uit wat je een een regentenfamilie zou kunnen noemen, gezocht heeft naar een vergelijkbare functie in de buurt omdat die in zijn geboortedorp reeds vergeven was en die begeerde baan uiteindelijk vond in het over de Oude Maas gelegen Muilkerk. Niet ongebruikelijk voor iemand met bestuurdersaspiraties in de 17de eeuwse Nederlanden van n de reformatie ook al vond er destijds een verandering plaats waarbij sociale status werd afgemeten aan inkomen en religie in plaats van afkomst. Hij trouwde met Cornelia Jansz en in 1633 werd in 's-Grevelduin-Capelle hun zoon Joris Wouter de Roij geboren. Dat is zo'n beetje alles wat we van deze bestuurder van Muilkerk - hij was dat tenslotte ruim twintig jaar - weten. Behalve dan dat hij in 1644 in datzelfde Muilkerk zijn zuster Ida Joris de Roij - waar hij tevens voogd van was - in de echt verbond met een jongman uit Baardwijk, waarbij de heemraden Adriaen Peetersen Stael en Dierck Jaspersen als getuigen fungeerden. Van eventueel nageslacht via zijn zoon Joris Wouter de Roij is verder niets bekend.

De stamvader in Dussen

Hij is ook niet de stamvader van De Rooij in Dussen. Die rol was weggelegd voor een broer van de overgrootvader van Wouter Joris de Roij die Jan Adriaensz de Roij heette; hij was heemraad in 's-Grevelduin-Capelle. Vijf generaties later werd in Capelle Bastiaan Adriaensz de Roij (1653-1701) geboren. Hij trouwde in 1681 aldaar met Pieternella Roelofsdr van der Wiel (1655-1719). Wanneer precies is niet duidelijk maar omstreeks 1690 zal Bastiaan naar Dussen verhuisd zijn. Hij maakte er al snel carrire want in 1698 werd hij genoemd als schepen van Muilkerk en twee jaar later als borgemeester. In 1701 overleed hij, nog maar 48-jaren oud.

Uit zijn huwelijk met Pieternella werden een zestal kinderen geboren: 3 jongens en 3 meisjes. De stamlijn in Dussen werd voorgezet door hun zoon Adriaen Bastiaansz de Rooij (1685-1729). Deze was nog in Capelle geboren. Op 19 May 1708 trouwde hij in Meeuwen met Geertrui Konings (1685-1729). In 1709 werd hun oudste zoon Bastiaen de Rooij geboren die later bekend zou worden als Bastiaen de Rooij (de Ouden 1709-1781). Hij trouwde op 8-10-1734 in Werkendam met Rokeske Bouwman (1709-1775) en behalve als boer fungeerde hij ook als schepen (1747) en kerkmeester (1758) in Muilkerk. Hij was een belangrijk pachter van landerijen van de heer van Muilkerk Mr. Johan Iman Cau en bleef dat ook bij diens opvolger Dirk Elemans. Hij overleed op 72-jarige leeftijd in Dussen en werd begraven in de kerk van Muilkerk waarbij er acht keer voor hem werd geluid terwijl zijn kist was toegedekt met het beste kleed waarvoor een vergoeding van drie gulden moest worden betaald.

Bastiaen den Ouden en Rokuske Bouwman kregen tenminste negen kinderen. Voor ons verhaal zijn vooral hun zonen Gerrit, Bastiaen (den Jongen) en Anton interessant. Gerrit de Rooij (circa 1740-1817) werd omstreeks 1740 in Dussen geboren en trouwde in 1772 met Meggelina Heijstek (1743-1824). Zij was een zuster van wagenmaker Wouter Heijstek die zijn woning en wagenmakerij had in de Achterstraat van Dussen Binnen tussen de stamhoeve van Stael en de boerderij van Barend Groeneveld, daar waar later de villa van Hieronymus van Mol - vr de oorlog bewoond door burgemeester Snijders - gebouwd werd. Meggelina overleed in 1824 op een alleszins respectabele leeftijd van 81 jaar. Niettemin werden haar kinderen grootgebracht in het gezin van Wouter Heijstek, haar broer. Naar het hoe en waarom hiervan blijft het slechts gissen omdat er niets van is overgeleverd. Gerrit was naast landbouwer ook kerkmeester van de hervormde kerk in 1774-1775 en in 1779-1780. In 1779 was hij tevens schepen van Muilkerk en in 1809 - in de Franse tijd - lid van het gemeentebestuur. Hij was eveneens pachter van de heer van Muilkerk en had onder meer de Flincushoeve in gebruik. Het is niet bekend waar deze hoeve ter grootte van 10 morgen lag maar waarschijnlijk was dat in het Noordeveld. Mogelijk dat hij zijn boerderij bij deze hoeve land had staan maar daarvan zijn bewijsstukken gevonden. Gerrit overleed in 1817. Gerrit en Meggelina zijn de stamouders van vrijwel alle De Rooij-nazaten in Dussen.

Een jongere broer van Gerrit was Bastiaen (den Jongen) de Rooij (1747-1804). Die huwde in 1771 in Meeuwen met Geertruij Burghout (1745-1823) uit dat dorp. Zij waren de ouders van onder meer Petronella de Rooij, de oma van de bekende schrijver Lourens Penning die na haar scheiding van Gerrit van der Beek hertrouwde met de redelijk bemiddelde landbouwer Arie Pruijsers (1817-1876) uit Capelle. Hij behoorde in negentiende eeuw samen met Dionysius Middelkoop tot de hoogst aangeslagenen in Dussen voor rijksbelastingen. Zij hadden hun boerderij aan de Baan. Daar zullen ook de nodige paarden hebben rondgelopen want Arie was een fervent paardenliefhebber. Met zijn hengsten behaalde hij verschillende prijzen tijdens tentoonstellingen en deze waren dan ook zeer gewild om mee te fokken.
Gerrit en Meggelina kregen in totaal zes kinderen waarvan de laatste, een tweeling, in 1780 geboren werd. In juli 1800 liet Wouter Heijstek, het beroep 'raadermaker excerceerende', testament maken voor een notaris in Waalwijk waarbij zijn woning met wagenmakerij en enig land werd nagelaten aan Heijmen de Rooij; Heijmens zuster Rokuske kreeg een lijfrente van twintig gulden per jaar en zijn broer Bastiaan Gerritse de Rooij, die in Giessen woonde, het land in totaal 4 morgen verdeeld over drie verschillende percelen. De laatste moest voor zijn erfdeel overigens wel 2.400 gulden inbrengen in de gezamenlijke boedel. In 1809 werd de woning van Wouter Heijstek met erf, tuin en boomgaard door testamentair executeur Bastiaan Gerritse de Rooij overgedragen aan zijn broer Heijmen. Heijmen, of liever gezegd zijn weduwe, haar man was in 1825 overleden, werd echter in 1827 door het noodlot getroffen. De krant berichtte hierover: 'Uit het land van Altena verneemt men, dat te Dussen, in den nacht van den 5 op den 6 dezer, [februari 1827] zijn afgebrand twee huizen, toebehoorende aan Dingena Groenevelt de weduwe van Huijmen van Rooij, waarvan het eene gebruikt werd tot eene boerderij, en het andere grootendeels tot eene wagenmakerij; behalve die huizen zijn daarbij verloren gegaan eene aanzienlijke hoeveelheid wagenmakers-hout, gereedschappen, meubelen, acht tweejarige ossen, 80 mudden tarwe, 18 mudden lijnzaad, 25 mudden boonen, 20,000 nederl. ponden hooi, 10,000 nederl. pond stroo, enz., welke zich in dezelve bevonden. Ten opzigte van dezen brand houdt men het daarvoor, dat dezelve aan kwaadwilligheid moet worden toegeschreven.'

Bastiaan Gerritse de Rooij (1776-1852) woonde in Giessen en was gehuwd met Adriana Klaasse Verschoor uit Almkerk. Bastiaan erfde van zijn oom Wouter Heijstek: 5 hont leenland in Muilkerk, 5 hont land leenroerig aan het Huis van Dussen en gelegen naast vorige perceel, 14 hont bouwland op 't Schuringen (in de bocht van de Binnen/Baan ten zuiden van de Dusse) voor de helft leenroerig aan Huis van Dussen. Bastiaan overleed overigens op 75-jarige leeftijd in Almkerk. Zijn vrouw stierf elf jaar later eveneens in Almkerk. Kennelijk zijn ze dus later van Giessen naar Almkerk verhuisd. Hun zoon Marinus de Rooij zorgde voor meer De Rooij nageslacht in Almkerk.

De jongste broer Antonij de Rooij (1779-1839) Dussen trouwde te Dussen in 1816 met Aaltie Bouman (1790-1878) uit Wijk. Zij waren de ouders van onder meer de vrijgezelle Bastiaan de Rooij (1817-1897) die met zijn huishoudster van Haaften op nummer A32 aan de Baan woonde maar ook van Gerrit de Rooij (1818-?) getrouwd met Barbera Bouwman uit Emmikhoven en van landbouwer, voerman Meggelinus de Rooij (1823-1898) die met zijn echtgenote Cornelia van Dijk in de statige boerderij De Putte woonde.
Gerrit de Rooij en Barbera Bouman waren de ouders van Lammert de Rooij (1851-1922) welke samen met zijn echtgenote Clazina van Edenburg een herberg uitbaatte in Dussen Binnen even voorbij de pastorie van de hervormde kerk. Deze herberg staat ook op voororlogse ansichtkaart van Dussen Binnen samen met onder meer korenmolen De Gunst. Op hun beurt staan Lammert en Clazina weer aan de basis van het gezin en nageslacht van:

Arie de Rooij (1877-1936), grondwerker maar daarnaast machinist van de watermolen bij de Kornse Boezem, gehuwd met Jacoba van der Mast (1882-?) uit 's-Gravenmoer en de ouders van: tuinier Bertus de Rooij, de grondlegger van Firma De Rooy, van Arie (Ad) Michiel de Rooij de stichter van de schoenenzaak aan het Vrijheidsplein, van Huib de Rooij, opperman/metselaar bij aannemer Harie van Mierlo Pzn. uit Dussen maar ook van Johannes die in 1937 naar Sprang-Capelle vertrokken is en van Gijsberdinus.
Broers van Lammert waren: Hendrikus de Rooij (1882-?), de klompenmaker aan de Baan, getrouwd met Anna Maria Lankhaar uit Meeuwen en waarvan twee jongens ook meewerkten in de zaak.
Maar ook Bastiaan de Rooij, arbeider, gehuwd met Metha Maria Schreuders uit Meeuwen en woonachtig op de hoek van Ruttensteeg. Hun woning brandde echter af waarna hij zijn intrek nam in het zogenaamde Belsenhuis, naast de klompenmakerij van Van Gennip aan de Korn. Hun zoon Jan Willem verdronk terwijl hij vanuit Duitsland - waar hij vanwege de Arbeidseinsatz te werk gesteld was - op weg was naar huis tijdens oversteken van de Bergse Maas bij Heusden.

Toethuijs stamboomoverzicht

Bronnen

Terug naar Streekhistorie


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl