'Uijtgerooft en geplundert' Franse plunderingen in Meeuwen en op de Baan in Dussen begin 18de eeuw

Belegering en plundering is van alle tijden, ook in onze contreien. Al kon je als bestuurder met enige creativiteit wel eens de dans ontspringen. Zo waren de regeerders van de heerlijkheid Drongelen kennelijk mannen die genoten weldaden op den rechten prijs wisten te schatten. In den zomer van 1674 had burgemeester Anthonius Paulussen van der Werven zich met den schepen Leendart de Vries naar het kasteel te Dussen begeven, waar de graaf van Nassau, gouverneur van Heusden, zich tijdelijk met eenig krijgsvolk bevond, ten einde van Z[ijne] Exc[ellentie] te verkrijgen dat Drongelen van inkwartiering verschoond zou blijven. De reis trof doel en uit erkentelijkheid werd den graaf een vaetjen wijn vereert, waarvoor aan mr. Jan Latour te Heusden 35 gulden werd betaald.

Krantenbericht, DRONGELEN 5 Sept. 1897.

Een schepenakte van Dussen-Munsterkerk van 2 Januari 1706 verschaft ons een beeld door een daarin opgenomen verslag van de toenmalige collecteur der verpondingen van beide Dussens: Adriaan Pistorius aan de Schouten en Gerechten dier beide heerlijkheden, welke op dien dag gemeenschappelijk waren vergaderd in het Rechthuis van Munsterkerk. Genoemde Pistorius vertelt dan eerst, hoe in den nacht van 22 en 23 November 1705 een parthije vijantlijcke militie met twee commandanten, sterck twee en twintigh mannen gekomen waren aen Dusse Munsterkerk en daar een huis hadden uijtgeplondert; toen naar zijn huis togen en hem zelf, na zijn huis t eene mael geplondert te hebben, aangrepen, naar een aak sleepten en toen over de Oude Maas voerde. Via Waspik, 's-Gravenmoer, Rijen en Gilze belandt hij uiteindelijk in Baarle (resorterende onder Spaans-Brabant). Aldaar werd hij bevrijd door een garnizoen van 30 ruiters van het ondertussen geallarmeerde garnizoen van Geertruidenberg en kon hij gelukkig weer als vrij man terugkeren naar Dussen. Van zijn angstige avontuur deed hij in 1706 verslag aan schout en gerechten: Andries Elandt, Jan Antonij Stael en Michiel de Bruijn van Munsterkerk en aan N. van Brandwijk, Joost van Oorschot en Arie van Merwe van Muilkerk.

Bronnen: Dussen en zijn Kasteel, door Hendrik Donkersloot, p. 29-30. ORA Munsterkerk, Toegangnr. 0115, archiefnr. 0669

Maar het liep niet altijd zo goed af, gelezen het onderstaand bericht opgemaakt aan de hand van een brief van de rentmeester van Muilkerk 'de onderdanige en verpligten dinaar' van de heer van Dussen Muilkerk, die met 'haest en grote alteratie' bezorgd werd bij jonkheer Iman Cau, op dat moment reizende van Middelburg naar Den Haag. Blijkbaar ontving hij deze verontrustende tijding te Dordrecht.

'Uijtgerooft en geplundert' Franse plunderingen in Meeuwen en op de Baan in Dussen begin 18de eeuw

In 1709 trok de Franse Koning Lodewijk XIV met een leger naar het noorden. Hij veroverde Doornik en Bergen en bracht de Staatse infanterie van Jan Willem Friso een gevoelige nederlaag toe in de Slag bij Malplaquet. De slag bij Malplaquet, die op 11 september 1709 werd geleverd op de grens van de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk bij het Franse gehucht Malplaquet, was een van de belangrijkste veldslagen van de Spaanse Successieoorlog. De Fransen bonden er de strijd aan met de Grote Alliantie: Engeland, Staats-Nederland en Oostenrijk. Bij deze krachtsinspanning om de Zuidelijke Nederlanden te veroveren kwamen de franse troepen, al rovend en plunderend, echter ook in meer noordelijker gebied. In september 1711 werden ze in het Heusdense land gesignaleerd. Volgens andere bronnen (Donkersloot) betrof het hier een inval van het Franse leger onder aanvoering van Du Moulin. Getuige schout Cornelis van Brandwijk: 'Gisteren omtrent de klokke negen uren, soo als gereet stonden om naer de kerk te gaen, komt ons een franse partije dragonders overvallen en hebben tot Eethen, Meeuwe, Doveren, Drongelen, Hagoort, een gedeelte van B[abiloniŽn] Broek en in Ued. heerlijkheid van Muilkerk af tot de Dussense kerk toe, alles uijtgerooft en geplundert, en 't gene sij niet mede konden nemen hebben sij aen stukken geslagen en verscheurt. Ik ben der (daer ick God Almagtig niet genoeg voor danken kan) nog gesont afgekomen. Sij hebben mijn huijs maer voor een gedeelte gerooft, en is het meeste door de goede conduite van mijn vrouw [Adriana van der Hoeven uit Almkerk, een dochter van Joost van der Hoeven, heemraad te Almkerk] behouwden'.

Deze schriftelijke getuigenis werd afgelegd door Cornelis van Brandwijk Corneliszoon (1672-1729), schout van de heerlijkheid Dussen Munsterkerk. Cornelis was waarschijnlijk de meest onderlegde van het gezin van Cornelis Claeszoon van Brandwijk. Hij volgde in 1725 ook Michiel Donkersloot op, die te Emmichoven woonde, als schout van BabiloniŽnbroek. Verder bekleedde hij nog de ambten van drossaart van Hagoort, stadhouder 'van den adelijken slote' van Meeuwen, rentmeester van de Heer van Muilkerk met o.a. het beheer van de Adriaen van Herlaer hoeve in Dussen Binnen ter grootte van 14 bunder en rentmeester van de Heer van Eethen en Meeuwen. Maar hij was ook dijkgraaf van de Eethensche en Meeuwensche dijken, terwijl hij ook meermalen als collecteur der verpondingen werd aangetroffen. Hij draaide dus zijn hand niet om voor ambt meer of minder. Duidelijk is wel dat de zoon, nog meer als zijn vader, betrokken was bij het bestuur van Meeuwen, Broek en Dussen.

Voor meer informatie over het Geslacht Van Brandwijk zie de webpagina Van Brandwijk, wisseling van de macht

Het was de Fransen blijkbaar niet alleen te doen om te roven en te plunderen. Verscheidene vooraanstaande lieden werden door de indringers meegevoerd waaronder: 'de vrouw van Meeuwe, den drost Hagoort, den predikant dominee Vinck en den broeder van den drost Hagoort die veel gelt in huijs hadde en over eenige jaren van Zuriname hier is komen wonen'.
Ook in Dussen Muilkerk [de Baan] hielden zij huis, al bleef de Adriaen van Herlaer hoeve in Dussen Binnen gespaard: 'Sij hebben ook van Dussen mede Uedele predikant dominee Joosten. Met het plunderen van de huijsen niet vergenoegt sijnde hebben sij ook een menigte van de beste paerden uijt het land alhier gerooft onder anderen ook een van mijn. Het casteel van Meeuwe is ook geheel en al uijtgerooft en geplundert maar sij sijn niet tot uedele huijsing aen de Dussen geweest. Daer waren drie esquadrons tot Meeuwe, twee tot Eethen en een in B[abiloniŽn] Broek, dog maer wijnig (men seijt selfs maer van vier dragonders) sijnder in Uedele heerlijkheid van Dussen geweest'

Met 'uedele huijsing aen de Dussen' werd in dit verband de Adriaen van Herlaer hoeve in Dussen Binnen bedoeld en niet het Kasteel van Dussen. Dat was namelijk in eigendom van de Heer van Munsterkerk, destijds Jean Louis van der Schueren van Hagoort. In de analen van het Kasteel van Dussen wordt ook niet gerept over een aanval van Franse dragonders in 1711. Wel dat het drie jaar later, in 1714, gerestaureerd werd waarvoor onder meer '2600 leijen gekomen van 't huijs van Gansoijen' gebruikt werden, maar een verband met eventuele plunderingen in 1711 is er niet. Wel staat vast dat in het 'rampjaar 1672' het Kasteel Dussen te leiden had van de bezetting door Franse soldaten, terwijl het een eeuw eerder, in 1573, door een Spaans bezettingsleger onder leiding van de officieren Nicolaas en Harold Basta in zeer gehavende toestand was achtergelaten.

Bron: Johan Hendriks, Het Brabants Kasteel, jaargang 5, juni 1982, nr. 2, p. 23-30.
Brief van Cornelis van Brandwijk, rentmeester, aan Mr Iman Cau, ambachtsheer Dussen Muilkerk, over een overval door Franse dragonders, 1711. ARA 's-Gravenhage, Familie-archief Berg, inv.nummer 665.

Terug naar Streekhistorie


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl