Oorsprong en Historie van de Geslachtsaam

Bij een onderzoek naar de oorsprong van een familienaam zijn er twee sporen; een taalkundig (naamkundig) spoor, en een genealogisch (familiegeschiedenis) spoor. Bij het eerste spoor moet men de taal- en klankveranderingen en de oude betekenissen van woorden kennen. De Nederlandse literatuur is beknopt; het boek Voor- en familienamen in Nederland van R.A. Ebeling (Centraal Bureau voor Genealogie, Den Haag 1993) is het meest recent.

Het tweede spoor betekent het nazoeken waar de familienaam voor het eerst (het vroegst in tijd) opdook of vandaan kwam. Dat gaat via stamboomonderzoek. Dit kan aanwijzingen opleveren in de zin van: een vroeger beroep, een gebied of plaats, een huisplaats of boerenhofstede, immigratie (ook uit streken die vroeger tot hetzelfde bestuursgebied behoorden), of via vreemde legers.

  • De bevindingen zijn vastgelegd in de navolgende hoofdstukken


    Topografische -, literatuur-, taalkundige - en andere bronnen

    Door de eeuwen heen wordt de geslachtsnaam Lensvelt op verschillende manieren geschreven. In chronologische volgorde: Lenxvelt, Lenghsvelt, Lencsvelt, Leijnsvelt, Lensvelt, Leensvelt, Liesvelt, Leeuwsvelt, Lensvelt, Lantsvelt, Lansvelt, Lensfelt, Lensveld, Lingsvelt, Lijnsvelt, Lijnsveld. In de oudste vormen werd de geslachtsnaam meestal voorafgegaan door het woordje "van".

    Ook kwamen incidenteel nog andere varianten op deze verschillende schrijfwijzes voor. Echter, in de oudste, totnutoe teruggevonden schriftelijke bronnen, waarbij er echt aantoonbaar verband is met het geslacht Lensvelt (Gerrit Jansz), wordt de naam gespeld als Van Liesvelt en als Lensvelt. Voor de schrijfwijze Van Lenxvelt en Van Leensvelt is een familieband met Lensvelt nog niet onomstotelijk bewezen.

    In de Encyclopodie van Namen van A. Huizinga wordt aangegeven dat de naam Lensvelt een samenvoeging zou zijn van het Oudnederlandse "Velt" met de eveneens Oudnederlandse mans-naam "Lens", zijnde 'n samentrekking van de voornaam Laurens of Laurentius (de gelauwerde).

    Het Middelnederlands handwoordenboek van Verdam voegt daar aan toe dat "Lens" een eenstammige verkorting is van de germaanse naam met lint- , waarbij dit laatste weer de betekenis heeft van slang, respectievelijk schild van lindehout.

    "Lens" heeft echter nog tal van andere betekenissen, waarop we in het verdere verloop van dit hoofdstuk nog nader terug komen. "Velt" staat wel haast zeker voor veld (akker), dat conform de oude spelling met een "t" aan het eind werd geschreven.

    Volgens naamkundige Dr. R.A. Ebeling (Universiteit Groningen) is Lensvelt een plaats-, veld- of boerderijnaam. In het Aardrijkskundig woordenboek van Nederland van 1913 2e verbeterde -, veel vermeerderde druk, Groningen Wolters, van M. Pott van professie hoofdcommies van de posterijen, wordt melding gemaakt van "Het Lensveld" bij Voorst of in de Gemeente Voorst in Gelderland. Onderzoek in de archieven van Voorst (Twello) en Voorst (Gendringen), beide in Gelderland, bleef helaas zonder resultaat. "Het Lensveld" is er niet bekend, terwijl ook raadpleging van oude kaarten en de lokale DTB registers van vóór 1811 op de familienaam Lensvelt geen aanknopingspunten opleverde.

    Bart Lenselink uit Pijnacker vraagt zich af (e-mail 10-05-1998) of er wellicht niet "Het Leusveld" bedoeld wordt. Volgens hem komt in de straatnamenkaart van Voorst de Leusvelderweg voor. Deze weg komt uit op de Breestraat, die de grens vormt met de Gemeente Brummen. Volgens hem is de weg vernoemd naar een boerderij Leusveld. Deze ligt tussen Eerbeek en Rhiederen, grenzend aan een bosgebiedje, ingeklemd tussen Kaniestraat en de Rhiederensestraat.
    Dat wordt onderschreven door Jan Groenenberg (e-mail 20-05-2005), bestuurslid van de locale Oudheidkundige Vereniging. De naam Lensveld komt in de Gemeente Voorst niet voor als boerderijnaam. In een "Cedule van de erven en wooningen in den ampte van Voorst" uit 1802 staan wel een Groote en Klein Leusveld. Op de Groote Leusveld woonde een Evert Jan Joolink en op Klein Leusveld Jan ten Winkel. Verder wordt de naam Leusveld in de locale archieven niet vermeld. Hij houdt het op een mogelijke verschrijving van Leusveld in Lensveld in het aardrijkskundig woordenboek van Pott.
    In de Arnhemsche Courant van 4 februari 1865 is een advertentie opgenomen van de openbare verkoping van het erfhuis op het Leusveld onder Oeken te Brummen. Op 20 februari 1865 werd er de levende have en inventaris van de boerderij geveild door notaris Van der Dussen.

    De veronderstelling dat Lensvelt een perceelsnaam is wordt ook gestaafd door hetgeen Peter Hoppenbrouwers schrijft in zijn studie: Een middeleeuwse samenleving, Het Land van Heusden, ca. 1360 - ca. 1515 (Ned. Agronomisch-Historisch Instituut, Groningen 1992). Hierin vermeldt hij dat het suffix -veld in het middeleeuwse Land van Heusden verwijst naar weidecomplexen op de hellende delen van de stroomruggronden. Het suffix -camp lijkt, weer volgens Hoppenbrouwers, soms het equivalent voor -veld in laatstbedoelde betekenis.

    Nu behoort Dussen wel niet tot het Land van Heusden, maar in een Allodium Bernense (lijst van goederen van de Abdij van Berne) uit 1130 wordt ook Dussen vermeld. Dit zou er, volgens streekarchivaris Tom van der Aalst (03-02-1994), op kunnen duiden dat Dussen oorspronkelijk tot de Landen van Heusden heeft behoord. Bovendien grenst het er wel aan en ligt Dussen op de zogenaamde Dussense stroomrug.

    Opmerkelijk in dit verband is een van de vele betekenissen van Lens in het Etymologisch Woordenboek. Hier wordt voor Lens of Luns o.m. als verklaring gegeven "spie". Weliswaar in de betekenis van een borg door een gat gestoken om te verhinderen dat een voorwerp van zijn plaats schuift, maar wellicht dat men een stuk land in de vorm van een spie ook als zodanig heeft aangeduid.

    Naamkundige Dr. R. Rentenaar van het naamkundig P.J. Meertens-Instituut Amsterdam is echter een geheel andere mening toegedaan. Hij deelde desgevraagd mede dat, volgens hem, Lens te maken heeft met "lindeboom"; vooral in Brabant. Dit zou ook een verklaring kunnen zijn voor het wijzigen van de naam in Leijnsvelt/Lijnsvelt omdat Lens verwant blijkt met Lents en Lijns, waarbij het laatste inderdaad in verband wordt gebracht met lindeboom. Bovendien vertelde hij dat bewoners oorspronkelijk ergens anders vandaan kwamen en dat de naam dus niet persé uit de directe omgeving hoeft te stammen.

    Dat laatste wordt ook door Dr. Ir. B.W. Braam onderschreven. Dhr. Braam heeft veel topografisch onderzoek gedaan in het Land van Heusden en Altena en heeft daar ook veel over gepubliceerd. Hem is geen veldnaam Lensveld in Dussen bekend, noch in ruimere zin in het Land van Heusden en Altena.
    De bewering dat samenvoeging van een persoonsnaam met veld tot de naam Lensvelt heeft geleid, lijkt hem niet aannemelijk. Dan zou namelijk de persoonsnaam eerst overgegaan zijn op het perceel, en later weer van het perceel naar een persoon. Hoewel niet geheel onmogelijk, lijkt hem dat toch wat ver gezocht.
    Volgens Braam is een verband met het zelfstandig naamwoord "lin" of "lijn" in de betekenis van vlas niet uit te sluiten. In die gedachtengang zou Lijnsvelt of Lensvelt een vlasakker betekenen. Voor dergelijke percelen vindt men in het Land van Heusden en Altena echter geen namen eindigend op velt of veld (die hebben daar betrekking op veel grotere complexen) maar namen op -kamp, -akker of -land. In Dussen bijvoorbeeld Garstland en Rogkamp (1510). In Noord-Brabant is wel het Gat van Lijnoorden (Biesbosch) en Lijndonk (Bavel) bekend.

    In het schepenprotocol van Lith (bron: BHIC) wordt veelvuldig de topografische aanduiding Liensvelden genoemd die echter soms ook wel wordt omschreven als Lijnsvelden (in 1450, 1452, 1454, 1467, 1536, 1539, 1541, 1545 en 1594) of als Lensvelden (in 1585). Veel later, in 1845, wordt in het notarieel protocol van Veghel door een aantal comparanten aan de ontvanger der belastingen verkocht: een perceel land te Veghel genaamd het Lijnsveld kadasternummer E.1517.

    Dit Lijndonk wordt ook vernoemd in de studie van Chr.Buiks, Laatmiddeleeuws landschap en veldnamen in de Baronie van Breda (Van Gorcum, Assen 1997), waarbij het in verband wordt gebracht met lindebomen. In deze studie wordt ook gerept over Lyndbeek bij Ulekoten, waarbij Lynd verwijst naar de waternaam "linde" met betekenis "langzaam, zachtjes stromend". Zo is in Tilburg en Friesland een water Lind bekend.
    In dit verband is het interessant dat de plaatsnaam Dussen, waar de naam Lensvelt in oude schriftelijke voorkomt, is afgeleid van het het riviertje De Dusse dat etymologisch behoort tot het oud-hoogduitse "dôsôn", hetgeen de betekenis heeft van "ruisen, stromen".

    Drs J.C.M. Sanders draagt in zijn studie over het kartuizerklooster "Het Hollandsche Huis" bij Geertruidenberg 1336-1595 (Verloren, Hilversum 1990) een andere betekenis van Lijn aan. Volgens hem was "Lijn" een andere benaming voor de opppervlaktemaat "hont" zijnde 1/6 deel van een "morgen" en gelijk aan 600 roeden, echter in Babyloniënbroek en in Munsterkerk schijnt - nog steeds volgens Sanders - de morgen slechts vijf hont te hebben bevat.
    Uit de zelfde studie blijkt dat de linde in het wild ongeveer rond 500 v.Chr. verdwenen zou zijn, of zelfs al in de bronstijd, maar aangezien de boom veel door de mens werd aangeplant kan hij later weer hier en daar verwilderd zijn. Linden werden vooral aangetroffen op dorpspleinen en op boerenerven. Ze vervulden dan veelal de rol van de zogenaamde "geboden linde" een boom waaronder de vierschaar werd gespannen en recht werd gesproken.

    Over veld als element in het toponiem schrijft Buiks dat de verdeling hiervan vrijwel ontbreekt in Alphen, Chaam, Dongen, Ginneken, Rijsbergen en Sprundel. Verder komt het schaars voor in Baarle, Princenhage, Terheyden, Teteringen en Zundert. Meer frequent echter is het in Gilze, Oosterhout en vooral in Roosendaal. Veld blijkt dus zowel in oostelijk Brabant (Kempenland; aldaar na akker het meest voorkomende element) als in westelijk Brabant, i.c. Roosendaal beter vertegenwoordigd dan in de er tussenliggende Baronie.

    Henk Beyers en Geert-Jan van Bussel, de auteurs van o.a. Veldnamen als historische bron. Een handleiding voor methodisch onderzoek (‘s-Hertogenbosch 1991), begonnen in 1991 met het inventariseren van naamkundig materiaal van vóór het jaar 1500 binnen de beperkte regio van de oude cijnskring Helmond, waarschijnlijk een rechtstreekse opvolger van het graafschap Rode. Hun inventarisatieproject gepubliceerd onder de titel: Van d'n AAbeemd tot de Zwijnsput (1996), toonde aan dat ‘veld’ in zeer veel combinaties voorkomt, vergelijkbaar met het element ‘akker’.
    Zij stellen dat in de middeleeuwen ‘veld’ het meest algemene woord was voor ongecultiveerde of woeste grond. Dit ‘veld’ was toegankelijk voor het grazende vee. Veld in combinatie met gehuchtnamen duidt meestal op grotere complexen die in de late middeleeuwen vermoedelijk ontgonnen en in talrijke percelen verkaveld werden. Een ‘koeienveld’ was het land dat aanvankelijk niet voor bebouwing in aanmerking kwam en waarop het vee i.c. koeien konden grazen. Bij het in cultuur brengen van delen van de gemeynt kreeg veld steeds meer de secundaire betekenis van een perceel bouwland en werd vaak synoniem aan akker. Volgens Molemans is uit de toponymie van Overpelt af te leiden dat het element ‘veld’ meestal wordt voorafgegaan door een omstandigheidsbepaling, die gewoonlijk op het bezit of op de ligging betrekking heeft.
    Bronnen en aantal vermeldingen van 'veld': Buiks 1990:44; Gijsseling 1954:1; Mennen 1992:53; Molemans 1976:1588.

    Eerder geciteerde Braams geeft in zijn artikel in het Brabants Heem (1997, nr. 2) over de Sociale en economische vernieuwing in het Land van Heusden en Altena tussen 1100 en 1300 een interessante verklaring van het toponiem "velt". Volgens hem waren in het Midden-Nederlands rivierengebied, waartoe ook Dussen e.o. behoort, de laaggelegen gronden, de zogeheten komgronden, in die periode vrijwel steeds onbewoond. Deze terreinen waren herkenbaar aan veldnamen eindigend op -broek, -velt of -aart en blijken in de twaalfde of dertiende ontgonnen te zijn. Op sommige plaatsen werd daarmee al een aanvang gemaakt in de elfde eeuw. Door de ontginning van deze grote oppervlakten laaggelegen grond, kregen de dorpen en de dorpsgebieden uiteindelijk de vorm die ze - met beperkte wijzigingen - behielden tot in de twintigste eeuw.

    In de Nederlandse Familienamen Databank van het gerenomeerde Meertens Instituut te Amsterdam welke toegankelijk is via hun website geeft ook een verklaring van de naam. Hierbij echter de aantekening dat deze niet helemaal is bijgewerkt met de laatste onderzoeksresultaten hieromtrent:

    Lensvelt verklaring:
    De oudste vorm van de naam - die fonetisch vaker terugkeert - als toponiem zowel als geslachtsnaam, wijst op een genitiefvorm van de mansnaam Leijn/ Lijn, een verkorte vorm, wellicht horend bij Gislijn/ Gisleen, mogelijk bij Leonard/ Leendert. De schrijfwijze met -x- i.p.v. -ngs- is niet ongewoon, denk maar aan 'langs : lanx'. (Bron: Wim Oosterpad, Meertensinstituut, 12-7-2012).
    Er wordt verondersteld dat de naamsvorm Lensvelt, die vanaf de eerste helft van de zeventiende eeuw in Dussen voorkomt, voorafgegaan wordt door vormen als Lenxvelt en Leijnsvelt die vanaf de veertiende eeuw in de omgeving van Den Bosch, Berlicum en Den Dungen zijn aangetroffen. De vroegst bekende voorouder is in Dussen voor het eerst geattesteerd met de naam Leeuwsveld. Dit is vermoedelijk een volksetymologische interpretatie waaruit blijkt dat de naam hier niet vertrouwd is. De vorm Lensvelt, die daarna wordt gehandhaafd, zou eveneens een interpretatie kunnen zijn van een naam die elders zijn oorsprong vindt, bijvoorbeeld Lenghsveld.
    Zolang de naam niet met een te lokaliseren toponiem in verband kan worden gebracht is het hachelijk om de naam te proberen te duiden. Misschien mogen we deze middeleeuwse vormen vertalen als 'Langsveld of Langsteveld': een veld dat zich in lengterichting uitstrekt, in tegenstelling tot een dwarsveld, of 'het langste veld' (overtreffende trap van bnw. lang).
    Daarnaast de mogelijkheid Leijnsvelt uit Lijnstveld = Lindeveld, veld met een lindeboom; vergelijk het toponiem Lijnsheike bij Tilburg, uit Lyndsheike, waar in 1502 'die oude linde' stond en/of het goed Ter Lijnden (Linden).

    Naamsvermeldingen en literatuurreferenties:

  • Uitvoerige genealogie en onderzoek naar de naamsoorsprong op internet site: http://members.ziggo.nl/tonlensvelt/Publiek/
    [Informant: Ton Lensvelt, Molenplantsoen 40, 4271 AH Dussen (tonlensvelt@ziggo.nl), 1-3-2000].
  • Over Lijnsheike:
    - F. Smulders, 'Tilburg rond 1450', in: Actum Tilliburgis 4 (1973), nr 1, p 29.
    - P. Spapens, De oudste Tilburger. Een stad neemt afscheid van haar lindeboom, Tilburg 1994, p 9.

    kenmerken: toponiem; specifieke componenten: Ø; vergelijk: Lankveld, van.
    varianten: Van Landsveld?, Lensveld, Lensveldt, Lijnsveld, Lijnsvelt, Lingsveld.
    Zie ook aantal naamdragers bij de Volkstelling van 1947 volgens het Nederlands Repertorium van Familienamen in het hoofdstuk Spreiding.

    [Bron: Nederlandse Familienamen Databank Meertens Instituut Amsterdam]

  • In het plaatsnamenboek van Gerald van Berkel en Kees Samplonius wordt Lijndonk beschreven als: verwant met "line" een langwerpig landstuk ter lengte van een line (honderd roeden), onderdeel of vak van een dijk, terwijl men daarnaast kan denken aan een "lijnde", in Brabant een gewestelijke benaming voor lindeboom.

    Omdat de naam Lensvelt, of een variant daarvan, reeds vroeg voorkomt, vermoedt Braam een zuidelijke herkomst: Brabant of Vlaanderen, omdat daar het gebruik van achternamen al eerder in zwang was. Op lemige oude bouwlanden werd daar wel vlas verbouwd. Hierbij dienen we dan echter wel de aantekening te plaatsen van de Vlaamse Vereniging voor Familiekunde dat de naam Lensvelt in al z'n schrijfvormen niet in hun Genealogisch Repertorium voorkomt, noch in hun uitgebreide Centrum Bibliotheek.

    Bovendien, blijkens een E-mail van Constant J.L. De Maeijer, wordt de naam ook niet vermeld in "de Brabandere", het woordenboek van familienamen in België en Frankrijk, hetgeen betekent dat hij niet of zéér sporadisch in België voorkomt. Verder bestond volgens hem de letter "ij" niet. In de Middeleeuwen en later was "ij" een verlenging van de tweede "i"; een dubbele "ii" dus. Deze werd gebruikt om leesverwarring met de "m", "n", "u", etc. te voorkomen. Zijn suggestie is dat Lens is afgeleid van de persoonsnaam Laurentius, omdat bijvoorbeeld de naam Lenssen (zoon van Lens) in Limburg veel voorkomt en de oorsprong hiervan aantoonbaar Laure(i)ns is.

    De familienaam Lens en/of Lenssen komt ook in België veelvuldig voor. De familienaam.be zoekmachine op internet leert ons dat de naam Lens in de driehoek Antwerpen-Brussel-Hasselt, thans maar liefst 1398 keer vermeld word. De naamvariant Lenssen is met 222 vermeldingen vooral meer oostelijk (Belgisch Limburg) aanwezig.

    In de streek rond Nederhemert stamt uit dezelfde periode ook een geslachtsnaam Lenshoek. Volgens locale heemkundigen (e-mail 17-05-2005 drs. S.E.M. van Doornmalen, adjunct-streekarchivaris Zaltbommel) is deze naam ontleend aan "een gebied, perceel grond (een hoek) waar in vroeger tijden gelensd of geloosd werd. Dus waar het water vanuit een laagliggend perceel werd geloosd." Het wapen van de familie Lenshoek is bovendien een zesspakig (molen)rad of wiel. Mogelijk bestaat er in de vorm van een perceelsnaam verband tussen Lenshoek en Lensvelt, wat gezien beider Nederhemertse oorsprong mogelijk is. In dat geval ligt een betekenis voor Lensvelt van een veld waaruit water geloosd werd voor de hand.

    Lens komt in Brabant nog meer voor als deel van een toponiem. Zo is er in de Gemeente Reusel een gehucht Lensheuvel, in 1444 aangeduid als Lennenshoevel. De Lensheuvel behelst één straat, echter van een aparte vorm; het achterste gedeelte van de straat loopt namelijk breed uit, in een soort spie !! dus. Volgens veronderstelling en overlevering is die vorm ooit ontstaan door een brand waarbij in dat gedeelte van de straat de huizen in as werden gelegd. Om zo vlug mogelijk weer over een woning te kunnen beschikken, bouwde men een nieuw huis achter de puinhoop van het vorige. Bruikbaar materiaal werd dan uit die puinhoop gevist en opnieuw gebruikt. Een bodemonderzoek ter plaatse zou deze veronderstelling kunnen bewijzen.
    Het lokale heemkundeblad De Scheeper publiceerde een verklaring van de naam Lennenshoevel (de vijftiende eeuwse schrijfwijze van de naam Lensheuvel). Hoewel de naam algemeen verklaard wordt als Lindenheuvel, trekt de auteur dat in twijfel. Volgens hem, kun je het meervoud van het woord linde namelijk niet met een "s" aan een ander woord verbinden. Met andere woorden Lindensheuvel kan niet en kon vroeger ook niet. Hij houdt het erop dat Lennen (Lens) een persoonsnaam is.

    Bovendien komt Lens nog een aantal malen voor in de scheepstaal, onder meer in de betekenis van een lans of spies welke bij de jacht op walvissen en ijsberen gebruikt werd, maar ook als uitdrukking voor het met weinig zeil varen of voor anker liggen. Verder kun je bij "lens" natuurlijk ook nog denken aan een vergrootglas e.d. Echter bij deze twee laatste betekenissen is 'n verbinding met "velt" niet direct voor de hand liggend.

    Marcel Lensvelt opteert in z'n e-mail van 8 mei 2003 voor nog een andere variant als het gaat om de verklaring van de de naam. Blijkens een mededeling van zijn vroegere leraar nederlands - welke geïnteresseerd was in Oudnederlandse spelling - werd Leijnsvelt vroeger uitgesproken als Leensvelt.

    "Het zwaartepunt van de cultuur, die sterk onder Franse invloed staat, ligt in de Middeleeuwen in het zuiden; vooral in Vlaanderen en Brabant. Als de nu bewaard gebleven Middelnederlandse literatuur wordt overzien, kan bemerkt worden dat er eerst vanaf de 13de eeuw af gesproken kan worden van een ononderbroken stroom. Van de oudere literatuur is een belangrijk deel in de loop der tijden verloren gegaan. De oorzaken hiervan zijn zowel rampen (oorlogen, plundering, brand), alsook het niet beseffen van de waarde van deze oude boeken, zodat het herhaaldelijk gebeurd is, dat het perkament waarop het geschreven was, in een latere periode gebruikt werd om de boeken van dié tijd in te binden. Voor het lezen en begrijpen van deze Middelnederlandse teksten geeft Lodewick ondermeer de volgende aanwijzingen: "de lange klinkers a, o, e en u werden in gesloten lettergrepen gewoonlijk niet aangegeven door verdubbeling, maar door achtervoeging van e of i (y): aen, voir, deilen."
    Voorafgaande aan deze periode staat alleen de figuur van de Limburgse edelman Heynric van Veldeken. Heynric van Veldeken is een edelman en troubadour, die, zoals weleens gezegd wordt, als schildwacht een eenzame post inneemt aan de ingang van onze literatuurgeschiedenis. Echter ook hier ziet men consequent dat een dubbele e wordt weergegeven als een 'ey'. Bijvoorbeeld dit fragment uit zijn Sint Servaes Legende: "... Des waren woerden in eyn, Der enghel sinte Seruaes erscheyn." [... Het daarover eens geworden waren, Verscheen de engel aan St. Servaas]"

    [Bron: "Literatuur Geschiedenis & Bloemlezing" van H.J.M.F. Lodewick (Leraar aan het Stedelijk Lyceum te Maastricht)]
    Een mogelijke familieband tussen de geslachtsnaam Van Leensvelt met latere vermeldingen van Van Lensvelt krijgt door deze toelichting alleen maar meer inhoud. Want net zo goed als Leijnsvelt vroeger kan zijn uitgesproken als Leensvelt, is het mogelijk dat het omgekeerde heeft plaatsgevonden bij het optekenen van de naam in officiële documenten.

    De al eerder aangehaalde Chr.Buiks - die veel veldnamenonderzoek in Brabant heeft gedaan - gaf ons middels een brief (augustus 2000) zijn visie weer op de familienaam.

    "Lens voor lijn=vlas: Komt in Noordelijk Nederland wel voor, bijv. in Drente, waar diverse Lijnacker en Lijnstukken voorkomen (M.Schönfeld: Veldnamen in Nederland, pagina 79). Ook in Noord-Brabant, bijv. Oerle komt een Lijnakker voor (A.P.de Bont: Dialekt van Kempenland, III, pagina 7). Meestal wordt vlas of lijn gecombineerd met akker ,strijp of stuk, maar niet met veld. Bovendien vormt de "s" in Lensvelt een probleem. De verklaring lens < lijn lijkt me daarom niet waarschijnlijk."

    "Lens voor linde: In Lijndonk en andere namen met linde (Lindakker, lindeheining, lindestrijp, Lindhout, Lintvoord, etc.) treedt lind en soms lent op (bijv. De Lent te Wernhout). De overgang linde > lens lijkt mij gezien de "s" niet goed mogelijk. In Tilburg echter zouden het Lijnsheike en de Lijnsestraat hun naam ontlenen aan het goed ter Linden (Lyndensheike>Lijnsheike). Dat zou de "s" kunnen verklaren. Maar of deze evolutie ook in Den Dungen (of een andere stamplaats van het geslacht heeft plaats kunnen vinden is zeer twijfelachtig. Dus ook Lens < linde lijkt niet erg waarschijnlijk."

    "Lens: familienaam, afgeleid van een persoonsnaam (Laurentius of Geleyn) komt verspreid voor (Ned. repertorium van familienamen, pagina 363). Deze verklaring kan opgaan. Nadat de naam van de persoon aan het veld gehecht was, ging de naam van het veld op zijn beurt over op de latere bezitter."

    "Lens < lang(st): kan gezien de oude vormen van de naam in Den Dungen ook kloppen."

    "Andere verklaringen zoals leen, lans etc. kunnen niet voldoen."

    Om verder te komen zou men op zoek kunnen gaan naar de oudste vermeldingen van het toponiem (Den Dungen?). Gegevens te vinden in de fiches Smulders (uittreksels van de laatmiddeleeuwse Bossche schepenbrieven, berustend in Stadsarchief Den Bosch). Deze zijn gerangschikt op familienaam,niet op toponiem. Dat is dus een heel zoekwerk. In Oss kwam het toponiem waarschijnlijk niet voor (althans niet in de in Den Bosch op het rijksarchief berustende uitreksels van schepenbrieven van Oss).

    Terug naar inhoud


    Genealogische bronnen

    Oudste naamsvermeldingen in de Meijerij:

    De oudste vermeldingen van de geslachtsnaam, of wat daar in ieder geval sterk op lijkt, zijn in de Meijerij van Den Bosch aangetroffen, onder andere in:
    - het archief van de parochie Sint Petrus van Berlicum (bron: BHIC);
    - de jaarrekeningen van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in ’s-Hertogenbosch (bron: BHIC);
    - het cijnsregister van het Clarissenklooster te s-Hertogenbosch (bron: Taxandria);
    - het cijnsregister van de heren van Helmond (bron: RHC Eindhoven);
    - het schepenprotocol van Veghel (bron: BHIC);
    - de collectie Van Bokhoven inzake Schijndel (bron: BHIC);
    - de index op de schoutsrekeningen van 's-Hertogenbosch samengesteld door Henk Beyers;
    - de index op de vonnisboeken van de Raad van Brabant Brussel samengesteld door Henk Beyers;
    - het toponiemenregister van Berlicum, Kaathoven en Middelrode, samengesteld door W. van der Heijden (Bron: Heemkundeverg. De Plaets Berlicum);
    - de uitgebreide genealogische beschrijving over Den Dungen samengesteld door Leo van Minderhout;
    Bron: Zes eeuwen Den Dungen (1976) en Genealogie van Den Dungen (1991), Deel I en II, L. van Minderhout. Deze bron is gebaseerd op onder andere: het Bosch Protocol (vanaf 1367 waarin bezitters van goederen in Den Dungen geregistreerd staan), pastoorsregisters (vanaf 1610) en registers van notarissen (vanaf ongeveer 1650) waarvan de auteur genealogische (gezins-)bladen heeft samengesteld. Daarvan heeft hij een deel gepubliceerd in deze twee boeken.
    - maar vooral in het Bosch' Protocol dat beheerd wordt in het Stadsarchief van 's-Hertogenbosch.

    Het Bosch'Protocol zijn registers van vrijwillige rechtspraak, opgetekend ten overstaan van de schepenen van 's-Hertogenbosch, die de periode beslaan vanaf 1367 tot 1811. Vanuit de gehele Meijerij kwamen partijen naar de stad om hun overeenkomst te laten vastleggen. Het merendeel van akten had betrekking op goederen die gelegen waren buiten de stad of haar direkte omgeving. Tot midden zestiende eeuw werden de akten opgetekend in het Latijn, volgens een vast stramien en met gebruikmaking van een specifiek afkortingssysteem. Wat betreft het inhoudelijk toegankelijk maken van de protocollen vóór 1500, werd baanbrekend werk verricht door Ferdinand Smulders. Hij startte in 1961 met indicering van alle akten vanaf 1367 tot 1500 op fiches. Na het overlijden van Smulders werd zijn werk afgerond door Mechelien Spierings, die in 1984 promoveerde op de oudste delen van het schepenprotocol van Den Bosch. De oudste delen zijn verder uitgewerkt (uitgeschreven en van regesten voorzien) door S. Ketelaars.
    Tevens zijn er door diverse heemkundigen transcripties of nadere beschrijvingen gemaakt van het Bosch' Protocol voor zover deze betrekking hebben op hun regio. Deze zijn beschikbaar bij de heemkundekringen De Plaets Berlicum (W. van der Heijden), De Kleine Meijerij Oisterwijk en De Kommanderij Gemert, maar ook van Udenhout, Sint Oederode en Best en Oirschot (Jan Toirkens) zijn er separate beschrijvingen.
    De geslachtsnaam komt in verschillende schrijfvarianten veelvuldig voor in het Bosch' Protocol, zoals: Van Lenxvelt, Van Lengsvelt, Van Lenghsvelt, Van Lencxvelt maar ook varianten met dubbel "ee" als Van Leenxvelt of met "eij"of "ei" zoals Van Leijnsvelt en Van Leinxvelt. Van de schrijfwijze met de klinker "a" zoals Van Langvelt of Van Lancvelt staat vast dat deze geslachtsnaam geen verband houdt met de klinker "e" varianten.

    Lees hiervoor hetgeen uitgebreid beschreven is onder Van Lenxvelt in Berlicum-Middelrode e.o.

    Ter aanvulling op datgene wat op deze webpagina over het toponiem, de geslachtsnaam en het geslacht is beschreven, onderstaand nog wat extra informatie over het dorp Berlicum-Middelrode.

    Berlicum - Middelrode - Kaathoven
    De oude dorpskern van Berlicum, die nog steeds bestaat en 'De Plaets' heet, is ontstaan op een donk gelegen bij een zeer drassig gebied noordelijk van het beekje de Run en de rivier de Aa. Verspreid door het dorp, maar ook in Middelrode en Kaathoven lagen meerdere vennen. De sterk meanderende Aa en de kleinere riviertjes en beken overspoelden jaarlijks de lage gebieden in de beekdalen en lieten vruchtbare beekklei achter. Kaat (van Kaathoven) komt van quaat=slecht. In het dialect kan men zeggen: 'koij hoeve'. De naam Kaathoven gaf aan dat het een gebied was met slechte grond.
    De oudste kern Berlicum breidde zich geleidelijk uit in de richting van Middelrode en Kaathoven. Men gebruikte de lagere gebieden als wei- en hooiland. De hogere gebieden werden door bemesting geschikt gemaakt voor akkerbouw. De gemeenschappelijke gronden, 'de Gemeijnt', werden in 1300 door de hertog van Brabant aan de inwoners verkocht. Toen kregen ze een bepaalde vorm van zelfbestuur. Door de eeuwen heen raakten de beschikbare gronden steeds meer versnipperd, terwijl ook 'de Gemeijnt' langzamerhand overging in particulier bezit. Door verkoop en vererving raakten ook deze gronden verkaveld in kleine stukjes land. Alle kerkelijke eigendommen kwamen in 1240 in het bezit van de abdij van Berne, die de kerk voortaan bediende.
    Bevolkingsgroei: 1300 ± 350 inwoners, 1435 950 inwoners en 200 huizen, 1475 650 inwoners en 136 huizen en in 1526 800 inwoners en 168 huizen.
    De eeuwen tussen 1200-1500 vormden een relatief goede tijd. Het woongebied breidde zich geleidelijk uit en het aantal inwoners groeide. De mensen waren redelijk welvarend, vooral omdat de steeds verder uitdeiende stad 's-Hertogenbosch een goed afzetgebied was voor hun landbouwproducten.
    Na 1500 braken slechtere tijden aan. Eerst door het conflict tussen Brabant en Gelre en later als gevolg van de Tachtigjarige Oorlog. Er werd veel geplunderd. Door de beruchte Maarten van Rossum maar ook door de Staatse troepen van Willem van Oranje en zijn opvolgers. De kwaliteit van leven verslechterde en velen namen de wijk naar veiliger oorden.

    Naamvarianten in Vlaanderen:

    Een zoekoptie op de online beschikbare database met bijna 27 miljoen namen van personen bij het Rijksarchief van België leverde een interessante hoeveelheid treffers op. De geslachtsnaam komt er in diverse schrijfvarianten voor maar vooral als (van) Lansvelt en (van) Lansvelde en dan vrijwel uitsluitend in Roeselare in West-Vlaanderen, hoewel er ook een enkele registratie in Brussel en Oekene is. Zo werd Marie van Lansveld, weduwe van Jan Cappol, op 16 oktober 1663 samen met haar echtgenoot Matthijs Hebben en hun zoon Francois aanvaard als poorter van de stad. Op een enkele uitzondering na dateren al deze naamsvermeldingen uit de tweede helft van 17de eeuw. Lensvelt-varianten vinden we vooral in Geel maar ook in Aarschot en Leuven maar zijn van een latere periode, namelijk uit de 19de eeuw.

    Lehman de Lehnsfeld:

    In Ravenstein en de Hoeksche Waard is de geslachtsnaam Lehman de Lehnsfeld bekend. In 1740 is de uit Duitsland (Duisburg) afkomstige Godfriedt Lehman de Lehnsfeld in Ravenstein ouderling. Hij verhuist waarschijnlijk naar Westmaas waar tussen 1797-1807 een achttal kinderen met de geslachtsnaam De Lehnsfeld (Lehman) in het doopregister opgetekend zijn. Mogelijk is hij een afstammeling van het baronnengeslacht waarvan het familiewapen in het Armorial général wordt omschreven als "nobilié du Saint-Empire 15 juillet 1698". Bij zijn kerkelijke ondertrouw met Joanna Looman op 25 april 1766 in Amsterdam ondertekent hij in ieder geval met Van Lehnsveld.

    Lensvelt in Nederhemert:

    De totnutoe oudst bekende vermelding van de naam Lensvelt in Nederhemert dateert van 1559. In een document van 12 July 1559 belooft Jan Gerit van Lensvelt de andere partij op Sint Maartensdag acht gulden te betalen.

    Blijkens een akte in het R.A. van Heusden uit 1576 is Jan Gerits van Lensvelt dan woonachtig in Wijk (bij Aalburg). In 1578 wordt in een Nederhemertse notariële acte Jan Gerijts Lensvelt genoemd, terwijl ook in stukken uit 1583 en 1586 de naam voorkomt. Dit is waarschijnlijk dezelfde persoon die in 1597 in een schepenakte te Heusden als de dan reeds overleden Jan Geritszn van Leensvelt wordt opgetekend.

    Hij wordt ook vermeld in het repertorium op de lenen van de hofstede Nederhemert (1389-1792). Onder nummer 2. staat beschreven: 6 morgen land in Aalst in de Bommelerwaard, genaamd Tien roeden, (1619: genaamd Ermnikhovens zes morgen), boven (1619: zuid): Berend Jordens (1744: de wetering), beneden (1619: noord): Jan Gerardsz. Lensveld en naast de dijk (1619: west): Zeger Jansz. Ruers, oost (1619: Anton Govertsz.).

    Vermoedelijk zijn zoon vinden we terug in stukken van Heusden R 258, fol. 15, dated November 15, 1617: Compareerde Thoentgen, weduwe wijlen Jan Rijken, woonende tot Genderen ende verclaerde op huijden binnin deser stede gecomen te sijn voorden middach omme schepenen appt. te voldoen ende te compareeren ten huijse van Jan Claessen Camerwaerder al waer sij eenigen langen tijt verwacht hebbende haere partije namentelijck Gerit Jansen [Lensvelt] van Hemert, derselve aldaer met eii is gecompareert protesterende oversulcx van costen. Actum desen xv November, 1617. Het betreft hier wellicht de oudste zoon van Jan Gerits Lensvelt Gerrit Janssen (Jansz) Lensvelt, weduwnaar, wonende op Den Hill maar - volgens het Broekse register - afkomstig uit Hemert, die op 2 februari 1620 te Babyloniënbroek in ondertrouw ging en aldaar werd opgetekend als Gerrit Janszn van Liesvelt. In 1627 werd hij in het Repertorium op de Lenen van de Hofstede Dussen 1356 - 1671, door J.C. Kort [Bron: Ons Voorgeslacht nr. 33 1978] vermeld als Gerard Leeuwsveld Jansz. Hij bleek toen landbezit te hebben in Munsterkerk ten noorden van een perceel van 2 morgen van Anton Everden, strekkend van de Rogkamp tot de halve Dussen. Maar in officiële stukken van het Archief van de Grafelijkheidsrekenkamer werd hij als Gerrit Jansen (Jansz) Lensvelt vernoemd: in 1634 als heemraad van Dussen is en in 1636 als schepen aldaar.

    De vermelding in het repertorium van de lenen van de hofstede Van Riede te Werkendam (1354-1683) dateert van 1639 en luidt als volgt: 7. 7 hont in het ambacht Muilkerk aan de Dussen, strekkend van weduwe Willem Cornelis Witkens en kinderen tot Melser Gerardsz., oost: weduwe Gerard Jansz. Lensveld c.s., west: weduwe Bastiaan Hendriksz. c.s. Gerard Jansz. blijkt dan inmiddels overleden.

    Lenshoeck
    In het oosten grenst (Neder)Hemert - waar Jan Gerijts en zijn vermoedelijke zoon Gerrit Jansz. oorspronkelijk van afkomstig waren - aan Kerkwijk. Daar wordt in 1563 Hendrick Peters Lenshoeck geboren. Het geslacht Lenshoeck vormt in de zeventiende eeuw een vermaard bestuurdersgeslacht in de Bommelerwaard. De oudst bekende Lenshoeken kwamen oorspronkelijk uit Slijkwell-Wellseind twee buurtschappen onder het dorp Well. Lenshoek als straat staat bovendien afgebeeld op de kadastrale kaart van 1832 van Het Wellsche Broek, ook oostelijk van Nederhemert nabij Delwijnen en ten zuiden van Kerkwijk gelegen. Een bewijs dat een variant van de naam ten tijde dat Jan Gerijts Lensvelt in Nederhemert werd opgetekend in die streek al werd gebruikt.

    lenshoek.jpg

    Een fragment van de kadatrale kaart uit 1832 met vermelding van Lenshoek (rechts in het midden) onder Wellsche Eind, gelegen aan de Maas en grenzend aan Kerkwijk en Nederhemert..

    Drs. S.E.M. van Doornmalen, adjunct-streekarchivaris Bommelerwaard deelde desgevraagd mede dat volgens genealogisch onderzoek van de heer W.H. Dingemans (vrijwilliger bij het streekarchief Bommelerwaard te Zaltbommel die al tientallen jaren onderzoek doet naar Bommelerwaardse families) de oudste bekende "Lenshoeken" eind zestiende eeuw uit de omgeving van Slijkwell-Wellseind komen, twee buurtschappen onder het dorp Well. Well behoorde tot de hoge heerlijkheid en latere gemeente Ammerzoden (sinds 1999 gemeente Maasdriel). Begin zeventiende eeuw (1600-1650) "vertrekt" men naar Kerkwijk. De twee buurtschappen liggen nabij Delwijnen, een buurtschap onder Kerkwijk.
    Verder vult hij aan dat de naam waarschijnlijk als betekenis heeft een gebied, perceel grond (in dit geval een "hoek") waar in vroeger tijden "gelensd" of geloosd werd. Dus waar het water vanuit een laagliggend gedeelt werd geloosd. De oudste bekende Lenshoek heeft mogelijk hieraan zijn naam ontleend. Het wapen van de familie is een zesspakig (molen)rad of wiel.

    Behalve de gedeeltelijke (Lens) overeenkomst in geslachtsnaam, in beide gevallen ook zonder het voorvoegsel Van geschreven, en de herkomst (Nederhemert-Well) is het ook interessant om te constateren dat hier een topografische naamsaanduiding (Lenshoek) wordt gebruikt gelijk aan een geslachtsnaam waarbij het aannemelijk is dat de oorspronkelijke perceelsnaam de oudste herkomst kent.

    Van de Meijerij naar de Bommelerwaard:

    Van Berlicum-Middelrode of Den Bosch naar Nederhemert in de Bommelerwaard is niet zover; het ligt zo'n vijf à zes uur gaans noordelijker. Daarbij wordt echter wel de grens van het gewest Brabant met Gelre overgestoken. Een "emigratie" die mogelijk te maken heeft gehad met de verschrikkingen die de bewoners van de Brabantse Meijerij in de aanvangsfase van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) hebben moeten ondergaan. Uit een proefschrift van Leo Adriaenssen (oktober 2007 UVT Tilburg) blijkt dat de bevolking van de Meijerij tussen 1579 en 1588 met zeventig procent is geslonken.

    In 1576 behoorde het gewest Brabant nog bij de opstandelingen, doch in 1579 onderwierp Den Bosch zich aan de koning van Spanje. Als meest noordelijke "Spaanse" plaats wilden de Hollandse opstandelingen de stad veroveren, maar zij was nauwelijks neembaar als vesting temidden van de drassige gronden. Om die reden werd ze de Moerasdraak genoemd. Er werd besloten Den Bosch uit te hongeren. Willem van Oranje, de Staten-Generaal en de Staten van Holland stippelde in 1581 een verschroeide aarde politiek uit die moorddadig zou uitpakken voor de bevolking. Jaar in jaar uit kwamen Hollandse soldaten in de Meijerij de oogsten te velde en in de schuren vernietigen of in beslag nemen. De dorpen werden bij tientallen verbrand of er kwam een bevel het gebied te ontruimen. Soms kreeg een boer tien dagen de tijd om te vertrekken, alvorens zijn boerderij afgebrand werd. De Meijerijse dorpen en de kleine stadjes die geen vestingsmuren hadden waren in feite weerloos. Plunderingen en verkrachtingen waren aan de orde van de dag. Was het niet door Spanjaarden dan wel door Staatse troepen. Het "overnachten" van de troepen kon weliswaar afgekocht worden, maar dat werd dan weer door extra belastingen op de dorpsbewoners verhaald. De locale belastingen werden zodoende ongeveer honderd keer zo hoog als vóór de oorlog. In 1585-1586 brak de onvermijdelijke hongersnood uit. De hongerdood en de pest maakten vele slachtoffers. In enkele jaren tijd liep het bevolkingsaantal terug van 90.000 tot 28.000. Toch zijn niet al die ruim 60.000 mensen gesneuveld of door ontberingen omgekomen. Een boer had doorgaans geen mogelijkheden om elders een nieuw bestaan op te bouwen, want niemand kon zijn boerderij overnemen. Daarentegen vluchtten de weinige Bossche kapitalisten meestal naar Antwerpen, terwijl veel arbeidslieden juist naar noordelijker gelegen Staats gebied (Holland en Gelre) uitweken.
    Het is verleidelijk om te veronderstellen dat ook de Lensvelten uit de Meijerij tot de stroom vluchtelingen behoord hebben die in noordelijker richting naar Staatsgebied zijn getrokken. Daarmee wordt het verband tussen de geslachtsnaam eind zestiende eeuw en begin zeventiende eeuw aanwezig in het Gelderse Nederhemert en in de Hollandse plaatsen: Heusden, Dussen, Leiden en Amsterdam met die in de Brabantse Meijerij plausibeler. Echter, reeds in 1559 duikt de naam Lensvelt op in het Gelderse Nederhermert. Dat was dus al vóór het uitbreken van de 80-jarige oorlog en ruimschoots voor de volksverhuizing vanuit de Meijerij naar noorderlijk gebieden.
    Doch ook voordien waren er regelmatig strubbelingen tussen Brabant en Gelre, waarbij beide partijen nogal eens brandschattend optraden. Het is dus ook mogelijk dat bewoners als gevolg hiervan uit het gebeid zijn weggetrokken.

    De invoering van het gebruik van familienamen is niet exact vast te stellen. Wel dat het vanuit Zuid Europa - in Venetië en Milaan werden reeds in de achtste/negende eeuw vaste familienamen gebruikt - is opgedrongen naar het noordelijk deel van Europa. Uiteindelijk dringt de familienaam vanuit Noord-Frankrijk en de Duitse Rijnlanden, de Nederlanden binnen. Het zijn met name de grote steden geweest van waaruit deze ontwikkeling is uitgegaan, terwijl het bovendien nagenoeg overal de bovenste laag van de bevolking was die het eerst een vaste achternaam hanteert.

    Steekproeven in Noord Brabantse steden en plattelandsnederzettingen duiden erop dat aldaar in de vijftiende - en zestiende eeuw in een agrarische omgeving nog de patronymica overheersen. In de stedelijke samenlevingen is het achternamenpatroon zeer veel gedifferentieerder, doordat het ook een groot aantal oorspronkelijke beroepsaanduidingen en omschrijvingen van de geografische herkomst en het adres als toegevoegde naam bevat.
    In dit verband is het des te opmerkelijker dat er reeds midden veertiende eeuw vermeldingen van de geslachtsnaam Lensvelt (of in ieder geval een variant die daar zéér sterk op lijkt) bekend zijn.

    Helaas kan van al deze Van Lenxvelt/Leijnsvelt/Lensvelt vermeldingen nog niet definitief worden aangetoond dat er 'n relatie bestaat met de stamboom van de Lensvelten; wel zijn er een aantal aanwijzigingen. Bovendien zijn de vermeldingen in die zin ook interessant, dat ze aantonen dat er in het zuidelijk deel van Nederland al in een zeer vroegtijdig stadium een vergelijkbare schrijfwijze van de familienaam gebezigd werd.

    De oudst bekende voorvader (Generatie 00) van het geslacht Lensvelt uit Dussen is Jan Lensvelt. Vermoedelijk is dit dezelfde die 1559, 1578, 1583 en 1586 in de notariële archieven van Nederhemert als Jan Gerijts van Lensvelt vermeld wordt, en waaruit opgemaakt kan worden dat hij te Hemert over eigendommen beschikte. Maar ook aan de andere kant van de Maas had hij waarschijnlijk bezittingen. In een acte van 25 april 1597 verleden voor de schepenen van Heusden maakt Margrieta Adriaenszn., dochter van Aerdt Adriaenszn. Back van Wijk, weduwe van Jan Geritszn van Leensvelt, bijgestaan door haar broer Jan Adriaenszn uit Wijck, voor haarzelf en haar kinderen verwekt door Jan Geritszn van Leensvelt aanspraak op een stuk hopland gelegen in Wijck op het Spijk. [Bron: diverse stukken uit archief Nederhemert en Heusden beschikbaar gesteld door vinder Dave Pol)
    Dat de geslachtsnaam met het voorvoegsel "Van" wordt opgetekend is mogelijk een aanduiding van familiebanden met soortgelijke doch eerdere/oudere geslachtsnaamvermeldingen uit de Meijerij (Berlicum en Den Bosch).

    Begin zeventiende eeuw komt de naam Van Leensvelt in combinatie met het patroniem Jansz ook in Leiden voor. Op 31-07-1604 huwt Frederick Jansz van Leensvelt met Cornelia Bruynen van Couwenhoven, beiden zijn afkomstig uit Leyden. Een vernoeming is er van Jacob van Leensvelt en een broer Jan Jansz van Leensvelt die trouwt op 12-01-1619 met Weyntgen Petersen van Blocklandt, weduwe van Cornelis van Dilsen, eveneens allebei afkomstig uit Leyden. En een zuster Jannetgen Jans van Leensvelt trouwt op 09-01-1621 met Adriaen Laurensz Gael, ook beiden afkomstig uit Leyden. Hun vader blijkt Jan Cornelisz van Leensvelt. Zowel qua periode als gebruikte geslachtsnaam zou er sprake kunnen zijn van een familieband tussen de stamvader Jan Geritszn van Leensvelt in leven gehuwd met Margrieta Adriaenszn en Jan Corneliszn van Leensvelt uit Leiden.
    Het geslacht Van Leensvelt zet zich vervolgens in Leiden voort. Op 23-01-1633 trouwt Aeltgen Fredericksdr. van Leensvelt, afkomstig uit Leyden, woonplaats Koorsteech, met Cornelis Henricxz van Roon, weduwnaar van Fytgen Aeriaensdr Paau, woonplaats Gouda ter Goutsmith. Als getuige van de bruid fungeert haar tante de vrouw van Adriaen Gael.
    Opmerkelijk is het huwelijk in 1632 van Swaetgen Jacobsdr van Lensvelt, vooral in die zin dat de geslachtsnaam Lensvelt wordt gebruikt in plaats van Leensvelt. Dit maakt een mogelijke familieband met Lensvelt uit Nederhemert/Dussen alleen maar groter.
    Ruim 40 jaren later wordt eveneens te Leiden het huwelijk opgetekend van Wijna (Winninie) van Leensvelt, afkomstig van Leyden, woonplaats Papegraft, met Mr. Cornelis Houtman uit Rotterdam. In 1678 wordt te Rotterdam hun zoon Joannes gedoopt (R.K.) waarbij Joannes van Leensvelt en Catharina Snaelts als doopgetuigen fungeren. Bovendien gaat op 07-09-1679 in Voorhout Maria van Leensvelt, afkomstig van Leyden, woonplaats Papegraft, in ondertrouw met Lambertus Kleffius, weduwnaar van Catharina van der Wiel, woonplaats Delft. Mogelijk is deze Maria van Leensvelt dezelfde die op 06-04-1711 te Breda als doopgetuige fungeert bij de doop van Lambertus van Riet.

    Helaas, al mooie bespiegelingen ten spijt, heeft nader onderzoek door de locaal-heemkundige Hans Endhoven uitgewezen dat hier sprake is van de geslachtsnaam Van Leeusvelt in plaats van Van Leensvelt. Waarmee een mogelijke connectie met Lensvelt een stuk onwaarschijnlijker wordt.
    De oudste zoon van Jan Gerijts (van) Lensvelt is mogelijk Gerrit Janssen (Jansz) Lensvelt. Het feit dat de geslachtsnaam gedurende de periode 1559-1586 een aantal keren met het voorvoegsel "van" wordt geschreven, duidt op een mogelijk verband met oudere soortgelijke vermeldingen van de geslachtsnaam in de Meijerij (Berlicum, Den Bosch). Het gebruik van de geslachtsnaam Lensvelt met patroniem Jansz en de combinatie met de voornaam Gerrit en hun beider oorsprong Hemert, zijn sterke aanwijzingen dat Gerrit Jansz Lensvelt een afstammeling is van Jan Gerijts van Lensvelt ook wel geschreven als Leen(s)velt of zelfs als Leeuvelt.

    Van Gerrit Jansz. zijn vermeldingen met geslachtsnaam of met plaats van herkomst Hemert teruggevonden: in 1617 in Heusden en in 1620 te Babiloniënbroek waar hij in ondertrouw gaat als Van Liesvelt, wat waarschijnlijk een afwijkende schrijfwijze is omdat de naam er niet bekend was en Gerrit oorspronkelijk uit Hemert afkomstig was. In Broek is overigens het voorvoegsel Lies wel bekend. In 1420 wordt er door de Karthuizers uit Geertruidenberg het perceel Liesslagen aangekocht.

    Een afwijkende schrijfwijze wordt op 17-04-1627 ook gehanteerd in het Repertorium op de lenen van Hofstede van Dussen met:
    "twee morgen in Munsterkerk gemeen, strekkend van de Rogkamp tot de halve Dussen, zuidoost: de weduwe en erven van Leendert Matthijsz., noord: Gerard Leeuwsveld Jansz.", gelijkelijk verdeeld tussen Anton Everden en Pieter Everden " bij overdracht door de weeskinderen van Hugeman Bolle Pietersz. en Maaike Hendriksd. [R fo. 33 en 33v]

    In het zelfde repertorium komt nog een vermelding voor van een Gerard Jansz. Op 10-11-1550 verwerft hij bij dode van Jan Gerardsz., zijn vader, 1 morgen in Muilkerk, strekkend van de ene wetering tot de andere. De naamsgelijking is treffend, echter, gezien de datum, lijkt het vrijwel uitgesloten dat het hier dezelfde Gerard Jansz - en dus zijn vader - betreft.

    Ook uit stukken van het Archief van de Grafelijke Rekenkamer in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag blijkt dat Gerrit Janssen (Jansz) - in ieder geval in officiële documenten - een achternaam gecombineerd met patroniem voerde. Deze schriftelijke bronnen (met dank aan Marcel Kemp) betreffen een drietal stukken inzake Gerrit Janssen (Jansz) Lensvelt (d.d.: 19 juli 1634, 30 augustus 1636 en ca. 1648/50). In deze drie stukken wordt de naam consequent, tot drie keer toe, als Lensvelt zonder het voorvoegsel "van" en met 'n "t" aan het einde geschreven en niet als Van Leensvelt of Van Liesvelt.

    Blijkbaar is in die tijd het gebruik van de familienaam in kerkelijke documenten nog minder ingeburgerd, want als Gerrit Jansz op 29-06-1631 in de parochie Dongen aangifte doet van de geboorte van zijn zoon Sijmon, dan wordt hijzelf opgetekend als Gerit Janssen (uit Dussen)[Bron: Doopboek Dongen I-26, Gemeentearchief Tilburg].

    De combinatie patroniem/familienaam blijkt ook later, uit een register van het ORA Dussen Munsterkerk (1668-1678, echter doorlopend tot 28.3.1682)[Bron: Brabant-Databank, Universiteitsbibliotheek Tilburg (KUB), met dank aan Adriaan Lensvelt voor het copiëren]. De vermeldingen in dit register betreffen Generatie 02, waarbij melding wordt gemaakt van twee minuutaktes van Aert (Geerts) Lensfelt, alsmede een achttal aktes van vermoedelijk zijn broer Jan (Geertsn).

    In dit register wordt tijdens deze periode de achternaam in bijna alle gevallen gespeld als Lensfelt (met een "f" in 't midden dus), slechts één keer wordt Lengvelt geschreven. Vermoedelijk is de "f" er bij het opstellen van dit register abusievelijk ingeslopen; de "n" van Lens, wordt in het oud schrift namelijk gevolgd door een zogenaamde lange "s", welke zich gemakkelijk laat lezen als een "f".
    Bij navraag in het Streekarchief Heusden bleek dat de stukken welke in dit register staan opgetekend vanwege hun slechte staat niet toegankelijk zijn. Er wordt echter gewerkt aan restauratie van de documenten, dus wellicht dat op termijn wel inzage mogelijk is in de detailgegevens.

    Hun, waarschijnlijk oudere broer, Simon of Sijmen (Gerritsen), gedoopt in Dongen, wordt vermeld in het boek "Geboortes" van de Nederduits Gereformeerde Gemeente van Dussen (Streekarchief Land van Heusden en Altena, SAHA); althans de geboorte van twee van zijn kinderen. Bij het eerste kind (gd 29.12.1658) wordt de achternaam geschreven als Lantsveld, terwijl bij het tweede kind (gd 29.10.1662) de naam als Lansvelt gespeld wordt.

    Verreweg de meeste vermeldingen van de familienaam zijn te vinden in de DTB registers van de RK parochie Dussen (SAHA). Deze zijn aangelegd m.i.v. 28.04.1685, echter met terugwerkende kracht bijgewerkt vanaf 1677.

    Het chronologisch, alfabetisch repertorium, editie A.C.M. Gouverneur van 27 augustus 1983, op de registers van huwelijken (1679 - 1748) en dopen (1677 - 1810), vangt v.w.b. de Lensvelten aan met de huwelijken en gezinssamenstellingen van Generatie 03; de kinderen van Simon, Jan en Aert dus. Mogelijk hadden de drie broers van Generatie 02 nog meer broers en zussen, maar dat is uit dit repertorium niet op te maken.

    Door de diverse pastoors wordt de naam op verschillende manieren geschreven. Dit geldt soms ook voor de naam binnen hetzelfde gezin. Wat opvalt is dat de oudste vermeldingen in bovengenoemd repertorium (1679-1748) gespeld worden als Lensvelt. Later in tijd wordt de spelling veelal gewijzigd in Leijnsvelt en weer later in Lijnsvelt, om vervolgens weer terug te keren tot Lensvelt. Opmerkelijk is bovendien dat er nergens Lensveld met 'n "d" wordt aangetroffen.

    Zelfs voor dezelfde persoon werden soms diverse spellingen door elkaar heen gebruikt. Hierbij is het opvallend dat de Leijnsvelt, Lijnsvelt variant louter in kerkelijke documenten wordt gebezigd en niet in die van de schepenbank. Dit zou wellicht met het dialect te maken kunnen hebben. Het is niet onmogelijk dat door het Dussens streekdialect een buitenstaander (wat een pastoor veelal was) de naam Lènsvelt hoort klinken als Leijnsvelt, respectievelijk Lijnsvelt. Het is echter ook mogelijk dat de andere schrijfwijze te maken heeft met het gebruik van latijn in de kerkregisters. Een derde optie is dat de pastoor er taalkundig de voorkeur aan gaf om Lijnsvelt te schrijven in plaats van Lensvelt (zie taalkundige verklaring). Tenslotte kunnen de waarschijnlijke familiebanden met de Van Leijnsvelt's uit de regio Berlicum, Den Bosch hierbij nog een rol gespeeld hebben.

    Ook van sommigen van onze voorvaderen wordt de naam op verschillende manieren geschreven. Zo wordt de voorvader in Generatie 03 (zie geslachtsregister hoofdstuk) ten tijde van z'n eerste huwelijk (1685) in het RK DTB register als Gerardus Arnoldi Lensfelt ingeschreven, terwijl hij bij z'n tweede huwelijk (1697), in het zelfde register, als Leijnsvelt wordt opgetekend.

    Bij zijn oudste zoon uit z'n tweede huwelijk, Arnoldus van Generatie 04, doet zich het zelfde fenomeen voor, echter hier tekent het verschil tussen kerk en staat zich duidelijk af. Bij diens eerste huwelijk staat hij in het RK DTB register als Arnoldus Lijnsvelt, terwijl hij door Schout en Geregten van Dussen Munsterkerk als Aart Lensvelt wordt ingeschreven. Ook in latere testamenten komt slechts deze laatste naam terug.

    Deze trend continueert zich bij de volgende Generatie 05. Joannis Lijnsvelt bij z'n eerste huwelijk in het Latijnse RK DTB en Jan Lensvelt in het Nederduits Gereformeerd DTB bij z'n tweede huwelijk. De voorvader van Generatie 6 wordt bij z'n geboorte in het RK DTB register ingeschreven als Gerardus Lijnsfelt terwijl hij bij z'n huwelijk (in 1817) in de burgerlijke stand ingeschreven wordt als Gerrit Janszoon Lensvelt.

    De Lijnsvelt/Leijnsvelt versie van de naam is geleidelijk aan uit de Dussense gemeenschap verdwenen. Op dit moment is hij dan ook helemaal niet meer aanwezig. In de Tienjarige tafels komt Lijnsvelt voor het laatst voor in de periode 1873-1882 en dan nog slechts 2 maal; beide keren i.g.v. overlijden. De naam Leijnsvelt komt voor het laatst voor in de periode 1833-1842; 2 maal bij overlijden, 1 maal bij huwelijk.

    De naamvariant is echter niet geheel verdwenen. In Gelderland (Veluwe), trouwt Jan Lubbertsen voor de NH-kerk te Elspeet op 27 jarige leeftijd op 21-04-1754 met Hendrikje Gerrits. Uit dit huwelijk wordt op 17-07-1757 te Ermelo/Leuvenum Gerrit Jansen Lijnsveld geboren, waarbij het vooral opmerkelijk is dat bij de aantekening van de geboorte voor het eerst de familienaam Lijnsveld opduikt; daarvoor bediende men zich uitsluitend van patronymica.

    Een van de kinderen uit het huwelijk van Gerrit en Hendrikjen is Jan Gerrits Lijnsveld. Blijkens het "Register van aangenomen geslachtsnamen te Nijkerk", publicatie nr.10 van Veluwse Geslachten, wordt door deze Jan Gerritse Lijnsveld op 14-12-1812 de naam Lijnsvelt aangenomen en hetgeen nogmaals bevestigd wordt op 09-02-1826 (e-mail Karel Uittien van 23-07-199).

    Ook Gerrit Jansen Lijnsveld zelf, alsmede zijn (vermoedelijke) broer Hendrik Jansen Lijnsveld, beiden uit Harskamp gem. Ede, dagloner van beroep, worden vermeld in dit register.

    De spelling van de naam Lijnsveld i.p.v. Lensvelt sluit goed aan op de toenmalige schrijfwijze van de naam in de kerkregisters van Dussen, waar juist in de periode van Gerrit Jansen's geboorte (1757) de naam in de RK-DTB registers werd opgetekend als Lijnsveld(t).Tegen deze achtergrond rijst het vermoeden dat de familienaam van de Gelderse Lijnsveld-tak zijn oorsprong vindt in Dussen. Maat ook voor deze tak geldt dat er wel aanwijzigingen zijn die duiden op een mogelijk verband met Lensvelt uit Dussen, maar geen vaststaand bewijs.

    Het ORA (Oud Rechterlijk Archief) van Dussen Munsterkerk is voor het grootste gedeelte geïnventariseerd en in de computer opgeslagen. Het geïnventariseerde archief beslaat grofweg de 18e eeuw, alhoewel het ook 'n aantal stukken bevat welke laat 17e eeuws -, of vroeg 19e eeuws zijn. Bij raadpleging hiervan blijkt de oogst enorm.

    Maar liefst 82 aktes konden worden genoteerd met vermelding van de naam Lensvelt (met 'n T). Daarnaast waren er nog eens 7 aktes met Lensveld (met 'n D), 4 aktes met Lensveldt (met DT) en 1 akte met Lensfeld (met 'n F in het midden en 'n D aan 't eind). Bij het vergelijken van de aktes met elkaar, bleek duidelijk dat de andere schrijfwijzen dan Lensvelt met 'n V en 'n T louter op schrijffouten berusten, want de aktes gaan meestal over dezelfde personen die ook onder Lensvelt met 'n V en 'n T voorkomen.

    Opmerkelijk is bovendien dat nergens Lijnsvelt of een afgeleide daarvan is tegengekomen. Waarmee nog maar eens bevestigd wordt dat deze schrijfwijze uitsluitend in de (Latijnse) RK-DTB registers gehanteerd werd. Vooralsnog blijft het echter 'n raadsel waarom de kerkelijke gezagsdragers gedurende een lange periode vasthielden aan de L(e)ijnsvelt spelling van de naam.

    Terug naar inhoud


    Conclusie

    Een resumé van de feiten en aanwijzingen:

    Terug naar inhoud


    © Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl