Klompenmakers in Dussen

Het ontstaan en verdere verwikkelingen van de klompenmakersindustrie in Dussen

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd naast de vlasverwerking ook de klompenmakersnijverheid een belangrijk werkverschaffer in Dussen.

Het klompenmakersambacht ontwikkelde zich op ‘t platteland vanaf de 15e tot de 18e eeuw van een huisnijverheid tot een heuse industrie. Daarbij speelde met name Noord Brabant een vooraanstaande rol. Zo was in 1819 1/3de deel van alle klompenmakerijen in Nederland in deze provincie gevestigd. In 1871 was dit aantal zelfs verdubbeld ten koste van de andere provincies. Dussen had hierbij een belangrijke inbreng. Eind negentiende eeuw was Dussen hèt klompenmakerscentrum van West Brabant.

Begin negentiende eeuw, maar waarschijnlijk al eerder, oefenden inwoners van Dussen het klompenmakersambacht uit. In eerste instantie gebeurde dat vooral in de vorm van huisnijverheid en veelal naast een ander beroep zoals: landarbeider, polderwerker, timmerman, metselaar, e.d.

Bij de eerste kadastrale opmetingen werd van twee inwoners in de gemeente Dussen opgetekend dat ze klompenmaker waren: Leendert Andries van de Pluijm aan het Sluiske in Hank en Andries Schellen in de Dorpsstraat, halverwege tussen de Sluis en Krekeldraai ongeveer waar nu de slagerij van Kees Werther is. Ongetwijfeld waren er toen al meer klompenmakers die het ambacht als bijvak uitoefenden.

De zelfvoorziening wat betreft kleding, huisraad en gereedschappen, behoorde naast de landbouw (voor de voeding) en veeverzorging tot de normale bezigheden van de kleine boer en zijn knecht. De artikelen welke niet voor eigen gerief nodig waren, konden worden verkocht en leverde extra inkomen op. Hiervoor kwamen ook in aanmerking de producten waarvoor de grondstof eenvoudig te verwerven was, waarna voldoende vraag bestond en waarvan de vervaardiging geen bijzondere technische eissen stelde; klompenmaken behoorde daartoe.

In het gemeenteverslag van 1855 werden voor het eerst 7 klompenmakers genoemd met 19 arbeiders. Vijf jaar later, in 1860, waren er 9 klompenmakerijen met 13 werknemers (uit verslag), hoewel andere bronnen (literatuur) reppen van 54 arbeiders. De verslagen (1857) bevestigen dat de klompenmakers alleen in de winter actief waren.

Dat veranderde toen na 1870 door structurele veranderingen in de landbouw ook de op kleine schaal beoefende landbouw werd betrokken. De werkzaamheden op de boerderij namen toe en lieten de boer weinig gelegenheid om ook nog nevenwerk-zaamheden uit te oefenen. Een nevenambacht als klompenmaken begon zich toen meer en meer te verzelfstandigen tot middenstandsbedrijfjes. Deze ontwikkeling werd nog bevorderd doordat ten gevolge van de groei van de bevolking de vraag naar dit soort ambachtelijke producten was toegenomen. Dat vertaalde zich door de vestiging van zogenaamde klompenmakerswerkplaatsen; destijds klompenfabrieken genoemd.

Klompenmaker Merkx
In 1870 werd boerderij De Oliemolen in de Dorpsstraat te Dussen eigendom van: Maria Jacoba Stael, weduwe van Leonardus Boor, haar twee kinderen Cornelia en Willem en haar tweede echtgenoot Leemdert de Bodt, publiekelijk te koop aangeboden. Deze werd inclusief de bijbehorende percelen en opstallen voor 3.800 gulden gekocht door Antonius Merkx, klompenmaker uit Dussen, die er een klompenfabriek in begon.
Antonius Merkx was een telg uit een oud klompenmakersgeslacht dat zijn wortels had in het Brabantse Best. Antonius was echter geboren (1832) in Ammerzoden waar zijn vader als klompenmaker werkzaam was. Vermoedelijk is Antonius als vrijgezel naar Dussen gekomen om er zich verder te bekwamen in het klompenmakersvak. Hij kreeg kennis aan Petronella van der Pluijm uit Hank, dochter van Adrianus van der Pluijm en Margaretha Stael. Ze trouwden in 1864 in de kerk van Hank en waren daarmee een van de eerste huwelijken die in de nieuw gestichtte parochie werden gesloten.
Antonius werkte hard en ondanks de moeilijke economische omstandigheden in de landbouw, draaide zijn klompenfabriek goed. In 1891 waren er 13 mannen en 1 jongen werkzaam. Onder hen waren ook werknemers die uit Ammerzoden waren meegekomen zoals de oude Jan Peterse (geb 15-10-1827) uit het Rommegat (B19) later Dorpsstraat, zijn zoon Antonius en kleinzoon Johannes Cornelis (11 jaar). In 1911 kwam Antonius Merkx te overlijden. Zijn onroerend goed bezittingen in Dussen bestaande uit vijf woningen en percelen bouw- en weiland in de ZHPolder werden verkocht. Ook “den deftigen en goed onderhouden inboedel” kwam onder de hamer. Kennelijk had Toon Merkx “best geboerd” in Dussen! Boerderij de Oliemolen werd in 1915 voor afbraak te koop aangeboden, waarna op die plek de nieuwe jongensschool met onderwijzerswoning zou verrijzen.
Zijn oudste zoon Adrianus Martinus Merkx (1869-1934) stichtte in 1894 in Oud-Beyerland een eigen klompenfabriekje. Van de opbrengst van de erfenis van zijn vader, liet hij in 1912 in Oud-Beyerland 'n compleet nieuwe klompenfabriek bouwen.

Klompenmaker Van Gennip
Het klompenmakersgeslacht van Gennip uit Dussen stamt oorspronkelijk uit Strijp bij Eindhoven. Piet van Gennip’s overgrootvader Gerard van Gennip verhuisde echter in 1839 naar Best en het is niet onwaarschijnlijk dat hij daar reeds met het klompenmaken in aanraking is gekomen. Temeer daar zijn zoon Arnoldus in 1862 op jeugdige leeftijd naar Sint Oederode vertrok, destijds een nog veel bekender centrum van klompenmakersnijverheid dan Dussen toen was.
Toch kwam Arnoldus in 1871 naar Dussen om er zich als zelfstandig klompenmaker te vestigen en waar hij ‘n jaar later trouwde met Johanna van Boxel. De klompenmakerij werd gevestigd in een pand aan Korn waar nu de vioolbouwer woont. Na verloop van tijd kocht Arnoldus de schuin daar tegenover gelegen leerlooijerij van Gerrit Verhoeven (ongehuwde broer van Willem A. Verhoeven, de gemeenteontvanger) zijnde de voormalige boerderij van de weduwe H. van Honsewijk. In deze boerderij werd de klompenfabriek gevestigd, terwijl in het kleinere pand de handwerkklompenmakerij werd voortgezet.

Van Gennip had in 1891 16 man en 4 jongens in dienst. Na het overlijden van Arnoldus (in 1914) ging het bedrijf over op zijn zoons Janus – die met de klompenfabriek verder ging - en Petrus, die de handwerkklompenmakerij voortzette. Gaandeweg werd de mechanisering verder doorgevoerd.
Bij de gebroeders Van Gennip waren tijdens de Eerste Wereldoorlog ook Belgische vluchtelingen te werk gesteld. In 1933 werd al het onroerend goed van Petrus van Gennip te koop aangeboden en zal hij zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt hebben. De fabriek van Janus ging over op z’n zoon Piet die tot 2000 met drie knechten het vak trouw bleef.

Klompenmaker Van Nunen
Tegenover het hulppostkantoor aan de Dussendijk stond de werkplaats van Van Nunen. Jasper van Nunen, klompenmaker van professie, was (in 1786) te Oirschot geboren maar verhuisde naar Udenhout en later naar Dussen, waar hij in 1866 overleed. Hij trouwde (1818) met Elisabeth van Gestel, dochter van Jan Baptist van Gestel en van Maria (Adriana) Rijken (buren van notaris Middelkoop). Jasper van Nunen zal in Dussen begin negentiende eeuw begonnen zijn met klompenmaken. De zaak werd verder uitgebouwd door zijn zoon Willem van Nunen die er in 1891 10 man en 1 jongen aan ’t werk had. Tegenslag was er toen het bedrijf in 1903 door brand getroffen werd. Na het overlijden van Willem werd de zaak door de erfgenamen Van Nunen-van der Pluijm verkocht.

Een neef van Willem van Nunen baatte bij het Capelsche Veer herberg ‘t Bruin Paard uit. Maar hij verkocht er ook klompen. Bij een brand in 1899 gingen bij Casper van Nunen aan het Capelsche Veer zo’n voor de verkoop gereed liggende partij klompen verloren. Casper Johannes van Nunen emigreerde in 1912 naar Amerika en het pand en aanverwanten kwamen te koop. De drankvergunning werd een half jaar later ingetrokken, al bleek dat achteraf maar tijdelijk.

Dussen, centrum klompenmakerij
Naast de klompenfabrieken begon rond 1880 ook het aantal particuliere klompenmakers in Dussen gestaag toe te nemen. In 1882 werden er 43 zelfstandige klompenmakers-arbeiders geteld. Dit zou best eens te maken kunnen hebben met de gevolgen van de overstroming van 1880 (de ramp van Nieuwkuijk). De nood was hoog hierdoor, de vlasindustrie was tot stilstand gekomen en ook onder ambachtslieden en boerenarbeiders was er groot gebrek aan werk (dus inkomen).

In 1891 was dat aantal particuliere klompenmakers opgelopen tot 56 volw. + 6 jongens. In totaal dus 45 (in de werkplaatsen) + 62 (zelfstandigen) =107 klompenmakers (incl. leerlingen) in Dussen. Het verslag van 1896 vermeld dan ook “dat de klompenmakerijen binnen de gemeente nagenoeg allen vooruitgaande zijn en gestadig werk tegen een matig loon kunnen bedingen”.

De klompenmakers zaten verspreid door het ganse dorp. Adriaan Lensvelt eerst aan de Loswal, later in de Kerkstraat. Gerrit Lensvelt (d'n Blèkke) aan de dijk. De Gebroeders de Wit aan de Molenkade.
Ook aan de Baan, waar vanouds toch vooral sigaren gemaakt werden, waren de klompenmakers actief zoals: Drik de Rooij en zonen, Cornelis Roubos, Nardus Bouman, z’n broer Kees Bouman met z’n drie zonen, waaronder Cor. In het Binnen had je nog Koos van Oord, Toon van Boxel, Dirk Uijthoven en Adriaan van Vuuren, maar ook Marinus Leenhouts op de Engelenborg waar nu het voetbalveld ligt. In d’n Hoek Wimke Donkersloot en Kelleke van der Stelt aan de Korn. Adriaan Colijn aan de Buitenka en de gebroeders Van Steijn aan d’n Hogedijk.
Aan de Krekeldraai had je Jan Peters die tevens marktkoopman, postbode, winkelier en doodbidder was. Schuin daar tegenover Kees Lensvelt en wat meer naar de Sluis opaan later ook Simon Meijers. Drik van Nunen zat aan de Loswal. Frans en Piet Meijers, Gert van Hees en Jan van Bommel in het Rommegat. En dan zijn we er ongetwijfeld nog een paar vergeten.
In tegenstelling tot Dussen, waren de klompenmakers in Hank dun gezaaid. Wel had je aan het Sluiske in Hank het familiebedrijf van Drik Rijkers.

Voorpotingsrecht
Belangrijk voor de ontwikkeling van het klompenmakersambacht in Dussen was het zogenaamde voorpotingsrecht. Als klompenhout kwamen vooral de wilg en populier in aanmerking. De populier van de 18de eeuw was nog de gewone zwarte populier. In 1770 werd echter een canadese soortgenoot bekend die de inlandse peppel als klompenmakershout volledig zou verdringen. De Kanadaboom schoot het best wortel op kleigrond met leembestanddelen, geplant in lange rijen, en bij voorkeur langs het water. Het voorpotingsrecht stamt uit de late middeleeuwen. Het was een zakelijk, eeuwigdurend recht om bomen of struiken te planten op de kanten van aan anderen toebehorende openbare wegen. Hierdoor hebben bijvoorbeeld de oevers langs de Dusse hun karakteristieke populierenbeplanting gekregen. Het verschafte de klompenmakers namelijk kwalitatief goede en goedkope grondstof voor het maken van klompen.

Toch gebeurde het wel dat er hout geïmporteerd moest worden. Zoals in 1904 toen het aanbod klompenmakersbomen in de regio zo gering was, dat verschillende klompenmakers voor gezamenlijke rekening partijen Russisch hout naar Dussen lieten vervoeren. Het hout bleek van uitstekende kwaliteit en was bovendien nog voordeliger dan het schaarse hout uit de streek.

In 1910 verwerkten de klompenmakers uit Dussen gezamelijk 1734 m3 populierenhout en 468 m3 wilgenhout, waarvan meer dan 165.000 klompen werden gemaakt. De gemiddelde verkoopprijs van een paar klompen bedroeg toendertijd 1,05 gulden. Daarmee stak Dussen uit boven de gemiddelde prijs van een paar klompen elders in Brabant, die door de bank genomen minder dan 1,00 gulden kostte.
Wellicht had dit te maken met de beloning van de klompenmakers, want in Dussen werden ook de hoogste daglonen verdiend met 1,00-1,16 gulden gemiddeld, tegen 0,70-0,90 gulden gemiddeld elders in Brabant. Overigens moeten we dit ook weer niet overdrijven, want het loon van de klompenmaker was vergelijkbaar met datgene dat verdiend werd door de azijnmaker, bierbrouwer, blikslager, gareelmaker of hoefsmid.

Een bijproduct van de klompenmakerij was de verkoop van restafval als brandstof. Toen in de Eerste Wereldoorlog, door een gebrek aan kolen, een schaarste aan brandstof ontstond, vaardigde de gemeenteraad van Dussen een beperkende maatregel uit. Tot nadere aankondiging mochten geen spaanders en ander afval van de klompenmakerijen (met uitzondering van zaagmeel) meer buiten de gemeente Dussen verkocht en afgeleverd worden. Tevens werd de maximumprijs van de spaanders ongesorteerd op de bergplaats in of bij de klompenmakerij vastgesteld op 10 cent per zak.

Naast de klompenmakersnijverheid floreerde ook de toeleveranciers. In locale smederijen werd klompenmakersgereedschap gemaakt. Kennelijk had dat speciale gereedschap ook buiten de regio een goede naam, want het werd zelfs per postorder aangeprezen en geleverd.

De familie Vingerhoets
Een ander bekende klompenmakersfamilie in Dussen was Vingerhoets. De Vingerhoetsen in Dussen stammen oorspronkelijk uit Tilburg. Cornelis Vingerhoets, geboren in Tilburg als zoon van Petrus Vingerhoets en Adriana Couwenberg, trouwde met Allegonda de Wilde uit Waspik. Het paar zocht in Waspik domicilie en kreeg in ieder geval twee zoons: Pieter en Peeter. Beiden trouwden met een Dussens meisje en kwamen zodoende in Dussen terecht.

Pieter Vingerhoets, koopman van beroep, trouwde met Anna Cornelia Vermeulen. Het gezin kenden ten minste vijf jongens, de klompenmakers: Pieter (geboren ca. 1856), Willem ( geb. datum onbekend), Everadus (geboren ca. 1862) en Jacobus (geboren ca. 1864); Johannes (geboren 25-2-1859) werd Rijnschipper.

Hun oom Peeter Vingerhoets was bakker van beroep en getrouwd met Johanna Populiers. In het Gemeenteverslag van 1855 werd hij één van drie voornaamste bakkers van Dussen genoemd. Zij kregen vier kinderen, waarvan de oudste Arnoldus met Johanna van Es trouwde en de bakkerszaak annex winkel aan de Molenkade overnam. De zaken liepen kennelijk terug want in 1913 werden huis en boedel wegens faillissement geveild.

Van de kinderen van Pieter pendelde Johannes de Rijnschipper tussen het Roergebied en Nederland heen en weer; soms ging hij ook naar België. Hij trouwde met zijn nicht de dienstmaagd Goverdina van der Velden, ‘n dochter van touwslager annex sluiswachter Hendrikus van der Velden en Anna Maria Vermeulen. Ze kregen acht kinderen. Toen de jongste jongen bij het spelen over boord viel en verdronk stopte Johannes abrupt als schipper en ging in de mijnen in Duisburg-Homberg werken, wat uiteindelijk tot zijn vroege dood in 1905 leidde.

De kinderen van Pieter Vingerhoets zijn in Dussen vooral bekend als klompenmakers maar ook als muziekmakers. Evert, Willem en Piet, woonden aan de dijk in de Krekeldraai in een woning aan de zuidzijde van de dijk met de klompenmakerij aan de overkant van de straat (thans stoep naar Zuideveldlaan). Ze waren ook erg muzikaal. Evert was onder meer dirigent (meer dan 35 jaar) van de locale fanfare Wilhelmina en van het R.K. Kerkkoor, maar ook van muziekgeschelschappen uit het naburige Meeuwen en Almkerk. Hij was tevens kerkorganist (in 1932 gouden jubileum) en bouwde samen met timmerman Van de Pluijm zelfs een zogenaamd serafine orgel met acht registers in de R.K.kerk. Ook stemde hij piano's en orgels en gaf piano- en zangles. Hij begeleidde op piano plaatsgenoot en humorist De Vries bij diens optredens in de streek. Daarnaast werd hij in 1938 gehuldigd vanwege zijn gouden jubileum als bestuurslid Afd.Dussen van de vereniging Processie Breda-Hoogstraten. In 1888 liep hij de processie van ruim 50 km te voet.
Zijn broer Willem was organist en dirigent van het kerkkoor te Hank en tevens plaatsvervanger te Dussen. Ook dirigeerde hij het muziekgezelschap te Nieuwendijk en was hij lid van de Burgerwacht.

Wilt U meer weten over het klompenmakersambacht dan moet u maar eens ’n bezoek brengen aan de klompenmakerij van Peter den Dekker.

Bronnen

Puijenbroek, Dr. F.J.M. van - Onder de voet gelopen, het ontstaan en verdwijnen van een kleinnijverheid in Nederland na 1800, de Brabantse klompenmakerij, ZHC, 1969
Gemeenteverslagen Dussen 1851-1917 in BHIC in 's-Hertogenbosch

Terug naar Streekhistorie


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl