Koppelpaarden aan De Sluis

Geschiedenis De Koppelpaarden aan de Sluis van Dussen Munsterkerk

De Koppelpaarden

Op de plek waar nu HR Koppelpaarden staat, was oorspronkelijk (± 1830) de boerderij van Cornelis Rombout gevestigd. Door brandstichting brandde deze boerderij in 1842 af, alsmede de kerk met aangebouwde pastorie en een aantal omliggende panden, waaronder de woning van Pieter Baas de jonge naast Rombout. De boerderij van Rombout werd herbouwd en ten oosten naast hem werd een fraaie nieuwe dokterswoning opgetrokken (B34) waarin geneesheer J.F. Verlinden vanaf 1852 tot 1870 zijn praktijk uitoefende. Nadat deze naar Waalwijk was vertrokken werd het pand enkele jaren verhuurd en daarna verkocht aan de latere burgermeester van Dussen, Adriaan H. van Honsewijk en zijn vrouw Elisabeth Sprangers. Omstreeks 1880 zal de boerderij van Rombout gesloopt zijn en werd het perceel aangekocht door de gemeente Dussen voor de bouw (gereed in 1882) van het eerste raadhuis. Na de grote dorpsbrand van 1892, ging niet alleen dit nieuwe raadhuis in vlammen op maar ook de fraaie woning van Van Honsewijk, die daarop verhuisde naar de hoeve van zijn schoonvader naast het kasteel in Dussen Binnen. Het vrijkomende perceel werd aangekocht door Willem Garsten, een herbergier uit Hank, kennelijk met als doel zijn negotie op deze meer gunstig gelegen locatie voort te zetten.

Kort na de brand, op 19-11-1892, vroeg hij bij B&W van Gemeente Dussen toestemming tot overplaatsing van zijn tapperij met drankvergunning van Wijk C216 naar B34. De vroede vaderen vonden een concentratie van drankgelegenheden zo dicht bij de kerk echter moreel niet verantwoord en wezen zijn verzoek af. Inmiddels was Willem al wel gestart met de bouw van zijn woning met ongetwijfeld ook een gelagkamer. Hij was dan ook niet plan het er zo maar bij te laten zitten en richtte zich tot de Commissaris der Koningin om het besluit van B&W van Dussen aan te vechten. Een en ander had tot gevolg dat hij in februari 1893 een geheel nieuwe aanvraag indiende. Als herbergier en rijtuigverhuurder moest zijn nieuwe aanvraag niet gezien te worden als een verzoek tot overplaatsing, maar als een geheel nieuwe aanvraag. Na ampel beraad kwam B&W echter tot het besluit dat het maximum aantal van de te verlenen vergunningen in Dussen reeds bereikt was en dat er bovendien voldoende drankgelegenheden in de buurt van de kerk stonden.

In hoeverre dat de lobby van de pastoor en van concurenten zoals Heessels en Van Beurden (in Dorpsstraat) bij deze besluitvorming een rol gespeeld hebben laat zich raden. Van pastoor Baekers weten we dat hij ijverde voor het terugdringen van het drankge(mis)bruik. In een brief aan de bisschop schreef hij: “na de middag wordt hier bijna niets anders dan genever gedronken”. Van Van Beurden is bekend dat hij zijn positie als gemeenteraadslid nog wel eens misbruikte ten eigen voordele. Zo was hij sterk gekant tegen de uitbreiding van het plein aan De Sluis door de provincie wat hem de minachting opleverde van de gemeente-secretaris die hem betichtte van kuiperijen, “omdat hij een stukje extra open ruimte voor de herberg aan een concurrerende kastelein misgunde”. Ook het argument van het beperkt aantal drankvergunningen houdt geen steek als je bedenkt dat in januari 1894 aan P.A. van der Pluijm te Hank vergunning werd verleend tot het uitbaten van een café in het pand C56. Hoe dan ook, Willem Garsten kreeg te horen dat zolang het getal van uitgegeven drankvergunningen boven het maximum bleef, er geen vergunning aan hem zou worden verleend.

Door het uitblijven van de benodigde vergunningen zag Garsten zich gedwongen in april 1895 zijn in 1893 volgens de annonce in het Nieuwsblad solied gebouwde en goed ingerichte Koffie- en Winkelhuis met Logement en Stalhouderij, Tuin en Boomgaard waarin Kippen- en Varkenshok te koop te zetten; notabene in de herberg van de concurent van De Kinderen van Beurden werd een en ander onder hamer gebracht, waarbij het geheel werd ingezet voor 5.500 gulden.
Toch werd blijkbaar van verkoop afgezien, want een paar maanden later, op 17 juli 1895, werd zijn smederij aan de Straatweg (Kad.nr. E-124 een weinig ten zuiden van de molen aan de Straatweg gelegen en in 1820 in eigendom van de kinderen smit Pieter van Es) te koop aangeboden en ging hij opnieuw in beroep bij Gedeputeerde Staten in Den Bosch tegen de halstarrige gemeente Dussen die geen tapvergunning wilde verlenen voor het logement aan de Sluis.

Het vervolg hiervan is niet feitelijk bekend, maar volgens historisch onderzoek uitgevoerd door oud-gemeenteambtenaar Jan Vriens, werd in 1898 door H.H. Gasten (is vermoedelijk Hubertus Wilhelmus Hendrikus Garsten, zoon van Willem Garsten) begonnen met de bouw van café De Koppelpaarden. Waarschijnlijk heeft Willem Garsten echter al eerder vergunning gekregen om zijn bedrijf op te starten, dat naast het verkopen van drank ook het verhuren van rijtuigen en het verversen van paarden (stalhouderij) inhield.
Volgens Vriens deed hij in 1914 de zaak over aan Janus H. Kamp en Geertruida Wagenmakers die daarnaast ook de functie van gemeenteontvanger bekleedde, maar vermoedelijk heeft de overname of althans het beheer van het logement zich al in een veel eerder stadium voltrokken. Uit annonces in het Nieuwsblad blijkt overduidelijk dat het café al vanaf ± 1898 door Kamp werd uitgebaat.

In 1919 werd Koos Leemans de eigenaar, die de zaak verder uitbouwde. Vooral het verenigingsleven vond een warm onthaal bij Koos Leemans. Zo spande hij zich persoonlijk in om voor RKVV Dussensche Boys een voetbalveld te creëeren op de Kerkweide naast zijn café, die hij huurde van van de R.K. Parochie. Maar ook de biljartclub vond er een warm onthaal en in 1938 werd zelfs een damclub opgericht die volgens het krantenbericht in de Echo van het Zuiden van 12-11-1938 direct bij oprichting al 25 leden mocht inschrijven. Het bestuur bestond uit de heren: Heijmans, van Moergestel en de Ronde, terwijl de heer Landmeter uit Den Bosch damlessen verzorgde. In de laatste oorlogswinter van 1944-1945 werd het pand zwaar beschadigd. Doch het werd herbouwd al moest het daarbij wel een veer laten qua uitstraling. Zo verdween de fraaie entree met opgemetselde dakkapel die het pand een chique aanblik gaf. De tweede entree die toegang gaf tot de achterzaal werd dichtgemetseld en ook de mooie gedecoreerde dakrand kwam niet terug. De oostelijke lage aanbouw werd ook hersteld, maar jammer genoeg weer in dezelfde stijl als voorheen, wat minder goed bij het pand past. Dat alles had natuurlijk te maken met de beschikbare financiële middelen, terwijl Koos Leemans zo snel mogelijk de bedrijfsvoering weer ter hand wilde nemen.

In 1956 nam zijn neef Wim Leemans de bedrijfsvoering over. Wim was een neef van Koos, een zoon van Piet Leemans, broer van Koos Leemans. Wim Leemans heeft het café gerund totdat het door brand grotendeels verwoest werd. Hij is daarna een café begonnen in Boxtel. In 1963 werd het pand voor tien jaar verhuurd aan de brouwerij Stella Artois die een pachter vonden in de persoon van Bertus Verhoeven uit Dongen. Dat betekende wel dat de investeringen in de zaak op een laag pitje kwamen te staan. Echter, doordat Stella Artois niet tijdig reageerde tijdens een rechtzaak, konden de nazaten van Koos Leemans onder het contract met Stella Artois uitkomen en stond de mogelijkheid open om het cafe zonder verplichtingen te verkopen. Zodoende kon het pand in 1974 verkocht worden aan de jonge aankomende hotelier Jan van der Westen, afkomstig uit Dussen, die opnieuw investeerde in het bedrijf. Het werd letterlijk en figuurlijk uitgebouwd tot een modern hotel-restaurant, waarbij de caféfunctie vaarwel werd gezegd. Na 35 jaar besloot Jan het bedrijf over te dragen aan zijn zoon Björn.

Terug naar Streekhistorie


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl