Raadselachtige verdwijning in beekdal langs de Aa

Inleiding

Het geslacht Lensvelt vindt zijn wortels in het Brabantse Dussen dat echter destijds (zeventiende eeuw) nog tot het graafschap Holland behoorde. Vanuit Dussen is het geslacht verder uitgewaaierd over West- en Midden-Brabant maar ook naar de Zuid-Hollandse eilanden en Den Haag e.o.
Een Lijnsvelt-tak is vooral aanwezig op de Veluwe en hoewel een verbintenis met Lensvelt uit Dussen evident lijkt, is dit vooralsnog niet genealogisch bewezen. Dat is eveneens het geval met de oorsprong van het geslacht Lensvelt uit Dussen, welke in Berlicum e.o. wordt verondersteld. In dit deel van de Meierij van Den Bosch werd namelijk een variant van de geslachtnaam, Van Lenxvelt, reeds aan het einde van de veertiende eeuw opgetekend.

De naam is zeer waarschijnlijk afgeleid van aldaar gebezigde toponiemen zoals: Lenxbroek, Lenxvelt of mogelijk zelfs ‘n beekje de Lijnde genaamd. Opvallend is dat zowel de geslachtsnaam als de toponiemen thans geheel verdwenen zijn uit Berlicum e.o. Niets herinnert noch aan het vrij grote Lenxbroek in het beekdal langs de Aa tussen Berlicum-Middelrode en Kaathoven, noch aan het oorspronkelijke ’t guet te Lenxvelt in Belver-Middelrode, terwijl het beekje de Lijnde er in ’t geheel niet meer bekend is. Ook van het geslacht Van Lenxvelt, dat in de vijftiende eeuw toch een behoorlijke rol vervulde in de bestuurlijke kringen van Berlicum, is thans niets meer overgeleverd. Hoogste tijd dus om deze mysterieuze en in nevelen gehulde verdwijning van Lenxvelt uit Berlicum e.o. eens nader te beschouwen.

Kaart van de Gemeente Berlicum uit de Gemeente Atlas van Nederland J. Kuyper 1865-1870 met daarop aangebracht een aantal toponiemen betrekking hebbende op Lenxvelt

Toponiem Lenxbroek

In de driehoek Berlicum, Middelrode en Kaathoven, tussen de Veedijk en de Heikantsehoeve, lag een laagte die eind veertiende - begin vijftiende eeuw in het Bosch' Protocol werd aangeduid als het Lengsbroec (1368, 1371), Leijnsbroeck (1419), Lengsbroec (1438) of Lenxbroek (1445/6) terwijl ook nog wel andere naamsvarianten gebruikt werden; in 1753 zelfs genoemd als Lijnsvelt.
Wim van der Heijden, die veel onderzoek gedaan heeft naar de geschiedenis van Berlicum, noemt in zijn geschiedschrijving over Berlicum één van de nieuwe ontginningsgebieden Langsveld (Nieuw Laar). Tot 1300 had de Hertog van Brabant ter compensatie voor bewezen diensten veel woeste grond uitgegeven aan edel- en handelslieden die er pachthoeven stichten om het gebied te ontginnen. Een lucratieve zaak want door de sterke groei van de stad ’s-Hertogenbosch was er een toenemende vraag naar landbouwproducten. Overigens waren de pachters die aangesteld werden op de ontginningsboerderijen over ’t algemeen van elders afkomstig.
Het gebied Langsveld ook wel genoemd Langsbroek werd na de ontginning aangeduid als Lengsvelt of Lenxbroek. In een artikel over de Werststeeg wordt het Lengsvelt omschreven als een uitgestrekt heidegebied met her en der verspreid liggende ontginningen ten zuiden van (nu genoemd) de Hooghei in Berlicum. Het toponiem werd als zodanig voor het laatst vermeld in de achttiende eeuw.

Het betrof in oppervlakte gemeten een vrij groot gebied met een grote verscheidenheid aan percelen en perceeltjes en dientengevolge diverse perceel(blok)namen. Op de eerste kadasterkaarten van omstreeks 1832 zijn er nog 'n paar terug te vinden: Schellekensveld, Nieuw Laar, Straatsveld, Voorhei en Werst, alsmede de ontsluitingswegen: Middelrooischedijk ook wel Oude Steeg genoemd, Heikampsche hoeve, Koesteeg en Werststeeg.
Niet vermeld op deze kadasterkaarten maar wel genoemd in het toponiemenregister, aangelegd door Wim van der Heijden en te raadplegen in het archief van heemkundevereniging De Plaets in Berlicum, worden onder meer: Lengsvelt (1400), Lengsvoort (1424), Lengsveldse akker (1447 en 1532, groot 6 lopense) gelegen aan de Lengveldse Steeg (1544). Voorts waren in het Lenxbroek volgens dit register ook nog gelegen: Kwaaij Akkerke, Annaveld, De Halve Hof, Cremerskampje, Oude Streep en Lijnekenmansakker (allen ±1792), Belverenboom (“beneffens de gemene beke” in 1596) en Bloemert (1526), Brandsebeemt (na 1400), Hansenakker groot 9 lopensen naast Mestweg en Afgebrande Hoeve (beiden uit 1749), Middelrooise Heide (1819), Nieuwland(t) en het Sterren- of Starrebos (1703).

De oudste vermeldingen van het Lenxbroec in het Bosch’ Protocol (regesten Ketelaars) betreffen de verkoop van 2 bunder beemd gelegen “tussen Petrus zoon van Enghelberna en het erf van het Geefhuis van Den Bosch” in 1368 en twee jaar later in 1371 opnieuw 2 bunder beemd (mogelijk hetzelfde perceel) maar nu “gelegen tussen Nicolaus genoemd Coel van der Heiden enerzijds en Henricus genoemd Clueckinc anderzijds”.

Het Bosch’ Protocol (R 1196, fol. 27, 15-1-1427) vermeldt ook nog dat in Berlicum op die Brake in ’t Lenxbroeck gelegen waren: “die Leet, met onderhoud hovediken en sluijsen, de hoeve Haenenberch en de gemeijnt die Werest”, waarmee vermoedelijk Werst bedoeld wordt. En voorts: “een beemd bij gemeijnt dat Ribbroeck, strekkende van het erf van de Notenhoeve tot de gemeijnt die Werst” (B.P. 1445-1446 Berlicum, fol. 11v). Daarnaast was een perceel van “2 buunder land genaamd Scildershoex, gelegen in het Lengsbroec aan die Aude Stege”. (B.P. Berlicum, 1447-1448, fol. 217v).
"Den Lengsvelschen Ecker aen die Lengsvelsche Stege" werd op 15 juni 1447 met terugwerkende kracht vanaf St. Remeijs l.l. door Henrick Henrick Keelbreker voor 4 mud rogge, Bossche maat, voor een termijn van acht jaar verhuurd aan Mathijs Lambrechtss van Gerwen, met de restrictie dat hij er de laatste twee jaar van zijn huurtermijn geen hout meer mocht kappen. En bij de onteigening van de Bernse abdijgoederen in Berlicum in 1652 door de Staten van Holland, werd een hoeve opgekocht door de bekende opkoper van geestelijke goederen Dirck Crabbe. De hoeve werd omschreven zijnde gelegen op het Lengsbroek aan de Middelrooise Onderstal (nu Achterweg).

Het Bosch' Protocol is het schepenprotocol van 's-Hertogenbosch over de periode 1368 tot 1809. Het bevat allerlei akten, vooral van transport van onroerend goed, cijnzen en pachten, niet enkel van de stad maar ook van de gehele Meierij van 's-Hertogenbosch en is te raadplegen in het Stadsarchief van 's-Hertogenbosch. Vòòr 1500 heeft het archief de beschikking over een zeer uitgebreide index op fiches aangelegd door Ferdinand Smulders (de periode van ca. 1420 tot 1500) en afgemaakt door Mechelien Spierings (vòòr 1420).
Het Lenxbroek strekte zich in noordoostelijke richting uit tot aan het gehucht Kaathoven toe. “Quaet” of “kaat” heeft - net als “broek” - ook te maken met slechte grond. Omstreeks 1340 lag in Kaathoven het landgoed van Heer Bock, de Boxhoeve. Het leengoed heette 's-Boecxhoeve. De Boexhoeve is onder andere vermeld in een oorkonde van 16 februari 1344. Daarin staat volgens het daarvan gemaakte regest, dat Henricus van Vinckel aan mr. Godefridus de Thalamis heeft beloofd ieder jaar een erfpacht te zullen geven, “gaande uit veertien lopen land, gelegen in de parochie van Heesch, gezegd Boexhoeve".
Deze Boexhoeve of Boxhoeve keert in latere geschriften terug als leengoed van de hertogen van Brabant. Op 24 november 1425 droeg Henrick Everarts van den Loke, de man van Jut Graet, de helft in de helft van deze hoeve (“n.l. in de helft, groot 13 1/2 bunder gelegen aan 't eind van Lenghsbroec”) tegen jaarpacht op aan de kinderen van zijn overleden broer Jan Everarts van den Loke. Hierbij zag Everart zoon van wijlen Jacop uter Hasselt overigens af van vernadering (zijn rechten op aankoop van het onroerend goed).

Leijnveltsche tiende

Vermoedelijk werd het Lenxbroek aan de westzijde begrensd door de Veedijk. In het archief van het huis Seldensate bevindt zich namelijk een document waarin een nauwgezette afbakening van “een clamp ofte blocq thiende genoempt de Leijnveltsche tiende” beschreven is. Dit document werd in opdracht van Jan Janss. de Bitter (70 jaar) en Jan Goyaerts Aelberts (67 jaar), beiden woonachtig in Berlicum, in 1658 opgesteld. Uit het stuk blijkt dat op dat tijdstip slechts een klein deel van het oorspronkelijke gebied van het Lenxbroek onderhevig was aan de zogenaamde Leijnveltsche tienden, namelijk het gedeelte ten westen van de Werststeeg. Als belent werd namelijk aangeduid: “suytwarts de Beecq van[de] Vedycksche Brugge aff tot het bruggetie in[de] Voorstege [2x] gelegen en[de] vant vs. bruggetie oistwarts te lanx neven de Voorstege tot op de Werst en[de] noirtwarts van[de] vs. Vedijckse Brugge te lanx neven de Vedycksestrate tot op een acker genoempt den Crommen Acker, en[de] noch een stuck lants gen[oempt] den Rouwencamp en[de] achter om tvs. lant tot op de voetpadt lopende tusschen de huysinge en[de] schuyre door van[de] Uylenborcxe Hoeve tot op de Gemeynte toe”.
Vrij vertaald werd het gebied dus als volgt omsloten: Ten zuiden liep de (Wambergse)beek te beginnen bij de Veedijkse brug tot aan het bruggetje van de Voorsteeg en vanaf hier oostwaarts langs de Voorsteeg tot aan de Werst. Noordwaarts vanaf de Veedijkse brug langs de Veedijksestraat tot aan de percelen Crommen Acker en Rouwencamp en achterom deze percelen tot aan het voetpad tussen het huis en de schuur van de Uylenborcxe Hoeve tot aan het Gemeijnt toe.
De Leijnveltsche tiende, in combinatie met de Hasseltse tiende, is ontstaan midden vijftiende eeuw. Eigenaar was destijds de abdij van Berne die de tienden voor een vastgelegde vergoeding per jaar aan de bewoners verpachtte, waarmee de pachter alle risico droeg voor de afdracht van de landbouwproducten. De relatief vrij talrijke tienden van Berlicum omvatten gemiddeld een oppervlakte van ongeveer 100 hectaren. Zo'n tiendgebied werd een "clamp of blocq" genoemd.

Hoeve ’t guet te Lenxvelt

Hoewel de toponiemen Lenxbroek en Lenxvelt in verschillende schrijfvarianten ’n beetje door elkaar heen gebruikt werden, was Lenxbroek niet identiek aan Lenxvelt. In buurtschap Belver of Beilver - dat waarschijnlijk ook onderdeel uitmaakte van het groter gebied Lenxbroek - lag een hoeve genaamd “ ’t guet te Lenxvelt”. Dat was nabij de Groenstraat (nu: hoek Plein - Nieuw Laar). De hoeve Lenxvelt behoorde tot de talrijke goederen in Berlicum-Belver-Middelrode van de abdij van Berne.
De oudst bekende schriftelijke vermelding van dit toponiem dateert van 1400. De Lenxvelt hoeve was toen “gelaten” aan Jan van den Espendonck maar na diens overlijden was dit erfrecht verdeeld over zijn vier kinderen.

Henrick Henrix van Lenxvelt, de man van Jutta, verkreeg in 1428 een vierde part als erfpacht via Gielis Janss die Rode c.s. dat daarvoor van Jut van den Espendonck geweest was. De drie andere eigenaren waren mogelijk: Jan Ricolt Meeus, Jan Wautgers en de kinderen van Jan Andriessoen te Rosmalen; dit omdat zij omstreeks 1460 ieder uit hun erfenis te Belver 1 spijnt rogge betaalden voor een jaargetijde in de kerk van Berlicum ten behoeve van Johannes Henrick Keelbreker en zijn huisvrouwen en kinderen.
Later breidde Henrick Henrix van Lenxvelt zijn erfpachtrechten op ’t guet te Lenxvelt uit tot de helft; de andere helft was toen in bezit van Roelof Henrix van Meerlaer die het weer verpachtte aan Jan Aert Emonts van den Hezeacker voor 5 mud rogge, Bossche maat, te voldoen op Maria Lichtmis.

De hoeve moet een behoorlijke omvang gehad hebben, want ze omvatte naast een huis, erf, hof, akkers, beemden, groeslanden en stukken heide, alles aan elkaar gelegen, tevens meerdere percelen akkers en land en 2 andere erven meer verspreid over Berlicum-Middelrode te: Beilver, Westacker, die Brake (naast Jan Henrix van Lenxvelt, broer van Henrick Henrix van Lenxvelt de man van Jut), Beeckvelt, een hoeve met broekland in Baeuvoert, en een hoeve met 2 bunder beemd in die Koeleyt (in Beeckvelt).
Omstreeks 1443 lijkt het erop dat Henrick Henrix van Lenxvelt de hoeve volledig in “bezit” heeft gekregen. Toch werd volgens het cijnsboekje van de Parochie van Berlicum uit 1448 de cijns van 20 denarii van Jan van der Eespendonck op een hoeve gelegen op Leynsvelt solvit (betaald door): Mathijs van Gherwen ende Evereat Heinnenzoen voor een kwart en door Hein van Lee.nwelt eveneens voor een kwart.
Echter, op 20 november 1462 verhuurde de Proost van Berne voor een termijn van tien jaar vanaf Pinksteren a.s. “die Hove te Lenxvelt” aan Boudewijn Andries Henrick Costkenss, zoals Andries Henrick Costkensss (overleden) deze in huur had. Dat betekende voor 10 mud rogge Bossche maat te leveren met Sint Maarten in Den Bosch en 1 mud rogge, een voer hooi, 5 kapoenen en 4 mud hop, alles te leveren in Berne met Sint Andries. Voorts diende de nieuwe huurder karweien met paarden en wagens voor de Abdij ter beschikking te stellen en de oude last van 6 Wilhelmus tuijngrondcijns over te nemen.

Henrick Costkens, de grootvader van Boudewijn, was indertijd op de hoeve gekomen via zijn echtgenote Kathelijn of Katherijn van Lenxvelt, vermoedelijk een zuster van Henrick Henrix van Lenxvelt. Maar het is ook goed om te weten dat reeds ver daarvoor, in 1427/28, een zekere Rover Costken, weduwnaar van Yda, dochter van Jan van Espendonc, voor een vierde part al eigenaar was van een hoeve ’t goet te Lenxvelt in Belver. De Costkens waren dus al in beeld voor ’t goet te Lenxvelt voordat Henrick Henrix van Lenxvelt voor het eerst zijn kwart van deze hoeve verwierf.
In 1478 werd de hoeve te Lenxvelt door de rentmeester van ’t klooster voor vier jaar verhuurd aan Lana, de weduwe van Boudewijn Andries Costkens. Als extra bepaling werd in het huurcontract opgenomen dat zij “kan heengaan met heel opbrengst”.

In 1652 werd al het abdijgoed van de Abdij van Berne, waaronder dus ook ’t guet te Lenxvelt, onteigend. Enige decennia later, omstreeks 1700, zal de boerderij behorende bij ’t guet zijn afgebrand want het perceel werd ná die tijd voortaan aangeduid als De Afgebrande Hoeve.

Geslachtsnaam Van Lenxvelt

Hoewel niet geheel onmogelijk, ligt het niet voor de hand dat de verwerving van de gedeeltelijke - of volledige erfpachtrechten op de hoeve ’t guet te Lenxvelt de bron is geweest van de in Berlicum e.o. gebezigde geslachtsnaam. De geslachtsnaam voert namelijk verder terug in tijd dan de rechten van Henrick Henrix van Lenxvelt op de hoeve in Belver.
Het is eerder aannemelijk dat het uit de dertiende eeuw stammende Berlicumse ontginningstoponiem Langsveld, later verworden tot Lenghsveld of Lenxbroek, met onder andere het ’t guet te Lenxvelt en afgeleiden daarvan zoals: Lengsvelschen Ecker aen die Lengsvelsche Stege, de Leijnveltsche tiende, etc. de basis geweest zijn voor de keuze van de geslachtsnaam met het woordje "van" als voorzetsel.
De personen die de geslachtsnaam Lenxvelt zijn gaan voeren zijn ongetwijfeld uit dit gebied afkomstig geweest of hebben er anderszins een zakelijke binding mee gehad. De eerste schriftelijke vermeldingen van het toponiem en de geslachtsnaam dateren van eind veertiende - begin vijftiende eeuw, maar zullen al eerder ontstaan zijn. In de diverse bronnen wordt de geslachtsnaam ook wel geschreven als Van Lencsvelt, Van Le(e)nx(s)velt en Van Leng(h)svelt.

Als verklaring wordt gesuggereerd dat een verkorte persoonsnaam (Leijn/Lijn - mogelijk afgeleid van Gislijn/Gisleen - of Leonard/Leendert) de bron was voor het toponiem Lenxbroek/Lenxvelt waarna het toponiem (later) weer is overgegaan tot geslachtsnaam met toevoeging van het voorzetsel “van”.
Het ontginningstoponiem uit de dertiende eeuw doet echter vermoeden dat de naam te maken heeft met de vorm (een lang veld) of ligging (een veld gelegen langs) van het ontgonnen gebied.
In dit verband is het ook interessant om te weten dat er in 1477 in Berlicum door Rutger Aert Everitss “een huis …….. aen die Lijnde” verhuurd werd. “Lijnde” in combinatie met “aen” verwijst naar de waternaam “linde” met als betekenis “langzaam, zachtjes stromend”, waarbij een verband met het toponiem Lenx/Lijns niet valt uit te sluiten.

In de onderzochte bronnen komt in dezelfde periode ook regelmatig de geslachtsnaam Van Lanc(k)velt en van Langvelt voor. Uit genealogisch onderzoek blijkt echter dat de klinker "a" variant geen enkel familieverband heeft met de klinker "e" variant in welke schrijfvorm dan ook.

Geslacht Van Lenxvelt

De talrijke naamsvermeldingen in het Bosch’ Protocol, gecombineerd met de informatie uit het Berlicums parochiearchief, de schoutsrekeningen en cijnsregisters geven een redelijk inzicht in de vijftiende-eeuwse samenstelling van het geslacht in Berlicum e.o. Zodoende konden ook de gezinssamenstellingen voor een groot deel gereconstrueerd worden. Desalniettemin blijven er nog flink wat openstaande vragen en onzekerheden.

Uit de geraadpleegde schriftelijke overlevering mogen Ghiselbertus (Gijb) van Lenxvelt en Henrick van Lenxvelt als de stamvaders van het geslacht worden aangemerkt. Gijb fungeerde in 1419 als (leek)getuige in een schenkingsakte waarin Johannes Bitter aan heer Ygramus Roempot, pastoor van de kerk van Berlichem, en aan zijn opvolgers tot stichting van een anniversarium (jaargetijde) voor zijn ouders een cijns ter beschikking stelt van 10 schelling uit een huis, tuin en erf, gelegen over de Middelroysche-Brugge aan de kant van Scynle. Gezien de beschreven ligging betrof het hier goederen in het gebied Honshoornik, waar de stamvader van het geslacht Van Lenxvelt destijds mogelijk gewoond heeft omdat hij als getuige werd opgetrommeld.

In het zelfde jaar, 1419, werd door een zekere Willem van Lantvelt, "proest bi Tricht" X Getrude "sine wife", intredegeld betaald voor de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap van ‘s-Hertogenbosch. Of hij tot geslacht Van Lenxvelt behoorde is echter niet zeker.

Uit een akte van de parochie Sint Petrus uit Berlikem van 11 augustus 1404 blijkt dat Heynric van Leensvelt samen met: Mycghiel Loeken, Heynric Voet en Arnt Korsckens, begin vijftiende eeuw als “Schepenen van Beerlykem” fungeerde. Henricus de Lenqvelt komt ook voor in de (latijnse) cijnsboeken betreffende Veghel - verder stroomopwaarts aan de Aa - van de Heerlijkheid De vijftiende-eeuwse Van Lenxvelt-populatie in de Meierij van Den Bosch is daardoor opgesplitst in twee takken, die hierna nader uiteengezet zullen worden.

Tak I

Vermoedelijk is Pauwels Giben een zoon van Gijb van Lenxvelt maar omdat de oudste vermelding zonder het patroniem Giben is, zou hij ook een broer van Gijb kunnen zijn.

(I) Pauwels Giben van Lenxvelt werd in 1392 als Pauwels van Lencsvelt twee keer vernoemd in de schoutsrekening van Maasland onder Berlicum: “om dat hi niet gedaen en hadde gelyc hi geloeft hadde voer scepenen op enen banduen van v gulden daer ic hem af betuechde daer af geiffent om iiii gulden; item noch die selve om dat hi Jan van den Doeren geslagen hadde een bennigte wonde daer af gebetert i gulden”.
Een van zijn kinderen was (I.A.) Geerling Pauwels van Lenxvelt, overleden vóór 1439 en getrouwd met Mechteld. Het gezin woonde met hun vier kinderen in de stad Den Bosch. Zoon Jan kwam waarschijnlijk al vroeg te overlijden. Geerling liet in december 1426 een transactie beschrijven met zijn broer Gijb die kennelijk verband hield met eigendommen gelegen in het buurtschap Belver of Beilver, aen’t Rosendael, vijf maanden later gevolgd door vernadering door Henrick, de zoon van Geerling.

De broer van Geerling Pauwels, (I.B.) Ghijsbert Pauwels van Lenxvelt, overleden omstreeks 1453-1454, was gehuwd met Engel(beren) van der Loeffvoirt een dochter van Peter van der Loeffvoirt. Er lag een hoeve met deze naam in het noord-westelijk deel van Berlicum, in de buurt van de veertiende eeuwse Wambergse Hoeve. Ghijsbert was in ieder geval boer. In februari 1441 sloot hij samen met een compagnon een leveringscontract met Henrick Henrick Keelbreker om 100 mud hop te leveren met Kerstmis van dat jaar, in Beerlikem op één of twee zolders van Henrick. Maar Ghijsbert of Ghysken was kennelijk ook een opgewonden standje want in de schoutsrekening over de periode Kerstmisse 1443 tot en met Sint Jansmisse 1444 werd opgetekend dat ”Ghysken van Lenxvelt verwondde Dorven soen waarbij Dorven soen zich moest verweren”.
In het jaargetijdenboek van de Parochie van Belicum werd in 1466 ten behoeve van Gijsberti de Leynsvelt, zijn echtgenote Angele (Engel) en zijn zonen een anniversarium opgetekend, te voldoen uit de opbrengsten van Loeffert.

Het gezin van Ghijsbert en Engel telde tenminste negen kinderen. De beschreven volgorde in de stamboom is min of meer willekeurig van aard en niet per definitie van oudste naar jongste. De vermoedelijk oudste zoon (I.B.1.) Paul Giben van Lenxvelt wordt in het Bosch’ Protocol zo’n vier keer vernoemd gedurende de periode 1427 tot 1444. Daarbij is er sprake van transacties met de kinderen van Peter van IJvelaer en met een nazaat van Peter Janss van de Loeffvoirt. De kinderen: Peter, Henrick, Weijndelmoet en Engel bezaten in 1493/1494 een hoeve gelegen half in Rosmalen, half in Berlikum (B.P. Berlikum, 1493/94, 141v). Deze hoeve werd enkele jaren later door Heer Willem van Dommelen opgedragen aan Dirck Jacopss van Hedel (B.P. Berlikum, 1495/97, fol. 43v).

Binnen het gezin droegen twee kinderen dezelfde voornaam Peter; wat vroeger niet ongebruikelijk was. (I.B.2.) Peter Gijsbertss van Lenxvelt (de oude), geboren circa 1450, trouwde met Katarina Gijsbert Roelof Arnts. Zij was een dochter van Gijsbert Roelof Art Genen en Yda Peter Henriks Bosch. In het standaardwerk over de genealogie van Den Dungen (auteur Leo van Minderhout) worden zij in de vijftiende eeuw tevens aangeduid als de eigenaren van de woning Poeldonksedijk C 194 en/of nr. 20. Deze was waarschijnlijk afkomstig uit de nalatenschap van de ouders van Katarina. In 1487 pachtte Peter de Oude van de rentmeester van de abt van Berne voor een termijn van 10 jaren de hoeve “die Gestelacker in Belver aan die Coninckstraete” (nu Christinastraat in Middelrode).
Ongetwijfeld een jongere broer was (I.B.3.) Peter Gijb van Lenxvelt (de jonge) die in 1465 als ingezetene van Berlicum werd opgetekend. Hij was gehuwd met Margriet en had twee dochters Elsbeen en Agnes.

(I.B.5.) Henrick Gijsbertss van Lenxvelt verbleef in 1489 int gasthuys opten Ulenberch in Den Bosch en liet zich aldaar inschrijven als lid van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Zijn zoon (I.B.5.a.) Peter Henrick Gijsbertss van Lenxvelt werd in 1485 ook als Peter de oude vernoemd.

Het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap in ’s-Hertogenbosch (1329-1620), in 1318 officieel opgericht ter ere van Maria, kwam samen in de eigen kapel in de Sint Janskerk. Vanaf 1371 konden ook “gewone” of buitenleden toetreden, onder wie vrouwen. Zij legden geen eed af en kwamen uit heel West-Europa, maar vooral uit de Nederlanden en de aanpalende Duitse gebieden. Hun namen werden genoteerd in de jaarrekeningen. De Broederschap stond onder leiding van twee proosten. Voor het lidmaatschap betaalden de leden bij aanvang intredegeld en na hun dood de zogenaamde doodschuld. De leken profiteerden door hun opname in de Broederschap wel van alle voordelen (aflaten) maar hadden niet de verplichtingen van de gezworen broeders.

Gezien het vrij grote aantal aktes in het Bosch’ Protocol van (I.B.6) Jacop Ghijsbertss van Lenxvelt, moet hij een bedrijvig man geweest zijn. Van die aktes dateert de oudste van 1437 en de laatste uit 1500. Toch moet hij al vóór 1487 overleden zijn omdat zijn echtgenote Margriet Claes die Coman in dat jaar als weduwe werd genoemd en zelfs al hertrouwd was met Henrick Sijmon Janss. Bij leven en welzijn kocht Jacop op 20 juni 1446 in Berlicum een huis, erf en hof naast ’t kerkhof dat vroeger aan Jacop die Weert toebehoord had. Het is dan ook logisch dat hij in 1465 als ingezetene van Berlicum werd opgevoerd. In 1481 was hij samen met Peter Marten Peterss pachter van de “Bernse tyend” van de Wamberch.

Een drietal meisjes maakten eveneens onderdeel uit van het gezin, namelijk: Engel, Weijndelmoet en Lijsbeth. De laatste was getrouwd met Jan Claes van Kessel.
Van (I.B.9.) Willem Ghijsbert van Lijevelt, zijn behoudens een vermelding in het Bosch’ Protocol (B.P. Berlikum, 1467/68, fol. 286) en in de schoutsrekening van Den Bosch, in 1494, als Willem van Lenxvelt geen verdere bijzonderheden bekend.

Van hun oom, de derde zoon van Pauwels Giben, (I.C.) Aert Pauwels van Lenxvelt zijn een viertal zonen bekend met enig nageslacht. Opvallend hierbij is dat zij al vrij snel de familienaam vervangen door het patroniem Aert Pauwels en dat later als geslachtsnaam gaan voeren.

Tak II

(II) Henrick van Lenxvelt - eerste vermelding uit 1404 als Heynric van Leensvelt - behoorde op 11 augustus 1404 tot het rijtje van schepenen van Beerlykem: Mycghiel Loeken, Heynric van Leensvelt, Heynric Voet en Arnt Korsckens. Gezien deze functie zal hij een man van enig aanzien geweest zijn. Kennelijk beschikte hij destijds al over bezittingen in Veghel. Volgens de Latijnse cijnsboeken van de Heerlijkheid Helmond, periode 1406-1420, betaalden Henricus de Lenqvelt en Hubertus de Hazelberch 3 nieuwe denarii uit een beemd genoemd Palsdonc in Veghel.
Uit de vermeldingen van zijn kinderen, met de toevoeging “zoon/dochter wijlen Henrick”, kan worden afgeleid dat Henrick omstreeks 1424 overleden moet zijn .
Ongetwijfeld kwam hij regelmatig in het nabij gelegen en destijds snel groeiende en welvarende Den Bosch. Zodoende moet hij getuige geweest zijn van de start van de bouw van de gotische Sint-Jan waarmee in 1380 werd begonnen. Op het tijdstip van zijn overlijden waren het hoogkoor, de kooromgang en de straalkapellen gereed. Het zou echter nog een eeuw in beslag nemen alvorens de kerk in haar geheel voltooid werd (1530).

De later beroemd geworden Bossche schilder Jeroen Bosch (±1450-1516) was een tijdgenoot van het geslacht Van Lenxvelt in Berlicum en ‘s-Hertogenbosch. Hij werd mogelijk geboren in het huis van zijn grootvader, Jan van Aken, aan de Vughterstraat. De familie Van Aken was destijds een toonaangevende Bossche schildersfamilie. Vrijwel alle familieleden waren schilder, inclusief zijn oudere broer Goessen. Hij groeide op in het huis dat zijn vader in 1462 aan de oostzijde van de Markt kocht en dat hij “In Sint Thoenis” noemde. Een plaquette aan de buitenmuur van dit pand herinnert hieraan. Over zijn jeugd is verder niets bekend.
In 1463 woedde er een grote brand in 's-Hertogenbosch, die Jeroen Bosch als kind mogelijk heeft aanschouwd. Via zijn huwelijk kwam hij in het bezit van het huis “Inden Salvatoer” aan de noordzijde van de Markt. Hij deed afstand van zijn deel van het ouderlijk huis ten gunste van zijn broer Goessen, nadat zijn broer Jan en zus Herbertke hetzelfde hadden gedaan. Zijn werk was onder meer te bewonderen in de kapel van Illustre Lieve Vrouwe Broederschap - waarvan hij zelf ook lid was - in de nieuwe Sint-Jan. Daarnaast was een retabel voor het hoofdaltaar van de Sint-Janskerk met als onderwerp de Schepping van de Wereld van zijn hand. Hij overleed in 1516, waarschijnlijk aan pleurites, en werd ter ere van hem een uitvaartmis gehouden door de deken van de Broederschap met meerdere priesters en zangers.
Henrick kreeg een uitgebreide kinderschaar waarvan de oudste zoon wel de bekendste is. Het betreft (II.A.) Henrick van Lenxvelt. Hij was getrouwd met Jut (Jutta) Gerrit Hey(n)mans Graet, dochter van Gerrit Heijnman Graet uit de stad Den Bosch. In de fiches Smulders van het Bosch’ Protocol (Berlikum, 1443-1444, fol. 8) wordt hij ook wel als Henrick Henrix van Lenxvelt - dus met vermelding van het patroniem - de man van Jut Gerit Heijmans omschreven.
Haar vader was een der eerste proosten van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap te ’s-Hertogenbosch, waaruit afgeleid mag worden dat hij een vooraanstaand persoon was. Ook Henrick mag vermoedelijk als zodanig aangemerkt worden want gedurende de gehele vijftiende eeuw werd deze naam als schepen van Berlicum vermeld. En schepen werd je tenslotte niet zomaar. Weliswaar is Henric van Lenxvelt door Wim van der Heijden niet in het rijtje van bekende schepenen van Berlicum uit de vijftiende eeuw opgenomen, maar zijn vader was al schepen in 1404. Daarnaast is er ook een vermelding van de zoon als zodanig in 1435. Schepenen van Berlikem d.d. 8 maart 1435 waren destijds: Jan Loeken, Jan Kuyst, Henric van Lencvelt en Jan die Dor.

Latere schepenvermeldingen uit 1452, 1465 en 1483 betreffen hoogstwaarschijnlijk de zoon van Henrick en Jutta, omdat vader Henrick omstreeks midden vijftiende eeuw (±1452) overleden zal zijn.
Henrick pachtte land in Berlicum van het Clarissenklooster in de Hinthamerstraat en Clarastraat in Den Bosch. De Clarissen behoorden, na de Norbertijnen van de Abdij van Berne, tot de belangrijkste grootgrondbezitters in Berlicum-Belver-Middelrode. Jaarlijks met Kerstmis was hij 4 lib. verschuldigd voor: “die tijnsen, renthen enbde pachten, die men den convente van Sunter Clarer in Shertogenbossche iairlix geldende is. Int iair onss heren M.iiijc ende xxxix. (1439) Te Berlekem”.

Het is denkbaar dat Henrick zijn status voor een deel te danken had aan Jutta, zijn vrouw. Met toestemming van haar liet hij in 1446 op zijn ziekbed testament opmaken waarbij hij éénmalig een stuiver schonk aan de kerkfabriek van Sint Lambertus in Leodium (Luik). Een gebruik dat in veel testamenten uit die periode is terug te vinden. Bovendien werd aan het altaar van Anthonius-Abt en Barbara in de parochiekerk van Berlicum een stuk land nagelaten van 2 lopen op Belver aldaar.
Behalve als publiek bestuurder maakte Henrick zich ook verdienstelijk in het bestuur van de kerk. Samen met mr. Gerit van Vladeracker, doctor in legibus (in de wetten) en gerangschikt onder de adellijke personen, vormde hij het bestuur van de O.L.V. Broederschap van de kerk van Beerlikem.
Dat was niet zomaar een functie, want Berlicum was in de vijftiende eeuw een belangrijke parochie, die innige betrekkingen onderhield met de stad Den Bosch.

Van den Loke

De status van zijn vrouw Jutta valt ook af te leiden uit haar eerste huwelijk met Henrick Everartss van den Loke. Op 24 november 1425 had deze Henrick Everartss van den Loke aan de 4 kinderen van zijn broer Jan Everartss van den Loke opgedragen: "de helft in de helft van de hoeve Boxhoeve, n.l. in de helft groot 13½ bunder aan 't eind van Lenghsbroec". Everart, de zoon van wijlen Jacop uter Hasselt, zag daarbij af van vernadering. De vader van Henrick en Jan en mogelijk ook van Jacop uter Hasselt, genaamd Everart van den Loke, had de helft van Boxhoeve in Kaathoven indertijd ten erfcijns gekregen van heer Claes van Wesel, priester en zoon van wijlen heer Jan van Wesel, ridder. Als tegenprestatie beloofden Jans zoons aan Henrick uit het goed een pacht van 3 mud rogge, Bossche maat, op Lichtmis (losbaar vóór Lichtmis over vier jaar met 12 Franse kronen voor elk mud).
Dat was in 1425 maar de Everartssen, bezaten ook “een kamp van 24 buunder in het Lengsbroec aen de gemeijnt van die Werst”. Uit het cijnsboek van Helmond inzake Middelrode uit de periode 1421-1471 blijkt dat Jan Henrick Everitss van den Loeck jaarlijks 6 denarien (oud) cijns verschuldigd was. Een bewijs dat hij eigendommen had in Middelrode, die overigens na zijn overlijden nagelaten werden aan zijn stiefvader Henrick. In 1465 was er een Jacop Everarts zoen schepen van Berlicum, waardoor een zekere mate van welstand verondersteld mag worden. Bovendien verkochten de kinderen Everarts in 1471 een huis in het Lenxbroeck met erf, hof en aangelegen bouw- en weiland aan Heilwich, de weduwe van Jan van den Born en haar kinderen. En in 1477 werd nog door een zekere Rutger Aert Everitss “een huis …….. aen die Lijnde” verhuurd voor 100 jaar en 100 dagen aan Gerit Floriss van der Aa. En in 1518 was Evert van Lenxvelt, die gezien zijn voornaam uit de Van den Loke tak stamde maar de geslachtsnaam Van Lenxvelt had aangenomen, medepachter van de Wambergse tienden. Kortom het geslacht Everarts van den Loke zal enig aanzien genoten hebben in het Berlicumse.

In een oorkonde uit 1453 legateerde Jutta: een erfcijns van 7 pond uit een stuk land, de Keselair, en een stukje land annex, het Geerken, in de parochie van Vechel, alsook een erfcijns van 40 schelling uit een huis, erf, hof en land annex, 2 mudzaad groot en gelegen in Vechel in het Kesseler. Deze legaten waren bestemd voor het altaar van Maria en Katharina in de kerk van Berlicum voor het opdragen van een wekelijkse zielenmis op vrijdag voor: haarzelf, haar ouders, echtgenoten en kinderen. Als extra bepaling werd met pastoor Jan die Lodder van Berlicum nog overeengekomen dat de reguliere H.Mis gelezen op dit altaar niet als zodanig dienst kon doen.

Een eeuw later, in 1541, werd deze erfcijns echter betwist omdat de parochie bij de uitvoering kennelijk in gebreke gebleven was. De mis was niet wekelijks gecelebreerd, waardoor de erfgenamen van de stichteres het bedrag van 7, respectievelijk 2 Bossche Ponden terug opeisten. De “gebannenre vierscharen” te Veghel, waarbij de schout van Peelland en de Veghelse schepenen aanwezig waren, vonniste dat de eiseressen (Mary en Cathrynen van Lenxvelt, II.A.1. b. en c.) hun recht dienden te halen in de plaats waar zij geboren waren. Het zou kunnen dat een zaak beschreven in de schoutsrekening van 1548 van de “Heer Bartholomeus van Myerle priester tegen Marie van Leensvelt” ondanks dat deze van 7 jaar later dateert, hiermede verband hield.
We maken uit de eerste oorkonde overigens wel op dat de dames Van Lenxvelt op dat moment (1541) nog steeds de betreffende onroerende zaken in eigendom hadden.

In 1465 werd er door de Raad van Brabant in Brussel een geschil behandeld tussen Gheert van Mol (in B.P. Berlikum, 1466-1467, fol. 230, Gerit Gerit Mols zoen genoemd) en de ingezetenen van Berlicum. Als onderdeel van deze zaak werd door Jan Voet een machtigingsbrief overlegd gedateerd 10 februari 1465.
Hoewel de inhoudelijke kant van de zaak voor dit doel minder interessant is, geeft de gedetailleerde beschrijving wel een beeld van de Berlicumse samenleving op dat moment. Zo was Henrick van Leynsvelt er één van de 7 schepenen. Voorst werden in het vonnis als andere hoogwaardigheidsbekleders genoemd: 3 kerkmeesters, 2 heiligenmeesters, 3 gezworenen en 1 priester. Als "ingesetenen ende gebueren" werden 113 mannelijke Berlicummers met naam en toenaam opgevoerd. Hieronder, inclusief schepen Henrick, 7 keer een Van Lenxvelt, te weten: Jacop Ghyben zoen van Leynsvelt, Jan van Leinsvelt, Andries van Leinxvelt, Peeter Ghiben zoen van Leinxvelt, Ghijb van Leinxvelt en Peeter Ghiben soen van Leinxvelt die Jonghe. Mogelijk maakten nog meer leden van het geslacht Van Lenxvelt deel uit van de totaal-opsomming maar dan alleen met vermelding van hun patroniem (dus zonder de geslachtsnaam).
Het geslacht Van Lenxvelt was dus destijds ruimschoots vertegenwoordigd in Berlicum, zeker als we in ogenschouw nemen dat het hier meestal gezinshoofden betreft waar we - om het totaal aantal gezinsleden te benaderen - door de bank genomen een vermenigvuldigingsfactor van vijf voor mogen hanteren omdat een gemiddeld gezin destijds ongeveer vijf personen telde.

Broers en zussen van Henrick Henrix van Lenxvelt, de man van Jutta, waren onder meer: (II.F.) Eymbert of Engbert Henrix van Lenxvelt, gehuwd met Mette van Mughovel uit Den Bosch. Zij erfde een derde part van (mogelijk) het ouderlijk huis met erf en tuin aan de Zijle (straat in sBosch). Het pand was gelegen tussen de woning van Goyaert van Bruheze en die van wijlen Jan van den Doren. Het huis strekte van de straat tot de tuin van Goyaert van Bruheze. In 1427 werd de woning aan haar broer Willem Jansz van Mughoevel verkocht.

(II.H.) Jan Henrix van Lenxvelt, was getrouwd met Aleyt Luytgart Goyart Meeusd die mogelijk familie was van de vroegere eigenaar van de Gewatse hoeve of Seldensate. Jan Henrix werd een aantal keren als cijnsplichtige opgetekend in het cijnsregister van de heren van Helmond. Deze waren begin veertiende eeuw door ruiling met de Hertog van Brabant in bezit gekomen van cijnsrechten in Middelrode. De cijns werd tot 1600 betaald in hoenderen en kapoenen en daarna in geld. Ook Jan Henrix’ neef, Peter Henrix van Lenxvelt (zoon van Henrick II), komt in dit register voor. De Helmondse grondcijns van Jan Henrix had onder meer betrekking op “Die Leet in Berlicum in ’t Lenxbroec” waarop in 1424 kennelijk “een nieuw huis van 4 gebinten” stond. Mogelijk is dit hetzelfde huis als waaruit door Jan Henrix in 1468 een jaargetijde werd gefinancierd bij de Parochie van Berlicum "voor Lijsbeth sijnre huijsvrou en hoerer beyder kynder, van 1 sester erfrogghen te betalen op O.L.Vr. Lichtmis uit een huys, hoff ende erffenis gelegen te Berlikem aan die gemeijnt Vijnchel".

Jan en Aleyt hadden een uitgebreid gezin met ten minste zes kinderen. Hun oudste zoon was traditiegetrouw ook een (II.H.1.) Henrick van Lenxvelt, getrouwd met Jenneke Hubrecht van Yngen. Doordat de naam Henrick veelvuldig gebruikt werd binnen het geslacht valt een aantal van deze naamsvermeldingen in de schriftelijke bronnen soms moeilijk te herleiden tot de exacte persoon. Via hun dochters Jutta, Helena en Weijndelmoendis kwamen huwelijkse verbintenissen tot stand met andere Berlicumse geslachten zoals: Die Rode, Peterss en Van den Berg (Monte).
Van Jan Henrix is nog vermeldenswaard dat zijn zoon (II.H.5.) Andries van Leinxvelt - in de eerder aangehaalde machtigingbrief als ingezetene van Berlicum vermeld - blijkens een akte in het Bosch' Protocol (B.P. nr. 265) in 1486/87 door Jan Henrix Voet - eveneens genoemd in bedoelde machtigingbrief - en Boudewijn Henrick Viltsi werd vermoord.
Het feit dat deze moordzaak in het Bossche schepenprotocol vermeld wordt, is een aanwijzing dat de schuldigen waarschijnlijk (financiële) genoegdoening hebben getroffen met de nabestaanden van Andries van Leinxvelt. Destijds kende men nog geen gevangenissen o.i.d. De aan een dergelijke misdaad schuldig bevonden personen eindigden doorgaans aan de galg of werden verbannen. Maar het kwam ook wel voor dat de straf werd afgekocht. Zo’n onderlinge regeling werd dan voor de schepenbank vastgelegd en bekrachtigd.

Schepen Henrick van Leynsvelt genoemd in de machtigingsbrief uit 1465, was hoogstwaarschijnlijk (II.A.1.) Henrick Henrix van Lenxvelt, gehuwd met Hillegart Emont Henrix, een dochter van Emont Henrix en Katterijn. Henrick en Hillegart kregen een zoon, (II.A.1.a) Henrick Henrick Henrix van Lenxvelt genaamd die getrouwd was met Katherijn een dochter van Peter Dirxs.
Uit dit gezin werd tenminste één zoon geboren, (II.A.1.a.(A)) Peter van Lenxvelt. Mogelijk was hij als “droeghsceerder” (=lakenbereider) actief in de Bossche lakennijverheid, die destijds overigens over haar hoogtepunt heen was. Hij en zijn vrouw Mechteld waren in 1510, respectievelijk 1516, eveneens toegetreden tot de rangen van het Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. De doodschuld voor zijn echtgenote werd in 1521 voldaan.

Henrick en Hillegart hadden ook nog twee dochters: Mary en Catharynen. Zij waren erfgenamen van de Van Lenxveltgoederen op ’t Keselair te Veghel. Nadat Hillegart was overleden bleek Henrick omstreeks 1495 hertrouwd met Zeyns, dochter van Peter Henrick Scellekens (en voordien weduwe van Panthenier Janss Kepken van Geffen).
Behalve goederen in Berlicum en Veghel was Henrick ook eigenaar van landerijen in Schijndel in die Hautaert die voor 6 pond aan Denijs Aerts vander Stegen verpacht waren. Daarnaast pachtte hij voor 75 pond in 1465-1466 voor de duur van 7 jaren vanaf Sint Maarten l.l. van ‘t klooster van Berne de smaltiende van Berlicum. Het betrof hier de opbrengst van de zogenaamde “kleine tiende”, een locale belasting op: klein vee, vruchten en groenten en zo genoemd in tegenstelling tot de grote of grove tiende, d. i. korentiende. In 1474-1475 werd de pacht van de “smaeltyende” verlengd.

In 1446 - vermoedelijk na het overlijden van zijn vader - gaf Henrick Henrix "een huis, erf, hof en aangelag op die Brake, strekkende aan de gemeijnt Breacvenne, met onderhoud van thuijnscouwen ende Vrede", in erfpacht aan Herman Hermanss van Lyt tegen een jaarlijkse vergoeding van 6 zesteren rogge volgens Bossche maat te voldoen op Maria Lichtmis (2 februari).
Het Bosch' Protocol geeft aan dat hij 1471 een huis in het Lenxvelt had, waarmee waarschijnlijk de hoeve in Belver bedoeld wordt. De verbouw van hop was er kennelijk populair en lucratief want ook van Henrick Henrix van Lenxvelt werd een contract van 100 mud hop gevonden, te leveren aan Jacop van den Hoevel met het feest van Sint Jan in 1474.

Henrick komen we ook tegen in de Meierijse Schoutsrekeningen over de periode Kerstmis 1494 tot en met 20 maart 1495 voor Pasen: "Hendrick van Lensvelt die daer by ende aen geweest es daer eenen ruyter zyn armborst ghenomen werdt ende naderhandt hem weder ghegeven daer hy noch raet ende daet toe gegheven en hadde ende want hy hem beduchte van den heer aengetast te werden ende dat hy oick tegen den here niet dinghen en woude, laten composeren om iiii rijnsgulden".
Het betreft hier een schoutsrekening van de hoogschout zelf. Die rekeningen staan vol met allerhande boetes die men mensen oplegde vanwege bepaalde vergrijpen. In dit geval werd Hendrick van Lensvelt betrapt omdat hij blijkbaar aanwezig was bij een voorval waarbij een ruiter zijn hand- of voetboog werd afgenomen, die hem overigens naderhand weer werd teruggegeven. De vraag is in hoeverre Hendrick zelf rechtstreeks daarbij betrokken is geweest want hij ontkent in wezen, mede uit angst om door de hoogschout of zijn dienaars gearresteerd te worden en terecht te moeten staan in een rechtsgeding. De “overtreding” werd tegen betaling van 4 Rijnse guldens afgekocht, zonder dat er een gerechtelijke procedure volgde.

Henrick - in de schoutsrekeningen veelal aangeduid als Heyn - schijnt overigens bepaald geen “heilig boontje” te zijn geweest. Omstreeks de jaarwisseling van 1498-1499 behandelde de onderschout van Den Bosch namelijk een zaak inzake: “slaan met houten knuppels, kannen e.d.: Heyn van Lenxvelt sloeg Jaspinren die Pleitmekere”. Maar hij kreeg ook zelf wel eens zijn trekken thuis, zoals in 1460 toen in Berlicum “Dries van den Brande verwondde Heyn van Lengvelt”.

Zijn zwager Jan Henrick Jan Spierinck werd in de eerder aangehaalde machtigingsbrief eveneens als schepen genoemd. Het geslacht Spierinck had aanzien in de regio en Henrick Henrix’ zus (II.A.2.) Ermgart Henricks van Lenxvelt was zodoende met een goede partij getrouwd. Ze woonden op het landgoed Ten Bergelen dat later kasteel Assendelft zou gaan heten. Dit was gelegen in Middelrode bij de brug over de rivier de Aa naar Schijndel.

(II.A.3.) Peter Henrick Henrix van Lenxvelt, een broer van Henrick Henrix en Ermgart Henricks was getrouwd met Beatrix Aert Henrix Maes. In 1481 was Beatrijs, haar roepnaam, door Jan Gerrits van der Aa en zijn medeplegers ontvoerd naar Bochoven. Wat precies de beweegredenen waren voor de zoon van notabene de voormalige kerkmeester van Berlicum, die aan het riviertje de Lijnde woonde, om Beatrijs te kidnappen wordt niet duidelijk, maar uit haar verklaring blijkt wel dat de ontvoering haar kennelijk niet onwelgevallig was, wat duidt op een klassiek geval van schaking. Hoe dan ook, in 1485 verkreeg Beatrijs de Middelhoeve en Ghijbenhoeve - allebei gelegen in het gebied Honshoornik te Middelrode - uit de nalatenschap van haar vader Aert Henrix Maes soen alias Mabelen.
Haar man, Peter Henrick Henrix van Lenxvelt was in 1492 pachter op het herengoed van Honshoornik gelegen aan de Schijndelse kant van de brug over de Aa. Een paar maanden eerder, op 19 november 1491 ('s-Bosch R 1261 blad 390vso), had hij de landerijen Middelhoeve en Ghijbenhoeve aan Heer Hertog Jan opgedragen, zodat hij er mogelijk zelf financieel ook niet al te best voorstond. De Geldersen waren destijds nogal actief geweest met brandschatting en plundering van de Meierij en wellicht waren die gebeurtenissen de oorzaak van de slechte gang van zaken op de Honshoornik.

Behalve door nakomelingen uit het huwelijk van Henrick van Lenxvelt met Jutta Graet ontstond er ook een tak met de geslachtsnaam Van Lenxvelt via nakomelingen uit Jutta’s eerste huwelijk met Henrick Everartss van de Loke en dan met name via hun oudste zoon Everart Henrick Everitss en diens kinderen. Dit had natuurlijk alles te maken met het feit dat Everart - maar ook zijn twee broers Henrick en Jan - deel uitmaakten van het gezin van Henrick (II) van Lenxvelt en Jutta. Mogelijk speelden eigendomsrechten zelfs een rol, want in 1428 werd door Everart Henrick Everits een deling overeengekomen met zijn halfbroer Henrick (III) Henrix van Lenxvelt.
Zodoende raakten de eigenaren (Van den Loke) van de Kaathovense Boxhove verweven met die van: ’t guet te Lenxvelt, hoeve Gestelacker en aen ’t Rosendael, alledrie in Belver, van Ten Birgelen aan de Aa (via echtgenote Spierinck van hun halfzuster Ermgart), van Kasteel Seldensate (via de vrouw van hun andere halfbroer Jan Henrix van Lenxvelt) en later ook nog van de Middelhoeve en Gijbenhoeve op Honshoornik (via hun halfneef Peter Henrick Henrix). Geen wonder dat leden van het geslacht Van Lenxvelt betrokken waren bij het bestuur van Berlicum.

De kinderen van deze oudste zoon van Jutta en stiefzoon van haar tweede man Henrick van Lenxvelt gingen net als hun vader de geslachtsnaam Van Lenxvelt voeren. Met de tweede zoon Gerit Everart Henrix van Lenxvelt, geboren circa 1473, werd de voornaam Gerit binnen de familie geïntroduceerd. Misschien werd hij wel vernoemd naar de bekende Bosschenaar Gerrit Heynmans Graet, de vader van Jut. Bovendien is ook nageslacht bekend. Zo woonde zijn zoon (I.B.1) Peter Gerits van Lenxvelt in Berlicum en een andere zoon Henrik Gerards van Leinxvelt in Den Dungen.

(I.B.2.) Henrik Gerards van Leinxvelt was getrouwd met Jenneke Arnt Goossens, geboren circa 1505 en dochter van Arnt Goossens en Heijlwich Henrik Dirk Werners. Zijn vrouw Jenneke was erfgenaam van het ouderlijk huis Bospad 44 in Den Dungen (B 220), dat in 1546 werd verkocht. Daarnaast waren zij in 1547 voor eenderde deel eigenaar van land in de Lytsche straet in Den Dungen. Mogelijk maakte Gerit van Lenxvelt ook deel uit van dit gezin. Van deze Gerit van Lenxvelt werden in de eerste helft van zestiende eeuw diverse (7) vermeldingen teruggevonden in het "out Osse cijnsboek" s(int). Andree Ap(osto)li , periode 1499-1562, dat deel uitmaakt van het parochiearchief van Berlicum. Vermoedelijk is hij de stamvader van de Lensvelten in Hemert, Wijk, Babyloniënbroek en Dussen.

Conclusie

De geslachtsnaam Van Lenxvelt vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in het toponiem Langsveld/Lenxbroek/Lenxvelt in Berlicum-Middelrode. Leden van het geslacht waren er in de vijftiende eeuw actief in publieke bestuursfuncties en incidenteel ook als kerkbestuurder. Dit gevoegd bij het feit dat de geslachtsnaam vrij frequent voorkomt in het Bosch’ Protocol is een aanwijzing dat zij tot de gegoede stand behoorden. De vastleggingen in het Bossche register voor vrijwillige rechtspraak waren immers veelal bekrachtigingen van zakelijke overeenkomsten (verkoop, overdracht, verpachting, vruchtgebruik, etc.) wat kennelijk voor de leden van het geslacht met een zekere regelmaat opportuun was. Hun aanzien werd mede gestaafd door huwelijkse verbintenissen met gerenommeerde geslachten zoals Graet en Spierincks.

Kinderen en hun nakomelingen uit het eerste huwelijk van Jut Gerit Heijmans Graet - zijnde stiefkinderen van Juts tweede echtgenoot Henrick II de schepen van Berlicum - zijn tevens de geslachtsnaam Van Lenxvelt van hun stiefvader gaan voeren. Zij zijn vermoedelijk de voorouders van het geslacht waarvan nazaten zich via Hemert in de Bommelerwaard, Wijk in het land van Heusden en Altena en Babyloniënbroek/Hill - met Lensvelt als geslachtsnaam - begin zeventiende eeuw in Dussen gevestigd hebben. Onomstotelijk bewijs hiervoor is echter nog steeds niet gevonden. Aanwijzigen alom maar dat telt immers niet in de genealogie.

De hypothese is dat Jan Gerit van Lenxvelt in de eerste helft van de zestiende eeuw als gevolg van de Gelderse oorlogen (veldtochten Maarten van Rossum in 1542-1543) of de verschrikkingen van de Zwarte Dood (1530, 1554-1557), de wijk genomen heeft naar meer noordelijk gebied, naar Hemert in de Bommelerwaard. Maar het is ook goed mogelijk dat de economische neergang van Den Bosch aanleiding is geweest om te verhuizen.

(II.A1.2.c.) Jan Geritszoon (van) Lensvelt wordt in 1559, 1578, 1583 en 1586 in de notariële archieven van Nederhemert vermeld. Hieruit blijkt dat hij te Hemert - maar ook in het naburige Aalst - over eigendommen beschikte. Ook in aktes te Heusden komt deze naam terug met daarin tevens de aanwijzing dat hij in 1576 aan de overkant van de Maas bij Hemert, te Wijk, gewoond heeft.
Van zijn zoon Gerrit Janszoon Lensvelt werd met de toevoeging “van Hemert” in 1620 een tweede huwelijk (hij was weduwnaar) in de DTB-registers van Babyloniënbroek/Hill geregistreerd. De mogelijkheid bestaat dat zijn verblijf in Babyloniënbroek/Hill verband hield met de aanwezigheid van de Abdij van Berne in deze meest westelijke contreien van het Land van Heusden. Deze orde was immers van oudsher nadrukkelijk aanwezig in Berlicum en zelfs eigenaar van ’t guet te Lenxvelt. Bovendien deden leden van het geslacht Van Lenxvelt in Berlicum (wereldse) zaken met de proost of rentmeester van het klooster te Berne. Hoe dan ook, Gerrit Janszoon (van) Lensvelt stond in ieder geval aan de basis van het sterk uitdijende geslacht te Dussen Muilkerk en Munsterkerk in de eeuwen daarna.

Feit is dat het geslacht Van Lenxvelt in Berlicum e.o. in de loop van de zestiende eeuw er kennelijk is uitgestorven of vertrokken. In de geraadpleegde bronnen komt de geslachtsnaam - van welke schrijfwijze dan ook - later niet meer voor. In de uitgebreide DTB-registers van Berlicum - die teruggaan tot 1603, R.K. dopen - en de direct omliggende plaatsen uit de periode van 1580-1811 is geen enkele vermelding terug te vinden die maar in de verste verte op de geslachtsnaam lijkt. Ook in de collectie Van Lokven met een inventaris van Berlicumse families vanaf de zeventiende eeuw komt de naam niet voor. Dat mag op zijn minst opmerkelijk heten. Honderdvijftig jaar voordat de eerste r.-k. dopen in Berlicum werden geregistreerd, in 1465, werd het aantal inwoners van het dorp met de geslachtsnaam Van Lenxvelt nog ingeschat op zo’n 35 personen. Waren er wellicht veel vrouwelijke nazaten? Werden nakomelingen slechts met hun patroniem opgetekend? Hielden oorlogen of besmettelijke ziektes onevenredig huis onder leden van het geslacht? Was de economische teruggang gekoppeld aan de enorme inflatie in de tweede helft van zestiende eeuw aanleiding om hun biezen te pakken? We kunnen er natuurlijk van alles bij bedenken maar het blijft slechts gissen.

Het gegeven dat de geslachtsnaam verdween uit Berlicum is wellicht ook de oorzaak dat vergelijkbare toponiemen er in het dagelijkse spraakgebruik in onbruik of op de achtergrond raakten. Behalve voor de hoeve Lenxvelt die door brand werd verwoest, niet meer werd opgebouwd en in de volksmond voortaan als Afgebrande Hoeve werd aangeduid, zijn er verder geen specifieke redenen te duiden waarom de toponiemen verband houdende met Lenxvelt eveneens verdwenen zijn.
Gelet op de nadrukkelijke aanwezigheid van de naam/toponiem, met name in de vijftiende eeuw, blijft dit een raadsel. Dit artikel lost het mysterie van die verdwijning niet op. Hopelijk levert het wel een bescheiden bijdrage aan een min of meer blijvende herinnering aan (Van) Lenxvelt in het Berlicumse.

Literatuur

Adriaenssen, L. (2007) Staatsvormend geweld, overleven aan de frontlinies in de meierij van Den Bosch, 1572-1629.
Bavel, H. van. (1984). Regestenboek van het archief van de Abdij van Berne 1134-1400. (RAB)
Bavel, H. van. (1990). Regestenboek van het archief van de Abdij van Berne 1400-1500. (RAB)
Div. auteurs. Rondom de plaets, orgaan heemkundeverg. De Plaets, Berlicum, div. jaargangen. (BHIC)
Heijden, W. van der. Genealogisch Tijdschrift Oost-Brabant, diverse jaargangen. (BHIC)
Heijden, W. van der. (1982-1984) Berlicum. Zwerftocht door het verleden. De beknopte geschiedenis van het kerkdorp Berlicum en de gehuchten Belveren, Middelrode en Kaathoven (2 dln.) (BHIC)
Heijden, W. van der (1993) Het Herengoed Veebeek te Berlicum. (BHIC)
Heijden, W. van der (1987) De Wamberg te Berlicum. (BHIC)
Hurk, A. v.d. en Heijden, W. v.d. (1990) Berne en Berlicum -750 jaar patronaatsrecht parochie van Berlicum. (BHIC).
Ketelaars, S.J.M.M. (2003) Index op Bosch’ Protocol , jaren 1367-1377 (SAsBosch)
Kops, Wim (2007) ’s-Hertogenbosch, een rijke ,roerige en roemruchte historie
Minderhout, L. van. (1976). Zes eeuwen Den Dungen, een studie van de geschiedenis van de Dungense huizen. (BHIC).
Minderhout, L. van. (1991) Genealogie van Den Dungen, deel I - inleiding, toelichting en genealogische bladen, deel II - genealogische bladen, register van familienamen en register van voornamen. ( BHIC).
Synghel, drs Geertrui Van (1993) het BOSCH’PROTOCOL, een praktische handleiding.
Wetzer, A.F.A.M. (2003-2012) vs 8.3 - website | http://www.bossche-encyclopedie.nl/_index.htm

Geslacht Van Lenxvelt in Berlicum en Middelrode e.o.

Voor een overzicht van de stamboom van het geslacht Van Lenxvelt in Berlicum-Middelrode en omgeving, klik op onderstaande link.

Stamboom Van Lenxvelt in Berlicum-Middelrode e.o.


© Ton Lensvelt, e-mail adres: tonlensvelt@ziggo.nl