Genealogie van de familie Kalkman

De Capelse tak

[pagina 17]

Homepage

Achtergrond

Het rode Boek

Takken

Naamindex

Onze naam

Nieuw

eMail

English

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 18]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 19]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 20]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 21]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 22]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 23]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 24]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 25]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 26]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 27]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 28]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 29]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 30]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 31]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 32]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[pagina 33]

 

 

 

Van de Capelse Kalkmannen heeft, voor zover ik heb kunnen nagaan, slechts een enkeling in het eigenlijke dorp gewoond. Capelle op d'IJssel heette het plaatsje toen nog. Verreweg de meeste Kalkmannen waren gehuisvest in dijkwoningen in de polder Keeten. Gerrit en Pieter (IIc en IId) woonden allebei op "den Koude Hoek", een vestigingsplaats die ik niet nader heb kunnen definiŽren. Van latere Kalkmannen is vast komen te staan dat zij huisjes bewoonden aan de voet van Schielands Hoge Zeedijk, niet ver van het Kralingseveer bij de grens tussen Capelle en Kralingen (dat toen nog een zelfstandige gemeente was).

Dijkwoningen in de polder Keeten onder Capelle a.d. IJssel De man die in hemdsmouwen voor het huisje staat, is Pieter Kalkman, de man van Geertruida Kalkman

Of de Kalkmannen zich direct na hun vestiging in CapelIe met de zalmvisserij zijn gaan bezighouden? Misschien heeft deze of gene aanvankelijk nog iets in de landbouw of een ander vak gedaan. Zeker is in elk geval dat zij in het algemeen gesproken het visserswerk snel ter hand hebben genomen. Dat werk is daarna, alweer in het algemeen gesproken, van vader op zoon overgegaan, tot in het begin van onze eeuw toe.

De zalmvissers van die dagen konden meestal op goede vangsten rekenen. Hef water van onze grote rivieren stond nog niet aan de industriŽle en andere vervuiling bloot die vandaag de dag het leven der vissen belaagt. In het voorjaar placht de zalm massaal de rivieren op te zwemmen om te paaien. Dan kwam de zalm in vele gezinnen dikwijls als hoofdschotel op tafel en dat waarachtig niet alleen in de gezinnen van de vissers. Er gaan in de Krimpenerwaard verhalen van dienstmeisjes die - als zij zich kwamen "verhuren" - het beding stelden dat zij niet meer dan tweemaal per week bij het middagmaal zalm opgediend zouden krijgen.

Voor de zalm was Kralingseveer de belangrijkste aanvoerplaats. In het tijdvak van 1882-1887 werden daar jaarlijks ruim 83.000 stuks aangevoerd. In het eerste decennium van de twintigste eeuw was dat aantal al teruggelopen tot gemiddeld 25.000 stuks per jaar. Daarna heeft de zalm meer en meer zijn bekomst van onze rivieren gekregen, om er ten slotte helemaal de brui aan te geven. 10)

Uit het voorgaande valt af te leiden dat de Kalkmannen niet het gehele jaar door op zalm visten. Als de zalmtijd voorbij was occupeerden zij zich met de visserij op andere riviervissen. Bij voorkeur, zo wil het de overlevering, probeerden zij aal en paling in hun netten te krijgen, maar ook de verschillende soorten witvis waren welkom.

Er waren drie vistuigen in gebruik onder de zalmvissers, te weten: de steek, de zegen en het drijfnet. De steek is een constructie van in de rivier geplaatste palen en rijshout waaraan fuiken werden verbonden. Hoewel ik daarop geen eed zou durven afleggen, meen ik toch te kunnen verklaren dat de KaIkmannen zich niet van dit middel hebben bediend. In verscheidene notariŽle akten, hun doen en laten betreffende, is sprake van vissersschuiten en het daarbij behorende want. Aan te nemen valt dus dat onze voorvaderen hetzij met de zegen, hetzij met het drijfnet hebben gevist.

Dat vissen geschiedde in de eerste plaats op de IJssel. Het recht daartoe moest worden gepacht. In het notarieel archief te Rotterdam is een akte bewaard gebleven die dit onderstreept. Uit deze akte - van 24 juli 1860 - blijkt dat Willem Kalkman (Vlac) van jhr. Jacob Nicolaas Joan Jantzoon van Erffrenten van Babylonienbroek te Dordrecht voor de tijd van zes jaar de visserij op de IJssel huurde tegen betaling van f 100.- per jaar. De jonkheer was een belangrijk personage. Hij was lid van Provinciale Staten van Zuid-Holland en hij had ook zitting in de gemeenteraad van Dordrecht. De visserij in de IJssel - vanaf de Gouwe voor Gouda tot aan de mond van de rivier - was zijn eigendom. 11)

Uit overgeleverde verhalen valt op te maken dat de Kalkmannen het soms met de visrechten niet zo nauw namen. Ook niet als het visrechten van collega-vissers gold. Dat zal wel verband hebben gehouden met de vangsten, maar het feit is er niet minder om dat de Kalkmannen wel eens konden worden aangetroffen in wateren die door anderen, al dan niet uit andere plaatsen, waren gepacht. Het omgekeerde zal ook wel gebeurd zijn. In eik geval schroomden onze voorvaderen niet met hun visschuiten hele afstanden af te leggen, op zoek naar vis. Zij waren dientengevolge soms wel een paar dagen en nachten van huis en zij beproefden hun geluk dan tot op het Hollands Diep en in de Biesbosch toe. Dat moet meer dan eens aanleiding hebben gegeven tot heftige conflicten, niet in de laatste plaats met Woudrichemse vissers.

In dit verband is een aantekening interessant die de ambtenaar van de burgerlijke stand te Capelle a.d. IJssel heeft gemaakt in het overlijdensregister van 1816. Deze aantekening, gebaseerd op een missive uit de gemeente Klundert, luidt als volgt:

,In het Jaar Een Duizend Agt Honderd en Zestien den zestienden Augustus 's morgens om tien uuren compareerde voor ons Burgemeester der Stede en Heerlijkheit Niervaart gezegd de Klundert. de Heeren Johannes Hofman, leerlooyer etc., oud een en dertig jaren, wonende op den Moerdijk, en Jacobus Weeland, oud een en dertig jaren, sasmeester, wonende aan de Roodevaart, beide onder Jurisdictie van de Klundert, dewelken ons hebben gedeclareert, dat op den gezegden Moerdijk op den vier en twintigsten Juny dezes Jaars is opgevischt en begraven het lijk van een onbekende persoon, dewelke zeer apparentelijk verdronken was en dat gezegde declaranten eenige tijd na gezegde opvissching zijn geÔnformeerd geworden dat den verdronken persoon was Antonij Kalkman, oud na gissing vijf en vijftig Jaren, visser van beroep, geboren en denkelijk woonachtig te Capelle op Dijssel, zijnde de namen van de vader en moeder onbekend. Vanal 't welk wij deze acte hebben opgemaakt, dewelke met ons door de Declaranten na gedane voorlezing is onderteekend,

w.g. Abm. den Engelse, Burgemeester, Joh, Hofman, J, Weeland" 12)

De Anthonij van wie in het voorgaande sprake is, was een zoon van Pieter Crijnen Kalkman en Geertje Ariensd. Mijnhoogheit. Hij paraisseert in de genealogie onder het nummer Vu. Onder zijn nu levende nageslacht circuleert de verdenking dat Anthonij het slachtoffer is geworden van een botsing met andere vissers. Zijn boot zou moedwillig overvaren zijn en hij zou daarbij het leven hebben verloren, Ter bekrachtiging van die verdenking wordt er dan op gewezen dat er van de boot nooit een spoor is teruggevonden,

Deze geschiedenis latende voor wat zij is, moet ik nu aanstippen dat er eertijds ook nogal wat Kalkmannen van de Capelse tak in Kralingen of Kralingseveer hebben gewoond. Voor hun beroep maakte dat geen verschil. Op de een of andere manier hadden zij wat met zalm van doen, hetzij als visser, hetzij als handelaar. Bijvoorbeeld Johannis Kalkman (VIIaj) die, samen met zijn zoon Cornelis Antonie een firma heeft gedreven die de handel in verse en gerookte zalm, elft en steur tot haar doelstellingen rekende. Allemaal vissoorten die door de vervuiling van het water uit onze rivieren zijn verdwenen. Johannis moet een doorgewinterde zakenman zijn geweest. Uit nagelaten bescheiden blijkt dat hij de hand heeft gehad in allerlei andere affaires, mogelijk weleens met speculatieve oogmerken. Wat daarvan ook zij: Kalkmannen waren op de visafslag in Kralingseveer - met in de onmiddellijke nabijheid de fameuze uitspanning Het Zalmhuis - trouwe verschijningen. Dirk Kalkman (VIlah) is er zelfs afslager geweest.

Minder trouw was de zalm. Die begon zich hogerop de rivieren steeds onbehagelijker te voelen. Dat is aan de mobiliteit van het vissende voorgeslacht terdege merkbaar geweest. Een deel van hen verlegde omstreeks het midden van de vorige eeuw het centrum van de visactiviteiten van Capelle naar Krimpen a.d. Lek. Een man als Anthony Kalkman ging het omstreeks 1870 met zijn vrouw Neeltje No(o)men (VIlai) in Brielle zoeken. Daar hebben zij al gauw de bakens verzet. Aanvankelijk staat Anthony in de registers ten stadhuize nog ingeschreven als zalmvisser, maar na enkele jaren zien we hem optreden als tapper en logementhouder. Hij exploiteerde het cafť-restaurant Land- en Zeezicht, staande op het Havenhoofd bij het Veerhuis. Een andere bron noemt als naam van het etablissement Maaszicht.

Na de dood van Anthony heeft zijn vrouw het bedrijf voortgezet, later bijgestaan door zoon Jan Adrianus. Als deze in 1890 met Lena Jaantje de Geus 

De zalmmarkt te Kralingseveer. Best mogelijk dat zich tussen de mannen op de foto Kalkmannen bevinden.

trouwt - Neeftje No(o)men is dan ook al overleden - wordt in zijn trouwakte vermeld dat hij herbergier van beroep is.

Het is overigens de vraag of Anthony de zalmvisserij er helemaal aan heeft gegeven, misschien heeft hij er toch nog wat aan gedaan, naast zijn bezigheden als horeca-ondernemer. Die gedachte wordt ingegeven door de wetenschap dat op een oude prentbriefkaart 13) van het Havenhoofd naast het logement enkele zogenaamde zalmloodsen te zien zijn, loodsen dus waarin de vis bewerkt placht te worden. De loodsen hoeven echter niet noodzakelijkerwijs (alleen) aan Anthony of diens zoon Jan Adrianus toebehoord te hebben Aan het Havenhoofd hebben ook Pieter Kalkman (VIIIay) en zijn gezin gewoond. Er hadden zich trouwens in diezelfde tijd meer Kalkmannen in de oude Geuzenstad gevestigd en wel: Johannis (VIIIbq) en Teunis (VIIIbn). Van deze twee broers woonde eerstgenoemde op het Maasland, laatstgenoemde in de Voorstraat. Pieter, Johannis en Teunis stonden in hun Brielse tijd als zalmvissers te boek, De zalmloodsen aan het Havenhoofd zullen stellig bok door hen zijn gebruikt.

Overigens: het pand waarin het logement was gevestigd, bestaat nog steeds, Het is inmiddels overgegaan in handen van een (kennelijk vermogende) burger die het grondig heeft laten restaureren voor eigen bewoning. Het biedt nu aan de voorbijganger een fraaie aanblik en aan zijn bewoners een riant uitzicht over het water.

Eveneens in het laatste kwart van de vorige eeuw ontstaat er onder de zalmvissende Kalkmannen ineens ook een krachtige trek naar Heenvliet. In minder dan geen tijd groeit in "de Nieuwesluis", nabij de noordelijke uitmonding van het Voornse kanaal in de Brielse Maas, een complete Kalkmannen-kolonie. De huizen waarin deze leden van ons voorgeslacht hebben gewoond, zijn verdwenen; zij hebben plaatsgemaakt voor haven- en industrieterreinen van het expanderende Rotterdam. Nog steeds zochten die Heenvlietse KaIkmannen in de zalmvisserij een bestaan te vinden.

Voor een vergelijkbare "Kalkmannen-explosie" hebben in 1916 of daaromtrent Anthonie Kalkman (VllIby) en zijn vrouw Margrita van der Hoeven gezorgd in IJmuiden (Velsen). Het echtpaar heeft zich daar, komende uit Zwartewaal, met dertien kinderen gevestigd in de hoop, naar men mag aannemen, dat uit de zeevisserij een redelijk inkomen zou zijn te halen. Onder de dertien kinderen waren negen jongens. Gezonde jongens blijkbaar. Tot die conclusie moet een mens wel komen als hij bespeurt hoe zich daar in de hoofdstedelijke voorhaven een zeer omvangrijke gemeenschap van Kalkmannen heeft gevormd.

Het heeft er wel van dat de mannen daar de eerste tijd inderdaad het oog gericht hebben gehouden op de mogelijkheden van de visserij en de visverwerkende industrie. Een deel van hun vrouwen verdiende er een centje bij als nettenboetster. Maar de vis bracht vermoedelijk toch niet voldoende geld in het laatje. Gaandeweg immers zijn de IJmuidense Kalkmannen zich in andere beroepen gaan oriŽnteren.

Daartoe werden ook meer en meer andere Kalkmannen genoodzaakt die geprobeerd hadden zich zo lang mogelijk staande te houden met de zalm- en riviervisserij op de Nieuwe en de Oude Maas en de Waterweg. Er zat, dat was duidelijk, op den duur geen droog brood meer in. Dezulken waagden toen de sprong over de Waterweg, in de richting van Vlaardingen en Maassluis. Met het "eeuwenoude beroep der vaderen" was het gedaan, voorgoed. Voor zover mij bekend kan er nog slechts ťťn Kalkman worden gevonden die zich met de riviervisserij bezighoudt, op financieel bevredigende wijze nog wel. Dat is Pieter Kalkman (IXng) die aan de Oost Ringdijk in Moordrecht een vriendelijk, knus ingericht huisje bewoont. Hij zou zich de laatste der Mohikanen kunnen noemen.

Slepers en scheepsbouwers

Van degenen die in de eerste decennia van onze eeuw de visserij de rug toekeerden, zijn met name de Maassluizenaren erop bedacht geweest het contact met het water niet te verliezen, zij het in dit geval het water van de zeven zeeŽn.

Uit hun kringen zijn zeeslepers voortgekomen die op hun manier hebben geholpen Neťrlands goede naam als zeevarende natie te bevestigen, Vooral mannen als Jan Kalkman (IXfg) en Cornelis Johannes Kalkman (IXhr), om van anderen maar te zwijgen, hebben met bewonderenswaardig zeemanschap drijvende objecten van allerlei aard - van slagschepen tot droogdokken en tinbaggermolens Ė over de Oceanen gesleept. Zij hebben mede model gestaan voor de hoofdfiguren in Jan de Hartogs zeer populair geworden roman "Hollands Glorie" en zij zijn duidelijk te herkennen in Kees Borstlaps geschiedenis van de zeesleepvaart "Slepen op de zeven zeeŽn".

De zalmvisserij moge dan het kenmerkende beroep van zeer vele Capelse Kalkmannen zijn geweest, dit betekent natuurlijk niet dat deze en gene niet op andere wijze aan de kost zouden zijn gekomen. Net als onder de Lekkerkerkers hebben onze Capellenaren scheepstimmerlieden en scheepsbouwers in hun gelederen gekend. 

Havengezicht van Maassluis omstreeks het midden van de vorige eeuw.

(Aquarel door J. Fabius J. Czn. in het bezit van het Gemeentemuseum van Maassluis)

Het zal hun over het algemeen niet moeilijk zijn gevallen in die kwaliteit emplooi te vinden. Er waren en zijn aan en bij de mond van de IJssel werven genoeg die vakbekwaam personeel konden en kunnen gebruiken.

En vakbekwaam personeel moet er onder de Kalkmannen hebben gezeten. Anders zou een man als Anthony (Vliae) het niet tot zelfstandig scheepsbouwer hebben kunnen brengen. Samen met zijn zoon Jan richtte hij op 1 januari 1883 een vennootschap op voor "de aanbouw van schepen, stoomboten en andere vaartuigen". Deze vennootschap, waarbij vermoedelijk ook zoon Antonie (VIIIba) als beroepsmatige scheepsmaker betrokken zal zijn geweest, droeg de naam A. Kalkman & Zn. Overgeleverde berichten willen dat de werf een goede produktie van kwalitatief uitstekende vaartuigen heeft gekend en dat ze in schipperskringen een zekere faam genoot wegens de vervaardiging naar eigen ontwerp van een bepaald type binnenschip. De werf bestaat nog steeds doch is inmiddels in andere handen overgegaan.

Het wordt tijd dat we nu het oog richten op een aftakking van de Capelse tak die het aanschouwen dubbel en dwars waard is. Voor deze aftakking heeft Jacobus Crijnen Kalkman (IVj) de aanzet gegeven door zich tegen het einde van de achttiende eeuw met vrouw en kroost in Schiedam te vestigen. Deze onderneming heeft om te beginnen een omvangrijke Kalkmannen-gemeenschap in Schiedam tot gevolg gehad, waaruit op een later tijdstip een krachtig gestructureerde aftakking naar Rotterdam is voortgekomen, mitsgaders een - naar het aantal wat minder imponerende - uitstraling naar Nijmegen. Jacobus was schipper van beroep. Betwijfeld moet echter worden of hij in zijn Schiedamse tijd nog gevaren heeft. Zijn zonen hebben hem in elk geval niet in dit vak gevolgd. Krijn en Pieter zijn gewoon arbeider geworden. Ary heeft het tot meesterknecht in een houtzaagmolen op de grens van Rotterdam en Delftshaven gebracht.

Het is onbetwistbaar dat de Kalkmannen het aanvankelijk in Schiedam zeer moeilijk hebben gehad. Verscheidenen hunner hebben als zakkendragers gewerkt, anderen zijn als losse arbeiders door het leven gegaan. Klaarblijkelijk heeft de overgang van het dorpse Capelle naar het zoveel stedelijkerwerkende milieu van Schiedam grote problemen veroorzaakt, misschien ook wel omdat dit mileu mede berustte op de verleidingen die inherent zijn aan het bezit van een wereldberoemde jeneverindustrie. 

De branderijen en jeneverstokerijen waren uiteraard belangrijke werkverschaffers van het zakkendragersgilde. Die ondernemingen betrokken het benodigde koren bij massale hoeveelheden zodat er voor de gildebroeders altijd wel wat te verdienen viel. Maar goede verdiensten hoeven, zoals wij allemaal weten, niet onder alle omstandigheden het probate middel tegen alle kwalen te zijn.

Tussen twee haakjes: van de toenmalige lonen en sociale toestanden heb ik een treffend getuigenis gevonden in oude stukken van het Schiedamse gemeentebestuur. 14) Het is een adres van zeven "stadsdiepers" - te vertalen met: baggeraars - aan burgemeester en wethouders. Het stuk telt Aart Kolkman (VIIz) onder de ontderekenaren en het luidt als volgt:

 

Aan de Edel Achtbare Heeren

Burgemeester en Wethouders

der Stad Schiedam

Geven met verschuldigde eerbied te kennen

Johannes Hemsbroek,

Aart Kalkman,

Johannes Bijlo Sr.,

Hermanus Groeneweg,

Maarten Voogd,

Martinus Woensdregt,

en Johannes Bijlo Jr. - vroeger stadsbaggerlieden

woonachtig te Schiedam.

Dat zij suppl. bij de aanbesteding van het uitdiepen en onderhouden van de stads binnen- en buitenwateren, met het grootste genoegen hebben ontwaard, dat UE. Achtb, vervuld met de zorg voor het welzijn der ingezetenen dezer stad, ook daarvan ten hunnen opzigte de klaarste bewijzen geeft, alzoo zij, suppl., begrepen dat de Heer aannemer van gemeld werk, volgens art. 13 van het bestek verpligt was, hen zoolang zij zich aan geen wangedrag of pligtverzuim schuldig maakten, tot aan het einde van den onderhoudstijd bij preferentie te gebruiken. -

Dat zij suppl. verder begrepen (hoewel zulks er niet bepaald bij stond uitgedrukt) dat de Heer aannemer ook verpligt was voor hun werk dat loon uit te betalen, hetwelk zij vroeger als stads baggerlieden genoten. -

Dat zij suppl. echter dadelijk hebben ondervonden dat de Heer aannemer daaromtrent van een geheel ander gevoelen was, alzoo hen dadelijk bij den aanvang der werkzaamheden minder loon werd toegelegd, namelijk 1.10 voor het laden en lossen van iedere vracht, inplaats van 1.30, hetwelk zij als stads baggerlieden gewoon waren te ontvangen. -

Dat zij suppl. daarover echter geene reclames wilden maken, omdat hen door den Heer aannemer werd vergund inplaats van zes (zoalszij als stads baggerlieden gewoon waren) 10 vrachten per week te laden en te lossen, zoodat zij door nacht en dag zwaar te arbeiden in staat werden gesteld een weekloon van f 11.00 te verdienen, van welke gelegenheid door hen dankbaar en vlijtig gebruik is gemaakt. -

Dat hun suppl. en een gedeelte der andere baggerlieden j.l. Maandag vanwege den Heer aannemer is aangezegd, dat zij van nu af aan inplaats van 10 - elf vrachten per week moesten laden en lossen en dat voor het loon van f 7.80 per week, en hun alzoo slechts 70 ŗ 71 cts per vracht wordt toegelegd. -

Dat hun suppl. niet alleen, maar allen onmogelijk, is aan dat verlangen van den Heer aannemer te voldoen, vooreerst omdat zij dan genoodzaakt zijn door het verloopen der watergetijden om de 14 dagen ook zondags te moeten werken, en ten anderen, omdat het in het najaar en gedurende den winter onmogelijk is zoveel arbeid te verrigten, doordien de koude van het water het onbelemmerd gebruik der handen belet. -

Dat zij suppl. indien aan het voornemen van den Heer aannemer gevolg wordt gegeven, niet meer in staat zijn hunne huisgezinnen te onderhouden, te meer omdat zij, bij dagelijkschen en nachtelijken zwaren arbeid, niet in staat zijn om van een weekloon van f 7.80 (al ware het hun mogelijk de daarvoor gevorderden arbeid ten allen tijde te verrigten) iets over te leggen, en zij gevolgelijk wanneer door hoogen watervloed of besloten water hunnen arbeid wordt gestaakt, ook niets hebben om in de behoeften hunner huisgezinnen te voorzien. -

Redenen waarom zij suppl. op grond van gemeld art. 13 van het bestek, zich lot UE. Achtb. wenden met eerbiedig verzoek, dat het UE.Achtb. behagen mogen, door tusschenkomst van UE.Achtb. magt en gezag te bewerken dat aan het betrekkelijk hun in meergemeld art. 13 bepaalde stipt wordt voldaan, en zij alzoo in de gelegenheid worden en blijven gesteld, om door onvermoeide vlijt in de behoeften hunner huisgezinnen te voorzien. Ė

't Welk doende enz.

Dit adres was geschreven in een ongemeen fraai handschrift, hetgeen doet vermoeden dat Aart en zijn collega's voor het opstellen en schrijven van de brief een gekwalificeerde, waarschijnlijk juridisch geschoolde scribent in de arm hebben genomen. Stijl en taalgebruik van het stuk wijzen sterk in die richting.

Met dat al heeft het geruime tijd geduurd voordat de Schiedamse Kalkmannen de verschijnselen van een zware morele kater overwonnen leken te hebben. Dan zien we ineens een Jan Kalkman (Vlu) te voorschijn komen die het tot eerste oommies bij de stedelijke belastingen te Rotterdam brengt en die het pad effent voor een belangrijke, vele hoofden tellende Rotterdamse tak.

Hartje Rotterdam omstreeks 1865: de Kolk met links het West-Nieuwland en rechts de Open Rijstuin en de achterkant van de huizen aan de Toerijstuin.

Jan, geboren in Schiedam op 7 januari 1781, is tweemaal getrouwd geweest, de eerste maal met Cornelia den Held, aan Schiedamse, de tweede keer met Hermina de Vries, geboortig uit Rotterdam. Aan het eerste huwelijk is na dertien jaar door het overlijden van Cornelia op 19 oktober 1815 een einde gekomen. Jan en Cornelia hebben tot 29 juni 1812 in Schiedam gewoond en wel aan de Broersvest. De meeste Schiedamse Kalkmannen hebben trouwens de oude binnenstad bevolkt, bepaald niet in paleisachtige woningen. Op de pas genoemde datum hebben Jan en Cornelia zich in Rotterdam gevestigd. Hun huwelijk is kinderloos gebleven.

In zijn tweede huwelijk met Hermina de Vries heeft Jan echter acht kinderen gekregen. Onder hen Wouter (Vllac) die later positie zou blijken te kiezen aan het hoofd van een uitgebreid geslacht notabele Kalkmannen.

Maar daarover straks meer.

Onder de wapenen

Eerst moet nog iets gezegd worden over Jans aandeel in een legendarisch verhaal dat al vele, vele laren met onverwoestbare hardnekkigheid hier en daar onder onze naamgenoten de ronde doen. Volgens dit verhaal zou Jan tijdens de veldtocht van Napoleon tegen Rusland, meer in het bijzonder tijdens de chaotische terugtocht na de nederlaag aan de Beresina, zijn gewond geraakte broer Jacob(us) hebben doodgeschoten. Hij zou dit hebben gedaan nadat Napoleon een bevel had uitgevaardigd dat de eigen gewonden moesten worden gedood omdat zij het tempo van de achterwaartse troepenverplaatsingen teveel remden.

Wat van dit verhaal te denken?

Bij het zoeken naar een antwoord op die vraag moet eerst, zij het heel in het kort, worden vastgesteld dat in de tijd van de Franse overheersing op het Nederlandse volk voor de levering van soldaten een intensiever beroep werd gedaan naarmate het de Corsicaan in zijn veroveringsdrift minder voor de wind ging. Oproepingen voor de militaire dienst hebben natuurlijk ook Kalkmannen bereikt. In Schiedam waren dat:

1. Jacob(us) Kalkman (VIr), geboren in 1767, zoon van Krijn Kalkman en Cornelia de Jong, scheepsbouwer van beroep.

2. Ary Kalkman (VIs), geboren in 1769, broer van voornoemde Jacob. (In de militaire stukken staat als geboortejaar vermeld 1763, maar dit moet op een vergissing berusten.) Zalmvisser van beroep.

3. Pieter Kalkman (VIt), geboren in 1777, broer van de belde voorgaanden, zakkendrager.

4. Jacob Kalkman (Vr-7), geboren in 1789, zoon van Pieter Kalkman en Jozina van der Beek, schippersknecht. Vader Pieter heeft zijn zoon aangegeven voor de lichting 1809. Jacob zelf is afwezig. Hij verblijft al twee jaar in Deventer (legaal, staat er uitdrukkelijk bij vermeld). Hij wordt ingedeeld bij het 125 Inf. Rgt. du Ligne.

5. Aart Kalkman (VIIzs), geboren in 1793, zoon van Ary Kalkman en Willempie de Neef. Hij is dezelfde als de reeds gesignaleerde stadsbaggeraar, doch hij wordt nu in de militaire stukken dagloner genoemd.

6. Cornelis Kalkman (VIv), geboren in 1780, ook een zoon van Pieter Kalkman en Jozina van der Beek, schipper van beroep. 15)

Zoals u ziet komt in deze opsomming de naam van Jan Kalkman niet voor. Nu is Jan in het midden van 1812 van Schiedam naar Rotterdam verhuisd en dus moet rekening worden gehouden met de theoretische mogelijkheid dat hem in den stad een oproeping heeft bereikt. Verificatie van die mogelijkheid is mij onmogelijk gebleken omdat Rotterdam niet als Schiedam de Staten der lotelingen heeft bewaard. Zij bevinden zich ter minste niet in het Gemeentearchief. Niettemin meen ik mij op het standpunt te mogen stellen dat Jan niet aan de Russische veldtocht kan hebben deelgenomen. En dan nog wel, zoals de verhalen willen, als chirurgijn.

Voor dit standpunt kan ik de volgende overwegingen aanvoeren:

1. De veldtocht van de Franse legers tegen de Russen vond plaats in november 1812. Jan was in elk geval in juni van dat jaar nog in Rotterdam. De tijd tussen juni en november is te kort om een bruikbaar soldaat van hem te maken, ook al omdat in die tijd een wekenlange voetmars dwars door Europa gecalculeerd moet worden, op het laatst onder barre weersomstandigheden.

2. Ingewonnen informaties bij de daarvoor aangewezen instantie in Frankrijk hebben mij geleerd dat Jans naam niet voorkomt op de lijsten van officieren van gezondheid uit die tijd. 16)

3. Broeder Jacob kan niet dood in de besneeuwde Russische steppen zijn achtergebleven omdat hij 12 april 1834 in Schiedam op normale wijze is overleden.

Blijft de mogelijkheid dat er een persoonsverwisseling in het spel is geweest. Kan broeder Jacob misschien verward zijn met een van Jans andere broers (Ary en Pieter) of met een van zijn neven (Jacob, Aart, Cornelis)? Daartegen spreken de volgende feiten:

a. Broer Ary en broer Pieter zijn, voor zover ik heb kunnen controleren, niet in actieve dienst geweest. Naar alle waarschijnlijkheid zijn zij geregistreerd geweest om in het uiterste geval dienst te doen in de territoriale krijgsmacht. Zij waren de veertig gepasseerd en voor de frontdienst dus rijkelijk oud.

b. Neef Cornelis is wel onder de wapenen geweest. Hij was "garde cŰte" en hij deed als zodanig dienst bij de kustwacht te Hellevoetsluis. De reeds genoemde bron in Frankrijk heeft mij, naar aanleiding van een desbetreffende vraag mijnerzijds, doen weten dat de compagnieŽn van de kustbewaking niet hebben deelgenomen aan de campagne in Rusland. 16) Trouwens, Cornelis kan net zo min als zijn broer Jacob in Rusland zijn gevallen. Hij is 12 april 1838 in zijn woonplaats Geervliet overleden.

c. Of neef Aart in actieve dienst is geweest heb ik nergens kunnen vaststellen. Men hoeft er evenwel de genealogie maar op na te slaan om te beseffen dat hij zijn leven niet in Rusland heeft gelaten.

d. Neef Jacob heeft wťl de wapenrok gedragen. Zoals hiervoor al medegedeeld deed hij aanvankelijk dienst bij 125 Inf. Rgt. du Ligne (het 125ste infanterie-linieregiment). Blijkens het namenregister in dit regiment is Jacob in november 1812 overgeplaatst naar het 2e Regiment de la Mťditerranťe (het 2e Middellandse Zee-regiment). 17) Dit regiment heeft volgens mijn bron in Frankrijk niet deelgenomen aan de krijgsverrichtingen in Rusland. 18) Los daarvan moet worden vastgesteld dat de overplaatsing van Jacob toch te laat geschiedde om voor de Russische veldtocht nog betekenis te kunnen hebben. Intussen mag men het gerust vreemd noemen dat van Jacob sinds zijn overplaatsing taal noch teken meer is vernomen.

De inschrijving van Jacob Kalkman in het naamsregister van het 125e infanterie regiment.

Desondanks kan men het over ťťn ding eens zijn: gezien het voorgaande kan ook hij niet in Rusland zijn gesneuveld,

De balans opmakende kan ik niet anders dan het gehele verhaal van de "broedermoord" in de besneeuwde Russische steppen naar het rijk der fabelen verwijzen.

Daarentegen kan van een andere Kalkman met vrijwel absolute zekerheid worden aangenomen dat hij als soldaat van het Franse leger het leven heeft verloren. Te weten: Pieter Kalkman, een zoon van Johannes (Jan) Kalkman (IVg-I)

Omtrent deze Pieter valt in een notariŽle cautie, opgemaakt in 1816, te lezen dat hij waarschijnlijk in de slag bij Jena in 1806 om het leven is gekomen. Volstrekte zekerheid dienaangaande is er echter blijkbaar niet, vandaar dat in de akte een voorziening wordt getroffen om zijn belangen in een erfeniszaak te waarborgen Leest u zelf maar.

"Op den een en twintigsten Meij agtienhonderdzestien compareerden voor Jan Abram Jongeneel en deszelfs ambtgenoot, openbare notarissen, residerende te Rotterdam, de Heeren George Paul Schott, Koopman wonende aan de Wijnhaven Wijk A Nummer 439, en Lodewijk Kruijff, mede koopman, wonende op de Hoogstraat Wijk KN 16, beide te Rotterdam, dewelken verklaarden zich zelve te samen en ijder voor het geheel ten goede en behoeve van de gezamenlijke erfgenamen van Hendrijntje Verschoor, weduwe van wijlen Jan van Lingen, gewoond hebbende te Ouderkerk aan den IJssel, of hun rechtverkrijgende te stellen tot Borgen als principale Schuldenaars voor Jacobus Kalkman, Pieternella Kalkman, Neeltje Kalkman en Pieter Kalkman, eenige nagelaten kinderen van wijlen Barend Kalkman, die geweest is een broer van mede wijlen Johannes Kalkman,

vader van Pieter Kalkman, dewelke volgens ingewonnen berichten in den Slag bij Jena, voorgevallen in den Jare 1800 zes, zoude zijn overleden en zulks voor zodanige somma van Zeven Honderd Guldens als aan de voornoemde Jacobus-Pieternelia-Neeltje en Pieter Kalkman bij representatie van hunnen voornoemden Vader is uitgekeerd in krachte van den mutuelen testamente 19) van de voornoemde Hendrijntje Verschoor en haar vooroverleden man Jan van Lingen den Een en twintigsten April zeventienhonderd negen en tagtig voor den notaris Jan Petrus van Ede van der Pals en getuigen te Rotterdam gepasseerd en voor de meergenoemde Hendrijntje Verschoor als langstlevende in den Jare 1800 zeven met de dood geconfirmeerd.

Belovende de comparanten bij aldien t'eeniger tijd mogt blijken dat de voornoemde Pieter Kalkman nog in leven was of dat de wettigheid der geheele of gedeeltelijke betaling van gemelde somma van Zeven honderd Guldens door wien zulks ook zoude moge of mogt worden tegengesproken in zulken gevalle al het zelve als hun eigen schuld te zullen voldoen, opleggen en betalen, afstand doende derhalven van de voorrechten van uitwinning 20) en schuldsplitsing 21) alsmede van alle andere voorrechten en uitvluchten welke hun hiertegen immer te stade zouden mogen komen". 22)

Hierbij valt aan te tekenen dat Jan van Lingen een broer was van Grietje van Lingen, de vrouw van Jan Jansz. Kalkman (Vb). Uit het huwelijk van deze Jan Kalkman en Grietje van Lingen was Pieter geboren, de man op wie de boven genoemde cautiestelling betrekking heeft.

Er kan overigens onder de hedendaagse Kalkmannen nůg een verhaal beluisterd worden dat met de werkelijkheid op gespannen voet staat. Dat is het verhaal dat Wouter Kalkman (VIIlaw), na op Sumatra te hebben deelgenomen aan de Atjeh-oorlogen, zou zijn benoemd tot ridder in de Militaire Willemsorde. Voor die benoeming heb ik, om het maar ineens te zeggen, geen enkel bewijs kunnen vinden,

Hetgeen niet wegneemt dat Wouter zich, als korporaal, later onderofficier van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger, in achtereenvolgende contacten met de fanatiek strijdende rebellen zeer dapper heeft gedragen en dat hij deswege herhaaldelijk is onderscheiden. Dat blijkt duidelijk uit zijn conduitestaat 22) die ik hieronder in zijn geheel laat volgen. Er staan enkele gegevens in die met geen mogelijkheid te ontcijferen waren. Dit doet echter aan de strekking van het geheel geen afbreuk.
 
 


Wouter Kalkman

Nummer 64005

Namen en voornamen: Kalkman, Wouter

Namen der ouders, datum van geboorte, geboorteplaats, laatste woonplaats en signalement:

Vader: Jan, moeder Jansje van Helden; geboren te Rotterdam (Zuid-Holland) den 17 januari 1851; laatst gewoond te Rotterdam; gehuwd met -; aangezicht: lang; voorhoofd: gewoon; oogen: grijs; neus: spits; mand: klein; kin: spits; haar: lichtblond; wenkbrauwen: idem; merkbare teekenen: -; lang 1.725 Nederlandse el, 24).

Staat van dienst tot de inscheping naar Oost-Indie:

Den 3 Maart 1870 bij het Koloniaal Werf Depot aangekomen, zijnde te Rotterdam den 2 Maart 1870 vrijwillig geŽngageerd als soldaat voor zes jaren ingaande met den dag van inscheping met f 100 handgeld. Is ingeschreven voor de militie in 1870 voor de gemeente Rotterdam (ZuidHolland) onder nummer 713.

Embarkement naar, debarkement in IndiŽ en omschrijving der militaire loopbaan in deze gewesten:

GeŽmbarkeerd te Rotterdam aan boord van het schip Kosmopoliet II den 30 April 1870; gedebarkeerd te Batavia den 18 Augustus 1870 en geplaatst bij het Suba, kader te Batavia; ? September 1870 overgegaan bij het 10 Bataljon Infanterie; op den 5 Mei 1871 ter inlijving bij de militie bestemd (voorgaande zin: bijschrijving geschied op grond der missive van den minister van KoloniŽn dd. 14 Juli 1871 La. C. nummero 30/879); 19 Augustus 1873 korporaal; 26 October 1873 overgegaan bij het 12 Bataljon Infanterie; 30 April 1876 gereŽngageerd voor 6 jaren, handgeld f 600; 11 Augustus 1876 sergeant; 15Augustus 1876 overgegaan bij het 3e Bataljon Infanterie; 21 Juli 1877 overgegaan bij het Depot Bataljon; 31 Mei 1879 overgegaan bij het 3e Bataljon Infanterie; 26 September 1880 overgegaan bij het 2e depot Bataljon: (potloodaantekeningen 30/9 ge..?,. Padang/18-7-77 ge..?.. Samarang/ bij..?.. 12..?., Bataljon.2.. Atjeh ..?.. indeelen .,?.. 3.4.76 ..?..)

Gedane veldtogten, bekomene wonden en uitstekende daden, wanneer en op welke wijze de militaire dienst verlaten:

1873 2e expeditie naar Atjeh (N.W. gedeelte van Sumatra); 1874 idem; eereteeken voor belangrijke krijgsbedrijven 1873-1874 Atjeh; 1876 krijgsverrigtingen te Atjeh; 1877 idem; 28 February 1876 schampschot linker schouder; Atjeh-medaille 1873-1874; 9 December 1876 toegekend de bronzen medaille met f 12,- gratificatie; schietprijs 1e maal in 1878; 1879 krijgsverrigtingen tegen Atjeh; 1880 idem; 15 Juli 1880 schot linkeronderbeen; verbrijzeling van de zachte deelen van de kuit; bij gouvernementsbesluit dd, 15 December 1880, nummer 4, wegens voortdurende ongeschiktheid voor alle militaire diensten ontstaan door verwonding in de strijd bekomen, toegelegd een gagement ad f 525 Ďs jaars, 12 February 1881 naar Nederland vertrokken met het stoomschip "Prins van Oranje".

Deze staat van dienst maakt van een ridderschap in de Militaire Willemsorde geen melding. Raadpleging van de naamlijsten in het boek "De Militaire Willems-Orde 1815-1940" heeft mij geleerd dat Wouter daarin niet wordt genoemd.25) De secretaris van de kanselarij der Nederlandse orden, de heer J.A. van Zelm van Eldik, heeft desgevraagd bericht dat Wouters naam in de - in het archief van de kanselarij bewaarde - registers van de M.W.O. niet voorkomt, ook niet in de registers van de eervolle vermeldingen. Zijn veronderstelling is dat Wouter het ereteken voor bijzondere krijgsverrichtingen heeft gekregen. Dat klopt met de conduitestaat.

Geen ridder dus. Na elf jaar dienst in de tropen wŤl een pensioen van f 525, - per jaar, voor die tijd aan zeer redelijk vast inkomen, Maar dat had Wouter wel met het verlies van een been moeten bekopen

In het militaire vlak moet vervolgens melding worden gemaakt van Arij Kalkman (VIaa) die betrokken is geweest bij de krijgsverrichtingen in de Zuidelijke Nederlanden ter beteugeling van de Belgische opstand Hij was fuselier, later flankeur bij het derde bataljon der 9de Afdeling Infanterie. Hij heeft deel gehad aan de Tiendaagse veldtocht in 1831 en hij heeft zijn mannetje gestaan bij de verdediging van de citadel van Antwerpen in 1832, Bij beide wapenfeiten heeft hij zich zo manmoedig gedragen dat hem twee - door Koning Willem I ingestelde - onderscheidingen werden toegekend, het Metalen Kruis en de Medaille voor de Citadel, beide eretekenen met bijbehorend certificaat.

Na de capitulatie van de citadel geraakte Arij op 29 december 1832 in Franse krijgsgevangenschap. Hij kwam terecht in een kamp bij Charleroi, waarin bij een half jaar heeft doorgebracht in allesbehalve prettige omstandigheden. Pas op 16 juni 1833 keerde hij in het vaderland terug. Ruim twee jaar later honoreerde het departement van oorlog zijn verdiensten door hem, de ingeleverde militaire uitrustingsstukken in aanmerking genomen, een bedrag van f 18,43 uit te keren. Burgers die in oorlogstijd hun leven in de waagschaal stellen tot behoud van het vaderland, moeten niet verwachten dat na

Certificaat op naam van Arie Kalkman, een onderscheiding voor moedig gedrag tijdens de belegering van de Antwerpse citadel in 1832.

afloop van de strijd datzelfde vaderland zich erg dankbaar jegens hen zal belonen. Van de Antwerpse citadel heeft Arij een Nederlandse vlag mee naar huis genomen die door overerving in het bezit is gekomen van zijn kleinzoon Goossen Kalkman. De driekleur wordt door hem gekoesterd als een dierbaar relikwie.

In de tijd na de Franse overheersing, toen het remplaÁantenstelsel nog bestond, hebben enige Kalkmannen een vervangingscontract getekend. Een enkeling heeft met de daaruit voortvloeiende verplichtingen wel eens moeite gehad, zoals kan blijken uit de avonturen van Jacob Kalkman (Vlly). De vervangingscontracten waren vaak tamelijk ingewikkelde overeenkomsten, waarin met name voor de financiŽle regelingen uitvoerige en zorgvuldig overwogen formules werden opgesteld. De documenten die hier over bewaard zijn gebleven, wettigen de indruk dat de desbetreffende Kalkmannen vermoedelijk door werkloosheid in dergelijke omstandigheden verkeerden en dat zij langs de weg van een contract voor vervangende dienstplicht gedurende een aantal jaren een min of meer geregeld inkomen voor hun gezinnen beoogden te bewerkstelligen.

[vorige]

[inhoud]

[volgende]

 

 

© 2000-2016 Theo J.F. Schalke, Zoetermeer/Netherlands. Het auteursrecht van de tekst van het boek berust bij de erfgenamen van P.N. Kalkman. De hier vermelde genealogische gegevens zijn nadrukkelijk uitsluitend bedoeld voor niet-commercieŽl en persoonlijk gebruik om tot een uitwisseling van gegevens te komen bij eventuele gezamenlijke voorouders. Alhoewel afzonderlijke feiten niet onder het auteursrecht vallen, is integrale overname van deze genealogische gegevens ten behoeve van publicatiedoeleinden door middel van druk, fotokopie, microfilm, CD-rom, BBS, database of Internet is niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur. 

Bij gebruik van de gegevens van deze website wordt verwacht dat bij de bronvermelding verwezen wordt naar de website "Genealogie en Historie van de Familie KALKMAN" van Theo J.F. Schalke en/of de andere auteurs en bewerkers zoals deze vermeld  zijn op de diverse pagina's.