Elektrische geluidsopname thuis en bij de omroep

Inleiding

       In dit artikel zullen de ontwikkelingen worden geschetst die hebben geleid tot het ontstaan van de mogelijkheid voor amateurs om zelf grammofoonplaten op te nemen. De toepassing van de elektrische opnametechniek door de professionele platenstudio's noopt tot de ontwikkeling van betere afspeelapparatuur voor de huiskamer. Door de verspreiding van de radio - met laagfrequent versterking - ligt de introductie van elektrische afspeelapparatuur voor de hand. Door het afspeelprocédé 'om te draaien', en de afspeelkop te benutten als snijkop wordt de snijtechniek belangrijk vereenvoudigd. Verbetering van aandrijfmotoren en opnamemateriaal doen de kwaliteit in snel tempo vorderen, zodanig dat de nieuwe, compacte, opnameapparatuur bij de omroepverenigingen een belangrijk hulpmiddel kan worden bij radio-uitzending. De werkwijze bij 'de radio' en de in 1947 opgerichte Nederlandse Radio Unie komt aan de orde, totdat de magnetische (band) opname de snijtechniek definitief heeft verdrongen.

De akoestische periode

       De grammofoon - men zou haar kunnen vergelijken met een koekoeksjong - verdringt uiteindelijk de fonograaf. Het is een combinatie van factoren. De productie van cilinders is aanvankelijk omslachtig - zij moeten per stuk worden opgenomen - terwijl de grammofoonplaat in hoog tempo door persen kan worden vermenigvuldigd. Daardoor is het voor de fonograaf beschikbare repertoire minder interessant, geen artiest van formaat gaat een avond rollen inzingen terwijl met een optreden meer kan worden verdiend. Het door de grammofoon geproduceerde geluidsvolume is hoger dan dat van de fonograaf. De grammofoonplaten nemen minder ruimte in dan de rollen en ze zijn minder kwetsbaar. De constructie van de grammofoon is eenvoudig omdat de groef in de plaat tevens de geleiding van de weergever verzorgt. Het ontbreken van een aparte geleiding - zoals bij de meeste fonografen - heeft het nadeel dat niet met de grammofoon kan worden opgenomen. 1*)

In loop van jaren wordt een aantal systemen geïntroduceerd dat het mogelijk maakt met de grammofoon op te nemen. Voorbeelden hiervan zijn de Plantor, de Renoplex, de Retor, de Speakeasie en de Egovox. 2*) De resultaten die met deze mechanismen worden verkregen zijn teleurstellend. De constructie is over het algemeen gammel hetgeen de bedrijfszekerheid niet ten goede komt. De werking berust er meestal op dat de draaiende beweging van het plateau wordt overgebracht op een draadeind. Het draadeind wordt gekoppeld aan de afspeelarm, waardoor de arm tijdens het spelen geleidelijk naar binnen toe wordt bewogen. Hierdoor kan in een speciale opnameplaat een spiraalvormige groef worden gesneden.

Het procédé zit vol voetangels en klemmen. Alleen de betere grammofoonmotoren laten de extra belasting van het snijden toe zonder te haperen. De opname moet louter worden gemaakt met de energie die door de luchtrillingen het membaan met de naald bereiken. Deze trilling is gering waardoor de opname geen volume heeft. Het materiaal waarin de opname moet worden gemaakt vormt de zoveelste belemmering. Dit is òf te hard om in op te nemen òf te zacht om af te spelen. Er wordt gesneden in metaal (zink, aluminium, zacht staal) of in een wasplaatje. Uiteindelijk zijn de meeste kopers van deze opnamemechaniekjes dan ook teleurgesteld en het zal geen toeval zijn dat men ze zelfs tegenwoordig nog veelal tegen komt in de originele verpakking; zuinig opgeborgen na de eerste opnamesessie en deceptie.

       In de platenstudio is een groot deel van de problemen opgelost door te snijden in zacht materiaal en te persen een harde emulsie. 3*) Deze werkwijze is echter te omslachtig voor de amateur thuis. Er wordt professioneel gewerkt met een speciale opnamemachine, ingericht om een zware massieve wasplaat te torsen. De aandrijving geschiedt veelal door een gewicht, te vergelijken met de werking van een klok, waardoor een constante krachtige aandrijving is verzekerd. 4*) De opname wordt gemaakt met een speciale opnamekop, zo geconstrueerd dat het membraan en de ophanging van de snijnaald soepel en gevoelig zijn. Voorts is er een arsenaal van hoorns beschikbaar waarmee een perfecte aanpassing kan worden gemaakt bij het op te nemen ensemble of de solist. Hierbij kan zelfs een speciaal karakter aan de opname worden gegeven. Een orkest, bijvoorbeeld, krijgt een ruimere toon terwijl een klein ensemble een wat meer intiem karakter kan worden gegeven. 5*) Dat men de akoestische opnametechniek echt in de vingers heeft wordt wel bewezen door de vele verrassend goede opnamen die met deze in principe eenvoudige techniek zijn gemaakt. Dit neemt niet weg dat het frequentiespectrum dat met deze methode kan worden vastgelegd uiterst beperkt is. Lage tonen ontbreken, of zij moeten met artistiek minder verantwoorde kunstgrepen als het vervangen van een bas door een tuba worden opgevijzeld. In de hoge registers wordt boven de 3000 hertz niet veel meer vastgelegd.

De prelude van elektrische opname

       De Eerste Wereldoorlog geeft een impuls aan de ontwikkeling van de draadloze telefonie. Snelle communicatie is immers een belangrijk tactisch voordeel. Microfoon en versterkingstechniek worden in rap tempo verbeterd. Hierin speelt de radiobuis, een uitvinding van Lee de Forest uit 1907, de een belangrijke rol. Met deze buis kunnen wisselende, gemoduleerde, spanningen worden versterkt. Zodoende kunnen de geringe spanningen, door geluidstrillingen opgewekt in een microfoon, via een versterker hoorbaar worden gemaakt in een luidspreker. Wordt in plaats van een luidspreker een snijkop op de versterker aangesloten dan kunnen de spanningen worden benut om een snijbeitel in trilling te brengen in plaats van - zoals bij de luidspreker - blikken trilplaat of een papieren conus. Het idee van elektrische opname is niet nieuw. Sinds de komst van de wasrol zijn pogingen ondernomen, gebruikmakend van onderdelen van de telefoon, zonder bevredigend resultaat. De elektronische versterking brengt de verandering.

       De eerste elektrisch opname die is uitgebracht wordt gemaakt op 'Armistice Day' 1920 tijdens de jaarlijks terugkerende symbolische begrafenis van de Onbekende Soldaat in Westminster Abbey. De opname wordt gemaakt door Lionel Guest en H.O. Merriman met door de beide heren zelf gebouwde apparatuur. 6*) Het succes van deze verrichting wekt de aandacht van Columbia en His Master's Voice en zij beginnen te experimenteren. Uiteindelijk wordt echter door de Bell Telephone Laboratorium in de Verenigde Staten in 1924 een bruikbaar systeem ontwikkeld dat door Western Electric (Westrex) als productie en verkoopmaatschappij aan de grammofoonplatenindustrie wordt aangeboden. 7*)

       De elektrische opname heeft vele voordelen boven het akoestisch procédé. Door de welhaast ongelimiteerde versterking kunnen ook zachte geluiden kunnen worden vastgelegd. Om dezelfde reden kunnen de platen harder worden opgenomen waardoor de ruis meer op de achtergrond raakt, in meer technische bewoording: de signaal/ruisverhouding wordt beter. Een zeer belangrijke winst ten opzichte van de akoestische techniek is de uitbreiding van het frequentiespectrum dat kan worden vastgelegd. Deze is 2,5 octaaf, tonen van 100 tot 5000 hertz kunnen worden geregistreerd. Deze verbetering is hoorbaar in een warmer, voller laag en meer definitie en detail in de hoge tonen. Bijkomend voordeel - met het oog op een maximale artistieke prestatie van grote importantie - is dat de musici zich niet meer voor de opnamehoorn behoeven te verdringen maar voor de microfoon kunnen plaatsnemen in de positionering die vrijwel gelijk is aan die als bij een 'live' uitvoering.

'Adeste Fideles'

       De wijze waarop Westrex de apparatuur voor elektrische opname aanbiedt, in de vorm van een huurlicentieovereenkomst, maakt het de grammofoonplatenindustrie mogelijk snel over te schakelen op het nieuwe systeem. De opnamemachines kunnen zonder grote ingrepen worden omgebouwd voor gebruik van de Westrex snijkop. Grote investeringen op voorhand zijn niet vereist want pas per exemplaar van het met Westrex opgenomen plaat dient een bedrag aan de firma te worden betaald. De platen zijn herkenbaar aan een omcirkelde ‘W’ voor het matrijsnummer. In 1925 schakelen de grote maatschappijen vrijwel allemaal over op elektrische opname. Dit gebeurt in alle stilte met het oog op de voorraden met akoestische opnamen. Deze zouden op slag onverkoopbaar kunnen worden. Er worden zelfs afspraken over geheimhouding gemaakt tussen de maatschappijen, maar het lekt toch uit. Columbia 50013-D, 'John Peel' en 'Adeste Fideles' door de Associated Glee Clubs of America (opgenomen op 31 maart 1925), is strikt genomen niet de eerste commercieel uitgebrachte elektrische opname maar wel de eerste bestseller. Ook in Europa grote kent de plaat een grote verspreiding. 8*)

Ortophonic, Re-Entrant en Viva Tonal

       Met het oog op het verdere verloop van de geschiedenis is het van belang weer even een sprong te maken van de studio naar de huiskamer. Wil men ten volle van de verbeterde opnametechniek profiteren dan moet de afspeelapparatuur worden verbeterd. De bestaande akoestische grammofoons kunnen niet het frequentiegebied weergeven dat nu wel op de plaat is vastgelegd. Hierin heeft het Bell Telephone Laboratorium voorzien. In samenhang met het Westrex opnamesysteem is een optimale akoestische afspeelmachine ontwikkeld. De crux van dit systeem is de op wetenschappelijk onderzoek gestoelde vormgeving van de hoorn. Lengte, kromming en diameter van de opening van de hoorn blijken bepalend voor een goede weergave; de exponentiële hoorn is ideaal. Om zo'n hoorn tot huiselijke proporties terug te dringen moet hij worden 'opgevouwen'. Volgens dit principe ontstaan de Orthophonic Victrola's, de Re Entrant machines van His Master's Voice en de Viva Tonal Grafonola's van Columbia. 9*) Vreemd genoeg kiest men dus voor het akoestisch afspelen van elektrisch opgenomen platen. De apparatuur voor elektrisch afspelen acht men in 1924 nog niet voldoende 'foolproof' om los te laten op het grote publiek. 10*) De introductie van de nieuwe machines is een groot succes. Het leidt zelfs tot een belangrijke stijging van de aandelen Victor Gramophone op Wallstreet. 11*) Het is een belangrijke opsteker voor de fonografische industrie die meer en meer concurrentie ondervindt van de radio.

Elektrische weergave

       Maar juist de radio, de geduchte mededinger van de grammofoon, zal een grote rol spelen in de volgende ontwikkeling. In de tweede helft van de jaren twintig worden radio's uitgerust met een eindversterker en luidspreker. Nu kan het gehele gezin zich om het toestel scharen om van de uitzendingen te genieten, waar voorheen slechts vader per koptelefoon deze geneugten tot zich kon nemen. Eindversterker en luidspreker kunnen worden benut voor het elektrisch afspelen van grammofoonplaten, mits er een kop op de bestaande akoestische grammofoon wordt gezet waarin de trillingen op de plaat worden omgezet in elektrische impulsen. Een naald, verbonden aan een weekijzeren kern, omgeven door een spoel in een magnetisch veld - in feite het omgekeerde van de snijkop - volstaat. Het trillen van de kern levert analoge spanningen op in de spoel en deze kunnen worden versterkt. Radio-Expres van 9 september 1927 meldt het enthousiaste relaas van een amateur die zelf een elektrische afspeelkop maakt omdat hij de Brown van fl. 52,- te duur vindt. 12*) Deze Brown kop wordt in de loop van die maand in het tijdschrift besproken. Over deze eersteling is men gematigd enthousiast. De weergave - vooral het laag - is echter zeker beter dan die van een grammofoon die 'niet behoort tot de allernieuwste'.13*) Er komen nieuwe afspeelkoppen op de markt en de beoordeling is steeds geestdriftiger; in januari 1928 over de Lissen: 'overtreft wat wij tot dusver met de meeste gewone gramofoons was te bereiken'. In juli 1928 over de Philips: 'schitterende kwaliteit'. 14*) In minder dan een jaar is de elektrische weergave een zeer goed alternatief voor akoestische weergave.

       Tezamen met de afspeelkoppen komen elektromotoren voor de grammofoon in de handel. Een vroege complete grammofoon op de Nederlandse markt is de Elgrafoon van de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek, in feite een product van de firma Max Levy in Berlijn. Het apparaat wordt in januari 1929 geïntroduceerd. 15*) De elektrische weergave van grammofoonplaten wordt meer en meer serieus aangepakt. Rondom 1930 verschijnen artikelen over de weergave curve van de diverse afspeelkoppen, de vervorming en de juiste afspeelhoek. 16*) Dat de elektrische weergave wordt omarmd is niet verwonderlijk. Met eenvoudige middelen verkrijgt men via de meer en meer ingeburgerde radio een uitstekende weergave. Het volume kan met een knop worden geregeld, ook tijdens het afspelen, en dit geschiedt dus niet meer op de omslachtige wijze met de naalden.

Elektrische opname in de huiskamer

       Er is niet zo veel inventiviteit voor nodig - het is immers niet veel anders dan de bekende route terug vervolgen - om op het idee te komen dat zo'n elektrische afspeelkop, aangesloten op de luidsprekeruitgang, ook als snijkop dienst kan doen. In augustus 1930 komt Philips met een accessoire, de 'Philigraaf', waarmee in de huiskamer aluminium grammofoonplaatjes kunnen worden opgenomen, de zogenaamde 'Philigrammen'. 17*) De 'Philigraaf' is niet meer dan een geleidingsmechaniek dat in combinatie met de Philips grammofoon 2901 of het radiomeubel 2811 kan worden gebruikt. Het radiomeubel 2815 wordt compleet met de 'Philigraaf' geleverd en is voorzien van een extra eindlamp voor meer vermogen bij de de plaatopname. 18*) De geleiding van de arm wordt bewerkstelligd door een tweede arm, gekoppeld aan de afspeelarm. De afspeelarm rust op de blanco aluminium plaat terwijl de tweede arm - niet meer dan een buis met een naald - de inwaartse beweging van een plaat met ongemoduleerde groef volgt. 19*) Hoewel de elektrische versterking het mogelijk maakt harder te moduleren dan met het akoestisch systeem is de kwaliteit van de opnamen slecht. Aluminium blijkt toch te hard, het smoort veel van de energie waardoor voldoende modulatie alleen vergezeld van vervorming kan geschieden. Verder ruist het materiaal enorm.

       In september 1930 komt de Amsterdamse radiofabriek Weco met een opnameapparaatje op de markt. 20*) Het is de 'Recordograph', een product van de Duitse Braun fabriek. Het apparaat werkt tangentiaal. Interessant is dat het draadeind voor de geleiding kan worden uitgewisseld met een ijzeren staafje waarna men de opnamekop als afspeelkop kan benutten en men dus een tangentiale platenspeler verkrijgt, lang voordat Revox en Bang en Olufsen dit type speler ontwikkelen.

Tussen 1930 en 1933 zien veel snijmechaniekjes voor de amateur het licht, onder andere de Dralowid en de Grawor. Beide zijn in feite gewone pickup armen met een geleiding voor het snijden van de groef. Vooral de Grawor is succesvol door een lage prijs en een stevige constructie. Van groot belang voor de opkomst van de nieuwe liefhebberij van het zelf opnemen van grammofoonplaten is de introductie van elektromotoren met voldoende trekkracht om de verhoogde weerstand die bij het snijden ontstaat op te vangen zonder dat de opname gaat 'zweven'. De Saja 21*), een synchroonmotor die met de hand op gang moet worden gebracht, is favoriet, alsmede de Dual 45U 22*) waarmee ook op 33 toeren kan worden gewerkt.

       In Radio Expres van 24 november 1933 wordt de introductie van een der eerste complete amateur snij-apparaten gerapporteerd. Het is een product van de Berlijnse fabriek Sanders & Janzen (Saja) en het vormt een combinatie van de Saja synchroonmotor en de Grawor snijkop. De constructie is deugdelijk en degelijk, stevige montage op een metalen plaat, snijmechaniek onder de draaitafel waardoor de geleiding goed is afgeschermd voor de spaan en geen delen behoeven te worden gedemonteerd als men van opname overgaat op weergave. 'De resultaten met dit Saja-aggregaat overtreffen al hetgeen tot dusver met inrichtingen voor zelf-opnemen was te bereiken. Hier heeft men iets, waarmee een volkomen zekerheid van werken wordt verkregen, voor zoover, het platenmateriaal dit toelaat.' 23*)

       Deze sneer naar het 'platenmateriaal' in Radio Expres is veelzeggend. De 'bottleneck' bij het maken van goede amateur-platen is voornamelijk het opnamemateriaal. De aluminiumplaatjes voldoen niet: 'Over de metalen platen kunnen we tot dusver weinig goeds zeggen. Zij zijn van aluminium, soms met een zeer dun koperhuidje. De groef wordt te ondiep om een betrouwbare gramofoonplaat op te leveren, de modulatie wordt matig en het ruischen is veel te sterk.' 24*) Betere resultaten worden geboekt met de platen van gelatinefolie - zoals Pliaphon en Helios - die in de loop van 1931 op de markt komen. 25*) 'Een bezwaar blijft, dat ze moeilijk vlak te houden zijn, zoowel bij het opnemen als het afspelen.' 26*) Ook de vochtgevoeligheid van gelatine blijkt een probleem: 'Men kan n.l. bij gebruik van gelatineplaten ervaren dat de plaat direct na het opnemen in alle opzichten uitstekend blijkt te zijn, maar na een paar dagen vervelende verschijnselen gaat vertoonen. De pick-up volgt de groef niet meer getrouw en het kan zelfs zijn, dat in de geheele modulatie iets van een zacht-borrelende ondertoon is gekomen. De oorzaak ligt in vocht, dat door de gelatineplaat wordt opgenomen.' 27*)

       De problemen met de platen van pure gelatine worden ten dele ondervangen door de 'Silberton' platen. In september 1933 meldt Radio Expres: 'De nieuwe ‘Silbertonopname-platen met metalen steunlaag zijn reeds hard op weg om andere platensoorten voor zelfopname te verdringen. Doordat zij steeds vlak blijven en weinig ruischen, zijn zij gemakkelijk te verwerken en leveren zij bijzonder goede opnamen op.' 28*)

Vermeldenswaardig zijn ook de Draloston - ook wel genaamd Draloton - platen die in 1932 zijn geïntroduceerd. 29*) Deze platen worden in zachte toestand gesneden en daarna gehard. 'De opnameplaten zijn van normaal 25 cm type; zij bestaan uit een dunne metalen schijf, welke aan beide zijden is bedekt met een 0.1 mm dikke, zachte, zwarte massa; bij het opnemen snijdt de pickup daarin de groef en de modulatie, waarna de plaat in een soort bakeliseeroventje wordt gehard; dit duurt precies 2 uren. Het oventje voor particulier gebruik, dat drie platen tegelijk kan bevatten, heeft den omvang van een groote aluminium taartpan.' 30*) 'Zij laat zich, na gebakken te zijn, met elke gewonen naald afspelen en heeft een overeenkomstige levensduur als een normale fabrieksplaat. De weergave kan verrassend goed wezen; het ruischen is evenwel erger dan van een goede fabrieksplaat.'...'De prijs van f 1.20 per dubbelzijdig bespeelbare plaat (normaal 25 cm met normalen speelduur van 31/2 minuut) is wel vrij hoog.' 31*) 'Men moet geen gelijke kwaliteit verwachten als van een gekochte plaat, maar volkomen herkenbaarheid en heldere verstaanbaarheid van stemmen en weergave van zoowel lage als hooge tonen van muziekinstrumenten is absoluut bereikbaar.' 32*)

       'Het Dralowid-systeem' zo schrijft Radio Expres in 1932, ' hebben we leeren kennen als iets, dat geen ‘Spielerei’ meer is; het opent een nieuw terrein voor den amateur, maar het nieuwe vak dient met zorg beoefend te worden, evengoed als bijv. photografie.' 33*) Inderdaad is de pionierende fase van het snij-amateurisme afgesloten. Binnen een tijdsspanne van twee jaren is het opnemen van grammofoonplaten in de huiskamer zodanig geperfectioneerd dat met enthousiasme over de behaalde resultaten wordt geschreven. De is vooral te danken aan het belangrijk verbeterde opnamemateriaal.

       In 1933 wordt in Radio Expres een artikelenreeks gepubliceerd over het zelf opnemen van grammofoonplaten. 'Is de kwaliteit voldoende, dan ligt in het vastleggen der stem van familieleden, ouders en kinderen, een belangwekkende amateurtaak, die voor een deel op een dergelijk peil staat als de amateur photografie.' 34*) zo schrijft men wervend. In de laatste alinea van de reeks steekt men andermaal de loftrompet voor deze nieuwe hobby: 'Met opname-apparaten van Weco en van Grawor is het zelf vervaardigen van gramofoonplaten in een stadium gekomen, dat het voor den experimenteerder een zeer loonende liefhebberij wordt. De bedrijfzekerheid is alleszins voldoende en de kwaliteit, welke men kan bereiken, is verrassend; de kwaliteit kan met eenige oefening en ervaring op een zoodanig peil worden gebracht, dat men met genoegen naar de eigen opnamen luistert.' 35*) 'Loonende liefhebberij'... Radio Expres zal deze alliteratie niet letterlijk hebben bedoeld, maar een aantal lezers zal haar wel letterlijk hebben opgenomen en ... opgepakt.

'U zingt, speelt of praat, wij snijden de plaat.'

Studio's voor een plaatselijke markt.

       Het is niet verwonderlijk dat nu enige amateurs succesvol geluid opnemen zich ook een 'gilde' van professionele geluidstechnici ontpopt. In den lande komen zowel amateurs, eigenaars van 'public address' (geluidsversterking) bedrijven als grammofoonplatendealers op het idee een service te beginnen met het zelf vervaardigen van opnamen. Klanten kunnen hun (al dan niet) muzikale verrichtingen laten vastleggen. In korte tijd ontstaan in de meeste grote plaatsen klankstudio's. Caspari in Den Haag is in 1933 één van de eerste. 36*) Spoedig volgen in deze plaats Lumirex en GTB. In Amsterdam zijn de studio's van Frank, Van Wouw, Sondisko en NEKOS actief. Haarlem kent ASKO, Utrecht Wagenaar, Rotterdam Peekel, om er zo maar enkele te noemen. Ook in kleinere plaatsen ontluiken de studiootjes; zoals Begas in Heerlen en Van der Ben in Huizen.

       In de oorlogsjaren, als de productie van schellakplaten totaal stil is komen te liggen, gaan onder anderen Van Wouw, Van der Ben en GTB over tot het vervaardigen van handelsplaten. Hiertoe moet elke plaat apart worden gesneden als kopie van oorspronkelijke opname. Op deze wijze worden honderden platen vermenigvuldigd, voor de snijtechnici buitengewoon saai werk. Het bedient wel een grote markt, de glasplaten van GTB worden zelfs via 'De Bijenkorf' verkocht.

       De oorlogsjaren, met de vordering van metalen, brengt enkele studio's nog onverwachte klandizie in de vorm van pastores en dominees die het gebeier van hun klokken willen hebben vastgelegd, voordat deze lokroep wordt verstomd door verwerking van het brons in de Duitse wapenindustrie. Vaak worden de platen gemaakt om - als surrogaat klokken - door middel van een versterkingsinstallatie de gelovigen met het vertrouwde geluid ter preek te roepen.

       Lucratief is ook de 'gesproken brief'. In een tijd dat internationaal telefoneren onmogelijk is - of peperduur - is het aantrekkelijk de familie in den vreemde een grammofoonplaat te sturen met de geluiden van de naasten in Nederland. Dit fenomeen krijgt na de tweede wereldoorlog in de periode van de politionele acties in Nederlandsch Indië een hoogtepunt. Vooral door Van der Klei in Hilversum zijn toen voor de dienst welfare van de strijdkrachten vele 'brieven' opgenomen.

'Smakelijke nagerechten. ‘snij-amateur maakt zijn eigen platen'

       Rondom 1933 wordt het snijden van grammofoonplaten door de amateurs omarmd, vooral nu er werkelijk goede resultaten te behalen zijn. De 'sport' wordt via diverse kanalen gepropageerd, Radio Express wijdt in genoemd jaar een artikelenreeks aan het onderwerp. Er verschijnen diverse boekjes, zoals door J.W. Hiskes in de ‘Weten en Kunnen’ reeks: Hoe maak ik zelf mijn Gramofoonplaten en Het Zelfopnemen van gramofoonplaten door G. van der Vlugt. 37*) De AVRO 'radioprofessor' Jan Gertsen publiceert in de Radiobode tussen 6 januari en 28 april 1933 17 artikelen waarin de knutselaar wordt omgevormd tot opnametechnicus. 38*) Later dat jaar verschijnt de reeks, enigszins uitgebreid en bijgeschaafd, in boekvorm als De AVRO-huisschijf. In 1937 verschijnt een gewijzigde tweede druk en in 1938 een - uitgebreide - derde druk. 39*) Hierin wordt het maken van platen zéér letterlijk genomen. In het hoofdstuk 'Smakelijke nagerechten' wordt uit de doeken gedaan hoe de snij-amateur zelf - met de gelatine die anders voor de pudding was benut - zijn opnameplaten kan maken. 40*) Dit is het amateurisme 'pur sang'; de kroon op het werk. Het zelf vervaardigen van versterker en aanpassingtransformator is al in vroegere drukken aan de orde gekomen. Overigens schrikken veel liefhebbers er niet voor terug zelf ook hun snij-apparaat te vervaardigen. 41*)

In de loop van de jaren dertig komen enige nieuwe snijmachines en -mechanieken op de markt, zoals de Wu(fa)ton, de Awiton en de Rex Recorograph. Het zijn over het algemeen goed geconstrueerde apparaten, maar het snijden vraagt toch een soort talent en vakmanschap dat door weinigen wordt ontwikkeld. Daarbij, goedkoop is het niet. De apparatuur vraagt, los van de versterker, een investering van tussen de vijftig en de honderd gulden. Het opnamemateriaal is kostbaar. Een Simplexplaat kost in 1939 fl.1,40. 42*) Daarvoor kan men ook méérdere borreltjes en /of pakjes sigaretten kopen!

Neem bij die hoge prijs de vele mislukkingen, de slijtage en dus geringe duurzaamheid van de platen, en men begrijpt waarom de 'sport' niet de vlucht neemt die men er aanvankelijk van lijkt te hebben verwacht. Het snij-amateurisme blijft ook hoofdzakelijk beperkt tot de groep mensen met technische belangstelling. De leek, de muziekliefhebber, waagt zich er zelden aan. Een opleving beleefd het zelf opnemen van platen gedurende de oorlog, wanneer radioamateurs door de verboden op luisteren en zenden van de Duitse bezetter hun toevlucht nemen tot andere vormen van geluidstechniek. Kort na de Tweede Wereldoorlog biedt de komst van de magnetische registratie een goed alternatief. De mogelijkheid de band of draad te kunnen wissen maakt het een aantrekkelijke geluidsdrager voor experimenten. Het snij-amateurisme dooft uit.

       De mogelijkheid zelf grammofoonplaten te kunnen opnemen prikkelt bij enkelen de creativiteit. Zij stellen het medium in dienst van hun loopbaan. Er zijn ten minste twee gevallen waarbij per grammofoonplaat bij de omroep is gesolliciteerd. Karel van Agthoven, eigenaar van de 'Sondisko' studio in Amsterdam, toont zijn verdienste als technicus per plaat. Jan Boots, jarenlang presentator van de populaire 'Hersengymnastiek', stuurt Willem Vogt persoonlijk een eigen opname om zijn verdiensten als omroeper te etaleren. 43*) Het leverde hem een onderhoud op en ... een mooie carrière bij de omroep.

'Scripta manent, verba volent'?

Grammofoonplaat opname bij de omroep.

       De radio-omroep krijgt rondom 1932 belangstelling voor de nieuwe, compacte en relatief goedkope apparatuur voor grammofoonplaatopname. De voordelen zijn evident, uitzendingen kunnen worden opgenomen en op een later tijdstip worden uitgezonden of worden herhaald. Het materiaal kan bovendien worden gearchiveerd. Ook kunnen opnamen op andere locaties dan de studio worden gemaakt. Uitzendingen kunnen worden verluchtigd met reportages, ooggetuigenverslagen en fonografische sfeerbeelden uit het land. Belangrijk bij dit laatste is vooral dat de opnameplaten onder vrijwel alle klimatologische omstandigheden kunnen worden gebruikt. Met de wasplaten - nog afgezien van de zware apparatuur die het gebruik ervan vraagt - is dit niet het geval. In korte tijd is door de komst van de elektrische opname, sterke elektromotoren en goede geluidsdragers de mogelijkheid ontstaan goede opnamen te maken met een installatie die gemakkelijk op een keukentafel past. De methode van de grammofoonplatenindustrie, met dikke wasplaten, kritische snij-temperatuur en loodzware apparatuur acht men bij de meeste omroepverenigingen voor het haastige radiowerk veel te kostbaar en te omslachtig. 44*)

       De AVRO schaft zich in de loop van 1933 twee Dralowid snijders aan. 45*) Ze worden voorzien van een extra oliedemping en ondergebracht in een representatieve houten kist. Trots toont de omroepvereniging de apparatuur op haar kalender van 1934, plechtig voorzien van onderschrift in Latijn; 'Scripta manent, verba volent?' (geschreven dingen blijven, woorden vervliegen) Dit kan nu fier worden ontkend, de stem kan nu immers worden vastgelegd. Het plaatmateriaal is 'silberton' (celluloselak op aluminium) en Draloston. Aardig is de herinnering aan het Draloston-procédé en de verrichtingen van de technicus Schadd, opgetekend door Willem Vogt, mede-oprichter en directeur van de AVRO: 'Er was destijds een glazen plaat te maken, die bestreken werd met een plastische soort pasta, waarin gemakkelijk, met een naald, de klankfiguurtjes geschreven konden worden, die, onder de elektrische impulsjes van de 'pick-up', werd bewogen in het passende ritme. Alles ging redelijk wel; maar de pasta werd, onder de bewerking met de naald, niet hard. Zodat de plaat in een oven moest worden 'gebakken'. Welk proces -evenals het broodbakken -met de nodige zorg moest worden uitgevoerd; omdat -als de plaat na het bakken harde korstjes kreeg -dit stellig bij de afspeling voor de radio merkbaar zou zijn in een irriterende 'ruis'. Schadd had een bepaalde methode ontwikkeld uit zijn grenzenloze hartstocht om een goed produkt te produceren, waarbij zijn 'schellak'-baksysteem een soort patent bekwam. Hij deed het bakken des nachts. Het was op de Oude Engweg te Hilversum merkbaar. Want de late voorbijgangers snoven met de neus in de lucht om de bron op te sporen van - wat zij vermoedden -een gevolg te wezen van een epidemie van schoorsteenbranden. Ook sommige huisdeuren werden geopend, om bezorgde huisvaders te tonen in chambercloaks, die door bezorgde echtgenotes uit bed waren gejaagd ‘omdat zij zo'n vreemde -aan schellak herinnerende -lucht roken.’ De platen van Schadd waren de eerste uitkomst om -short time - sprekers en lichte geluidsprogramma's vast te leggen voor later gebruik. ... Toen we 't procédé vervolmaakt hadden met professionele 'Telefunken'-sets, waarbij de platen niet meer 'gebakken' werden, maar de plastische groeven met een scheikundig middel werden verhard, zette de era van de eigen grammofoonplaat in ; later gevolgd door film- en magneetband. Een 'live'-uitzending zou tot de zeldzaamheden gaan behoren in de omroep.' 46*)

       Vogt slaat de plank een beetje mis in zijn beschrijving van de Draloston platen - de basis van de platen is blik en geen glas - maar geeft de volgende ontwikkeling in de geluidsregistratie bij de omroep messcherp weer. De opvolger van de Dralowid snijder is het Telefunken Gelatineblätter-Aufnahmegerät R21. Dit is geen verbouwde amateur-machine meer maar een relatief compacte, professionele, portable waarmee opnamen van goede kwaliteit zijn te maken. Met een prijs van fl. 870,- in 1934 ligt deze machine buiten het bereik van de meeste amateurs. 47*)

       Van groot belang is de verbetering van de geluidsdragers. Gelatine en Draloston platen, zo is al gemeld, hebben nadelen en het ruisniveau ligt boven dat van een goede handelsplaat. Vermoedelijk mede hierom besluit de VARA over te gaan tot een peperdure wasplateninstallatie. Genoemde omroep schaft rondom 1933 twee Neumann AM 31 snijmachines aan. Hiermee beschikt men over een volwaardige installatie zoals deze ook wordt gebruikt door de grammofoonplatenindustrie. De wasplaten zijn zwaar, ze moeten op een temperatuur van circa 35 graden C. gesneden worden. De installatie is redelijkerwijs dan ook niet mobiel. De kwaliteit is fantastisch maar de zachte wasplaten kunnen slechts enkele malen worden afgespeeld. 48*) Nadelig is ook dat de opnamen op was vanwege omvang en kosten vrijwel niet te archiveren zijn.

       De problemen met de geluidsdrager worden in 1935 opgelost met de komst van de Simplex glasplaten. 49*) Deze platen zijn superieur. Zij zijn ruisarm, gelijken uiterlijk op een normale handelsplaat, zijn relatief goedkoop en voldoen aan het ideaal: zacht snijden, hard afspelen. Door middel van formaldehyde (damp) of formaline (vloeistof) kan de plaat worden gehard. De platen bestaan uit een glazen drager waarop aan weerzijde een emulsie is aangebracht die voor 60% bestaat uit gelatine en verder wordt omschreven als 'collodiaal'. 50*) Ze zijn ontwikkeld door J.H. Saueressig, werkzaam bij de firma Ramie Union te Enschede. Het recept is door Saueressig zorgvuldig geheim gehouden. 51*)

       De overige omroepen, KRO en NCRV volgen het voorbeeld van de AVRO en gebruiken de Telefunken R21, zowel voor reportagewerk als in de studio. De stationaire snij-installaties komen pas tot stand met de inrichting van de speciaal gebouwde studio's. De AVRO kiest bij de inrichting van de nieuwe studio aan de 's-Gravelandscheweg in 1936 voor een speciaal voor de AVRO door Neumann-Telefunken ontwikkelde stationaire versie van de R21 waarbij het support, in tegenstelling tot de oorspronkelijke enkelzijdige bevestiging, aan weerzijde wordt gesteund. 52*) De KRO kiest bij de inrichting van de studio aan de Emmastraat voor Ramie Union machines. Twee typen worden geïnstalleerd, de ST40, waarop platen tot 40 cm. doorsnede kunnen worden gesneden, en de portable ST30, slechts geschikt voor het verwerken van platen tot 30 cm. 53*) De ST40 heeft naast 78-toeren ook de mogelijkheid 33-toerenplaten te snijden. Bij de meeste stationaire machines kan gekozen worden uit verschillende groefspoeden. Door de komst van de ruisarme Simplex platen is het niet noodzakelijk buitengewoon hard te moduleren. Er kan met minder amplitude worden gesneden zonder dat de signaal-ruisverhouding onaanvaardbaar verslechtert. Daardoor kan de groefspoed worden verlaagd waardoor de groeven dichter op elkaar kunnen komen te liggen. Zodoende kan per plaatkant speelduur worden gewonnen.

       Standaard op al deze machines is de R12a snijkop van Neumann-Telefunken. Het is een stabiele - weinig schok- en temperatuurgevoelige - kop die praktisch onderhoudsvrij is. De R12a heeft om de beitel vast te zetten het bekende gekartelde schroefje zoals we dit kennen uit de akoestische weergevers en oudere elektrische afspeelkoppen. Ook vindt de MS33 kop van genoemde firma's toepassing. Dit type heeft een ingelijmde snijbeitel waardoor de massa van het anker wordt verkleind. Hierdoor wordt een beter frequentiebereik gerealiseerd.

En nu neemt u het spek ...

       Het blijft echter een probleem, de speelduur van de studio-opnamen. De instructies bij de omroep zijn duidelijk: 'Het belangrijkste bij Eigen Opnamen is altijd de kwaliteit klank. Men kan beter één kant méér gebruiken, dan diep in het hart van de plaat beginnen met alle nadeelen vandien.' 54*) Gesneden wordt van binnen naar buiten, omdat de spaan welke uit de groef wordt gegutst de neiging heeft onmiddellijk te krimpen. 55*) Hierdoor is men - zonder gebruik te behoeven maken van afzuiginstallaties - gevrijwaard van het gevaar dat het materiaal onder de snijbeitel slaat en de opname bederft. Om de geluidskwaliteit voldoende te houden moet worden vastgehouden aan 78 toeren. Standaard werkt men op 30 cm platen, Hierdoor is de speelduur per kant beperkt tot 3 minuten en 45 seconden per plaat. In verband met de frequentieafval bij de binnenste groeven van de plaat - een gevolg van de lagere relatieve groefsnelheid - wordt 14,5 cm. vanuit het middengat begonnen met snijden. Wanneer een uitzending van bijvoorbeeld 15 minuten moet worden opgenomen kost dit vijf plaatkanten. Deze kan echter zonder onderbreking worden vastgelegd daar gewerkt wordt met twee snijmachines. Is kant 1 bijna vol dan wordt kant 2 op de tweede machine gestart. Gelijktijdig wordt op beide platen een synchroniseergroef, 56*) ook wel genoemd merkgroef, aangebracht. Bij kant 1 geschiedt dit dus op het eind, bij kant 2 aan het begin. De platen overlappen elkaar dus voor een klein deel. Bij uitzending wordt de plaat in deze overlap 'overgefaded'. Hierin zijn de technici in die dagen zeer bedreven en over het algemeen wordt onhoorbaar op een nieuwe plaatkant overgegaan. Het feit echter dat een uitzending uit vele plaatkanten bestaat brengt het gevaar van vergissing met zich mee. Vogt beschrijft wat dit betreft een aardig voorval:

       'De 'slag' van de spiraal op de plaat, die de naald in de was sneed, moest noodzakelijk ruim zijn, zodat, voor vijf minuten spreektijd, minstens drie platen nodig waren. Wat trouwens niet op één plaat kon, moest op drie, omdat de plaat - zo zij aan beide kanten werd bespeeld - niet zó snel omgedraaid kon worden op de draaitafel, dat de luisteraars geen hiaat bespeurden. Plaat drie moest volgen op plaat één en plaat vier op plaat twee. Het 'overgaan' eiste de gespannen aandacht van twee man. Daarvan werd mevrouw Lotgering-Hillebrand het slachtoffer, die als eerste - als kookexpert - in haar vijfminutenpraatjes - op de plaat werd vastgelegd. Wij hadden een verhandeling op- genomen over een vegetarisch gerecht en die op plaat drie voortgezet. Mevrouw Lotgering besprak op plaat twee en vier een vleesgerecht. Een vergissing werd - in de haast - gemaakt met het overgaan. Men hoorde - midden in het vegetarische gerecht -‘en nu neemt u het spek’. De telefoon stond - zoals dat heet - 'witheet' van de verontwaardigde vegetariërs. 57*)

       De Simplex plaat krijgt rond 1937 een concurrent in de Franse Pyral lakplaat. Laatstgenoemde is echter slechts goedkoper maar niet beter dan de Simplex. 58*) Alleen de PHOHI, de Philips Omroep Holland Indië, maakt in de periode voor de Tweede Wereldoorlog gebruik van Pyral. Na de oorlog zou de plaat wèl een grote rol gaan spelen bij de geluidregistratie door de omroep. Het product is dan belangrijk verbeterd; de drager is dan van aluminium in plaats van zink en de samenstelling van de laklaag - een nitro-cellulose product - is verbeterd.

Rijksradio Omroep ‘De Nederlandsche Omroep’

       In de oorlogsjaren blijkt er niet veel aan de opname-installaties te zijn vernieuwd of veranderd. De omroepverenigingen worden samengebracht onder de Rijksradio Omroep ‘De Nederlandsche Omroep’. Het ligt voor de hand dat het nazi-bewind geen noodzaak ziet in het handhaven van de zuilenstructuur. De studio's worden alfabetisch genummerd, de technische diensten van de diverse omroepverenigingen worden samengebracht en de apparatuur wordt naar believen ondergebracht in de studio's. Zo beland bijvoorbeeld de Neumann wasplaten installatie, ooit de trots van de VARA, in de AVRO studio. Organisatorisch bevalt het bezit van één technische dienst zo goed dat, ook wanneer na de bevrijding de zuilen weer terugkeren, deze gehandhaafd blijft. Uiteindelijk zou dit in 1947 worden geïnstitutionaliseerd met de oprichting van de Nederlandsche Radio Unie (NRU).

       De breekbaarheid en gevoeligheid voor vocht van de Simplex glasplaten blijkt in oorlogstijd soms een uitkomst. 'Ongeluk' achtervolgt Mussert bij het opnemen van een redevoering. De eerste keer laat de technicus de serie platen 'per ongeluk' uit zijn handen vallen. Bij de tweede poging - Mussert moet hiervoor opnieuw naar de studio komen - blijkt, wanneer de leider de NSB weer op weg is naar huis, één van de snijders defect te zijn geweest. De derde opname wordt onder bewaking gemaakt. De originelen worden, tezamen met een kopie, opgeborgen in de kluis. Op het moment van uitzending blijkt er een bakje water in de kluis te zijn geplaatst en zijn beide pakketten platen veranderd in twee dikke zwarte pannenkoeken, de platen zitten voor de eeuwigheid aan elkaar vastgekluisterd. Mussert is uiteindelijk maar 'live' uitgezonden, maar moest daartoe voor de vierde keer naar Hilversum. 59*)

       Na de bevrijding blijken de omroepinstallaties ongeschonden. Er is, o.a. in de studio van het Binnenhof in Den Haag, zelfs wat apparatuur van de Duitsers achter gebleven. Voorts wordt een tweetal snijders, merk Sigma, afkomstig uit een Engelse reportagewagen aan de installatie in de KRO toegevoegd. Het is echter duidelijk dat veel van de apparatuur aan vervanging toe is. In 1947, bij de oprichting van de NRU, is het merendeel der machines meer dan tien jaar intensief gebruikt. Wat de service betreft is het niet erg handig dat snij-apparaten van allerhande fabrikaten en typen in gebruik zijn. Het streven wordt vernieuwing en eenvormigheid.

Deviezenschaarste

       De jaren onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog worden gekenmerkt door schaarste. De Duitse industrie, van oudsher de leverancier van snij-apparatuur, ligt in puin. Deviezenschaarste - een gebrek aan vreemde valuta waardoor slechts mondjesmaat in het buitenland kan worden gekocht, en de hiermee in verband staande rompslomp voor het verkrijgen van een importvergunning - maakt het aantrekkelijk apparatuur in eigen beheer te gaan vervaardigen. Als Nederlandse leverancier van snij-apparatuur is Ramie Union weggevallen. Saueressig, het brein achter de grammofoondivisie van de fabriek, acht het als Duitser verstandiger zijn carrière in zijn geboorteland te vervolgen. Bovendien heeft de fabriek bomschade opgelopen. De firma beperkt zich tot het vervaardigen van de Simplex glasplaten. De deviezenschaarste ten spijt worden wel enige snijmachines aangekocht in Zwitserland bij Motosacoche. De firma is, zoals uit de naam al min of meer blijkt, fabrikant van motorfietsen. In 1943 is de machine op de markt gekomen. Het apparaat kenmerkt zich door elektronische en mechanische snufjes. Het merendeel hiervan wordt in de loop der jaren door de NRU - waar eenvoud in bediening de leus is maar ook een zekere modificatiedwang aanwezig lijkt te zijn - uit de machines verwijderd. Voor de reportagedienst worden rondom 1949 in Denemarken bij Lyrec portable snijmachines aangekocht. Deze machines zijn - afgezien van enige verbeteringen - vrijwel een kopie van de voor de oorlog zo populaire Telefunken R21.

De Strefofoon

       De geringe mogelijkheden voor import nopen de NRU tot het fabriceren van apparatuur. Beroemd zijn de in eigen beheer vervaardigde condensatormicrofoons, vernuftig zijn de standaard versterkereenheden met mescontacten waardoor bij storing of service in twee tellen een vervangende eenheid kan worden geplaatst. Minder bekend als NRU product is de Strefofoon, een door deze organisatie in samenwerking met de N.V. Strefofoon te Rotterdam ontwikkelde grammofoonplaten opnamemachine. Naar verluidt heeft NRU-technicus Marius van Overeem een belangrijke vinger in de pap gehad bij het ontwerp. 60*) De constructie is afwijkend van de meeste snij-apparatuur. Bij de Strefofoon is het niet het support met snijkop dat geleidelijk over de plaat wordt bewogen maar schuift het plateau onder de onbeweeglijk bevestigde snijkop door. Deze constructie wordt in het tijdperk vóór de elektrische opname vrij algemeen toegepast. De reden moet gezocht worden in het feit dat een beweging van het support in het akoestisch tijdperk ongewenst is omdat aan het support de opnamehoorn is gekoppeld. Waarom bij de Strefofoon voor deze constructie is gekozen is onduidelijk. Vermoedelijk wordt het een voordeel geacht wanneer plateau en motor als één zware eenheid bewegen. De kans op trilling zou, als gevolg van de massa, inderdaad kleiner kunnen zijn.

       Op 19 juli 1947 vindt een demonstratie van het prototype plaats. Er worden door de NRU-technici nog enige wijzigingen voorgesteld. Tussen 28 februari en 10 april 1948 wordt de machine onderworpen aan een duurtest. Op enige constructiedetails is nog milde kritiek maar over het algemeen is men tevreden. Rotgans besluit zijn rapport dan ook met de woorden: 'Tenslotte moge worden opgemerkt dat de machine tijdens de beproeving getoond heeft zich te onderscheiden door paraatheid en eenvoud van bediening'. 61*) In de loop van 1949 wordt een aantal Strefofoons door de NRU in gebruik genomen.

       Met de komst van de Strefofoon wordt met de omroeptraditie gebroken dat van binnen naar buiten wordt gesneden. De machines zijn slechts geschikt voor het snijden van buiten naar binnen, zoals ook de handelsplaten zijn vervaardigd. Bij het snijden van binnen naar buiten heeft men van de spaan geen last. Door het krimpen ervan belandt dit keurig op het gedeelte van de plaat dat al gesneden is en het kan dus niet op de weg van de snijbeitel komen en het proces verstoren. Nu zal echter moeten worden voorzien in een deugdelijke verwijdering van de spaan. Aanvankelijk bepleit men een systeem waarbij met perslucht de spaan naar het midden van de plaat wordt geblazen. Van het afzuigen van de spaan verwacht men 'hinderlijk acoustisch neveneffect'. 62*) Toch wordt uiteindelijk laatstgenoemde methode toegepast, mogelijk omdat hierbij de spaan meteen verdwenen is terwijl het bij wegblazen na opname van de borstel in het midden van de plaat moet worden verwijderd.

       Waarom schakelt men nu over op het snijden van buiten naar binnen? In de praktijk komt het herhaaldelijk voor dat de opname belangrijk korter of langer is. Snijdt men van binnen naar buiten dan blijft in het eerste geval een brede band aan de rand van de plaat ongebruikt. Dit is juist het gedeelte waar de grootste relatieve groefsnelheid, en daardoor de beste geluidskwaliteit, kan worden gerealiseerd. Is een opname langer dan gepland dan is de plaat niet toereikend en moet de opname over worden gemaakt, of moet worden overgegaan op een tweede kant. In dat geval zal veelal slechts een klein deel van die kant worden benut. Er moet dan extra worden ‘gefadedhetgeen het weergeven gecompliceerder maakt en risico's met zich meebrengt. Allereerst is er dus in zo'n geval ongemak, ten tweede materiaalverlies. Daarbij stelt men ook: 'Zo'n brede, ongebruikte band aan de rand van de plaat doet onaangenaam aan'. 63*) Voorts is het snijden van buiten naar binnen gewenst uit het oogpunt van normalisatie, alle handelsplaten zijn zo opgenomen. Ten slotte kan men eventueel op de snijmachine een eindcontact aanbrengen waarbij de snijkop automatisch van de plaat wordt getild wanneer een minimum diameter is bereikt. Bij het snijden van binnen naar buiten wordt dit veel te ingewikkeld in verband met de verschillende diameters van de platen. 64*)

Snijkopzorgen en plaatproblemen

       Zoals hierboven gemeld dient - als gevolg van de beperkte speelduur van de grammofoonplaat - bij langere registraties gebruik te worden gemaakt van meerdere plaatkanten. Hierbij is het essentieel dat de overgang van de ene plaatkant naar de andere niet kan worden gehoord. Met het oog hierop is het van belang dat de karakteristiek van de snijkoppen zo veel mogelijk gelijk is. Zou dit niet het geval zijn dan zou de luisteraar door een verschil in 'klankkleur' de overgang bemerken.

       Rond 1948 zijn de vooroorlogse Neumann-Telefunken R12a snijkoppen achterhaald. Het frequentiebereik is beperkt in verhouding tot de vernieuwde apparatuur en de NRU speurt naar goede vervangers. Deze hoopt men te vinden in de Zwitserse Motosacoche 2370 C, de Deense Lyrec A43, en de Amerikaanse Presto 1D. De Motosacoche blijkt in de praktijk instabiel en moet dus regelmatig worden gecontroleerd. De kop is echter moeilijk te onderhouden en heeft slechts beperkte afstelmogelijkheden. Daarbij is er sprake van een grote gevoeligheid voor oversturing. 65*) De Lyrec koppen bevallen aanvankelijk helemaal niet. Er wordt een groot verschil in gevoeligheid en frequentiekarakteristiek geconstateerd. Eén en ander is zo slecht, 'zo ongunstig, dat dezerzijds aan ontregelde exemplaren wordt gedacht. In ieder geval hebben de metingen in genen dele dezelfde resultaten opgeleverd als vermeld in de bijbehorende folder'. 66*) In februari 1949 worden de koppen ter beproeving en reparatie naar Lyrec gezonden, in maart 1950 worden de exemplaren - inmiddels door de fabriek gemodificeerd - wederom getest. De snijders zijn wezenlijk verbeterd maar blijken gevoelig voor temperatuur en langdurige belasting. De heeft nadelige gevolgen voor de frequentiekarakteristiek. 67*) Ondanks deze tegenvallers zijn zowel de Lyrec als de Motosacoche snijkoppen enige jaren in gebruik geweest.

       Eind 1947 wordt een Presto 1D snijkop in het laboratorium van de NRU beproefd. De conclusie luidt 'dat de Presto snijder type I D zeer stabiel is en indien nodig gemakkelijk in eigen bedrijf kan worden gereviseerd'. De kop is goed bestand tegen overbelasting, niet buitengewoon kritisch wat betreft het benutte dempingsmateriaal (van belang bij revisie) en heeft bovendien tot 10 kHz. binnen 2 dB een rechte karakteristiek. 68*) In december 1948 heeft de NRU de beschikking over tien Presto 1 D koppen. Deze worden aan een vergelijkende test onderworpen en blijken alle binnen de specificatie 'recht'. Dit is - zoals hierboven al is aangegeven - van groot belang met het oog op de onhoorbare overgang van plaatkant op plaatkant. Een uitgebreide test in de volgende maanden bevestigt dit gunstige oordeel. Wat blijkt is 'dat de Presto-snijder een zeer bruikbaar instrument is. De vele metingen hebben de betrouwbaarheid en de stabiliteit duidelijk aangetoond, wat ook blijkt uit de robuuste constructie. Overbelastingen en temperatuur-verhogingen hebben geen invloed op de eigenschappen van de snijder'. 69*) Na een half jaar lijkt dit toch een voorbarige conclusie te zijn geweest. De frequentiekarakteristiek blijkt niet stabiel, vooral bij lage temperaturen zoals die in de reportagewagens kunnen voorkomen en er zijn moeilijkheden ondervonden als gevolg van het onvoldoende vastklemmen van de snijbeitels. Toch blijken de afwijkingen verwaarloosbaar klein. Alleen beneden temperaturen van 10 graden C wordt de frequentiekarakteristiek onaanvaardbaar beïnvloed, maar dit is eenvoudig te ondervangen door de snijders voor opname voor te verwarmen door er gedurende 5 à10 minuten een toon op te zetten. De remedie voor de losse snijbeitels is simpelweg goed vastzetten, zo concludeert men! 70*) Al met al blijft men zeer tevreden over de Presto 1 D en deze koppen zullen dan ook dienst blijven doen tot de mechanische registratie - de meer officiële benaming voor het opnemen van platen - bij de omroep geheel is vervangen door de geluidsband.

       De schaarste in de periode direct na de Tweede Wereldoorlog is ook merkbaar in de leveranties van opnameplaten. Ramie Union neemt de productie van Simplex platen weer ter hand maar de kwaliteit is minder dan die van voor en in de oorlog. De reden is het vertrek van Saueressig, de man achter de ontwikkeling van de glasplaat. Het recept van de laklaag is door hem geheim gehouden. Men kent bij Ramie Union de samenstelling niet in de finesses en kan niet meer dan de oude emulsie naar beste weten nabootsen.

       De problemen met de verkrijgbare hoeveelheden platen en de kwaliteit nopen de NRU te speuren naar alternatieve leveranciers. Herhaaldelijk worden opnameplaten in het laboratorium getest op ruis, vervorming en slijtage. Eind 1946 wordt de Simplex vergeleken met een aantal lakplaten. Van deze categorie worden de merken Gevaphone, Pyral, Presto, Thorens en Audiodisc onder de loep genomen. Hoewel het ruisniveau bij de Simplexplaat hoger ligt dan bij de lakplaten is de mechanische vastheid het beste. De laag van de lakplaten - (nitro)cellulose - blijkt, vooral bij Gevaphone, enigszins flexibel waardoor zowel bij snijden als afspelen informatie verloren gaat. Hierdoor geeft de Simplex per saldo de beste signaal-ruisverhouding. Voorts acht men het van belang dat bij Simplexplaten de spaan tijdens het snijden gemakkelijk kan worden verwijderd. Wat dit betreft vormt de elektrostatische aantrekkingskracht van de lakplaten een probleem. 'Resumeerend', zo besluit men, 'is dus de Simplexplaat als de meest gunstige te beschouwen'.71*)

       In 1947 worden wederom enkele platen aan experimenten onderworpen. Naast een nieuw type Gevaphone plaat wordt Presto getest, alsmede twee typen ('zwart' en 'rood') van het merk C.L.F. C.L.F. staat voor Cellulose Lak Fabriek. Zij zijn het product van de Cellulose Lak Fabriek te Tiel. Mogelijkerwijs heeft Philips bij de ontwikkeling hiervan een rol gespeeld. 72*) Gevaphone blijkt evenals in 1946 een te zachte emulsie te hebben. Dit geldt ook voor C.L.F. 'rood'. Presto voldoet, evenals C.L.F. 'zwart'. Het onderzoek is aanleiding om 100 C.L.F. platen te bestellen voor nader onderzoek. In vormvastheid van de modulatie wordt echter ook hier de Simplex niet overtroffen. 73*)

Een derde rapport, uit 1948, waarin - met Presto als referentie - Soundcraft en weer een nieuw type Gevaphone worden onderzocht concludeert: 'Van de onderzochte platen is Presto verreweg de meest verkieslijke, zijnde de enige plaat, waarmede een betrouwbare opname kan worden gemaakt'. 74*) Later dat jaar worden opnameplaten van de Engelse firma M.S.S. (Marguerite Sound System) beproefd. Ook nu weer dient de Presto lakplaat als referentie 'aangezien deze in het Omroepbedrijf veelal de voorkeur geniet'. Overigens blijft ook ten opzichte van de M.S.S. plaat de Presto favoriet. 75*) Hieruit mag worden opgemaakt dat de het met de suprematie van de Simplexplaat rondom 1948 gedaan is. In deze periode vindt, de bezwaren ten spijt, de Gevaphoneplaat toepassing binnen het omroepbedrijf.

       In februari 1949 rapporteert het NRU laboratorium een Audiodisc plaat te hebben getest. Deze gedraagt zich als Presto en men acht het bestellen van meerdere testexemplaren gerechtvaardigd. 76*) Begin 1950 wordt een zending van tien M.S.S. platen getest. Men acht ze 'zeer goed ... ten opzichte van de bekende merken' (Presto en Pyral) echter: 'De statische lading is zeer groot en vormt een groot bezwaar, deze platen in algemene zin te gebruiken.' 77*)

       In 1953 worden als gevolg van statische lading de ter beoordeling aangebonden lakplaten van de Braunschweigische Blechwarenfabrik afgekeurd voor gebruik bij de NRU. 'De lak van de B.B.-platen heeft een enorme statische lading. Na het snijden is de spaan practisch niet uit de groef te verwijderen. Slechts na langdurig wrijven is dit mogelijk. Dit laatste is natuurlijk funest voor de opname.' Deze platen schijnen werkelijk kaf onder het koren, 'De gat-diameter van deze platen is 7 mm, terwijl de pen-diameter van de Presto-weergavemachines 7,2 mm bedraagt, zodat deze platen niet zonder meer op deze draaitafels gelegd kunnen worden'. 78*) In 1954 lijken de platen van de Braunschweigische Blechwarenfabrik als 'lakplaten van onbekend Duits fabrikaat' via de firma Peekel te Rotterdam wederom ter keuring in het NRU laboratorium te zijn beland. Het oordeel wijkt niet af van dat wat al een jaar daarvoor over deze producten wordt geveld. 79*)

        Onderwijl, zo vanaf 1950, is de Franse Pyral lakplaat vrijwel standaard de opnameplaat bij de NRU geworden. De kwaliteit is uitstekend en de plaat wordt ook bij de grammofoonplatenindustrie veelvuldig gebruikt voor het maken van de 'master', waarvan door middel van een galvanisch procédé de matrijzen worden vervaardigd. Ten opzichte van de vroegere Pyral met zinken drager is het product belangrijk verbeterd. De kern is van aluminium en de lak fijn van structuur waardoor de plaat nagenoeg ruisvrij is.

       In 1954 worden enige nieuwe lakplaten beproefd. Een test in april met M.S.S. 'tweede soort' platen leidt tot de aanbeveling ook de 'eerste soort' eens te testen. In oktober zijn de Splendisc platen aan de beurt. Deze voldoen totaal niet 80*), maar over de nieuwe zending M.S.S. producten is men zeer tevreden. Men gaat echter niet over één nacht ijs en men veronderstelt 'Het beproeven van enige exemplaren in het bedrijf ... zeker nodig, waarna beslist kan worden, of overhang naar dit type plaat voor het bedrijf verantwoord is.' 81*) Wat dit betreft doet zich begin 1955 een buitenkansje voor want Philips Phonographische Industrie biedt de NRU een partij van 4000 M.S.S. platen aan tegen een gereduceerde prijs 'daar de platen zeer geringe verontreinigingen bevatten, die moeilijkheden geven bij de fabricage van pressings. Bij normaal afspelen van de lakplaat zouden deze verontreinigingen echter geen moeilijkheden geven'. Toch, de NRU ziet van de aankoop af. 'Hoewel de eigenschappen van deze M.S.S.-platen ... zeer aantrekkelijk zijn, zijn er toch ook grote nadelen te noemen, zoals ... de zachtere laklaag en de vrij dikke laklaag aan de rand. Dit vormt, samen met het feit dat er een monsterplaat was met een te dunne laklaag, een ernstig bezwaar om deze platen aan te schaffen.' 82*)

       Pyral blijft grootschalig in gebruik. Wanneer dan ook in 1955 Transco lakplaten worden getest concludeert het laboratorium 'dat behalve de hardheid van de laklaag, de ‘Transco’ lakplaten zeer nauwkeurig gelijk zijn aan de ‘Pyral’ lakplaten'. 83*) De norm blijft de standaard en dat is Pyral.

       Wie overigens denkt dat de toenmalige technici van de NRU in het Mekka leven en ook voor eigen gebruik thuis eens een kantje kunnen snijden heeft het mis. Er moet een administratie worden bijgehouden van de platen, de 'plaatverantwoording'. Men ontvangt 10 tot 30 platen en boekt deze vervolgens, voorzien van opdrachtnummer af. Ook over de snijbeitels - immers een relatief kostbaar artikel - wordt gewaakt. De technici krijgen een eigen etui waarin circa tien beitels kunnen worden opgeborgen. Iedere technicus snijdt dus met 'eigen' beitels. Desalniettemin kan er wel eens wat worden gerommeld. De legendarische technicus Jan Tittel - een gepassioneerd Mozart liefhebber - snijdt zo bijvoorbeeld voor eigen gebruik menig 'achterkantje' met sonates. 'Achterkantjes' is het jargon voor de blanco kanten van enkelzijdige opnamen die niet gearchiveerd worden, die - ook weer een vakterm - zijn 'afgelegd'.

Het laatste decennium

       Rond 1950 besluit de NRU het snijderbestand te saneren. Er zijn voldoende nieuwe machines aangekocht of vervaardigd en de laatste vooroorlogse oudgedienden worden afgevoerd. Dit betekent het einde voor de laatste Telefunken R21s - hun laatste sterrol is het vastleggen van de inhuldiging van Koningin Juliana - de Ramie Union machines en de Neumann wasplateninstallatie. Een deel van deze overjarige apparaten vindt via verkopingen een weg naar nieuwe eigenaars 84*), een deel verdwijnt naar de sloop. De komst van de magnetische registratie - de geluidsband - maakt dat er met minder snijmachines kan worden volstaan. Geleidelijk aan wint de registratie op band terrein. Een aantal technici ziet dit met lede ogen aan. Zij zijn zo bedreven geraakt in het monteren 'op de plaat' (één snijder, twee snelstart draaitafels en een hoop routine) dat ze de band maar een overbodige vernieuwing vinden. Toch zijn de voordelen evident. De montage is wel degelijk eenvoudiger en de banden kunnen vele malen worden gebruikt. Rond 1965 valt definitief het doek voor de mechanische geluidsregistratie, het platensnijden, bij de omroep.

Besluit

       In dit artikel is een schets gegeven van de lijn der ontwikkeling van de elektrische opnametechniek naar elektrische opname door amateurs en de omroep zoals deze, respectievelijk van 1930 tot circa 1950 en van 1932 tot circa 1965 is gebezigd. Het toepassen van de elektrische opnametechniek door de grote platenmaatschappijen, in 1925, noopte tot verbetering van de weergave-apparatuur. Alleen dan zou men ten volle kunnen genieten van de verbeterde opnamen. Aanvankelijk wordt vastgehouden aan het akoestisch afspelen, zij het met een op wetenschappelijk onderzoek gestoelde constructie van de hoorn. Deze exponentiële hoorn geeft goede resultaten. In korte tijd ontwikkelt zich echter de elektrische weergave, mede door de opkomst van de radio waarin men veelal al een deugdelijke laagfrequent versterker bezit. Rond 1929 worden losse pick-ups verkocht die op de akoestische grammofoon kunnen worden geplaatst, tevens verschijnen de eerste complete elektrische grammofoons. Al snel komt men op het idee de pick-up kop te benutten als snijkop, waardoor men - indien een geleiding voor de arm toepast - in de huiskamer grammofoonplaten kan opnemen. De eerste resultaten zijn teleurstellend. Dit is vooral te wijten aan slechte opnameplaten. Rond 1933 zijn de opnameplaten dusdanig verbeterd dat goede opnamen kunnen worden verkregen. Van belang is ook de introductie van speciale, krachtige, snij-motoren. De apparatuur voor een goede opname is relatief goedkoop en compact. In den lande ontstaan - naast de snij-amateurs - professionele opnamestudio's voor het vastleggen van geluiden uit de familiekring. De omroepverenigingen raken geïnteresseerd in de nieuwe opnamesystemen. Zij vormen een alternatief voor het voor hun doel te omslachtige professionele opnameprocédé met wasplaten. Vanaf 1933 wordt de 'eigen opname' bij de omroep toegepast voor reportage, archivering en het opnemen van programma's voor latere uitzending. In 1934 verschijnen bij de omroep de eerste speciaal voor dit doel vervaardigde opnamemachines. Een belangrijke kwaliteitsverbetering ontstaat met de komst van de Simplex glasplaat, die zowel bij omroep, kleinere studio's als amateurs veelvuldig wordt gebruikt. De komst van de magnetische opnamesystemen, rond 1950, blijken de doodsteek voor het snij-amateurisme en de kleine, plaatselijke studio's. Bij de omroep wordt de mechanische geluidsregistratie - het platensijden - geleidelijk aan vervangen door magnetische (band) opname. Vanaf 1947 wordt onder de vlag van de Nederlandse Radio Unie nog apparatuur voor grammofoonplaatopname ontwikkeld en wordt in volgende voortdurend gestreefd naar een goede kwaliteit. Herhaaldelijk verschijnen rapporten waarin vooral nieuwe opnameplaten aan tests zijn onderworpen. Na 1955 concentreert men zich op bandopname, bij het - steeds minder voorkomende - snijden handhaaft men wat de gebruikte apparatuur betreft de status quo tot circa 1965. In deze periode valt het doek voor de mechanische registratie op grotere schaal.

© Tim de Wolf 2004

Bij reproductie van deze tekst, integraal of delen, is naamsvermelding van de auteur verplicht. 

Noten:

1 Gelatt, Roland, The Fabulous Phonograph 1877-1977 (2nd revised edition, London 1977) p. 158-171 (Decline and fall of the cylinder)

2 De Speakeasie is ook uitgebracht in een versie voor elektrische opname, terwijl de Egovox ook voor deze techniek kan worden gebruikt.

3 Het zal wel een illusie blijken het wijd verbreide misverstand uit de wereld te kunnen helpen, maar dit materiaal is - behoudens de persingen in vinyl - in 99,9% van de gevallen bij 78 toerenplaten schellak en geen bakeliet. Bakeliet vraagt een persdruk van ca. 1000 kg/cm waardoor het ongeschikt is voor de fijne structuur van de groeven van een grammofoonplaat. De matrijs zou te snel slijten, zo deze al niet bij de eerste persing ter ziele zou gaan.

4 Aanvankelijk wordt gewerkt met elektromotoren die - er is immers nog geen wijd verspreid lichtnet - worden gevoed uit accu's. In een koude omgeving leveren de accu's minder spanning waardoor het toerental waarop gesneden wordt lager is. Volgens Sean Davies is dit de verklaring voor de eigenaardige toerentallen die voorkomen bij vroege grammofoonplaten (vgl. Rust, Brain Gramophone Records of the First World War, an HMV Catalogue 1914-1918 (Londen, zj.).

5 Op het ARSC/IASA congres te Londen in september 2001 heeft Peter Copeland over deze werkwijze bij de His Master's Voice studio een interessante verhandeling gehouden.

6 Gelatt, Roland, The Fabulous Phonograph 1877-1977 (2nd revised edition, London 1977) p. 219 vgl. Read, Oliver en Walter L. Welch From Tin Foil to Stereo, evolution of the phonograph (2nd edition, Indiana 1976) p. 237-254

7 Gelatt, Roland, The Fabulous Phonograph 1877-1977 (2nd revised edition, London 1977) p. 223

8 Gelatt, Roland, The Fabulous Phonograph 1877-1977 (2nd revised edition, London 1977) p. 229-230

9 Mulder, Ger, 'De klein behuisde hoorn' in: De Klankplaat, november 1934

10 Gelatt, Roland, The Fabulous Phonograph 1877-1977 (2nd revised edition, London 1977) p. 222

11 Gelatt, Roland, The Fabulous Phonograph 1877-1977 (2nd revised edition, London 1977) p. 227

12 Radio Expres, 9 september 1927 p.

13 Radio Expres, 16 september 1927 p. 658 (check)

14 Radio Expres, 20 juli 1928 p. 530

15 Radio Expres, 11 januari 1929 p. 40, vgl. Bespreking RE 22 februari 1929 p. 326 en RE 19 april 1929 p. 387.

16 Vgl. Radio Expres 28 maart 1930 p. 234 'Gramofoonweergave en haar verbetering', ibidem 2 mei 1930 p. 326 'gramofoonweergevers' (vergelijkend onderzoek van 31 afspeelkoppen)

17 Radio Expres, 29 augustus 1930 p.594 'Zelf gramofoonplaten opnemen', vgl. ibidem 10 oktober 1930 p.706

18 Staleman, T.A., Technisch-commercieel radio-vademecum (Amsterdam zj.) p. Ph. 2

19 Resultaat van de bespreking op 30 september 1930 tusschen de HH. Bol, Linnemans, Mootz en Roeterink over het inloopen van de eerste 100 exemplaren van de Philigraaf in de Massafabricage (intern Philips rapport) en Handleiding Philigraaf

20 Radio Expres, 12 september 1930 p. 628

21 Radio Expres 19 augustus 1932 p. 501 introductie Saja Synchroonmotor model E speciaal voor opname van grammofoonplaten. Radio Expres 28 juli 1933 p. 405 , introductie verbeterd model, de Saja Bs.

22 Radio Expres 3 februari 1933 p. 68 introductie Dual 45 U motor.

23 Radio Expres 24 november 1933 p. 661

24 'grammofoonplaten, die men zelf opneemt. Nieuwe mogelijkheden voor den amateur II' in: Radio Expres, 5 mei 1933 p. 258

25 Radio Expres 28 augustus 1931 p. 516 maakt melding van gelatineplaten.

26 Radio Expres 3 februari 1933 p. 68 introductie Dual 45 U motor.

26 'grammofoonplaten, die men zelf opneemt. Nieuwe mogelijkheden voor den amateur II' in: Radio Expres, 5 mei 1933 p. 258

27 Radio Expres 23 juni 1933 p. 345

28 Radio Expres 8 september 1933 p. 481

29 Radio Expres 26 augustus 1932 p. 515

30 Radio Expres 25 november 1932 p. 749

31 Radio Expres 5 mei 1933 p. 259

32 Radio Expres 25 november 1932 p. 749

33 ibidem

34Radio Expres 28 april 1933 p, 250

35 Radio Expres 5 mei 1933 p. 259

36 'Een bezoek aan de gramofoon-opname studio ‘Caspari’' in: Jazzwereld, oktober 1933.

37 Hiskes, J.W., Hoe maak ik zelf mijn grammofoonplaten? (Amsterdam 1933) - Vlugt, G. van der, Het zelfopnemen van gramofoonplaten (Rijswijk 1937)

38 Gertsen, Jan,'Op weg naar de A.V.R.O. huis-schijf' in: De Radiobode, officieel orgaan van de Algemene Vereniging ‘Radio Omroep’, 6 januari 1933 - 28 april 1933.

39 Gertsen, Jan, De Avro-huisschijf (Amsterdam 1933) - Gertsen, Jan, De Avro-huisschijf (tweede, geheel opnieuw bewerkte uitgave) (Amsterdam 1937) Gertsen, Jan, De Avro-huisschijf (derde, opnieuw bewerkte uitgave) (Amsterdam 1938)

40 Gertsen, Jan, De Avro-huisschijf (derde, opnieuw bewerkte uitgave) (Amsterdam 1938) p. 90

41 Osman, D.E., 'Record-Cutting Equipment, home-made traversing mechanism for recording on discs' in: Wireless World, 10 februari 1938 p. 123

42 Aurora-Kontakt Radio-Prijscourant december 1939 30 cm. Simplex fl. 1,40. Om op 78 toeren één uur geluid vast te leggen zijn ongeveer 18 kanten van een 30 cm. Simplex plaat nodig, dus 9 platen á fl. 1,40, in guldens van 2001 fl. 24,15, aldus zijn de totale kosten fl. 217,35 dus circa € 100,- Dat uur kan nu worden vastgelegd op een CD recordable van € 1,-.

43 Boots, Jan en Dietert Molanus, Een zakje voor de omroeper (Amsterdam z.j.) p. 15-17.

44 Vogt, Een leven met radio, de belevenissen van een strijdbaar radio-man (Apeldoorn 1973) p. 189-190 vgl. Hinz, Werner 'Audio Technologie in Berlin bis 1943: Schallplattengeräte' in: 50 Jahre Stereo-Magnetbandtechnik, Die Entwicklung der Audio Technologie in Berlin und den USA von den Anfängen bis 1943 (Berlijn 1993) p.127-134

45 Jaarverslag 1933 AVRO, p. 53 vgl. O. M.L. v. (Overeem, M.L. van) , 'Hoe de A.V.R.O.-huisschijf in huis kwam, Een boeiende vertelling van de ontwikkelingsgang van de eigen opnamen' in: De Radiobode, officieel orgaan van de Algemene Vereniging ‘Radio Omroep’, 10 april 1936 p. 10-11

46 Vogt, Een leven met radio, de belevenissen van een strijdbaar radio-man (Apeldoorn 1973) p. 192

47 Telefunken Ela Aufnahmegeräte, Verstärker, Kraftsprecher, Lautsprecher und Zubehör. Preisblatt Ela Nr. 6, gültig ab 15. april 1934. p. 10 Prijs rm. 870,-. De koers rijksmark-gulden is dan circa 1 op 1. fl. 870,- in 1934 is circa fl. 14.000,- in guldens van 2001.

48 Interview Piet Bottema sr. 25 maart 1994.

49 Overeem, M.L. van, 'Hoe de A.V.R.O.-huisschijf in huis groeide, meer bijzonderheden over het zelf-opnemen van gramofoonplaten' in: De Radiobode, officieel orgaan van de Algemene Vereniging ‘Radio Omroep’, 19 juni 1936 p. 12

50 Aldous, Donald W. e.a. The ‘Simplat’ sound recording disc. V.G. Manufacturing Co. Ltd. London (zj) Beschryving en gebruiksaanwyzing der ‘Simplex’-gramofoonplaten voor zelf-opname

51 Interview J.H. Saueressig 14 april 1989 en 10 oktober 1990, Jan Dijkstra (werknemer Ramie Union) 31 juli 1991 Saueressig jr. 8 maart 1993.

52 Beschreibung für die Tonfolien - doppel - Schneidapparatur in Betrieb bei dem holländischen Rundfunkverein A.V.R.O.

53 Situatietekening 'Gramofoon-opnamekamer K.R.O. - studio's Hilversum, N.V. Ramie Union Enschede' tekening J 12, 24 november 1939. Dossier 'Gebruiksaanwijzing van de gramofooninstallatie van de K.R.O. geleverd door Numans Laboratorium'

54 Rapport betreffende opnamen en weergeven van ‘eigen opnamen’, Rijksradio-Omroep De Nederlandsche Omroep, Technische Dienst, Hilversum 21 januari 1943.

55 'Beschrijving opname- en weergave-installaties voor eigen opnamen Glasplaten opname-installatie Studiogebouw ‘A’, opnamen Glasplaten opname-installatie Studiogebouw ‘B’, Philips Miller opname-installatie Studiogebouw ‘B’, Philips Miller opname-installatie Studiogebouw ‘A’' Rijksradio Omroep De Nederlandsche Omroep, technische dienst. 18 april 1942. p 7.

56 De synchroniseergroef is te vergelijken met de kengroef tussen de ‘bandjes’ op een langspeelplaat. Door bij het snijden voor circa één omwenteling de groefspoed te verhogen liggen de groeven over korte afstand wat verder van elkaar.

57 Vogt, Een leven met radio, de belevenissen van een strijdbaar radio-man (Apeldoorn 1973) p. 192-193

58 Geïllustreerde Prijscourant Aurora-Kontakt 1937 geeft op p. 22 de voor zover mij bekend vroegste vermelding. De Aurora-Kontakt Radio-Prijscourant van december 1939 geeft als prijzen: 30 cm. Simplex fl. 1,40; Pyral fl. 1,20, 25 cm. beide merken fl. 0,80. Het prijsverschil is in de loop van twee jaar kleiner geworden. (Vgl. Radio Expres 6 mei 1938 1e advertentieblad, Pyral 25 cm. fl. 0,65, 30 cm. fl. 0,95, Radio Expres 1 mei 1936 1e advertentieblad Simplex 25 cm. fl 1,-, 30 cm. fl. 1,80.

59 Verkijk, Dick, Radio Hilversum 1940-1945 De Omroep in de oorlog (Amsterdam 1974) p. 421-423

60 Aether? 1991? De nieuwjaarskaart en Marius van Overeem p. 13-14

61 Rotgans, G.J., Verslag van de duurbeproeving van een gramofoon-opneemmachine fabrikaat Strefofoon NRU laboratoriumrapport no. 85 (Hilversum, 12 april 1948)

62 Overeem, M.L. van, Betreft onderzoek naar de beste methode om de spaan van de e.o. onder het snijden te verwijderen NRU Laboratoriumrapport no. 128, 24 maart 1949.

63 ibidem

64 Ibidem, vgl. R.W., 'Van studio tot huiskamer'in: Radio Electronica, jrg. 2 no. 2, 18 februari 1954 p. 57.

65 Drost, R.Y. Onderzoek betreffende de Presto snijder type 1 D Laboratoriumrapport no. 125, 30 april 1949. Aanhangsel: Enige gegevens betreffende de Motosacoche-snijder type 2730C NRU

66 Overeem, M.L. van, Onderzoek betreffende de Lyrec snijder type A 43. no's 300 en 301 NRU Laboratoriumrapport no. 115, 3 februari 1949.

67 Piers, P.D., Metingen aan de verbeterde Lyrec-snijders, type A 43, nrs 300 en 301 NRU Laboratoriumrapport no. 181, 22 april 1950.

68 Rotgans, G.J., Voorlopig rapport betreffende Presto snijder type 1 D NRU Laboratoriumrapport no. 76, 5 december 1947.

69 Drost, R.Y. Onderzoek betreffende de Presto snijder type 1 D Laboratoriumrapport no. 125, 30 april 1949 p. 32

70 Drost, R.Y. Aanvulling op lab. rapport no. 125 betreffende onderzoek van de Presto snijder type 1 D Laboratoriumrapport no. 125a, 15 november 1949

71 Rotgans, G.J., Onderzoek van enkele soorten gramofoon-opnameplaten Laboratoriumrapport Radio Nederland technische dienst no. 56, 10 december 1946

72 Mondelinge mededeling G.T. Bakker, ca. 1987.

73 Rotgans, G.J., Vergelijkend onderzoek van enige soorten direct afspeelbare gramofoonopneemplaten NRU Laboratoriumrapport no. 70, 26 juli 1947

74 Overeem, M.L. van, Beproeving van enige gramofoonopneemplaten Soundcraft en Gevaert NRU Laboratoriumrapport no. 88, 15 mei 1948.

75 Overeem, M.L. van, Onderzoek van enige M.S.S. opname platen en -snijnaalden NRU Laboratoriumrapport no. 96, 26 oktober 1948.

76 Overeem, M.L. van, Onderzoek betreffende een ‘Audiodisc’ lakplaat NRU Laboratoriumrapport no. 114, 3 februari 1949

77 Overeem, M.L. van, Onderzoek van 10 M.S.S.-platen NRU Laboratoriumrapport no. 173, 6 maart 1950.

78 Piers, P.D., Onderzoek lakplaten van de ‘Braunschweigische Blechwarenfabrik’ NRU Laboratoriumrapport nr. 300 sub. nr. 12, 20 februari 1953.

79 Piers, P.D., Onderzoek van enige lakplaten van onbekend Duits fabrikaat NRU Laboratoriumrapport nr. 300 sub. nr. 31, 31 maart 1954.

80 Piers, P.D., Onderzoek van 2 lakplaten, fabrikaat Splendisc NRU Laboratoriumrapport nr. 300 sub. nr. 40, 13 oktober 1954

81 Piers, P.D., Onderzoek van enige M.S.S. lakplaten NRU Laboratoriumrapport nr. 300 sub. nr. 41, 13 oktober 1954

82 Maaren, A. van, Onderzoek van een aantal M.S.S.-platen NRU Laboratoriumrapport nr. 300 sub nr. 49, 16 februari 1955

83 Piers, P.D., Onderzoek van enige lakplaten, fabrikaat ‘Transco’ NRU Laboratoriumrapport nr. 300 sub. nr. 55, 27 mei 1955

84 R.T.V. te Den Haag doet begin jaren vijftig goede zaken met de verkoop van de Ramie Union machines. Radio Twenthe biedt in 1970 de Lyrec machines uit de reportagewagens aan.