PETRUS BRANDWIJK (1655-1666)

( uit “predikanten Alblasserdam” www.dominees.nl)

 

Terug naar het overzicht

 

 

 

Levensloop

Evenals Petrus Costerus heeft Petrus Brandwijk tijdens zijn predikantenloopbaan slechts

een gemeente gediend, nl. Alblasserdam. Voor de kerkenraad stond eind 1654 al vast wie

binnen afzienbare tijd Van de Corput zou opvolgen. Kandidaat Petrus Brandwijk

(proponents-examen in 1652) had hier nl. al vele malen gepreekt tijdens de ziekte van Van

de Corput en de kerkenraad en de gemeente waren zeer over hem te spreken. In een brief

van 20-12-1654 aan de ambachtsvrouwe107 roemt de kerkeraad zijn "opvoedinge, goet

humeur en godtsalich leven". Zodra Corputius zijn plaats "vacant sal hebben gestelt" wil

men hem beroepen.

De kerkeraad dateert de beroepbrief op 24 maart 1655108 en meldt het beroep bij de classis

(6-4-1655) daarbij voegend de acte van approbatie (dd. 4-4-1655) van de ambachtsvrouwe.

De classis keurt het beroep goed nadat Petrus Brandwijk op 22-6-1655 zijn proefpreek, over

Hand. 2:37109, tot tevredenheid van de vergadering heeft gehouden. Op 19 augustus treedt

hij als lid toe tot de classicale vergaderingen.

Op 18 juli 1655 doet hij intrede. Hij is gebleven tot zijn plotselinge dood op zaterdag 17 juli

1666 's morgens tussen drie en vier uur110. Hij is 41 jaar oud geworden. Op 16-4-1625 werd

hij te Dordrecht gedoopt als vijfde kind van Ocker Brandwijk en Magdalena Snoek.

Ocker Brandwijk (1590-1657) kreeg in totaal negen kinderen. Hij was heemraad van de

Merwede (1639-1652) en trouwde op 18-12-1616 te Dordrecht met Magdalena Snoeck

(1593-1640).

Zijn afkomst

Schematisch ziet de herkomst van Petrus Brandwijk er als volgt uit:

S Op 17 november 1593 werd de Dordtse kaaskoper Aert Adriaensz Brantwijck begraven.

S Zijn zoon was Willem Aertsz Brantwijck (26.8.1561-21.12.1638)

S Ocker Willemsz Brantwijck (5.11.1590-3.2.1657) was heemraad van de Merwede. Hij

trouwde met Magdalena Fransdr. Snoeck (20.1.1593-11.2.1640). Uit dit huwelijk

werden 9 kinderen geboren:

1. Geertruyd (gedoopt 27.11.1617)

2. Catharina (6.4.1619-3.10.1681)

3. Arent (10.1.1621-23.12.1661)

4. Gerrit (heemraad van de Merwede, schepen, raad en weesmeester te Dordrecht)

5. Petrus (16.4.1625-17.7.1666)

6. Apollonia (gedoopt 31.12.1626)

7. N.N. (een jong overleden kind, gedoopt 19.9.1628)

8. Ida (9.9.1629-2.11.1662)

9. Cornelia (28.12.1630-23.1.1631)

 

107 Heerlijkheidsarchief Alblasserdam, inv.nr. 151/1.

108 Rijksarchief Den Haag, Beroepingen en approbaties in den Alblasserwaard. Archief Classis Dordrecht, inv. nr. 44.

109 "Toen zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen,

mannen broeders?"

1 10 Heerlijkheidsarchief Alblasserdam, inv.nr. 151/4. In de kladversie van de brief aan de ambachtsvrouwe om haar op de

hoogte te stellen van het overlijden van Brantwijck wordt deze tijd genoemd. In de definitieve versie (18-7-1666) ontbreekt dit

gegeven. "Dat onsen gewesene predicant Dos. Petrus Brantwijck zal. op gisteren morgen tusschen 3 en 4 uijren deser weerelt

is comen te overlijden."

 

Bezittingen van Brandwijk

Volgens een oorkonde van 19 maart 1656 verkreeg Petrus Brandwijk van de diaconie een

stuk grond in erfpacht, gelegen aan de noordzijde van de Kerkstraat. Hij moest er per jaar

20 gulden pacht voor betalen aan de diaconie. De eerste termijn zou verlopen met Kerstmis

1656. Er stond een hofstede op. De kosten van verponding daarop zouden voor rekening

van de predikant komen 111 . Hij heeft zelf op die hofstede gewoond. Zijn buren tussen hem

en de kerk waren Mels Gerrits en vervolgens Aryen Pietersz Bouw.

Dat de predikant nog meer land had gehuurd, blijkt uit de rekeningen van de Heilige

Geestmeesters112. Daar wordt hij genoemd als huurder van 425 roeden land, gelegen in

"Blockert, in Lijntgen Mr. Jannen weer". Het kostte hem jaarlijks 11 gulden. Tot en met het

boekjaar 1666/1667 komt deze post in de boeken voor.

Als we de erfhuiscedullen113 er op naslaan, lijkt Petrus Brandwijk er een klein boerenbedrijfje

op na gehouden te hebben. Op 30 maart 1666 biedt hij 11 stuks rundvee te koop aan.

Daarvan werden er maar een stuk of vier verkocht met een opbrengst van 255 gulden,

waarbij de prijs van een koe varieerde van 60 tot 80 gulden. De predikant had ook een

knecht in dienst, Jan Cornelissen, die natuurlijk een belangrijke taak had in het runnen van

de boerderij.

Ds. Brandwijk was dus zeker niet onbemiddeld. Petrus had rijke zusters: Geertruyt en

Catharina (beiden ongehuwd). Zij vermaakten in 1662 3000 gulden aan hun broer114. Zijn

tante liet hem in haar testament van 1663 1000 gulden na. De predikant verstrekte soms

ook leningen. Zo bekende in 1661 Aryen Pleunen Bou dat hij 400 gulden schuldig was aan

Petrus Brandwijk115.

Na zijn overlijden verkopen zijn erfgenamen enige "haeffelijcke goederen", het restant van

zijn bezit. Bij elkaar brachten acht stuks vee, een speelwagen, een ploeg, twee eggen,

enkele partijen hooi, enkele kaasvaten en meer van dergelijke zaken 317.3.0 op.

Dat Petrus Brandwijk bij zijn overlijden in 1666 een zeker vermogen had opgebouwd, blijkt

ook uit het legaat van 300 carolus guldens dat hij de armen naliet116. Hij gaf er niet bij aan of

het de diaconie- dan wel de "dorps-armen" (toevertrouwd aan de Heilige Geestmeesters)

ten goede moest komen. Wel had hij bepaald, dat eerst uit de rente een levenslang

pensioen betaald moest worden aan Maria Lucas, de vrouw van de in 1665 overleden

schoolmeester, koster, voorzanger en doodgraver Willem Jansz. Ruyselaar117.

In maart 1677 verkopen de erfgenamen van Petrus Brandwijk aan Sebastiaen van de Graef

een huis met bijbehorende 10 mergen land voor een prijs van 3250 gulden118.

Volgens resolutie119 van ambachtsvrouwe Anna van Oudheusden, dd. 23-7-1608 moest in

een dergelijk geval het legaat in twee delen gesplitst worden en zouden zowel diaconie als

H.G. meesters elk een helft krijgen. De daadwerkelijke verdeling van het legaat zou volgens

wens van Petrus Brandwijk dus pas kunnen plaatsvinden na het overlijden van Maria Lucas,

die immers tot haar dood de rente als pensioen zou ontvangen.

 

111 Archief Diaconie, inv.nr. 19.

112 Archief gemeente Alblasserdam 1663-1685, inv.nr. 88.

113 Rijksarchief, Oud rechterlijk archief Alblasserdam, nr. 7, Register van hypotheken 1639-1662.

114 Notarieel Archief Dordrecht, deel 141, fol. 564, 19.11.1662.

115 Notarieel Archief Dordrecht, deel 140, fol. 256, 11.5.1661.

116 Rekeningen Heilige Geestmeesters, Archief gemeente Alblasserdam, inv. nr. 88.

117 Rekeningen Kerkmeesters 1665/1666: "Betaelt aen Mr. Willem Russelaert" [31.2.0. voor schoonmaken, witten van de kerk

en het schoolhuis "tijde het met de contagieuse sieckte der peste was besmet geweest." Tijdens deze epidemie overleed hij,

misschien wel aan deze besmettelijke ziekte.

118 Notarieel Archief Dordrecht, deel 163, fol. 88, 23.3.1677.

119 Diaconiearchief, inv. nr. 51.