1754 - 1779: Adriana Brandwijk van Blockland
(uit: bulletin Historisch
Huizenonderzoek nr 25 Dordrecht.)
Adriana
Brandwijk van Blockland is op 17 juli 1697
te Dordrecht gedoopt als
dochter van
Pieter
Brandwijk van Blockland en Geertruijt Franken.
Op 17 mei 1719 vindt er in Dordrecht
een
dubbel huwelijk plaats:
Mattheus
Onderwater, jongman van
Dordregt geassisteert
met
de heer Pieter Onderwater in
den Outraet
deser stadt, sijn heer vader huwt Adriana
Brandwijk van Bloklandt, jongedogter
van
Dordrecht, geassisteert met de heer Pieter
Brandwijk van Bloklandt, in den Agten
en
Veertigen binnen dese stadt en Vrouwe Geertruijt Franken, desselfs
vader en moeder.
Maria Brandwijk van Bloklandt, jongedogter
van
Dordrecht, geassisteert met de heer Pieter
Brandwijk van Bloklandt, in den Agten
en
Veertigen binnen dese stadt
en Vrouwe Geertruijt
Franken, desselfs
vader en moeder huwt Abraham Pompe
van Meerdervoort, jongman van
Dordregt
woont tot Utreght. De geboden gaen tot Utregt
Mattheus
Onderwater is brouwer
in de Drie Lelien; lid groot koopmansgilde;
lid van
de Achten tussen 1715-1718; schepen in 1719, 1723, 1727, 1732 en 1736 en
Burgemeester in 1740-1741, 1744-1745 en 1752. Hij werd te Dordrecht
geboren op
23 novemer 1687 als zoon van Pieter
Onderwater en Maria van den Brandeler.
Uit het huwelijk van Mattheus
Onderwater en Adriana Brandwijk
van Blockland worden de volgende kinderen
geboren en
in Dordrecht gedoopt:
Maria op 18
juni 1721
(trouwt Cornelis
Pieter Pompe
van Meerdervoort); Pieter
op
31 juli 1722 (overlijdt
ongehuwd in 1758, advocaat aan het Hof van Holland);
Mattheus op 4
januari 1724;
Geertruijd op
18 mei 1725 (trouwt Jacobus van der Pott); Mattheus op 1
november
1736 (trouwt Philippina van der Burch);
Abraham Hendrik op 20
april 1729 (trouwt Maria Arnoudina Gevaerts);
Adriana op 4
oktober 1730;
Adriana Johanna
op 26 april, 1737 (trouwt Jacob Karsseboom,
directeur van de stapel in Dordt,
generaalmeester van
de Munt van
Holland) en Cornelia Elisabeth
op 21 juni 1739
Het gezin Onderwater-Brandwijck
van Blockland
woont aanvankelijk niet in het geërfde
huis. Op
16 mei 1754
verhuren zij het aan Johannes Dierkens.
Notaris Pieter
van Well maakt het
huurcontract op:
Mattheus
Onderwater (oud-Borgemeester en lid
Oudraed)
verhuurt aan de
Weledelgestrenge
Heer Johannes
Dierkens (schepen in wetten en
lid Oudraed):
een huijs en erve met de stallinge
en koetshuijs
daar aen en bij behoorende
(dog
uijtgesondert de
wijnkelders daar
onder, de
welke
onder dese huure
niet begrepen zijn)
staende en
gelegen ontrent de Blaauwpoort,
laast
toebehoort hebben en bewoont bij wijlen
mevrouw van
Swijndrecht
ende dat voor den tijd
en
termijn van vijff agter
een volgende jaren en
twee volgende jaaren in optie sijnde
‘t eerste
jaar huure
bereijts ingegaan primo deser
maand
meij
1754 en sullende
expireren met ultimo april
1755 enz. voor de huure jaarlijks ses
honderd en
vijftig guldens.
Is conditie dat den heer
verhuurder geduurende dese
hure int voorsegde
huijs zal doen alle
nodige en
behoorlijke reparatien, dog de glasen binnenshuijs
gebroken werdende, sal
den
heer
huurder tot zijn wel
edele costen weder moeten doen maken. 19
Drie maanden later
overlijdt Mattheus Onderwater.
Hij wordt op 22 augustus
1754 te Dordrecht begraven: den weledel gestrenge heer Mattheus
Onderwater,
Raat en oudtborgemeester
deser stadt.
Bij de Lommerstraat. Laat
kinderen na.
10 koetsen extra, groote boeten – met een wapenbordt.
Adriana
overlijdt in 1779. Zij
wordt vanuit het huis bij de Blauwpoort begraven op 20
februari
1779: Vrouwe Adriana Brandwijk van
Blokland, weduwe van de heer Borgemeester
Mattheus
Onderwater. Laat kinderen na. Bij de
Blauwpoort. Hoogste boete. Met 10
koetsen
extra. En
met een wapenbort.
Op 12 april 1779 laten
haar kinderen het huis veilen:
Koopconditien
waarop de minderjarige
erfgenamen van wijlen Vrouwe Adriana
Brandwijk
van
Blokland, in leven
weduwe den Wel edel Gestrenge Heer Mattheus
Onderwater, in zijn
Wel edel leven in den Oudraed en burgemeester der stad Dordrecht
voornemens sijn door mij
notaris Jan
van der Star op
heden den 12e
april
1779 in ’t openbaer te veilen en den 17e
daeraan
volgende bij den afslag
te verkoopen:
Een extraordinair
groot, hegt, sterk en wel doortimmert
dubbelt huijs en erve, waarin diverse
behange
vertrekken, met een koetshuijs
en stallinge daernevens,
alsmede twee kelders onder
’t
zelve en een ruijm open erf daeragter staende en
gelegen aen ’t plein
omtrent de
Blaauwpoort.
Hebbende een aengenaem gezigt
op de rivier, belent met de huijzinge van de
heer Kooijmans
aen de eene en
zeker open
erf aen de andere zijde en zodanig ’t verder
of
anders belend
mogte wezen.
Hetgene
door den kooper met den 1e meij 1779
zal kunnen werden aenvaert. Zijnde de beide
kelders
onder ‘t huijs verhuurt tot den 1e november
1780 aen de heeren
van Ourijk en
Vermeulen om ƒ 120,00 ’s
jaars, welke huure
den kooper zal moeten presteeren.
Zullende de
huur ten
zijnen voordeele ingaen
met primo meij aenstaende.
Bij de koop zal volgen
al wat aard en nagelvast is, dog geenzints ’t gene onder meubilaire
goederen gerekent werden kan, ofschoon met
houvasten of anderzints vastgemaekt
bevonden
wierde.
Dog aengaende
de drie en twintig boomen op het erf agter het gemelde huijs
staende, zal den
kooper het
in zijn keuze hebben om dezelve te
kunnen naderen voor de somme van drie
hondert
guldens, mits binnen veertien dagen na
het sluijten van de koop ten comptoire
van mij
notaris, zig
declareerende, en niet declareerende.
Blijven dezelve aan den verkoopers
om
voor
primo januari 1780
dezelve te mogen laten rooijen en voor primo
maert daer aen
volgende,
die van ’t erf te ontruijmen, zullende
alsdan de putten vanwegen
de verkoopers
behoorlijk
werden geslegt.
De verkooping
geschied om guldens van twintig stuijvers
het stuk,
te voldoen in goed grof
ganghbaar
Hollands zilver gelt
of goude rijders. Geen minder specie dan zesthalven, dog
geen
schellingen. Ook geen heele, halve of quart rijksdaelders.
Zullende den kooper
ook in
voormelde
specie moeten betalen
bij ’t sluijten van de koop een halven
struijver van ider
gulden tot
rantsoen.
De pandponden of andere
renten, die op ’t voorsegde
huijs en erve zouden mogen staen
werden gestoten met de
voet en zal den kooper die moeten nemen tot
zijn
lasten, zedert de
laeste
verschijndagen.
Den kooper
zal alleen en in ’t geheel moeten betalen den
40e penning en 10e verhooging ten
behoeve van
’t gemeene land. Oortjes en duijten
voor de stad Armen, weeshuijs en krijgskas,
’t
schrijven en zegelen
van den transportbrief en verboeking, niets uijtgezondert.
Het voorsegde
huijs en erve zal aen
den kooper gelevert
werden bij
transport voor heeren
schepenen deser
stad en met zoodanige vrijdommen, servituten en geregtigheden
als ‘t zelve
heeft en
subject is. Volgens
de oude brieven en bescheijden. dewelke
voor zoo veel
voorhanden
zijn aan den kooper zullen werden
overgegeven, zonder in eenige verdere
prestatie of
verificatie gehouden
te zijn. Dog zullen de verkoopers
voor de vrijwaring
verbinden den
boedel en
nalatenschap van wijlen voornoemde Vrouwe Adriana
Brandwijk
van
Blokland, weduwe den
Wel edel Gestrenge Heer Mattheus Onderwater
als na regten.
Het hoogst ingezet bij Pieter Struijk ter somme van elf duijzent
vier hondert guldens.
Op heden den 17e april
1779 is het voorsegde huijs
en erve
opgehangen op twee en twintig
duijzent
guldens en afgeslagen tot op veertien duijzent
drie hondert en vijftig
guldens is daar
voor gemijnt
bij de heer Anthonij Bax, notaris en
procureur. voor
hem of die hij binnen drie
dagen zal
noemen.
Op heden den 20e april
1779 heeft
voornoemde heer Anthonij Bax tot kooper
van ’t voorsegde
huijs en
erve genomineert den Weledel Gestrenge Heer
Mr. Adolph Herbert
van der Meij van
19
der
Linden, in den Oudraad en Regeerent schepen
dezer stad, die zulks bij zijn weledel
ondertekening
accepteerde. 20
Het transport vindt
plaats op 28 mei 1779. De nieuwe eigenaar is Adolph
Herbert van der
Meij van
der Linden,
koopsom: f 14.350,00. 21