Dopen van 'de eerste Christenen' tot nu.
Hoewel de eerste christenen na een duidelijke keuze voor de Heer Jezus Christus gedoopt konden worden, gaf men er al snel de voorkeur aan om een procedure te volgen. Het duurde dus niet lang voor 'de eerste christenen' vrijwel dezelfde procedure gebruikten als de Joden dat deden bij de proselieten.
Op zich is dat helemaal niet zo raar, omdat in eerste instantie Jeruzalem de plaats was, waar de apostelen zetelden. Ook toen de apostelen stierven, hebben de Joodse (ook in de diaspora) christenen heel lang gemeend dat zij degenen waren die het best wisten hoe het allemaal moest.
Heel langzaam is daarna de macht van Rome ontstaan. Natuurlijk had dit ook alles te maken met het feit dat de Joodse 'Messiasbelijdende gemeenschap', inmiddels in de minderheid was. Na een aantal ruzies met bisschoppen onderling, over bijvoorbeeld de datum van kerst, wist Rome de macht over te nemen. Dit was voornamelijk te danken aan het feit dat Rome, vanwege de Romeinse overheersing, toch al belangrijk was. Het centrum van de wereld lag in die tijd, figuurlijk, in Rome.
Het navolgende citaat is gebaseerd op de documenten van Hippolytus van Rome (170-235) Hij behoorde in zijn tijd tot de selecte groep intellectuele leiders van de kerk. Hij was een van de weinigen die veel geschreven heeft over de liturgische gang van zaken binnen de kerk. Hij wordt beschouwd als zijnde de belangrijkste theoloog uit de 3e eeuw.
'Doopsel en vormsel (waterbad en zalving)
In het Nieuwe Testament wordt de christelijke initiatie inhoudelijk uitvoerig vermeld. De eerste beschrijving van een doopritus is, na de Didachê (waarin de doopformule wordt gegeven: 7, 1, en het doopsel in stromend water wordt aanbevolen: 7, 2), van de hand van Hippolytus in zijn Trad. Ap. nrs. 15-21. De beschrijving is compleet. De doop omvat volgens de Trad. Ap. een hele periode. Allereerst wordt aangegeven, wie wel en wie niet mag worden gedoopt, dat wil zeggen welke beroepen uitgesloten zijn van opname in de christelijke gemeente: het gehalte van de christenen wordt nog streng bewaakt. Dan volgt een beschrijving van de opname in het zogeheten katechumenaat, dat is een tijd van instructie door catecheten gedurende enige jaren: men wordt ingeleid in de inhoud van de christelijke leer en ethiek. Tijdens dit katechumenaat zijn er gebedsdiensten voor de catechumenen, waarin zij ook de handoplegging kregen. Na de tijd van instructie, waarbij werd 'gecontroleerd' of de kandidaat vorderingen maakte in kennis en beleving van het christendom, ging men over naar een volgend stadium, dat later werd aangeduid met de term: tijd van de 'electi' (of 'competentes'), dus van degenen, die waardig waren bevonden om te worden gedoopt. Dit stadium ligt voor de doopviering in de paasnacht (en zal later samenvallen met de vasten van zes weken). Het is een tijd van gezamenlijk gebed, van onderzoek naar de waardigheid van de kandidaten, van handoplegging en exorcisme, dat wil zeggen een door de gemeente begeleide strijd tegen het kwaad en een onderzoek naar de graad van bekering van de kandidaat. Deze periode wordt besloten door de viering van het doopsel. Het doopsel omvat: het afzweren van de satan (concreet: het afzweren van het heidense verleden), de geloofsbelijdenis tijdens de onderdompeling in het waterbekken, de handoplegging en zalving van het hoofd en het lichaam, de vredeskus en de gezamenlijke viering van de eucharistie met de gemeente. Dit alles gebeurde bij voorkeur tijdens de paasvigilie. Over het water werd een lofgebed uitgesproken.
Het is duidelijk: de doop is geen momentopname, maar een weg van bekering, die ritueel wordt onderlijnd. De persoonlijke beslissing van de kandidaat is belangrijk en bepaalt de inhoud van het ritueel; rite en geloof gaan hand in hand.'
(Uit: Geschiedenis van de Christelijke eredienst in het westen en het oosten. door H.A.J. Wegman)
Uit deze stukken blijkt nog eens te meer hoe men de manier van de Joodse proselieten 'doop' mikva heeft overgenomen.
Hoewel het erg moeilijk is om over de begintijd van de Christenen duidelijke informatie te vinden is het ons toch gelukt om meer oude geschriften te achterhalen.
De voornaamste bronnen zijn geen complete orden van dienst, maar series 'mystagogische katechesen' of preken, die bisschoppen in de week na de plechtigheid hebben gehouden, om de pasgedoopten in te wijden in de 'mysteria', de heilstekenen van de Heer.
Uit deze indirecte bronnen komt een doopliturgie naar voren. Deze bestaat hierin, dat het kerkelijk ritueel handelen een steeds voornamere plaats krijgt. Het valt op, hoe sterk de rituele strijd tegen de satan zich ontwikkeld heeft:
Naast de afzwering van de satan treedt de bezwering (exorcisme) door de kerk meer naar voren. Hangt dit samen met overblijfselen van het heidendom in de toenmalige maatschappij? Of met de angst voor de boze (afweer)?
De grootste verandering is de ontwikkeling van de 'apotaxis-syntaxis' -rite in het Oosten. (feitelijk een verdubbeling van het doopformulier en de vervanging van de drievoudige geloofsbelijdenis door een doopformule, uit te spreken door de bisschop.)
Augustinus (354-430, Bisschop van Carthago (Afrika)):
verzaking-geloofsbelijdenis-onderdompeling; zalving en handoplegging: overdracht van het witte doopkleed.
( F.van der Meer,Augusinus, de zielzorger, blz. 306 vv.)
Amibrosius (340?-397, Bisschop van Milaan):
exorcistische zalving - verzaking (gekeerd naar het Westen, toekeer naar het Oosten):
Doopwaterwijding; geloofsbelijdenis-onderdompeling (3-voudig); zalving met muron van het hoofd; voetwassing; overdracht van het doopkleed; handoplegging met gebed.
(De Sacramentis; de Mysterus)
Cyrillus van Jeruzalem (315-386, Bisschop van Jeruzalem en titel van doctor binnen de kerk):
(Buiten het baptisterium): apotaxis-syntaxis'. zalving met exorcisnie-olie; (in het baptisterium): doopwaterwijding; geloofsbelijdenis en onderdompeling (3-voudig): zalving met muron van voorhoofd, oren, neus en borst; deze zalving is sfragis: verzegeling met Heilige Geest; overdracht van het doopkleed.
(katechesen van Cyrillus, myst. kat. 1,9)
Johannes Chrysostomus (374-407, 'de man met de gouden mond' volgens de Catholic Encyclopedia. Een van de belangrijkste sprekers uit die tijd en doctors titel van de kerk):
apotaxis en syntaxis (beide niet andere handelingen: Spuwen tegen de duivel; belijden van het geloof tijdens de syntaxis); zalving door kruisteken op het voorhoofd met muron, sfragis genoemd, gevolgd door een zalving van het hele lichaam vlak voor de onderdompeling; drievoudige onderdompeling met doopformule en handoplegging; doopkleed; Onze Vader en kus.
(Joannes Chrysostomos (S. Chrêt. 50))
Theodorus van Mopsueste (350-428, spreker en schriftsteller):
apotaxis-syntaxis: zalving van voorhoofd door kruisteken (sfragis); voor de doop zalving van het gehele lichaam; doopwaterwijding; onderdompeling met handoplegging en doopformule; overdracht van het witte kleed; sfragis op het voorhoofd
(Theodorus van Mopsueste (Homélies catéchêtiques))
Narsai van Nisibis (Hij was een dichter en hoofd van de Nestorian school in Nisibis.)
(Brief dateert uit 498 n.C.):
Apotaxis-syntaxis; zalving van het voorhoofd met charisma, daarna van het gehele lichaam; doopwaterwijding; drievoudige onderdompeling met doopformule ('N. wordt gedoopt . . .'); feestkleding; ontvangst in de gemeente.
De brief van de Romeinse diaken Johannes aan Senarius; Narsai (hom. 22) (zie lit.: Riley').
De dopelingen gingen in de 'begin' tijd (bijna)naakt te water en kregen dan na hun doop een doopkleed. Een wit kleed dat aangaf dat de persoon nu bekleed was met Christus in een nieuw leven. Daar hebben de roomse en protestantse kerken de zogenaamde doopjurk aan overgehouden.
De meeste dooprituelen werden in die tijd voltrokken in de paasnacht. Vooraf gingen de Catechemen of wel dopelingen 40 dagen vasten om zich op deze manier nog eens goed te onderzoeken en in harmonie met God te komen. Ter ondersteuning van de dopelingen vaste de meeste volwassenen in een gemeente met hen mee. Deze vastendagen zijn nog steeds bekend in de Roomse kerk. Ook de paaswake, het moment waarop vroeger de dopelingen werden gedoopt, is nog steeds in gebruik.
De meeste dooprituelen werden in die tijd niet in de kerk zelf gehouden maar in een zogenaamde baptistery.
BAPTISTERY
The room or building in which Baptism is performed. The word baptisterium was used for the pool (also frigidarium) in the Roman thermae or baths. Among the early Christians It was referred to as the fons or piscina since It enclosed the fount or pool; and also as the lavacrum or photisterion, the place of spintual washing or divine enlightenment.
While the early Christians baptized by immersion in rivers, fountains, and the sea (Justin, 1 Apol. 61.3; Tertullian, De Bapt. 4), by the 3d century they used a pool or bath in a special room in the house of worship as is indicated by the square basin buttressed with two columns discovered at the foot of the chapel room in the Christian house at Dura-Europos (c. 232). The basilica (possibly 3d century) at Emmaus also had a baptistery next to the church.
(New Catholic Encyclopedia Vol II, prepared by editorial staff at the Chatholic University of America,Washington.)
Vertaling voorgaande stukje: De ruimte of het gebouw waar gedoopt werd, heette 'Baptisterium'. Het woord werd gebruikt voor het grote bad (ook frigidarium genoemd), in het Romeinse thermae of badhuis. Bij de eerste christenen werd er aan gerefereerd als font of piscina, omdat het om een bad was gebouwd. Terwijl de eerste christenen doopten door onderdompeling in rivieren, en fonteinen, en de zee, gebruikte men in de 3e eeuw een poel of bad in een speciale ruimte in het huis van aanbidding. Dit werd aangegeven door een vierkant bassin gesteund door twee pilaren, zoals gevonden aan de voet van een kapelruimte in Dura-Europos (232 na Chr.). De basilica van Emmaus (waarschijnlijk 3e eeuw) had ook een baptisery naast de kerk
Ook van Augustinus was bekend, dat hij een groot baptisterium naast de kerk had.
'De voornaamste kerk was de Basilica major of Basilica Pacis, de grote of Vredesbasiliek. In deze kerk stond Augustinus bisschoppelijke zetel, in haar heeft hij verreweg zijn meeste preken gehouden. Ter zijde van de kerk was het Baptisterium, het doopgebouw, waar de doop door indompeling kon plaats vinden.'
(Augustinus Leven en werken, door Dr A. Sizoo)
Men gaat ervan uit dat de baptistry is ontstaan doordat de 'eerste christenen' een grote voorkeur hadden voor levend water en men naast de kerk een kleiner gebouw neerzette dat het liefst over een beekje of stroompje was geplaatst zodat men zich in de beschutting van een gebouw toch in 'levend' water kon laten dopen. Later zag men vooral het voordeel dat, wanneer bijvoorbeeld op de paasnacht, veel mensen zich lieten dopen, er meerderen tegelijk in het vaak enorme bad konden afdalen. Een van de zijkanten van het bad was voorzien van een stenen trap die tot in het bad voerde. Deze trap liep vaak over de gehele lengte van het bad. Vaak hingen er rijen met gordijnen zodat voor de (naakte) dopelingen enige privacy gewaarborgd was. Om het bad heen was vaak een grote tribune gebouwd en zo kon een groot gedeelte van de gemeente toch getuige zijn.
Een van de laatst gebouwde baptistry's is waarschijnlijk de baptistry van Pisa, gebouwd door Dioti Salvi in 1153 na Chr., hij is rond en ongeveer 40 meter in doorsnee. Hij is twee etages hoog en de binnenkant is geheel gemaakt van marmer. Pas in 1278 is hij in gebruik genomen. De late bouwdatum van een dergelijk groot bad, kwam voornamelijk, omdat Italië een van de laatste landen was waar de 'kinderdoop' als normaal werd beschouwd.
Door de in de 12e eeuw steeds vaker voorkomende 'kinderdoop' door overgieten was er slechts een veel kleiner font/bad nodig en ontstond steeds vaker een klein 'doopvont' voor in de kerk.
Inmiddels kennen wij dit nog als een flinke bak water met de naam 'doopvont' dat dus eigenlijk 'doopbad' (naar de Romeinse baden) betekent.
In de loop van de 4e eeuw na Christus wordt het katechumenaat tot een soort status. Omdat de doop steeds meer als een eenmalige manier werd gezien om zonden te vergeven. (Zou je na je doop nog zondigen dan ging je verloren.) Doordat men, door katechumeen te worden, lid van de kerk werd, werden veel mensen katechumeen maar lieten zich nog niet dopen. Zo was men wel lid maar, bleef tegelijkertijd bevrijd van de lasten, die een gedoopte op zijn schouders kreeg.
De kerken waren hier niet gelukkig mee en probeerden wegen te vinden, waardoor het makkelijker zou worden om ook na de doop nog vergeving van zonden te krijgen. Langzaam komt het biechten en het vereffenen van zonden door gebeden en boetedoening op gang.
Ook speelde begin 5e eeuw de doctrine van de erfzonde een steeds belangrijker rol. Op 1 mei 418 na Chr. waren er 200 bisschoppen in Afrika bijeen in de basiliek van Faustus te Cartago. Op deze synode werd het gegeven erfzonden besproken en vastgelegd. Ook deze synode zou later een belangrijke basis zijn voor de instelling van de kinderdoop.
Tegelijkertijd wordt de op dat moment geldende doopliturgie op allerlei fronten aangevallen:
De priesters (in Zuid-Frankrijk) kwamen ertoe de zalving na de doop weg te laten en deze - onder invloed van de Romeinse praktijk - over te laten aan de bisschop. Deze praktijk wordt door de bisschoppen afgekeurd, met name in het Concilie van Orange in 441 (canon 2). Zij stellen vast, dat de zalving met charisma door de priesters of diaken moet gebeuren in het kader van de doop; de band met de bisschop wordt gewaarborgd door het feit, dat het 'charisma' door de bisschop wordt gezegend.
De handoplegging wordt wel aangeduid met 'confirmatio', een bevestiging van het doopsel door de persoonlijke tussenkomst van de bisschop. Dit blijft zo, maar toch wordt deze bevestiging losgemaakt van het doopsel, want de bisschop kon niet overal tegelijk aanwezig zijn. Met andere woorden: vanaf het midden van de 5e eeuw groeit de gewoonte om de handoplegging door de bisschop los te maken van de doopviering. Bovendien zet de oude Romeinse praktijk van de zalving door de bisschop toch door, zodat het vormsel ontstaat als zelfstandig sacrament. door handoplegging-zalving-kruisteken door de bisschop, los van het doopsel dat door de priester wordt toegediend door onderdompeling en zalving.
Nog niet opgehelderd is waar en wanneer de riten worden ontkoppeld. In Zuid-Frankrijk (Van Ruchern) of in het Noorden (A. Angenendi, Bonifaiius und das Sacranienlum Iniliafionis, Rôm. Quarialsdir. 72 (1977), blz.133-183)
De ingewikkelde geschiedenis van het vormsel bewijst de groeiende desintegratie van de christelijke initiatie, waardoor doopsel, vormsel en eucharistie van elkaar worden losgemaakt. Een van de gevolgen is, dat de doop minder wordt gezien als gave van de heilige Geest, maar bijna uitsluitend als vergeving van de erfelijke zonde. Een tweede gevolg, nog verstrekkender, is dat de plaats van de heilige Geest in de liturgie van de westerse kerk kleiner wordt: in de periferie van het gelovig bewustzijn en verbonden aan het spaarzame bezoek van de bisschop.
(Uit: Geschiedenis van de Christelijke eredienst in het westen en het oosten. door H.A.J. Wegman)
Nu was voor veel bisschoppen de weg vrij om ook kinderen te dopen, omdat in de 6e eeuw n. Ch. de nadruk vooral kwam te liggen op het wegnemen van de erfzonden. In alle liturgieën staat dan nog steeds dat de dopeling antwoord moest geven op 'de doop vragen' daarom werd tegen het einde van de 6e eeuw het 'peetouderschap' ingevoerd. Het ging dan, eerst om één persoon van hetzelfde geslacht als de dopeling en later om een 'Peter' en een 'Meter' en nog een persoon van hetzelfde geslacht als dat van de dopeling. Deze laatste (van hetzelfde geslacht) was van korte duur. Uiteindelijk bleven alleen de twee doopouders over de 'peter' en 'meter'. Dit waren twee mensen die in plaats van de dopeling antwoord konden geven op 'de doopvragen'. Zo kon de pasgeboren baby getuigen van 'zijn geloof' en daarmee dus gedoopt worden.
In die tijd (laat 6e eeuw) was nog steeds de doopritus van Gelasianum in gebruik, deze liturgie gaf geen ruimte aan het dopen van pasgeboren kinderen, dus werd ook dat veranderd en ontstond de ritus/liturgie van 'de Ordo Romanus XI'
Een boek over liturgieën schrijft over deze nieuwe liturgie:
De beschrijving van dit Romeins Frankisch initiatieritueel is zeer uitvoerig, bevat nog altijd de oude kernstukken, maar is onaangepast. Waarom? Men heeft het ritueel van de volwassenendoop, waarin de keuze en de participatie van de doopkandidaten werden verondersteld, niet aangepast aan de kinderen Nu hebben we te maken met een uitermate preciese orde van dienst voor de initiatie, een pronkstuk, waaraan zorg is besteed en waarin niets aan het toeval wordt overgelaten, maar dat toch zijn doel mist: het is onbruikbaar voor de kinderdoop. Deze onbruikbaarheid verhinderde overigens het langdurige gebruik niet: in de rooms-katholieke traditie tot in de zeventiger jaren van de 20e eeuw!
(Uit: Geschiedenis van de Christelijke eredienst in het westen en het oosten. door H.A.J. Wegman)
In principe is 'de Ordo Romanus XI' bijna identiek aan de Gelasianum. De belangrijkste verandering zijn als volgt:
De zondagse diensten voor de electi, zoals zojuist beschreven, zijn naar de weekdagen verplaatst en uitgebreid tot zeven. Omdat er bijna alleen kinderen werden gedoopt, was het niet meer nodig daarvoor een zondagse dienst te bestemmen. Het getal drie brengt men op grond van de getallensymboliek op zeven. Zeven maal in de vasten moesten de ouders, de peter en meter met de dopelingen naar de kerk komen voor een herhaald exorcisme. Het woord scrutinium' heeft zijn oorspronkelijke betekenis volledig verloren: er wordt niets meer 'onderzocht' met betrekking tot de levenswandel van de dopeling; wat overblijft is een plechtig handelen van de kerk ten opzichte van het kind, om het te bevrijden uit de handen van de kwade, uit de zonde, die erfelijk op iedere mens drukt. Van deze zeven 'scrutinia' zijn de 2e, 4e, 5e en 6e identiek en vrij sober: een handoplegging met exorcistisch gebed over de kinderen. De le, 3e en 7e hebben een plechtiger cachet: deze 'scrutinia' bevatten de oude riten: de inschrijving met de overdracht van het zout en de 'apertio aurium',. Het doopsel zelf vond plaats in de tot paaszaterdag vervroegde paasnacht, met aansluitend de handoplegging en de zalving met charisma. Men kan zich terecht afvragen, of het doopsel in een doorsnee gemeente zo is gevierd als door OR. Xl beschreven. Zullen de voorgangers het ritueel niet spoedig hebben ingekort en aangepast? Voor de sociaal-historische invloed, met name van de familieband, zij verwezen naar A. Angenendt. Taufe und Politik im frühen MA., Frühmitte1alterliche Sudd. 7 (1973),blz. 143-168.
(Uit: Geschiedenis van de Christelijke eredienst in het westen en het oosten. door H.A.J. Wegman)
Het is inmiddels de 12e eeuw en sindsdien is er niet zo veel meer gewijzigd. De oliezalving vinden we nog steeds terug in het Vormsel dat Roomse kinderen op hun 12e jaar kunnen ontvangen.
De inmiddels aardig ingeburgerde 'kinderdoop' is later nog verder vereenvoudigd. Voornamelijk door dat het dan makkelijker was. De ouders konden op elk willekeurig moment (ook door de weeks) naar de kerk komen, met de peetouders, om het kind te laten dopen. De hele ceremonie duurde doorgaans 15 minuten.
De Grote winkler Prins zegt over de doop o.a.:
De Rooms-katholieke Kerk kent de genadewerking van de doop, die bestaat uit vergiffenis van de schuld der erfzonde en van die van alle zonden die voor het doopsel bedreven zijn, kwijtschelding van alle straffen van de zonde en de schenking van de heiligmakende genade, bovennatuurlijke verbinding en levensgemeenschap met de verrezen Christus. Het doopsel is het eerste en noodzakelijkste sacrament, voorwaarde voor alle andere sacramenten, onherhaalbaar. Door het doopsel wordt de dopeling lid van de kerk.
Het reformatorisch protestantisme spreekt over de doop doorgaans als over een teken en zegel, een 'goddelijk pand en waarteken' <Heidelbergse Catechismus) van de geestelijke afwassing der zonden. Luther legt de nadruk op de verbinding van teken en betekende zaak. d.i. van de handeling met de afwassing der zonden. Het water van de doop is op zichzelf gewoon water, door de woorden van Christus is het echter een vruchtbaar, een genaderijk water. Het uiterlijke teken wordt door de belofte Gods (in de woorden van Christus) begeleid met een geestelijke werking. Het teken en het zegel zijn derhalve meer dan een symbool in de moderne zin van dit woord, zij zijn goddelijk onderpand en waarborg, een handeling waaraan God de belofte van een ondergang en opstanding met Christus, een afwassing der zonden, een wedergeboorte, heeft willen verbinden.
De eigenlijke doophandeling had oorspronkelijk - in het Oosten nu nog -meestal door onderdompeling plaats. Of het hier echter een volledige of gedeeltelijke onderdompeling gold, is niet volkomen duidelijk. Op mozaïeken uit de 4de en 5de eeuw ziet men een overgieting met water. Vooral tengevolge van het algemeen worden van de kinderdoop is sinds de 12de eeuw de doop door overgieting de gewone praktijk geworden, in de protestantse kerken de besprenkeling of zelfs een simpele bevochtiging. In sommige kerkgemeenschappen. bijv. bij de baptisten, acht men de onderdompeling de enig geoorloofde vorm.
In de protestantse kerken wordt de doop in de regel bediend tijdens een kerkdienst door de bevoegde ambtsdrager.
(Grote Winkler Prins)
Ook hier uit blijkt dat het van oudsher ging om een doop voor volwassenen door onderdompeling en pas tijdens en vooral na 12e eeuw is het besprenkelen van kinderen, veelal uit praktische overweging, ingevoerd.
Zo wordt er bijvoorbeeld in verschillende kerkgeschiedenisboeken melding van gemaakt, dat het dopen van mensen in 'veroverde overzeese gebieden' onmogelijk zou zijn als zij eerst de taal zouden moeten spreken en daarna een categumene tijd zouden moeten doormaken. De Roomse kerk van die tijd stelde dat het belangrijker was de heidenen te dopen dan te nauwkeurig de verschillende dooprite's in acht te nemen. Zo kon het dan ook gebeuren dat bijvoorbeeld Columbus duizenden indianen, onder dwang van geweren, liet dopen.
Wij hebben vooral de oorsprong van de doop willen achterhalen en willen dan ook zeker in dit verslag niet te diep ingaan op alle facetten die hebben meegespeeld tot het komen van de kinderdoop. Alleen al daarover zijn dikke boeken geschreven.
----- © Peter en Rolanda Noordzij -----
[Terug naar hoofdstuk 2] [Naar hoofdmenu] [Naar hoofdstuk 4]