Hallo, mijn naam is
Kees Alflen en ik woon in
De Bilt.
Een
korte levensloop:
Geboren in1946 in Utrecht als Kees Hubert. Tot 1950 woonde ik
met mijn moeder bij mijn oma op de Adriaan van Bergenstraat.
In
1950 trouwde mijn moeder en kreeg ik de naam Alflen. Wij gingen
inwonen op de Omloop 33 Bis bij de familie van Duijnen,
die
hadden 1 dochter, van mijn leeftijd, Linda. Mijn moeder kreeg in
1952 een tweeling (Marja en Robbie) en ruim een jaar later
nog
een kind (Laurens). Dat was passen en meten, en de woningnood
was zo hoog dat de inwoning tot 1954 duurde. Er ging aan
de
overkant op 14 BisA een gezin emigreren en wij kregen dat huis.
Ik
ging naar de kleuterschool achter de Groen van Prinstererschool.
De 1e klas van de lagere school was een overvolle op de
Rietendakschool.
De
school puilde uit en de 2e klas werd ondergebracht bij de
Huishoudschool in het Ondiep. In 1954 was de nieuwbouw klaar van
de Theo Thijssenschool in het Noordse Park.
Na
de 6e klas moest ik een jaar naar de VGLO in de Hubert
Duifhuisstraat, omdat ik niet klaar was voor de ULO, terwijl ik
zelf naar de LTS wilde,
maar ja. Daarna naar de Gerrit Aafjes ULO, dat heb ik 2 jaar vol
gehouden. Nog even mijn geluk geprobeerd op de Philipsschool in
Hilversum.
De
keuring was streng, duurde 2 dagen, tot mijn verbazing werd ik
toegelaten. Het duurde 3 maanden. De andere leerlingen waren 2
of meer
jaren ouder en kwamen van de LTS e.d. Ik kon het tempo niet
bijbenen. Het was jammer want het was een heel goede school!
Omdat de verstandhouding met mijn stiefvader nou niet zo prettig
was, probeerde ik mijn geluk bij de Marine maar werd afgekeurd;
achteraf logisch want ik werd tijdens de keuringsweek 16 jaar.
Thuis een gesprek gehad: of ik mocht gaan varen bij de
koopvaardij.
Dat
was goed en ik toog naar het arbeidsbureau: de volgende dag kon
ik me al melden bij Shelltankers in Rotterdam. Ik heb daar
1,5
jaar gevaren en veel gezien van de wereld.
Mijn ouders waren intussen, begin 1963, verhuisd naar Overvecht.
Daarna toch aan de wal als elektromonteur gaan werken en naar de
avondschool VEV.
Omdat het thuis weer niet liep en toch voor mijn dienstplicht
was goedgekeurd (bij de Marine!), meldde ik mij, in 1965, als
beroeps
bij
de Landmacht. Ik werd chauffeur, trouwde in 1968, kreeg in 1970
een dochter, haalde mijn Mavo en Havo diploma, was intussen
onder-officier geworden en ging met pensioen in 2001. De laatste
6 jaar heb ik bij de werving gezeten, waarvan de laatste 2 jaar
op
het
Vredenburg in Utrecht.
Sinds begin 2007 woon ik, met dezelfde vrouw uit 1968, in De
Bilt. Mijn dochter is getrouwd en heeft een dochter van 14 jaar.
Een
tijdje terug kreeg ik het idee om een site te maken over mijn
jeugd en hier het resultaat.
De beste herinneringen heb ik aan de Omloop en omgeving.
Het was een buurt waar voor kinderen het nodige te doen
was.
Avontuur volop! De Detam - waarin nu de Hogeschool zit - was er nog
niet en op dit braak liggend terrein kon worden gespeeld. Hutten
bouwen, met een keer een grote tragedie met dodelijke afloop. De
jongens hadden een ondergrondse hut gegraven. Allen op een na,
gingen tussen de middag naar huis om te eten. Bij terugkomst bleek
de hut ingestort, grote paniek!
Zat die ene jongen er nog in of niet? Uiteindelijk de brandweer
erbij,graven, maar het was te laat. Een droevige herinnering uit die
tijd.
Zie ook het ingezonden verhaal van Kees van
der Veeken in het AD van 18-12-07
Mijn eerste school was de Rietendakschool.
Ontzettend druk en overbevolkt door de babyboom. De tweede klas werd
tijdelijk ondergebracht in de huishoudschool in het Ondiep.
Ondertussen werden er nieuwe scholen gebouwd in het Noordsepark.
Lekker dichtbij en de 3e klas en hoger heb ik op de Theo
Thijssenschool gezeten.
Mijn buurjongen, Jan Althof, was katholiek en had het nog
makkelijker: hij kon om de hoek op school.
Een sterke herinnering heb ik bij de foto,
genomen aan de overkant van de Vecht, van de
Lauwerecht/Hoogstraat. Op een avond was
er ruzie in het café aldaar. Ik meen dat het 2 broers waren. Een
ging naar huis en haalde een slagersmes, ging terug naar het café en
stak de ander neer. Recht in zijn hart en het slachtoffer overleed
ter plekke. Het mes was, volgens de verklaring, in de Vecht gegooid
en de volgende dag was de politie aan 't dreggen. Het zag zwart van
de mensen en er gingen allerlei verhalen rond.
Grote opwinding: een moord! Tegenwoordig zou het een kleine
vermelding in de krant zijn.
De Beenzwartfabriek, in de volksmond de
Benenkluif of de Kluif, stonk op gezette tijden verschrikkelijk. Als
de wind uit een bepaalde hoek kwam had je er op de Omloop behoorlijk
last van. Op een zondag was er visite en werd er geklaverjast. Het
was mooi weer en de ramen stonden open.
Mijn moeder zei: Wat stinkt die Benenkluif weer, en dat op zondag!
Zij vroeg mij het raam te sluiten. Maar de stank werd erger. Wat
bleek: mijn tante had onder de tafel haar schoenen uitgedaan!
Op de plaats waar nu café Murk staat, was
vroeger een braak liggend terrein. Dat leende zich uitstekend voor
een partijtje voetbal. Overdag de jonge jongens maar 's avonds de
wat oudere. Daar viel voor de liefhebber wat te zien, want er zaten
goeie bij! O.a. Frans Geurtsen die via Velox waar hij, als ik me
goed herinner, werd verkocht aan de 1e full-prof club van Nederland
DWSA voor een destijds zo'n groot bedrag dat dat de kranten haalde.
Er werd in een artikel gevraagd of er in Nederland nu de
Zuid-Amerikaanse taferelen gemeengoed zouden worden (verwezen werd
naar Pele!).
In de jaren vijftig, de bestedingsbeperking,
verzonnen we van alles om aan extra zakgeld te komen. Zo gingen we
op zaterdagochtend naar de rommelmarkt op het Paardenveld. Die markt
duurde tot 12.00 uur. Daarna werd de handel bij de meesten ingeladen
op bakfietsen. Een van die figuren heette van Mechelen en woonde op
het zandpad in een woonwagen met een loods erbij. Wij hielpen hem
mee en moesten dan wachten omdat hij in café van Weegen nog een paar
afzakkertjes ging halen. Daarna was hij niet meer instaat om dat
hele eind naar huis met de bakfiets af te leggen, dus duwden wij
hem. Meestal gaf hij dan wat kwartjes. Thuis aan gekomen was zijn
vrouw dan blij dat wij dat hadden geregeld en zij gaf ons dan ook
nog wat. Later hoorde ik van een tante dat die van Mechelen
vermogend was. Hij bezat een pakhuis in de Zadelstraat dat
afgeladen was met zeldzaam antiek.
Op de hoek van de Ahornstraat zat een
bakkerij van Molenbeek en daarnaast
bevond zich een kruidenier. Die kruidenier kreeg een idee om een
zelfbedieningszaak te beginnen. Hij had gelezen dat die vorm van
verkopen opgang maakte in Amerika. De zaak werd verbouwd en de
ingang kwam in de oude winkel. Als je de zaak verliet via de kassa
kwam je in de bakkers winkel uit zodat die ook meteen mogelijke
klanten kreeg. Het was de eerste zelfbedieningswinkel in Utrecht en
haalde daarmee de krant. De zaak heette toepasselijk "Snelweg" want
als je vroeger boodschappen ging doen moest je in de rij staan voor
een toonbank en dit scheelde tijd! Er waren in die tijd nog geen
wagentjes, want de hoeveelheid boodschappen was veel kleiner dan nu.
In de jaren vijftig waren er niet veel
mensen in de straat die een auto hadden. Er waren er wel enkelen,
o.a. een die bij de douane werkte, hij had een volkswagen en was
toevallig overdag thuis. Ik had weer eens wat bijzonders: een vrij
grote wond aan mijn knie en most naar het ziekenhuis om gehecht te
worden. Die man zag het gebeuren en heeft me toen met de VW naar het
AZU gebracht.
Nol Mollier woonde schuin beneden ons. Hij
was monteur bij de garage van de stadsbussen. Hij had ook een auto,
een Opel Kapitein. Hij onderhield hem zelf.
Op straat werd de complete motor verwijderd en op een wagentje naar
het schuurtje achter het huis gebracht. Daar werd dan een complete
revisie gedaan: zuigerveren vernieuwen, lagers vervangen, noem maar
op. Zijn vrouw liep wel eens te mopperen als ze geen plek had om het
wasgoed in de tuin te hangen. Die auto kon je voor een billijk
bedrag huren, wat mijn vader regelmatig deed. We gingen dan naar
familie in Egmond of een dag naar Artis. We hebben die auto ook een
keer een week lang gehuurd en zaten in een pension in Spaubeek
Limburg. Dat was de eerste echte vakantie. Van daar gingen we ook
een dag naar Keulen en Aken. Die steden lagen nog steeds voor een
behoorlijk deel in puin. Dat maakte grote indruk op mij: al die
puinhopen en muren met kogelgaten en granaatinslagen. Dan komen die
oorlogsverhalen heel dichtbij!
Wie herinnert zich nog de naam van het
snoepwinkeltje op de Hogelanden? Het was volgens mij niet eens een
echte winkel maar stond er in de voorkamer een tafel waarop vooral
snoep stond. Je kon er ook sigaretten per stuk kopen. Ook op zondag
kon je er terecht, wat natuurlijk ideaal was als je de zondagscenten
die je bij oma had gekregen in snoep wilde omzetten. Het winkeltje
was een paar huizen naast het politiebureau Rodebrug maar ik heb nog
nooit gezien dat er problemen waren met het verkopen op zondag. Dat
was wel anders in de Jacob Simonz de Rijkstraat was een kruidenier
die op zondag opendeed als je aanbelde. Hij deed dan de deur op een
kier en stak zijn hoofd naar buiten, keek van links naar rechts en
als de kust veilig was kon je wat kopen. Maar hij liep diverse malen
tegen de lamp, want soms stond een agent om de hoek en dan werd er
bekeurd.
Je kon ook wel een Mars e.d. kopen bij
Ha(r)tzman, een snackbar op de Laan van
Chartroise en de hoek van het Ondiep. Er zit nu al jaren een
bloemenkiosk in. Er tegenover stond een van de weinige
telefooncellen in de buurt. Iemand vertelde mij dat er ook nog een
tijdje een informatiepost van de politie heeft gezeten.
De eerste patat in de buurt kon je kopen in
de Vinkertlaan. Daar woonde de familie Dokter. Zij begonnen met de
verkoop van patat in de voorkamer. Dat liep goed, vooral in het
weekend maar ook daar gooide de politie roet in 't eten. De verkoop
moest worden gestaakt want er was geen vergunning. Later hadden ze
een echte snackbar in het Ondiep. Het was trouwens een familie met
een ondernemingsgeest. Als ik met het goed herinner begonnen zij een
bedrijf in het verhuur van (kunst)planten.
Een ieder zal zich ook herinneren de
ijssalon van de Hoog, bijgenaamd Hogie, die ook met een wagen
rondreed. Hij was goedkoop met zijn ijs en slagroom en zijn dubbele
ijslolly's waren helemaal een gewild product. Volgens mij had hij
alleen vanille-ijs, maar het was schepijs en voor dat geld was het
alternatief Moba-ijs. Dat waren rollen ijs en waren verpakt in
papier. De verkoper deed die rol in een apparaat en dan ging via een
vertanding die staaf per klik omhoog. Zo'n klik begon met een
dubbeltje en dan per 5 cent omhoog. Bovenop een wafeltje en dan stak
hij met een plat mes het ijs af, draaide het om en plaatste er nog
een wafel op. Daarna maar likken of happen.
Donkere mensen in de buurt. (vroeger spraken
we gewoon over negers zonder discriminerende bedoeling)
Er woonde in de Everhard Zoudenbalchstraat een gezin waarvan de man
donker was. Hij was een statige figuur met een fors uiterlijk en
droeg altijd een hoed. Hij was een zeeman en was vaak een jaar of
langer van huis. Maar als hij thuis was en soms gearmd met zijn
vrouw een wandelingetje door de buurt maakte, gaf dat toch veel
bekijks, want donkere mensen waren schaars in de jaren vijftig. Hij
deed mij altijd denken aan Louis Armstrong, maar misschien is dat
wel een verdraaide herinnering!
Donkere mensen zag je zo zelden dat er op school een keer een les
werd verzorgd door een Surinaamse man. Hij vertelde over een
samenleving van creolen, indianen, Chinezen, Indiërs, Bosjesmannen,
mulatten en blanken. En die leefden allen samen in een land dat een
deel was van Nederland. Ook gaf hij een demonstratie hoe de vrouwen
lasten op hun hoofd droegen; rolde een doek op deed die op zijn
hoofd, droeg daarop een volle emmer water en liep een rondje door de
hal.
Wij waren allemaal onder de indruk.
Ik was bevriend met Charles Lengkeek en kwam
vaak bij hem thuis. Hij woonde volgens mij op 29Bis, een bovenhuis,
had nog 6 broers en zusters. De oudste zus was Corrie, een mooie
slanke meid met zwarte oogmake-up als Juliette Greco. Zij zat op de
kweekschool en was bevriend met ene Netto. Netto deed de bar in
studentencafe 't Pandje in de Nobelstraat en hij was een negroďde
man uit Suriname of de Antillen. Als Corrie met hem over de omloop
liep keek een ieder en zag je de gordijnen bewegen. Mevrouw Lengkeek
vond het prachtig!
De oudste broer was Rob, ging naar de kunstacademie en is later in
de reclame gegaan. De familie Lengkeek verhuisde in 1966 naar
Overvecht.
Er waren ook iets oudere jongens die in onze
ogen een soort heldenstatus hadden. Loetje Cazander en Bouke
Poelstra hadden de moed om van huis weg te lopen (onafhankelijk van
elkaar). Bouke zwierf overdag wat door de stad en scharrelde wat te
eten bij elkaar. De nachten bracht hij door op de achterbank van een
geparkeerde stadsbus, die stonden op een terrein op het
Kanaleneiland. Dat heeft hij toch nog wat weken volgehouden tot hij
werd gepakt en door de politie werd thuisgebracht.
Op de Theo Thijssenschool had ik in de 4e
klas een onderwijzer van grote klasse:
meneer Leber. Die man was zo
aardig en zo goed bezig, het leek wel of dat hij een roeping had.
Een middag in de week was er een verhalenuur. Hij las dan soms voor
maar meestal was het een verhaal uit het hoofd. Die verhalen waren
zo spannend (zie de herinnering in de bijdrage van van Ireen
Verburgh) dat je een speld kon horen vallen. Ze gingen over rovers
of smokkelaars aan de Engelse zuidkust of over een stel jongens van
onze leeftijd, tijdens de Franse tijd in Utrecht. Die jongens
maakten allerlei avonturen mee in de stad. Verplaatsten zich door
geheime onderaardse gangen etc. Dat was voor ons kasie-kasie. Wij,
klas en buurtgenoten, zoals:
Arie Galesloot
Martin Flemming
Theo Haxe
Charles Lengkeek
Jaap van de Berg
Jan Althof
schuimden in de stad langs de grachten, altijd voorzien van
zaklantaarns of minimaal een olielamp om voorbereid te zijn op het
ontdekken en verkennen van gangenstelsels. Op een van die tochten
kwamen we in een kelder, net voorbij de Bunkerbar, en daarin stond
een oude racewagen, helemaal verroest. Dat vonden we hoogst
merkwaardig.
Trouwens de bunker naast de brug, waar de bunkerbar zijn naam aan ontleent,
was voor ons ook een raadsel: hoe kwam je daar eigenlijk in?
(de oplossing gaf Corry van Hattum!)
Laatst stond ik buiten de Camerabioscoop te
wachten en keek naar de overkant. Voor het pand waar vroeger Gerzon
in zat, is een trap naar beneden. In die trap bevinden zich twee
holle ruimten, toegankelijk door een luik. Een
luik is zichtbaar als
je onder de trap staat. Als je omhoog klom en het luik optilde kon
je er met 3 a 4 jongens net in zitten. Daar verborgen we spullen die
we niet mee naar huis konden nemen, omdat er dan vervelende vragen
konden komen. Het luik hadden we op een speciale manier weten te
vergrendelen, zodat anderen daar niet snel in konden.
Op een van de tochten langs de werfkelders
troffen we een deur op een kier. Erachter bevond zich een
opslagplaats van wijnvaten, eigendom van wijnhandel Stafhorst. Er
was iemand bezig geweest om een vat port te bottelen. Hij of zij was
misschien gaan pauzeren en had de deur opengelaten. Wij dachten dat
het wijn was en wilden wel proeven, dat smaakte uitstekend! Snel nog
wat genomen want er kon ieder moment iemand terugkomen. Ik herinner
me dat het naar huis lopen moeizaam ging.
We hadden altijd honger. Favoriet was een
spoorpunt van10 cent bij bakkerij van Beek of de bakker in de
Willemstraat, dan lustte je uren niets meer. Maar als we geen geld
genoeg hadden lapten we 15 cent bij elkaar en gingen naar de Galerie
Modern waar ze in het souterrain koekkruimels verkochten, je kreeg
voor dat geld een pond gebroken koekjes!
Ook leuk was bij de Weerdsluis kijken hoe
schepen werden geschut, of als ze gingen spuien, dan ging een
speciale sluisdeur aan de zijkant open en kwam het water met
donderend geweld door de kolk. Wij stonden dan op de draaibrug naar
beneden te kijken en voelden de brug trillen. ik dank dat het verval
daar zo'n 75 cm was, dus dat gaf een aardige stroming.
Vooral in de schoolvakantie gingen we vaak
naar de veemarkt, toen nog op de Croeselaan. Vooral op maandag, dan
was er paardenmarkt. Het was altijd leuk om die handelaren bezig te
zien met handjeklap en even later afrekenen in het restaurant, waar
ook een ingang was aan de kant van de markt. Grote bundels geld
gingen van hand tot hand! Er was ook een smederij waar paarden
werden beslagen, daar konden we heel lang naar kijken. Op de gewone
veemarkt was ook altijd wat te beleven,er werd van alles verkocht,
van hondjes, konijnen, pluimvee tot koeien.
Mijn grote hobby was elektronica. Ik had al
vroeg een kristalontvanger en bouwde er zelf een betere. Nieuwe
onderdelen waren duur en het zakgeld gering, dus stond ik vaak
neusjes te drukken bij een winkeltje op de Breedstraat (Beeld en
Geluid) waar 2e hands en dump werd verkocht. Ook op de Vismarkt was
er zo'n winkel van de Keizer. Op de Amsterdamsestraatweg, naast het
spoorviaduct had je de Radiodokter, daar kon je ook wel eens
terecht. Voor een goede ontvangst had je een lange en hoge antenne
nodig. Vooral toen ik een wat betere ontvanger had en je radio
Luxemburg op de korte golf wilde ontvangen. Op Luxemburg kon je de
laatste hits uit het buitenland horen! Je had wel last van fading
(dan zwelt het geluid aan en zakt weer weg) maar dat mocht de pret
niet drukken.
Ik klom via het dakraampje op het dak van de Omloop en spande tussen
twee schoorstenen met isolatoren een koperdraad. Wat een ontvangst!
Ook op de lange golf zenders waarvan de namen zeer exotisch klonken.
Mijn moeder wist natuurlijk niks van die klauterpartijen, want dat
had zij nooit toegestaan.
Ik ben ook wel eens bij de radio hobbyclub geweest, die zat op de
zolder van dat gebouw op de hoek van de Omloop.
Om in de vakantie aan geld te komen
verzonnen we van alles. We lapten geld en kochten een brood, een rek
eieren en een pakje BlueBand. Dan werden er in de schuur op een
primus eieren gebakken. Omdat de meeste kinderen geen geld hadden
maar wel graag een gebakken eitje lusten, hadden we het volgende
bedacht: vraag er een redelijke stapel oude kranten voor, daar
konden ze wel aankomen. Desnoods gingen ze langs de deuren om ze op
te halen. Die broodjes ei waren te koop voor een stapel oude kranten
waarvan het gewicht door ons werd geschat. Dat klinkt nu raar, maar
een kilo oud papier deed in die tijd +/- 7,5 cent, een ei kostte een
dubbeltje, dus als je 3 kg kreeg had je een leuke winst. Aan het
eind van de middag werden de kranten op de zelf gebouwde
zeepkistwagen naar de firma Scherpenzeel gereden in de
Hyacinthstraat en het geld werd geďnd. Soms werd er van te voren
nog verkend waar de papierprijs het hoogst was, dus fietsten we
eerst naar de Gruttersdijk, daar zat Prozee en die gaf soms 8 cent.
De volgende dag gingen we dan pannenkoeken eten bij Rutecks op het
Leidseveer. Daar kostte een pannenkoek 15 cent. Wat een tijd!
Als er in de winter ijs lag werd er
geschaatst op de sloten in de polder bij de Anthoniedijk, of men
ging naar schaatsbaan St. Moritz of een stuk verderop naast de
spoorbaan de langste ijsbaan van Utrecht Siberie. Bij St Moritz was
een stenen paviljoen waar je koek en zopie kon krijgen, maar ook
flesje frisdrank. Op die flesjes stond statiegeld, maar omdat er
veel luie mensen waren - er stonden vaak veel mensen in de rij voor
de bar - vond je die flesjes vaak langs de kant van de baan. Voor
ons was dat natuurlijk weer een leniging van het chronische
geldgebrek. De brutaalsten van ons gingen achterom, over de bevroren
sloot, want daar stonden de kratten met lege flessen. Het toppunt
van recycling!
Laatst las ik nog iets over een strenge
winter in 1956. Dat was inderdaad zo koud dat de vecht was
dichtgevroren. Het ijs was zeker 20 cm dik, maar op sommige plaatsen
levensgevaarlijk. B.v. voor de Benenkluif, daar werd warm afvalwater
geloosd uit de fabriek en daardoor ontstonden er dunne plekken in
het ijs. Er ging een gerucht rond dat er iemand onder het ijs was
gekomen en verdronken. Of het waar was weet ik niet, maar de angst
zat er meteen in!
In het schooljaar 1956 kregen we de vrije
zaterdag. De katholieke scholen deden nog niet mee. Zo'n vrije dag
gaf veel meer mogelijkheden om op pad te gaan met de vrienden. Vaak
gingen we op de fiets naar het bos. Dan fietsten we over de rodebrug
door de polder richting fort Ruijgenhoek, via Groenekan door bos
Voordaan. Dan kwam je - voor auto's - op een doodlopende weg, de
Nieuwe Wetering. Aan het einde van de weg begon een fietspad dat
iedereen het betonnen pad noemde. In die bossen konden we lekker
struinen en als je dorst had was er een waterpomp bij de
boswachterswoning. In die bossen vonden we een half ingestorte
ondergrondse hut die waarschijnlijk gebruikt was door onderduikers
in de oorlog. Er lagen nog allerlei gebruiksvoorwerpen zoals een
doorgeroest petroleumstel. Dat gaf weer aanleiding tot uitgebreide
fantasieën en we besloten verderop in het dichte bos zelf een hut te
maken. Daar waren we dan weer wekenlang mee zoet.
We waren altijd op onderzoek uit. Op een dag
gingen we kijken bij de sloop van de oude brandweerkazerne van
Zuilen. Bij de ingang van het terrein stond een portiershuisje. De
ramen en de deur waren er al uit en we namen binnen een kijkje. Daar
ontdekten we een luik in het plafond en via een ladder van buiten
klommen we op een zoldertje. Daar had iemand een tijdje verbleven
want er lag een strobaal en een bord, bestek en wat oude boeken maar
we vonden ook een agenda uit 1944 waarin iemand een soort dagboek
had bijgehouden. Dat vonden we zo belangrijk dat we opgewonden naar
het politiebureau gingen om dat belangrijke document in te leveren.
De dienstdoende agent speelde het mee, hij bedankte ons en zou
zorgen dat de agenda bij de juiste afdeling terecht zou komen, zodat
er een onderzoek kon worden gedaan! Wij hadden thuis weer wat te
vertellen.
Op een zaterdag moest ik voor mijn moeder
naar de slager op de Laan van Chartroise. Altijd erg druk op zo'n
dag, het was mooi weer en de rij stond tot buiten de winkel. Ineens
kwam er iemand aan die riep dat er ergens een grote brand was.
Iedereen naar buiten en inderdaad zag je in de verte, richting de
stad, een grote rookkolom. Doordat iedereen buiten bleef staan
kijken en praten, was ik snel aan de beurt en ik haastte mij naar
huis om de fiets te pakken om naar de brand te kijken. Het was de
eerste grote brand bij de houthandel Jongeneel. Er viel voor de
brandweer bijna niet te blussen, zo groot en hevig was het vuur. De
daken van de huizen in de Otterstraat werden nat gehouden, want er
waaiden veel vonken over. Hele platen zachtboard stegen branden
tientallen metersop en zeilden honderden meters verder door de
lucht. Een spectaculair gezicht. De volgende dag gingen we nog even
in de buurt kijken naar de schade. De hitte was zo groot geweest dat
de tulpen in de tuintjes van de Otterstraat verzengd op de grond
lagen. Volgens geruchten was de brand aangestoken door een
ontevreden werknemer, maar dat weet ik niet zeker. Jaren later was
er weer een grote brand bij dat zelfde bedrijf.
Over slagers gesproken. Voor de beste gehakt
moest je naar Frans de Groot op de Boerhavelaan. Ook zijn
rookworsten mochten er zijn, hij maakte ze zelf en had op de
achterplaats een rookhok. Zijn gehaktballen stonden ook op het menu
van café Murk, toen nog op de Jagerskade. Die ballen waren befaamd
en hadden grote aftrek. Ze werden ouderwets gebraden in een
keukentje en een dag sloeg de vlam in de pan. Een grote uitslaande
brand was het gevolg. Het cafe was niet meer te redden en het pand
werd gesloopt. Later kwam er nieuwbouw op de Anton Geessinklaan.
Op de hoek van de Jagerskade was bakkerij
Boonzaaijer gevestigd. Befaamd om zijn sneeuwballen, een speciaal
luchtig gebak. Ook daar was op een dag brand en ook zij verhuisden
naar de nieuwbouw op de Anton Geessinklaan. Die hele rij huizen,
inclusief een oud kaaspakhuis, is uiteindelijk gesloopt. Ik denk
dat dat nu niet meer zou gebeuren want die panden waren volgens mij
meer dan 200 jaar oud, zonde.
Aan het Zandpad liggen nu alleen maar boten
waar een speciale tak van watersport professioneel word bedreven.
Vroeger lage daar ook vele woonboten met gezinnen. De meesten hadden
geen elektra en wateraansluiting. Voor het drinkwater was er een
kraan bij de politiepost Rode Brug. Velen hadden op een onderstel
van een kinderwagen een melkbus staan en de kinderen gingen dan die
bus vullen bij het politiebureau. Dat was nog een aardig stukje
lopen en ik weet nog dat de jagerskade bestraat was met
kinderkopjes. Dit heeft nog geduurd tot eind jaren vijftig. Ik vraag
me af hoe dat bij zware vorst ging.
Later kwamen er allerlei bijnamen voor het Zandpad: de Klotsvaart
en door Overvecht de Rubberdreef. Toch is het een uniek gebeuren,
prostitutie vanaf het water en de mogelijkheid om daar langs te
rijden.
U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website
verzenden aan omloop@ziggo.nl