Home  |  Kroniek  |  1939  1940  |  1941  |  1942  |  1943  |  1944  |  1945  | Diversen  |  Index
 
 
     
      Harlingen tijdens de Tweede Wereldoorlog  
     
       

 


Eén van de Canadese bevrijders op de Noorderhaven ter hoogte van het stadhuis in de ochtend van dinsdag 17 april 1945.  
Foto: Collectie Mevr. G. de Jong  

   

Wat er in 1945 gebeurde...

In januari werd Harlingen opgeschrikt door de arrestatie van in totaal 25 personen. Veertien van hen zouden de oorlog niet overleven. Op dinsdagavond 9 januari werden als eersten G. Pierik. L. Broersma en Y.J. Faber gearresteerd. Hun arrestatie volgde op de aanhouding van de 17 jarige pleegdochter F. Sterenborg van de fam. Faber door de Duitsers, waarbij ze alles wat ze over haar pleegvader en diens contacten wist, vertelde. Dhr. Faber was net als de beide andere gearresteerden bij verzetswerk betrokken. De volgende ochtend arresteerden de Duitsers nog twee mannen. Het vijftal werd op dezelfde dag overgebracht naar het Huis van Bewaring in Leeuwarden waar ze de volgende dag werden verhoord. Tijdens de verhoren noemde één van de arrestanten de namen van de personen waarmee hij contact onderhield. Zijn verklaring is met potlood op een kladje geschreven en door “Een goede vaderlander”, zoals het begeleidende briefje was ondertekend, naar Harlingen gestuurd. Dit kwam echter te laat in Harlingen aan waardoor de genoemde personen niet meer op tijd gewaarschuwd konden worden. Diezelfde avond (11 januari 1945) vond er in Harlingen een grote razzia plaats, die van ’s avonds negen tot twee uur ’s nachts duurde, waarbij 18 personen werden gearresteerd. De arrestanten werden verzameld in het gebouw Voorwaarts (het huidige Pro Rege waarin de Openbare Bibliotheek is gevestigd) aan de Voorstraat en later overgebracht naar het politiebureau op het Noordijs. Harry Drost: “Enige agenten hebben met sommige gevangenen nog overleg gepleegd omtrent een ontvluchtingspoging, waarbij zij dan zelf mede zouden zijn ondergedoken. Verschillende van de gevangenen, die niet bij ondergronds werk betrokken waren, zagen de toekomst echter niet ernstig in en durfden daarom het risico van een ontvluchtingspoging niet te nemen”. De volgende dag werd de groep per open vrachtwagen naar het Huis van Bewaring in Leeuwarden gebracht.  Naar aanleiding van de eerdere arrestaties zijn op zaterdag 13 januari nog twee personen gearresteerd, waarmee het totaal aantal arrestaties op 25 is gekomen. Op maandag 15 januari werden eerst 13 van de 25 arrestanten overgebracht naar het beruchte Scholtenshuis van de SD in Groningen, later gevolgd door ds. A. Bosch die overgebracht werd naar een strafkamp, het Lager Schwarzer Weg in Wilhelmshaven. Na de bevrijding keerde hij levend terug in Harlingen. Een andere arrestant, dhr. A. Schaafsma, werd de volgende ochtend dood in zijn cel aangetroffen. Hij is die nacht aan difteritis overleden. De overige arrestanten die nog in het Huis van Bewaring in Leeuwarden verbleven zouden allemaal de oorlog overleven.  

Op 16 januari werden de 13 Harlingers, die in Groningen vastzaten, samen met andere arrestanten uit Assen en Groningen overgebracht naar het KZ Hamburg-Neuengamme. Niemand van hen overleefde de oorlog. Drie van hen (J.A. Huijser, K. Norg en F. Post) zijn vermist, zij zijn in het concentratiekamp geëxecuteerd en daarna gecremeerd. Hun as werd uitgestrooid op de tuinen van SS. Eén van hen (J. van Wier) is na de uitruiming van het concentratiekamp begin april uiteindelijk op 27 april 1945 overleden in het KZ Ravensbrück. Negen van de 13 Harlingers zijn in Hamburg overleden door ziekte en uitputting en daar begraven. Zes van hen (H. Alkema, L. Broersma, J. Drost, Y.J. Faber, J. Wiersma, W. de Wit)  werden in 1950 herbegraven op de Algemene Begraafplaats. De drie overigen (Th. H. Jorna, G. Pierik, K.N. Weitenberg) liggen elders begraven.

Daarnaast werden er ook regelmatig mensen opgepakt voor de dwangarbeid in Drenthe. Overal in de omtrek waren de patrouilles van de Duitse Feldgendarmerie zeer actief en ook in de stad werden razzia’s gehouden, zowel ’s nachts als overdag. Oproepen in de krant van burgemeester Dekker voor vrijwilligers voor de tewerkstelling in Drenthe hadden geen succes.

Winter zonder brandstof
Maar de kans om opgepakt te worden voor het verrichten van dwangarbeid in Drenthe was niet de enige zorg. Er werd geen gas meer geleverd evenals stroom en later werd ook de watervoorziening beperkt. Maaltijden werden op noodkacheltjes klaargemaakt en ook de Centrale Keuken had volop klandizie. “De toevloed van klanten werd echter zo groot, dat het noodzakelijk werd hulpkeukens in het leven te roepen”, schrijft J. Smeding. Vanwege het ontbreken van gas en elektriciteit was de behoefte aan brandstof groot. Om in dat gebrek te voorzien werd er van alles gesloopt en geroofd. Walbeschoeiingen verdwenen en zelfs het houten fietsenrek bij het politiebureau moest eraan geloven, evenals palen van bushaltes, richtingaanwijzers enz. Ook de na het bombardement van november 1941 ontstane bouwvallen van de Synagoge in de Raamstraat en enkele huizen in de omgeving werden van alles wat brandbaar was ontdaan. Maar nadat iemand bij een poging brandhout te verzamelen uit de restanten van de Synagoge een schedelbasisfractuur opliep werden de gebouwen door de gemeente in snel tempo afgebroken. “Wegens brandstofschaarste houden onderstaande doktoren voorloopig alléén ’s middags spreekuur”, meldde een drietal huisartsen in de Harlinger editie van het weekblad De Noordwesthoek waarin ook particulieren in die periode advertenties plaatsten als: “Een nieuwe Heeren winteroverjas en zwarte Dames winter mantel tegen brandstof” , “Een nieuwe kamer-carbidlamp tegen brandstof of iets dergelijks”, “1 pr. Klompjes m 14 tegen m 16”, “Baby-ledikant met bedje, 2 lakentjes en 2 sloopjes tegen brandstof of meisjesschoenen m 37”. Wegens de brandstofschaarste waren de basisscholen gedurende lange tijd gesloten. Half februari werden de lessen deels hervat. De laagste klassen kregen les in enkele verwarmde vetrekken van het stadhuis op de Noorderhaven. En in dezelfde maand werden de verwarmde zaal van het Leger des Heils en van het Weeshuis opengesteld voor de inwoners van Harlingen. “Alle ingezetenen die thuis in de koude moeten zitten, kunnen in deze zalen een verwarmd onderkomen vinden”, luidde de tekst in de mededeling van burgemeester Dekker. En in navolging van veel steden in het westen van het land werd in februari in Harlingen een ruilbeurs geopend. “Ruilen van levensmiddelen en brandstof is NIET toegestaan”, was een voorwaarde van het Harlinger Verkoophuis.  “Een groot deel van de bevolking kon zich niet meer voldoende kleden en bijna niemand had nog behoorlijk schoeisel”, schrijft Harry Drost. Toch was het in het noorden van het land lang niet zo erg als in het westen waar tijdens de hongerwinter naar schatting meer dan 20.000 mensen omkwamen van de honger. 

Hulp voor het hongerende westen
In januari werd, met instemming van de Beauftragte, in Leeuwarden de ‘Friesche Hulp-Actie West’ opgericht voor de hongerende bevolking in het Westen. In Harlingen verscheen een plaatselijk comite, 'Het Hulp Comite Harlingen' “Degenene die uit eigen voorraad levensmiddelen willen afstaan kunnen dit doen door beschikbaarstelling bij de Friesche Hulpactie “West” (in Harlingen bij de fa. Smeding Franekereind). Dit voedsel wordt ter beschikking gesteld aan de meest noodlijdende groepen”, meldde de Noordwesthoek begin februari. De goederen gingen per schip naar het Westen. Begin maart meldde de Noordwesthoek de behouden aankomst van een schip: ““Het Hulp-comité Harlingen van de ‘Friesche Hulp-Actie West’ deelt U mede, dat het schip ‘Catharina’, beladen met levensmiddelen, behouden te Amsterdam is aangekomen”..

In dezelfde periode arriveerde er een paal maal een transport met kinderen uit de Randstad. Ze kwamen per schip in Harlingen. Op 9 februari kwam het eerste transport van 280 kinderen. Ze werden in Harlingen opgevangen in de R.K. Huishoudschool en doorgestuurd naar andere plaatsen. Aangezien Harlingen, evenals de eilanden, gold als Sperrgebiete mocht de stad zelf geen vluchtelingen opnemen. In februari en maart zijn er enkele van dit soort transporten geweest. “Als wassen beeldjes heb ik ze zien liggen in het stroo van het St. Anna-gesticht. En overdag zaten ze er. Veertig tot vijftig kinderen in één schoollokaal. En ’t was er stil….Geen stoeien of ravotten, geen kwajongensstreken. Als ze eten zagen, glansden de gezichtjes. Thuis kregen ze suikerbieten, vertelde een klein meisje me. Rauw, maar soms ook gestoofd, als peertjes. Dat was lekker! En soms kon moeder ook wel bloembollen kopen, maar niet dikwijls. Want daarvoor moest je heel lang in de rij staan”, schrijft De Noordwesthoek van 2 maart 1945. En evenals elders in Friesland werd ook in de omliggende dorpen van Harlingen vele Limburgse evacués ondergebracht. Limburg lag midden in de frontlinie en velen moesten hun huis verlaten. “Wat deze mensen hadden meegemaakt was vreselijk”, schrijft Harry Drost. “Bij elk transport, dat meestal via Duitsland, Friesland binnenkwam, hadden de dokters handen vol werk. Van een zending uit Roermond waren onderweg 18 mensen overleden”. Eind februari 1945 herbergde de provincie Friesland zo’n tachtigduizend vluchtelingen.

Kinderen uit de Randstad arriveren per schip in de Harlinger haven
om vervolgens te worden ondergebracht in omliggende dorpen.
 Foto: Collectie Mevr. G. de Jong

Opschudding in Harlingen
Begin maart ontstond er grote opschudding in Harlingen doordat één van de gehate Zoll-beambten spoorloos was verdwenen. De Duitsers vermoedden dat hij door de ondergrondse van kant was gemaakt. “Er werd gedreigd dat, wanneer men hiervan de bewijzen kreeg, 40 Harlingers gefusilleerd zouden worden”, schrijft Harry Drost. Wat zich werkelijk had afgespeeld werd pas later bekend. In Makkum had Jan Brouwer, een handlanger van de SD, weten te infiltreren in de verzetsbeweging. De verzetsgroep in Makkum vreesde dat de Zollkommissar in Harlingen te veel dingen wist en daarom beter geliquideerd kon worden. Jan Brouwer bood aan de klus te klaren. Als bewijs dat hij de daad bij het woord had gevoegd zou hij het pistool, de koppelriem en de pet van de Zollkommissar meenemen naar Makkum. Op de koppelriem stond nl. de naam van de eigenaar gegraveerd. Na een paar dagen kwam Brouwer terug met het afgesproken bewijsmateriaal. Het feit dat de Zollkommissar inderdaad om het leven was gekomen werd nog versterkt toen een argeloze soldaat uit Harlingen op de vraag waar de Kommissar was gebleven had geantwoord: “Ja, dat is een zonderling geval. Het laatste hebben we hem nog bij de haven gezien, en, omdat hij nogal drinkt, vermoeden wij dat hij verdronken is”. In werkelijkheid was Jan Brouwer naar Groningen gegaan en had daar aan de Abwehr verteld van zijn opdracht van de illegaliteit in Makkum. Daarop werd de Zollkommissar in Groningen ontboden en kreeg het bevel te verdwijnen zonder dat zijn ondergeschikten hier iets van mochten weten. Op 27 maart volgde een grote razzia in Makkum waaraan ca. 100 Duitsers meededen. Zij zochten naar wapens, maar vonden niets. Op 7 april waren de Duitsers opnieuw in Makkum waarbij de Sicherheitspolizei uit Groningen en Sneek aanwezig waren. Ze werden bijgestaan door een aantal landwachters van de NSB. De lege Marechausseekazerne, waar de Duitsers het hoofdkwartier van de verzetsbeweging hadden gedacht te vinden, werd in brand gestoken. Ze vonden er namelijk niets. Maar in een even verderop gelegen conservenfabriek werden wapens gevonden en er volgden enkele arrestaties van personen die op een lijst van Jan Brouwer voorkwamen. Een aantal van hen werd doodgeschoten achter de in brand gestoken kazerne in Makkum.

Op zondagavond 25 maart werd er door Duitsers jacht gemaakt op personen die zich na acht uur nog op straat bevonden. Volgens Hary Drost ergerden de Duitsers zich eraan dat de bevolking zich niet aan de Sperrzeit hield: “Blijkbaar wilden ze nu eens de schrik erin jagen. Hier en daar werd in de stad geschoten, op een enkele plaats vloog een kogel door een raam”. In totaal werden maar liefst 98 personen gearresteerd en opgesloten in de gymnastiekschool (Hoogstraat 55) bij de Franekerpoortsbrug. De volgende ochtend om negen uur werd iedereen met een geldboete op zak weer vrijgelaten. Enkele weken later, op 14 april, viel er voor hetzelfde feit nog een dodelijk slachtoffer toen de 24 jarige Sybren Kuyper in de Steenhouwersstraat door de Duitsers werd doodgeschoten. Mevr. Rinske Brusse-Mobach: “…twee soldaten kwamen uit de steeg en schoten vanaf de brug naar de nieuwsgierige mensen en schoten een man door het hoofd. Zijn vrouw raakte door een schampschot gewond. Ik zag het voor mijn ogen gebeuren. Even later vloog er een meisje gillend uit de Spinstraat, op sokken, over de Brouwersstraat naar de dokter voor hulp voor de getroffenen”. Dat was slechts enkele dagen voor de bevrijding van Harlingen!

Duitsers op de terugtocht
In april 1945 werd met de dag duidelijker dat de bevrijding op komst was. De eerste Canadese gevechtswagens rolden op 12 april Friesland binnen. Ook de Duitsers en naar het noorden gevluchte landverraders beseften dat. ”Op de Zaterdag vóór de bevrijding..().. begon de grote historische uittocht van de Moffen uit Friesland, nadat des Vrijdags reeds de eerste groepen door onze stad waren getrokken. Een schouwspel om nooit te vergeten! Heel Harlingen liep uit, onderduikers kwamen uit hun schuilhoeken te voorschijn, anderen lieten hun werk in de steek, vrouwen vergaten hun huishoudelijke bezigheden. In rijen stonden we langs de straten. Het leek wel of er geen eind kwam aan die nu zo rampzalige stoet. Op boerekarren, in allerlei auto’s, op fietsen met en zonder banden, trokken de onderdrukkers en hun satellieten af. Hier en daar zuchtte een Moffenmeid mee. Zwijgend stonden wij deze uittocht aan te zien. Maar in onze harten laaide de vreugde op, want met dit in feite reeds verslagen leger, verdween tezelfdertijd een loden last, welke nu bijna vijf jaar op ons had gedrukt”, schreef de Harlinger Courant eind 1945. Ook de Duitse instanties in Harlingen verbrandden hun papieren en verlieten hals over kop de stad. Toen de meeste Duitse gebouwen waren verlaten sloeg de Harlinger bevolking aan het plunderen. Zo werd een trein geplunderd en ook het verlaten Wehrmachtsheim (Hotel Centraal) aan de Brouwerstraat moest eraan geloven. Twee dagen later, toen de Canadezen al in Midlum waren en op het punt stonden om Harlingen te veroveren, richtte waarnemend burgemeester J.J. Krol “..met grooten aandrang een oproep tot de bevolking van Harlingen om in deze tijd een waardige houding aan te nemen en derhalve alle plundering na te laten. Men zorge er voor geen aanleiding te geven tot repressaillemaatregelen…” En diezelfde zaterdag maakte de eerder dat jaar aangestelde politiecommandant bekend dat… “In opdracht van den plaatselijken gevechtscommandant wordt bekend gemaakt, dat het verboden is zich buiten uiterste noodzaak op straat op te houden. Stilstaan is absoluut verboden. Bij overtreding wordt door militaire patrouilles van de wapenen gebruik gemaakt”. Slechts ’s middags werd een uurtje vrij gegeven voor het doen van boodschappen.

April 1945: Canadese tanks op de Noorderhaven.
Foto: Collectie mevr. G. de Jong

Harlingen bevrijd na bange nacht
Op zondagmiddag 15 april bereikten de Canadezen Leeuwarden. En diezelfde zondagmiddag arriveerde ook een Canadese eenheid in Franeker. Deze eenheid keerde echter na korte tijd terug naar Leeuwarden, Franeker achterlatend tussen enerzijds de Canadese troepen in Leeuwarden en de Duitse bezetting in Harlingen. Maar daarmee was Harlingen nog niet bevrijd. In de loop van de volgende ochtend (maandag 16 april) arriveerde een grote stoet Canadese legervoertuigen in Midlum. Een Canadees officier die de kerktoren van Midlum als uitkijkpost wilde gebruiken raakte ernstig gewond door een Duitse granaat. Een dag eerder was er ook al vanuit Harlingen geschoten door de Duitsers. Enkele granaten kwamen in Midlum terecht waarbij twee gewonden vallen. Eén van de gewonden bezweek twee dagen later aan zijn verwondingen.

Aanvankelijk zag het er naar uit dat in Harlingen geen schot zou worden gelost, maar de achtergebleven Duitsers, naar schatting 500 man, verrichten op zondag en maandag vernielingen op grote schaal. In totaal brachten zij 17 vaartuigen tot zinken in de Harlinger havens en de havenmond en bruggen vlogen met dreunende slagen de lucht in. Het werd de Harlingers duidelijk dat de stad verdedigd zou gaan worden. Vanwege de aanwezigheid van de Duitsers besloot de Canadese commandant geen halve maatregelen te nemen voor de verovering van Harlingen. Harlingen zou onder artillerievuur worden genomen, waarna zo’n 1500 man infanterie de stad in moest nemen.

De Canadese artillerie stelde zich op bij Herbayum en nam in de loop van de avond van 16 april Harlingen onder vuur. Vuur dat werd geleid door een geallieerd vliegtuig dat boven de stad vloog. Artilleriegranaten, bedoeld voor de Duitse barakken op het kaatsveld en het daar opgestelde Duitse geschut, troffen in eerste instantie de Patrimoniumbuurt waar diverse huizen werden getroffen. Ook elders in stad kwamen granaten terecht en hier en daar brak brand uit. “…de loodsen in de Spinstraat brandden als een fakkel, het was één vlammenzee”, vertelde Jaan Hartoog (destijds lid van de Harlinger brandweer) in 2001 in de Harlinger Courant. Ook de barakken van de Duitsers aan de Noorderzeedijk vielen ten prooi van de vlammen en in de Weeshuisstraat werden eveneens enkele woningen ernstig beschadigd. Hierbij kwam een zevenjarige jongen om het leven. Het was niet het enige slachtoffer onder de burgerbevolking. Ook op de Lanen vielen twee slachtoffers als gevolg van de Canadese beschieting.

In de loop van de avond kwam de Canadese infanterie in actie. De eerste infanteristen gingen wadend door de Ried, waar ze al snel een noodbrug hadden geslagen. Ook op andere plaatsen drong de Canadese infanterie de stad binnen. In de stad slopen de Duitsers in lange rijen langs de huizen en maakten zich op voor straatgevechten. Ze waren geenszins van plan zich zonder slag of stoot over te geven. Op diverse plaatsen leidde dat tot vuurgevechten. “Het werd een verschrikkelijke avond”, schrijft Harry Drost. “De projectielem welke door de Canadese kanonnen werden afgevuurd floten over de daken en van alle kanten hoorde men in de stad het knallen van kogels, het ratelen van de mitrailleurs en de ontploffingen van zwaarder geschut”. Rond middernacht hadden de Canadezen een groot deel van de binnenstad in handen en werden de eerste krijgsgevangen richting Midlum afgevoerd. Bij straatgevechten, o.a. op de hoek Noorderhaven-Hoogstraat, waren diverse Duitsers om het leven gekomen. In de omgeving van de haven werd nog enkele uren verzet geboden. Zo werd een vijftal Duitsers, dat zich weigerde over te geven, in een kort maar hevig vuurgevecht bij de Noorderzeedijk doodgeschoten.

Een Canadese soldaat stelt een onderzoek in naar de aanwezigheid van Duitse militairen in dit pakhuis op de Noorderhaven.
Foto: Collectie D.A. Visser

De volgende ochtend moesten de Canadezen nog in actie komen tegen Duitsers die zich hadden verschanst op het veilingterrein (sinds april 2004 Super de Boer). Ook werd er nog enige tijd tegenstand geboden bij de MAZa aan de Kimswerderweg. Hier werden ca. 60 krijgsgevangenen gemaakt. De eerste krijgsgevangenen waren rond middernacht al afgevoerd. In totaal werden er zo’n 350 Duitsers krijgsgevangen gemaakt. Bij de strijd hadden de Duitsers negen man verloren. Later kwamen bij het uitkammen van verschillende gebouwen, zowel binnen als buiten de stad, nog veel meer Duitsers boven water. Sommigen daarvan waren in burgerkleding en hadden gehoopt op die manier de dans te kunnen ontspringen.

 

     
       
Mail   Naar boven
 
 Copyright © 2003 -  Website Harlingen tijdens de Tweede Wereldoorlog
 
Pagina voor het laatst gewijzigd op 05 januari 2010