Home  |  Kroniek  |  1939  1940  |  1941  |  1942  |  1943  |  1944  |  1945  | Diversen  |  Index
 
 
     
      Harlingen tijdens de Tweede Wereldoorlog  
     
       

 

 

   

Executie tussen Midlum en Herbayum

Op zaterdag 18 november werden er tussen Midlum en Herbaijum drie mannen door de Duitsers vermoord. De in Harlingen werkzame predikant L. Holtrigter was hiervan getuige. “Het was op een sombere koude zaterdag dat ik ’s middags omstreeks drie uur door wind- en regenvlagen de Midlumerweg uitfietste om nog iets in huis te krijgen voor de zondag”, vertelt Holtriger in 'Harlingen in Oorlogstijd'. Een paar kilometer buiten Midlum zag de predikant een tweetal auto’s stoppen. Acht Duitsers stapten uit. “Een Duitser riep mij toe dat ik moest afstappen en blijven staan. Toen deed een andere Duitser de tweede auto open en daar stapten drie burgers uit”. In eerste instantie begreep Holtriger niet wat er aan de hand was, totdat één van de burgers werd vastgepakt en weggesleept. “Het was nog een jonge man. Hij vroeg: “Maar ge wilt me toch niet doodschieten?” Het antwoord was een slag met de kolf van het geweer op zijn hoofd, zodat het bloed eruit gutste. Hierop wilde ik gaan, maar mij werd duidelijk gemaakt: Blijven staan of de kogel. Als versteend stond ik aan de grond. Een meter of zeven van de weg was een aardappelbult opgeworpen. Daar moest hij nu gaan staan. Toen namen een stuk of zes Duitsers het geweer. Eén commandeerde. Ze schoten tegelijk en het slachtoffer viel. De schutters gingen ongeveer drie meter van hun slachtoffer staan. De andere twee burgers stonden bij de auto, door een Duitser vastgehouden. Ze moesten eerst het lot van hun medegevangene zien. Toen moest nummer twee komen. Deze ging voor de Duitsers liggen en smeekte hun om hem toch niet dood te schieten. “Ik wil alles voor u doen, indien ge mij in leven laat”, zo smeekte hij. Maar een harde schop in zijn rug, zodat hij wel een meter vooruit tuimelde, was het antwoord op zijn deerniswekkend vragen. Hetzelfde commando werd gegeven. De schoten dreunden en het tweede slachtoffer lag ter aarde. Nu de derde nog. Onderwijl zijn tweede lotgenoot afgemaakt werd, zond hij een vurig gebed op tot God. Ik heb nog nooit zo horen bidden. Dit was het bidden in het aangezicht van de dood. Eerst bad hij voor zichzelf. Of de Here zijn ziel genadig wilde zijn. Toen bad hij voor zijn vrouw. Of de Here haar wilde ondersteunen. Toen bad hij voor zijn zoon. Of God hem bewaren wilde en in het leven sparen. Zijn laatste woorden waren: “Och Here, Here die arme jongen”. Toen moest hij naar de slachtplaats. Geen der Duitsers hoefde hem te geleiden. Met vaste gang zag ik hem erheen lopen. Hij ging naast de twee doden staan. Zoals deze, met het gezicht naar de beulen. Nog enkele ogenblikken. Weer wordt het commando gegeven. De geweerschoten knetterden. Het derde slachtoffer viel ter aarde. De beulen staken een sigaret aan en lachten. Ik kreeg een wenk. Ik kon doorgaan”. Ter afschrikking moesten de lichamen 24 uur blijven liggen. Op maandag 20 november werden de slachtoffers begraven in aanwezigheid van ds. Holtriger, de burgemeester van Franekeradeel en enkele politieagenten. De drie slachtoffers waren:

Bote Lieuwe Dijk
Geboren op 6 februari 1899 te Hardegarijp, wonende in Huizum. Hij was in dienst van de Nederlandse Spoorwegen met als standplaats Leeuwarden. Hij was gearresteerd door de SD en zat in de Leeuwarder gevangenis. Hij werd begraven te Huizum.

Julius Gast
Geboren op 28 februari 1893 te Groningen. Van beroep handelsagent. Zijn laatste woonplaats was Scharnegoutum. Hij was als Jood met vrouw en kind ondergedoken en is waarschijnlijk door verraad gepakt door de SD. Hij ligt begraven op de Hervormde begraafplaats in Herbayum.


Rijkje van Meekeren
Geboren op 27 april 1895 te Hindeloopen; laatstelijk wonende te Huizum. Hij was in dienst van de Nederlandse Spoorwegen met als standplaats Leeuwarden. Hij was gearresteerd door de SD en zat in de Leeuwarder gevangenis. Hij werd eveneens te Huizum begraven.

Indirect werden Julius Gast, Rijkje van Meekeren en Bote Dijk de dupe van een bevel van de geallieerde legerleiding. Die had nl. ongeveer midden november 1944 opdracht gegeven tot het strooien van spijkers op de toenmalige straatweg van Leeuwarden naar Harlingen. Dat vond plaats in de nacht van 16 op 17 november 1944. Om een voorbeeld te stellen bepaalde het hoofd van de SD in Friesland (Albrecht) dat op zaterdagmiddag 18 november 1944 een drietal mannen als represaille om het leven diende te worden gebracht. De drie mannen werden uit hun cellen gehaald om, zo vertelden de Duitsers, naar Drenthe te verhuizen. Ze mochten zelfs een koffer meenenemen. Op 18 november 1988 werd op de plaats van de brute liquidatie, ongeveer een kilometer ten westen van Herbayum, een monument geplaatst. Dit op initiatief van Yge Damsa uit Irnsum, in 1944 celgenoot van Bote Dijk.

       
       
Mail   Naar boven
 
 Copyright © 2003 -  Website Harlingen tijdens de Tweede Wereldoorlog
 
Pagina voor het laatst gewijzigd op 28 november 2009