Home  |  Kroniek  |  1939  1940  |  1941  |  1942  |  1943  |  1944  |  1945  | Diversen  |  Index
 
 
     
      Harlingen tijdens de Tweede Wereldoorlog  
     
       

 

 

Ook de achtjarige Benjamin Pais en zijn negenjarige zusje Jansje, adres: Noorderhaven 32, kwamen door vergassing om het leven. Beiden werden op woensdag 11 november 1942 door de Harlinger politie uit hun huis gehaald en opgesloten in het politieburo aan het Noordijs. De volgende ochtend werden ze afgevoerd naar Westerbork. Nog geen twee weken later,  op 23 november 1942, werden ze in Auschwitz vermoord.

Foto: Collectie Mevr. G. de Jong

   

Het lot van de Harlinger Joden

Toen de Duitsers ons land in mei 1940 overvielen woonden er in Harlingen enkele tientallen Joden. Velen al generaties lang en de meesten waren geboren en getogen Harlingers. Bekend waren o.a. de  groentehandel van de gebroeders Pais op de Kleine Bredeplaats, de juwelierszaak van Simon Leijdesdorff op de Kleine Voorstraat en de kledingzaak van de familie Speijer op de hoek Heiligeweg – Kerkstraat. De in het voorjaar van 2004 onthulde muurschildering met daarop de naam De Gunst  herinnert nog aan de kledingzaak die er ooit was.

 

Op het moment dat in de zomer van 1942 de deportaties begonnen, woonden er volgens officiële gegevens 47 sterdragende voljoden in Harlingen. Slechts één daarvan heeft de bezetting overleefd. De rest kwam om in vernietigingskampen als Auschwitz en Sobibor. De jongste was de driejarige Klara Leanora Messcher, geboren in Harlingen op 24 juni 1939 en vermoord op 21 mei 1943 in Sobibor. Klara woonde op de Rozengracht nummer 15, samen met haar ouders en haar vierjarige zusje Hanna Klara, die op dezelfde dag door vergassing om het leven kwamen. De oudste was de 81 jarige Benjamin Raphaël Pais, op het moment van deportatie wonend in de Hoogstraat op nummer 15. Hij werd geboren in Harlingen op 26 juni 1861 en vermoord in Auschwitz op 23 november 1942.

Al vrij snel na de capitulatie op 15 mei 1940 werden de eerste anti-joodse maatregelen uitgevaardigd. Reeds in juli was begonnen met het verwijderen van Joden uit de Luchtbeschermingsdiensten, in augustus gevolgd door de maatregel van het niet meer ritueel mogen slachten. Twee jaar later, in juni 1942, kreeg de Joodsche Raad de mededeling dat de deportaties zouden gaan beginnen. Deze Joodsche Raad werd in 1941 door de Duitsers ingesteld. Het was een joods bestuurslichaam, belast met het bestuur van de joodse gemeenschap en met de uitvoering van de Duitse verordeningen ten aanzien van de joodse bevolking. Het was in feite een schijninstelling om de Duitsers de gelegenheid te geven het programma van de vernietiging van de Joden gemakkelijker uit te voeren. Aanvankelijk was deze Joodsche Raad alleen voor Amsterdam bedoeld, maar in de herfst van 1941 kreeg de raad een landelijk karakter met regionale en plaatselijke vertegenwoordigers. In Harlingen werd Michiel Speijer de voorzitter van het kerkbestuur, de vertegenwoordiger van de Joodsche Raad

 

Onderscheid
Voordat de deportaties begonnen werden tal van verordeningen van kracht die tot doel hadden de Joden te beperken in hun bewegingsvrijheid en om hen volledig te isoleren van de rest van de maatschappij. Eén van de eerste stappen om de isolatie van Joden in de samenleving te bewerkstelligen was het verbod om Joden in overheidsdienst te bevorderen of te benoemen. Het gebeurde in oktober 1940, amper vijf maanden nadat Nederland had gecapituleerd. En in dezelfde maand moest elke ambtenaar van zichzelf of zijn of haar echtgeno(o)t(e) opgeven of men wel of geen jood was. Wie deze, als ‘Ariërverklaring’ bekend geworden, verklaring weigerde te ondertekenen werd met ontslag bedreigd. Vrijwel alle ambtenaren in Nederland ondertekenden deze verklaring, zonder zich te realiseren daarbij mee te werken aan een eerste scheiding tussen Joden en niet-Joden. Niet veel later werden de joodse ambtenaren uit hun functie ontheven. In Harlingen waren dat o.a. Leonard Goldsmid en Racheltje Pais die beiden op de gemeentesecretarie werkten. De één in Harlingen, de ander in Franeker.

Maar toen Rijkscommissaris Seyss-Inquart in januari 1941 de verordening 'no. 6-1941' uitvaardigde kwam het in kaart brengen van het joodse deel van de Nederlandse samenleving pas echt op gang. “De Burgemeester der gemeente Harlingen maakt bekend, dat ingevolge de verordening van den rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied, d.d. 10 Januari 1941, no. 6-1941, alle personen, die geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede zijn en hun verblijf hebben in het bezette Nederlandsche gebied, aangemeld moeten worden….”, begint het artikel op de voorpagina van de ‘Nieuwe Harlinger Courant’ van vrijdag 11 februari 1941.

Deze verordening hield in dat iedereen met tenminste één joodse voorouder zich moest melden bij het gemeentehuis om een formulier in te vullen. Als men zich had aangemeld, werd een zogenaamd 'Bewijs van Aanmelding' verstrekt. Gratis was deze aanmelding overigens niet, want er moest één gulden leges worden betaald. De helft van dit bedrag kwam in de kas van de gemeente, de andere helft ging naar de Rijksinspectie van de bevolkingsregisters, een Nederlandse ambtelijke dienst verantwoordelijk voor de persoonsregistratie. Om de registratie zo soepel mogelijk te laten verlopen moeten de benodigde gegevens op voorhand verzameld zijn.

Anti-joodse maatregelen
Meer anti-joodse maatregelen volgden. Zo werden bijvoorbeeld in maart de bedrijven van joodse eigenaren onder toezicht gesteld van een zogenaamde 'Verwalter'. Hiermee ging de zeggenschap over het eigen bedrijf feitelijk verloren.
Aan een verzoek richting burgemeesters om een opgave te verstrekken welke zaken in hun gemeente een joodse eigenaar hadden, werd keurig voldaan. Ook de Harlinger burgemeester Hannema gaf door dat Harlingen 10 bedrijven had met een joodse eigenaar. Niet veel later moesten de Joden hun radiotoestel inleveren, waren openbare zwemgelegenheden, parken e.d. verboden gebied, mochten joodse winkels niet meer open zijn op zondag, werden de joodse persoonsbewijzen voorzien van een onuitwisbare letter ‘J’ enzovoorts. Het waren niet de laatste anti-joodse maatregelen. Er zouden er nog veel volgen. Ook de 'Nieuwe Harlinger Courant' publiceerde deze maatregelen.

De voorpagina van de Nieuwe Harlinger Courant van dinsdag 16 september 1941 met daarop het artikel 'Verordening over het optreden van Joden in het openbaar'.

 

Op 16 september 1941 stond het artikel  ‘Verordening over het optreden van Joden in het openbaar’ op de voorpagina:  “Het Rijkscommissariaat maakt bekend: De commissaris-generaal voor de veiligheid heeft de volgende verordening over het optreden van de Joden in het openbaar uitgevaardigd", gevolgd door een opsomming van een nieuwe reeks beperkende maatregelen die Joden werd opgelegd zoals het verbod om “..deel te nemen aan openbare bijeenkomsten en gebruik te maken van openbare inrichtingen voor zoover zij bestemd zijn om de bevolking ontspanning, tijdverdrijf en voorlichting te bieden”. Enzovoorts.  En per september 1941 mochten zelfs joodse kinderen alleen nog maar naar een joodse school. Ook de vier leerplichtige joodse kinderen in Harlingen mochten na de zomervakantie niet meer naar hun eigen school. Een alternatief was niet direct voorhanden, maar in Leeuwarden werd een maand later de Joodsche School voor heel Friesland geopend. Na een verzoek van de gemeente Harlingen konden de vier kinderen, Jansje en Benjamin Pais en Elkan en Cäcil Speijer, vanaf november 1941 daar naar school.

Voor Joden verboden
Het afkondigen van beperkende maatregelen voor de Joden was niet genoeg, want medio 1942  verschenen borden met het opschrift 'Voor Joden verboden'. Ook in Harlingen verschenen hier en daar dergelijke borden, o.a. bij de ingang van het Harmenspark, de Engelse tuin, het Balkland, het sporterrein aan de Vierkantsdijk en op nog enkele plaatsen. En de Harlinger horeca was eveneens verplicht een bordje met de tekst ‘Voor Joden verboden’ voor het raam te plaatsen. En vanaf mei 1942 was het voor Joden verplicht de zogenaamde gele 'Jodenster' of  'Davidster' te dragen. Deze 'Jodenster' moest bij de Joodsche Raad worden gekocht. Voor iedereen waren er vier sterren beschikbaar en ze kostten vier cent per stuk. Bovendien moest één textielpunt van de distributiebonnen worden ingeleverd.  Het was de zoveelste vernederende maatregel die werd ingevoerd,  want ook in 1942 hadden de anti-joodse maatregelen elkaar in snel tempo opgevolgd. Zo mochten Joden geen auto meer rijden, niet langer een rekening hebben bij de postgiro, geen bankkluizen meer huren, niet meer vissen, niet meer reizen zonder voorafgaande toestemming, geen groente en fruit meer kopen in niet-joodse winkels, hun fietsen en andere vervoersmiddelen inleveren, geen sport meer beoefenen, geen gebruik meer maken van het openbaar vervoer en vanaf half juli mochten Joden alleen nog maar tussen 15.00 en 17.00 uur boodschappen doen enzovoorts.

 

De deportaties
In de zomer van 1942 begon de deportatie van Joden uit Nederland. Ook vanuit Harlingen. Harry Drost: “Op Donderdag 20 Augustus werden de Joodse burgers tussen de 16 en 60 jaar, evenals dat ook elders geschiedde, door de Duitsers weggevoerd…”. Dit betrof een groep mannen die enkele weken daarvoor in Leeuwarden medisch was gekeurd voor tewerkstelling in een joods werkkamp. Dat wegvoeren gebeurde overigens niet door de Duitsers, zoals Harry Drost veronderstelt, maar in de trein van Harlingen naar Leeuwarden werd de groep keurig begeleid door de Harlinger politie. In het rapportenboek van de Harlinger gemeentepolitie staat daarover vermeld: “6.30 uur. Zijn een 9-tal Joodsche personen, alsmede een 5-tal personen, bestemd voor het werk in Duitschland, naar Leeuwarden op transport gesteld. Met dit transport zijn belast de agenten van politie Bakker, Goslinga en Kooy. Tijdens het transport deden zich geen bijzonderheden voor”. Bij dat transport was ook de 21 jarige Aäron Pais die van tevoren tegen Mevr. Griet de Jong had verteld: “We moeten alleen naar een werkkamp. Nou, van werken is nog nooit iemand doodgegaan”. Een maand later werd hij vermoord in het vernietigingskamp Auschwitz.. Volgens Harry Drost werden de overgebleven Joden medio september hard aangepakt. ”De meeste mannen werden weggevoerd, de zaken gesloten en de inboedels eruit gesleept”. Ook NSB-ers deden een duit in het zakje. Zo schrijft Jan Norg: "`s Avonds na afloop van een bijeenkomst van de NSB in de Schouwburg, waar ze waarschijnlijk zijn opgejut tegen de Joden, marcheert de horde over de Zoutsloot (nu William Boothstraat). Als bij de woning van de joodse familie N. Polak aan de Zoutsloot 135 zijn, schiet één van de ‘helden’ dwars door de slaapkamerramen. Op van de zenuwen ontvlucht de angstig geworden Polak de woning aan de achterzijde, op en over de schuurtjes klimmend die tussen de woningen aan het Scheffersplein en de Zoutsloot staan, vlucht hij in de richting van de Oosterkeetstraat".

De 21 jarige Aäron Pais (rechts op de foto) had in augustus 1942 tegen mevr. G. de Jong gezegd: "We moeten alleen naar een werkkamp. Nou van werken is nog nooit iemand doodgegaan." Op donderdag 20 augustus werd hij overgebracht naar het kamp Westerbork en een maand later werd hij vermoord in Auschwitz.

Foto: Collectie mevr. G. de Jong
   

Op 9 september 1942 werd  mevr. Rosa Pais opgepakt nadat de politie door de Duitse Hafenkommandantur was gebeld met de mededeling “..dat de vrouw van Pais (jodin) wonende Noorderhaven alhier zonder ster loopt”. De volgende dag werd ze door een tweetal agenten van de Harlinger politie overgebracht naar Leeuwarden waar ze in opdracht van de Sicherheitspolizei werd ingesloten in het Huis van Bewaring. Een maand later werd ook zij vergast in Auschwitz. En op 25 september werden "..2 joodsche personen, respectievelijk vrouw Steil en haar zoon naar het bureau van politie te Leeuwarden overgebracht voor verder transport naar het kamp te Westerbork", vermeldt het rapportenboek van de politie.

Op vrijdag 2 oktober werden opnieuw enkele Joden van huis gehaald. Tjerk Tigchelaar was daarvan getuige. Zo schreef hij later in de Harlinger Courant over het ophalen van de fam. Pais uit  de Hoogstraat 15:  "Op een avond kwam ik met Pa en Rommert van vergadering van de voetbal­club in de Beurs. Er was iets gebeurd in de Hoogstraat, de Harlinger politie kwam die twee oude joodse mensen die woonden tegenover de hoedenwinkel [ophalen]. Pa en Rommert liepen door, ik bleef staan in de portiek van die winkel en me zelf nog meer kwaad te maken tegen onze eigen politie met de inspecteur. Die oude mensen werden weggehaald". Onder de gearresteerden ook de 44 jarige Catharina Messcher van de Rozengracht die met haar beide dochtertjes Hanna Klara (4 jaar) en Klara Leanora (3 jaar) in het Harlinger politieburo op het Noordijs in een cel werd opgesloten om de volgende ochtend om 8 uur op transport te worden gesteld naar Westerbork. Ook nu weer keurig begeleid door de Harlinger politie in de trein tot aan Leeuwarden. De treinkaartjes naar het stationnetje Hooghalen moesten uit eigen zak worden betaald. De agenten Berkenpas en Bakker declareerden Hfl. 1,10 voor het 'transport' naar Leeuwarden. En op woensdagavond 11 november 1942 werden "....18 alhier wonende joodsche personen gearresteerd en naar het bureau van politie overgebracht om morgen op transport te worden gesteld naar Leeuwarden." Ook zij gingen naar Westerbork. In de beginperiode van Westerbork moesten de gevangenen de 5 kilometer vanaf het station Hooghalen naar het kamp te voet afleggen. Vanaf november 1942 stopten de treinen in het kamp. Voor het einde van het jaar was het merendeel van de Harlinger Joden  al omgekomen in Duitse vernietigingskampen als Auschwitz en Sobibor. Er is uiteraard weinig bekend wat er precies met hen gebeurd is, maar in het later teruggevonden dagboek van een medebewoner van Auswitchz weten we dat Chassen Hes niet door vergassing om het leven is gekomen, maar stierf in een barak temidden van enkele lotgenoten. In zijn kampdagboek schrijft Ernst Ruschkewitz: "Maandag 8 februari 1943: Gistermiddag rond het middaguur stierf Chassen Hes uit Harlingen. Hij was jammer genoeg niet meer te redden. Grote ontsteltenis". Sally Hes was 34 jaar en woonde in de Raamstraat op nummer drie.

In maart 1943 werden de laatste joodse burgers uit Harlingen weggevoerd. “…enige mannen, vrouwen en kinderen, tot zelfs oude zieke mensen. Dat er zich daarbij hartroerende tonelen afspeelden, laat zich indenken", schrijft Harry Drost. Voor de politie inmiddels een routineklus, want: "..te 11.00 uur rapporteert de agent van politie Prosée, dat tijdens het transport van de Joden naar Leeuwarden, zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan", valt in het dag- en nachtrapportenboek van 9 maart 1943 te lezen. Onder hen ook Hannah Speijer en haar twee kinderen. Enkele weken eerder -22 februari- was Michiel Speijer, de plaatselijke vertegenwoordiger van de Joodsche Raad in Harlingen,  gearresteerd omdat hij van iemand een fles melk had gekocht! De volgende dag werd hij overgebracht naar het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Na de arrestatie van zijn vrouw en kinderen werd het gezin Speijer herenigd in Leeuwarden. Op 26 maart 1943 werd Michiel Speijer samen met zijn vrouw Hannah en hun twee zoontjes Elkan Aron (12 jaar) en Cäcil David (9 jaar) door vergassing om het leven gebracht in het vernietigingskamp Sobibor.

Michiel Speijer, de voorzitter van de Joodsche Raad in Harlingen, wandelend met zijn vrouw Hannah op de Voorstraat ter hoogte van de Raadhuistoren in betere tijden.

Foto: Collectie mevr. G. de Jong
   

In dezelfde maand ontving de Harlinger politie een brief van de Marechaussee uit Groningen met als onderwerp ‘Het vervoer van Joden door de Nederlandsche politie’. De brief bevatte instructies over het wegvoeren van Joden en uitleg waarom Joden moesten worden weggevoerd. In de brief werd o.a. verteld dat alle Joden overgebracht werden naar Polen “..waar een groote landstreek voor hen is gereserveerd”. En de woorden van de Führer over de vernietiging van het Jodendom moesten niet verkeerd begrepen worden. “Sommigen meenden de woorden van den Führer, dat het Jodendom vernietigd moet worden, zoo te moeten uitleggen, dat de Joden zelf zouden worden vernietigd. Dat is natuuurlijk de grootst mogelijke nonsens...()… In werkelijkheid wordt dan ook geen enkele jood, die zich niet verzet, ook maar een haar gekrenkt”, aldus de brief.

Eén overlevende
De enige jood die op dat moment nog in Harlingen woonde was Simon Leijdesdorff. Hij was getrouwd met een niet-joodse vrouw en daarom was hun zoon Leonard volgens de Duitse rassenwetten geen jood. In maart 1943 werd hij gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. Hij was de enige Harlinger sterdragende jood die de bezetting overleefde. De 46 andere Joden uit Harlingen behoorden tot de ruim 100.000 die per trein vanuit Westerbork werden gedeporteerd. Meer dan de helft daarvan werd naar Auschwitz overgebracht. Van de meer dan 60.000 gedeporteerden naar Auschwitz hebben slechts 1052 het overleefd. Naast Auschwitz vertrokken er ook treinen naar kampen als Sobibor (34.000 en slechts 19 overlevenden) en Theresienstadt (5000 personen, waarvan er nog geen 2000 de oorlog overleefden). Bij de bevrijding van Westerbork op 12 april 1945 bevonden zich nog zo'n 900 gevangenen in het kamp. Van de 140.000 joodse Nederlanders zijn er ongeveer 110.000 door de nazi's vermoord. Onder hen dus ook de 46 Harlinger Joden.

De namen van de 46 joodse Harlinger slachtoffers luiden: Gabriël Boas, Dina Boas-Pais, Jozeph Boas, Abraham Pais, Esther Pais, Salomon Pais, Levie Pais, Adriana Pais-Rood, Raphael Pais, Roosje Pais-Minco, Jansje Pais, Benjamin Raphael Pais, Pietje Polak-de Vries, Nathan Polak, Betsij Polak-Frank, Izak Nathan Israël Polak, Levie Messcher, Catharina Messcher-Gans, Hanna Klara Messcher, Klara Leonara Mescher, Sally Hes, Anna Rosa Hes-van Gelder, Mathilde Henriëtte Hes, Leonard Goldsmid, Sara Goldsmid-Goedhart, Leonard Leijdesdorff, Rosalie Leijdesdorff-Vos, Benjamin Raphael Pais, Jantje Pais-de Vries, Racheltje Pais, Raphael Pais, Aäron Pais, Rosa Weijmann, Izaäk de Vries, Elize de Vries-Odewald, Michiel Speijer, Hanna Speijer-Schulenklopper, Elkan Aron Speijer, Cäcil David Speijer, Aron de Vries, Grietje de Vries-de Wilde, Benjamin de Vries, Klara de Vries, Lieba Steil-Aftergutt, Berel Steil, Nechemia Steil.

Naast de 46 slachtoffers kwamen ook nog 6 Joden om die in januari 1941 in Harlingen woonden of werkten, maar op het moment van hun deportatie niet (meer) stonden ingeschreven in het bevolkingsregister en 172 Joden die in Harlingen zijn geboren, maar bij hun deportatie elders in Nederland woonden.
 
 

      Tekst: J.M. de Groot
       
Mail   Naar boven
 
 Copyright © 2003 -  Website Harlingen tijdens de Tweede Wereldoorlog
 
Pagina voor het laatst gewijzigd op 05 juni 2010