De invoering van het metrieke stelsel in Nederland en de gevolgen voor het onderwijs in het begin van de 19e eeuw

 

 Figuur voorblad: Jean Henri van Swinden (1746 - 1823), 'de peter van de meter'; bron R. Muijlwijk, Weet wat je meet

 

 

 

 

 

 

Marc van der Nat

Vakdidactiek keuzeonderwerp

Maart 2003

 

 

 

Inhoud

Inhoud *

Inleiding *

Ontstaansgeschiedenis van het metriek stelsel *

De invoering van het metrieke stelsel in Nederland *

De rol van het onderwijs *

Slotbeschouwing *

Bronnen *

Inleiding

In de moderne wereld van de handel, de industrie, de techniek, de landbouw en natuurwetenschappen wordt alles uitgedrukt in cijfers en maten. Deze cijfers en maten zijn gebaseerd op een wetenschappelijk onderbouwd metriek stelsel.
Slechts gebaseerd op een paar arbitraire eenheden van een opmerkelijk nauwkeurige fysische standaard met precieze definities en voorzien van de decimale eenvoudigheid is het metrieke stelsels een van de grootste ontwikkelingen in de geschiedenis van de mensheid. Een algemene wereldwijde aanvaarding en toepassing laat nog steeds op zich wachten. [8]

Echter het metriek stelsel is niet van alle dag. Daar is in de voorbije eeuwen een harde strijd aan vooraf gegaan.

In dit artikel wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van het metrieke stelsel. In het bijzonder wordt afgevraagd:

  1. wat de rol van het onderwijs is en
  2. wat de gevolgen de invoering van het metrieke stelsel voor het onderwijs zijn geweest.

 

Ontstaansgeschiedenis van het metriek stelsel

Reeds in de Romeinse tijd is er sprake van een eenheid in maten. De Romeinse standaard geldt voor het gebied rondom de Middellandse Zee. Met de val van het Romeinse Rijk nemen de strijdende stammen hun eigen standaarden aan. [8] Rond 650 wordt in Frankrijk een poging gedaan om in de standaarden enige uniformiteit aan te brengen. In het paleis van de koning wordt de standaardmaat bewaard. Het lukt Karel de Grote (rondom 800) om enige uniformiteit in zijn rijk aan te brengen. De belangrijkste steden in zijn rijk hebben een copie van de standaardmaat van het hof. Echter na de dood van Karel de Grote nemen de feodale landheren het heft in handen en voeren zij hun eigen standaard maten in. Latere pogingen om eenheid te brengen in de maten in 864, 1307 en 1558 lopen op niets uit. [6]
In de middeleeuwen is nauwelijks sprake van standaard maten. De maten worden bepaald door gewoonte en traditie. De gewichten en maten ontwikkelen zich naar lokale of regionale behoefte.
De grote verscheidenheid in gewichten en maten in de middeleeuwen brengt echter weinig problemen met zich mee. De wegen zijn slecht en andere communicatie middelen zijn er niet. Pas in de late middeleeuwen wanneer de bevolking groeit, de steden groter worden, de handel en de commercie opkomt, de wetenschap bloeit wordt het beeld anders. Vele honderden nieuwe eenheden en maten worden in deze periode en de periode erna (renaissance) geïntroduceerd.
Zo kan het zijn dat in het noorden van Frankrijk alleen al 18 verschillende standaarden te vinden zijn voor de aunes ( te vergelijken met de el in Nederland) [1]. Nederland telt aan het begin van de 19e eeuw 55 verschillende voetmaten. [5]

De verscheidenheid in standaarden zijn te verklaren met onder opgesomde argumenten:

  • Menselijke maten, denk aan de voet en de el. Een ander voorbeeld is de yard, die in 1101 werd vastgesteld als de afstand van de neus tot het einde van de middelvinger van de uitgestrekte arm van koning Henry I. [5]
  • Land en zee, denk aan de zeemijl en de landmijl (de afstand die een persoon in een uur kan lopen)
  • Product en hoeveelheid. De aantallen moeten niet te groot zijn. Vaak is de eenheid van het product afgeleid of daar waar het product in verpakt wordt. Bijvoorbeeld papier in 10 riemen. Ook het product zelf is van invloed: zo is een Leidse pint wijn (1,20 liter) kleiner dan een Leidse pint karnemelk (1,33 liter). [10]
  • Steden zetten zich af tegen het centrale gezag en voeren eigen maten. Deze maten zijn soms nog zichtbaar aangebracht aan bijvoorbeeld het stadhuis. Voorbeelden hiervan zijn de Rijnlandse roede aan het stadhuis van Leiden of de maten aan de muur van het stadhuis van Regensburg; de schoen heeft behalve de lengte ook de vorm van een voet. De Imperial Yard in Engeland is zichtbaar bevestigd op Trafalgar Square. [5]

Figuur 1 Twee oude lengtematen: onder de vensters de Rijnlandse roede, en rechts van het rechtervenster de Rijnlandse voet (bron: : http://www.delta.tudelft.nl/jaargangen/27/36/meten.html)

  • Stad en land. Er is onderscheid tussen de maten binnen de ommuring van de stad of daarbuiten op het platteland. Een voorbeeld hiervan is de plaats Châlons-sur-Marne, waar een stuk land omgerekend 5.630 are is buiten de stad en binnen de ommuring 5.862 are.

In Duitsland heeft men het over de Stadtfaden van Lubeck, de Waldschuh van Frankfurt of de Straßenrute van Dresden.

  • Veelvuldig gebruik van namen en gebruik. Het Franse aissin is tegelijkertijd een maat voor het volume van hout als een maat voor land. Ook komt het voor, dat er verschillende namen gebruikt worden voor dezelfde afstand of gewicht. Vergelijk bijvoorbeeld ons honderd gulden biljet, dat ook wel snip en meijer genoemd werd.
  • Landbouw en belasting. Sommige maten zijn afgeleid naar de opbrengst van een stuk land waarover dan vervolgens belasting betaald moet worden.
  • Arbeid en tijd. Er zijn maten te vinden die gelieerd zijn aan arbeid en tijd. De 'brescia' wordt in Lincolnshire gebruikt voor de hoeveelheid turf die een man met een spa kan steken tussen 1 mei en 1 augustus. In Frankrijk kent men de ouvrée; een maat voor de hoeveelheid dat een man kon zaaien of planten.

Naast bovenstaande verscheidenheden wordt de verscheidenheid nog vergroot door het niet metriek zijn. Het is een gebruik om nieuwe maten te verzinnen naar de behoefte. Maten worden gedeeld in halve, een derde of een kwart bijvoorbeeld, maar ook in een zestiende of een twaalfde (pond stirling). Of andersom vermenigvuldigd.

Alles samengevat kunnen we het volgende zeggen over de tijd voor het metrieke stelsel:

  1. de standaarden zijn gebaseerd op verschillende schalen en niet zoals wij nu gebruiken op een schaal van 10.
  2. de standaarden zijn niet uniform. Zelfs niet in één enkel land.

Eind 17e eeuw komt hier verandering in. De middeleeuwen zijn voorbij en de mens ontdekt zichzelf opnieuw. De renaissance is begonnen. De wetenschap ondergaat een ware revolutie. Instrumenten worden uitgevonden. Tevens ontstaat een verband tussen enerzijds de theoretici en anderzijds de technologen en de vakmensen. [8]
Er ontstaan disputen waar over de maten gediscussieerd wordt. De belangrijkste in Frankrijk is de Académie des Sciences (1666), in Engeland ontstaat vier jaar eerder de Royal Society of London. De laatste is geen lang leven beschoren. Wanneer de belangrijkste leden de Society dag zeggen houdt de Society in 1690 op te bestaan. (In tegenstelling tot de leden van de Académie ontvangen de leden van Society geen vergoeding of privileges).
Bekende leden van de Society zijn Francis Bacon, John Wallis, Samuel Foster en Robert Boyle. Bekende personen van de begintijd van de Académie zijn René Descartes, Blaise Pascal en Pierre Fermat.
Het feit dat de Académie gesupport wordt door het hof heeft grote invloed gehad op de tot stand brenging van het 'Franse' metrieke stelsel. Nadeel van de binding met het hof is wel dat de Académie bij gelegenheid wordt ingeschakeld om problemen van de koning het hoofd te bieden.

In 1670 stelt Gabriel Mouton, koster van de St. Paul's kerk van Lyon, een stelsel voor die de schaal 10 gebruikt. Vrijwel tegelijkertijd stelt architect Sir Christopher Wren de lengte van de slinger van een slingeruurwerk als maat voor, die elke halve seconde een periode kent. In Frankrijk komen Picard en Huygens tot de suggestie om de lengte van een slinger te nemen die in precies één seconde een volledige slingering uitvoert. Om verschillen te voorkomen in slingertijd op de verschillende breedte graden komt La Condamine tot het idee om de meting op de evenaar te doen. (Als dit idee gemeengoed geworden zou zijn dan hadden we al bijna de hedendaagse meter).
Ondanks de vooruitgang in de wetenschap krijgen de voorstellen echter geen vaste voet aan de grond. In het midden van de 18e eeuw verschijnen in Engeland twee rapporten van de hand van Lord Carysfort. Deze worden in 1765 in het House of Commons gebracht. In het eerste rapport staat een pleidooi voor de vereenvoudiging van de maten. De el, de 'perch' (= roede), de 'furlong' en de mijl moeten opgaan in de yard. In het tweede rapport staat het advies om de standaardmaten op een bepaalde plek te bewaren en er een speciale functionaris voor te benoemen die deze standaarden 'bewaakt'.
Wanneer het parlement op reces gaat worden de rapporten in de ijskast gezet. Pas in 1824 worden ze gebruikt bij het uitvaardigen van de wet die in Groot-Brittanië het Imperial Stelsel regelt.
In Frankrijk krijgen de ontwikkelingen een versnellingen als in 1789 een revolutie plaatsvindt. Naar aanleiding van klachten van het volk over moeilijkheden op het gebied van de maten en gewichten brengt Maurice de Talleyrand-Périgord de kwestie ter sprake in een voorstel aan de Assemblée Nationale via het schrift: Proposition faite à l'Assemblée Nationale, sur les poids et mesures. [8]
Talleyrand wordt beschouwd als een radicaal figuur. Gelukkig heeft hij zijn tijd mee. Talleyrand pleit voor een nieuw, uniform systeem zonder binding met het oude regiem, dat tevens internationaal te gebruiken is. Op dezelfde dag nog (8 mei 1790) wordt een decreet uitgevaardigd geheel in de geest van het voorstel. Vanwege de internationalisering schrijft Talleyrand brieven naar Miller in Engeland en Jefferson in de Verenigde Staten om tot een gezamenlijke commissie te komen.
De Engelsen reageren pas meer dan een half jaar later via de ambassadeur. Zij vrezen dat de radicale veranderingen die in Frankrijk plaatsvinden het Kanaal zullen overwaaien en zeggen 'nee' tegen de voorstellen.
Jefferson vindt het idee wel aardig, maar kan niet instemmen met een lengtemaat die alleen in Europa geverifieerd kan worden. Jefferson gebruikt de 38o breedtegraad. Andersom kan het natuurlijk ook niet. Als Jefferson de afwijzing van Engeland verneemt sluit ook hij dit hoofdstuk af.
Frankrijk gaat vervolgens haar eigen weg. Een nieuwe commissie wordt samengesteld met daarin onder anderen Lagrange, Laplace, Monge en Borda. In haar rapport van 17 maart 1791 'Sur le choix d'une unité de mesure' wordt het 40 miljoenste gedeelte van de lengte van de meridiaan voorgesteld als grondslag voor de nieuwe eenheid. De l'Assemblée Nationale gelast in de vergadering van 30 maart 1791 om een aanvang te maken met de werkzaamheden om de nieuwe eenheid te bepalen. [7] De landmeters Delambre en Méchain krijgen de opdracht om de meridiaan op te meten tussen Duinkerken en Barcelona.
In de lente van 1793 stuurt de Académie haar aanbevelingen naar het gouvernement. Een nieuw decimaal metriek stelsel is geboren. Het decimale is in de voorstellen zelfs tot de kalender en daarmee het uurwerk doorgedrongen. Weerstand van de bevolking is het antwoord. Een dag van 10 uur, elk uur met 100 minuten; dit voert te ver. Met name de horlogemakers komen in opstand. Deze veranderingen zijn te radicaal. Het voorstel voor de kalender en het uurwerk wordt in 1795 teruggenomen. Ook de verdeling van een cirkel in 400 graden redt het niet.

Internationaal Congres van 1798

Nadat alle metingen en wegingen beëindigd zijn nodigt de Franse regering op voorstel van het Institut National des Sciences et des Arts de met Frankrijk geallieerde landen en de neutrale staten uit om naar Parijs te komen om kennis te nemen van de laatste ontwikkelingen en mede te werken tot het vaststellen van de eenheden van het nieuwe stelsel. Slechts enkele landen geven gehoor, waaronder de Bataafse Republiek. Het congres begint eind november 1798 en eindigt uiteindelijk midden juli van 1799. Namens de Bataafse Republiek gaan Jean Henry van Swinden en Hendrik Aeneae, directeur van de Nederlandse scheepvaart, naar Parijs. Van Swinden wordt benoemd tot algemeen rapporteur van het congres.
Wanneer de lengte van de meter (afgeleid van het Griekse ‘metron’, dat ‘maat’ betekent.) en het gewicht van de kilogram vastgesteld zijn vervaardigt Lenoir 12 ijzeren en 2 platina eindmeters. Zo worden ook 4 platina kilogrammen gemaakt. Een van de platina meters, een platte liniaal van 25 mm breed en 4 mm dik is bestemd om als standaard in de staatsarchieven van Frankrijk te worden gedeponeerd. Naast de platina meter komt een van de vier platina cilinders van bijna 40 mm.
In juni 1799 presenteert Van Swinden de meter en de Zwitser Trallès de kilogram aan de algemene vergadering van het Institut National, waarna de platina meter en de platina kilogram worden overgedragen aan het archief. Deze stukken staan daarom bekend als de mètre en het kilogramme des archives. [7]

 

De invoering van het metrieke stelsel in Nederland

Als in de winter van 1794 - 1795 de rivieren bevroren zijn nemen de Fransen de noordelijke Nederlanden in. Op 26 januari 1795 wijkt stadhouder Willem V met zijn familie uit naar Engeland. De Gelderse patriot Daendelse proclameert 'De representanten van het Fransche volk eischen van de Hollandsche natie dat zij zich zelve vrijmake: wij willen haar niet onderwerpen als overwinnaar (…) maar zich met haar allieeren als met een vrij volk'. De regentenregering wordt afgezet en vervangen door het Comité Revolutionair onder leiding van de gematigd advocaat Rutger Jan Schimmelpenninck. De Bataafsche Republiek wordt in mei van het jaar erkend. [3]

Na de omwenteling worden een reeks maatregelen genomen die de Republiek tot een sterk gecentraliseerde staat moeten hervormen. Een van de maatregelen die genomen worden is het wegwerken van de plaatselijke verschillen tussen de maten en gewichten. Artikel 59 van de Staatsregeling van 1798 luidt: 'Alle maaten en gewigten worden door de gantsche Republiek, zoo spoedig doenlijk, naar eene zekere, onveranderlijke grootheid, tiendeelig gelijk gemaakt.'

Nadat ze uit Frankrijk teruggekeerd zijn, bieden Van Swinden en Aeneae, namens het Nationaal Instituut van Frankrijk, op 20 augustus 1799 het Uitvoerend Bewind een ijzeren meter en een koperen kilogram aan.

Figuur 2 Het zilveren plaatje van de doos waarin Van Swinden zijn meter op borg [6]

Van Swinden, overtuigd van de volmaaktheid van het metrieke stelsel wendt zijn invloed als lid van het Uitvoerend Bewind aan om het stelsel hier ingevoerd te krijgen. In 1801 adviseert het Uitvoerend Bewind aan de Eerste Kamer in een rapport om de meter en de kilogram als grondslag te aanvaarden voor het in te voeren maten- en gewichtenstelsel. In het rapport wordt deze keuze uitvoerig verdedigd. Het rapport wordt aanvaard: alle maten en gewichten moeten tiendelig worden onderverdeeld, echter de nieuwe maten en gewichten moeten zoveel mogelijk met 'Nederduitse' benamingen worden bestempeld. Hoewel Van Swinden hier geen voorstander van is, aanvaardt hij uiteindelijk de Nederduitse naamgeving.
Voorbereidende maatregelen worden getroffen. In de Republiek wordt een vergelijking gemaakt van de bestaande maten en gewichten met die van het nieuwe stelsel. Zo kan de bevolking vroegtijdig kennis maken met de nieuwe maten: 'Zonder welke voorzorgen 'er verscheide Lieden in dit opzicht Vreemdelingen in hun eigen Vaderland zouden worden'.

Van dit al komt helemaal niets terecht, want nadat de wet op 16 september van 1801 is aangenomen wordt op de 18e de vergaderzalen der beide Kamers gesloten. Van Swinden wordt buitenspel gezet en heeft nu de gelegenheid om zijn boek 'Verhandeling over volmaakte maaten en gewigten' (1802) te schrijven. Zijn werk wordt echter voortgezet.

Omstreeks 1806 worden de eerste stappen gedaan om de invoering van het nieuwe stelsel voor te bereiden. Hier komt weer een eind aan als op 4 juni 1806 raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck zijn functie neerlegt. De Bataafsche Republiek wordt 14 dagen later het Koninkrijk Holland wanneer Lodewijk Napoleon naar Den Haag komt.

Ten behoeve van het innen van de algemene belastingen worden tijdelijke maatregelen genomen: de bekendste van de oude maten en gewichten worden voor het gehele land als grondslag aangenomen. De gilden zijn inmiddels opgeheven (Grondwet van 6 oktober 1795 [3]). Het meten blijft voorbehouden aan de daarvoor aangestelde meters.

Onder Lodewijk Napoleon worden nieuwe pogingen gedaan om het metrieke stelsel in te voeren. Op 4 mei 1808 wordt in navolging van Frankrijk en Engeland het Koninklijk Nederlands Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten opgericht. In de wet van 1 februari 1809 wordt de invoering van het metrieke stelsel met alleen Hollandse namen voor de maten en gewichten bevolen. Het Instituut wordt door de minister van Binnenlandse Zaken uitgenodigd om zich bezig te houden 'met het nasporen der middelen en maatregelen welke naar haar inzien, zullen moeten worden bij de hand genomen, tot de meest geschikte wijze, invoering binnen dit Rijk van de Wet betrekkelijk het algemeen Stelzel van Maten en Gewigten.' Op de tot stand koming van de wet heeft het Instituut geen invloed kunnen uitoefenen.

Het Instituut komt met rapporten en maakt daarin aanbevelingen om het land in ijk-arrondissementen te verdelen en maakt bezwaren tegen sommige naamgevingen. De minister billijkt de wensen. De nieuwe maten en gewichten worden niet tegelijkertijd en niet overal tegelijk ingevoerd. Eerst komen de lengtematen aan bod. Een enquête wordt verstuurd naar de plaatselijke besturen. Gevraagd wordt welke maten en gewichten er geijkt worden, naar welke standaarden en onder wie berusten de standaarden? Wie ijkt er? En zo gaat de lijst door.

Lodewijk Napoleon is tegen de voorgestelde veranderingen van het Instituut, maar moet zelf een paar maanden later op gezag van zijn broer Napoleon Bonaparte voorgoed het land verlaten. Op 9 juli van 1810 wordt Nederland een deel van Frankrijk. De definitieve invoering op 1 augustus 1810 van het metrieke stelsel wordt van de agenda gehaald.

Ook van andere zijde is er weerstand. De commissaris-generaal voor de geneeskunde P.J. van Maanen is fel gekant tegen het metrieke stelsel voor zo ver zij van toepassing zijn op de bestaande medicinale maten en gewichten. Hoewel zijn bezwaren door het Instituut (in 1817) afdoende weerlegd worden weten de medici, uit vrees voor fatale gevolgen voor de volksgezondheid, het metrieke stelsel nog ruim een halve eeuw uit de apotheek te weren. Wanneer ook het buitenland rond 1870 op het metrieke stelsel overstapt is er weinig reden meer.

Inmiddels is in Frankrijk het metrieke stelsel officieel ingevoerd. Echter de praktijk leert dat de invoering slechts ten dele gelukt is. Napoleon komt aan de bezwaren van de bevolking tegemoet en zo komt voor de kleinhandel naast het officiële stelsel het système métrique usuel. Het pond is hierbij gelijk aan een halve kilogram en verdeeld als het oude pond.

Wanneer de Fransen in 1813 Nederland ontvluchten komt Koning Willem I op 2 december op de troon. Voorlopig houdt hij het Wetboek van Strafrecht (Code Pénal) van de Fransen behoudens een enkele uitzondering in gebruik. In artikel 31 staat: 'De berekeningen of herleidingen van Hollandsche Geldsommen, Maten en Gewigten in Francs en Centimes of in Fransche Maten en Gewigten, zal voortaan uit alle Dingtalen, Conclusiën, Vonnissen, Arresten en in één woord uit alle Judiciële en Notariële Akten weggelaten worden'. [7]

Een terugkeer naar de oude maten houdt dit niet in. Willem I is er van overtuigd, dat vanwege de eenheid van de staat er een nieuw stelsel moet komen. Het Instituut wordt gevraagd welk stelsel dat zou moeten zijn. De opdracht is vrij open. Het Instituut pakt de vraag op en komt met een uitgebreide aanbeveling. Niet alleen staat er in voor welk stelsel gekozen is, maar ook welke moeilijkheden er overwonnen moeten worden. Het metrieke stelsel bevat volgens het Instituut alle denkbare voordelen. Maar zal het door het volk worden aanvaard?

Gezien 'de gesteldheid der gemoederen hier te lande, uit de handelingen van het fransch gouvernement ten opzigte van de onafhankelijkheid, het aanzien, de eere en het welzijn der nederlanshe natie geboren, en door de gedragingen van een drom fransche ambtenaren gesterkt, (…) reeds nu iets, hoe voortreffelijk dan ook in zich zelve, in te voeren, dat voor fransch uitgekreten zoude worden, hoewel het inderdaad geene betrekking noch met Frankrijk, noch met politieke zaken heeft?' kan men dat verwachten.

Daarbij komt dat Nederland internationaal gezien voorloper is. Pas in 1840 gooit Frankrijk het système métrique usuel overboord. Overige landen in Europa volgen later.

Figuur 3 Staatsblad No. 34 (bron Van Stevin tot Lorentz, Intermediair Bibliotheek, 1980)

Bij de wet van 21 augustus 1816 Stb. 34 wordt de invoering van het metrieke stelsel per 1 februari 1820 definitief geregeld. In de wet staat echter niets over de standaarden die als grondslag dienen voor de maten en gewichten, laat staan hoe het ijken moet gebeuren. Dit wordt later ingevuld bij Koninklijk Besluit.

Het Ijkwezen wordt belast met het toezicht op de uitvoering van het nieuwe metrieke stelsel en de ijking van de nieuwe maten en gewichten. Jaarlijks moeten de nieuwe maten en gewichten opnieuw geijkt worden.

De invoering van het nieuwe stelsel verloopt niet zonder slag of stoot. Vooral bij het publiek leven bezwaren. Zij zijn te veel gewend aan het oude stelsel. Verder is er onduidelijkheid omtrent de uitoefening van de dienst bij de ijkers. Er is in de beginjaren geen gelijkheid in de werkwijze van de arrondissements-ijkers. Van de kant van fabrikanten rijzen problemen. Zij moeten al hun maten en meetapparatuur vervangen. De kosten hiervan komen voor de fabrikanten zelf.

Het handhaven van de oude namen voor de nieuwe maten en gewichten werkt zeer verwarrend. (Pas rond 1870 worden de namen van het congres van 1798-1799 aan de maten en gewichten toegekend). Ook voor de internationale handel blijkt het uniforme stelsel niet meteen de voordelen te bieden die Willem I ervan verwacht. De meeste buitenlandse handelscontacten lopen via Amsterdam. Hierdoor zijn buitenlandse handelaren vertrouwd met de Amsterdamse maten en gewichten. Wanneer die worden vervangen door het metrieke stelsel, zorgt dit aanvankelijk alleen maar voor verwarring.

Tot 1823 worden handelaren en winkeliers die de wet overtreden met rust gelaten; daarna worden ze echter voor de rechter gebracht. Veel winkeliers worden veroordeeld, meestal tot een boete van 10 gulden en inbeslagname van de gevonden oude maten en gewichten. Anderen die wel volgens het metrieke stelsel werken klagen steen en been, omdat de klandizie weggelopen is (naar de concurrent die oude maten gebruikt).

De rol van het onderwijs

Onder Lodewijk Napoleon wordt op 25 februari 1806 de Wet op het Lager Onderwijs in haar definitieve vorm aanvaard. Eerdere versies van 1801 en 1803 waren op tegenstand en regeringswisselingen gestrand. Volgens deze wet zal het lager onderwijs dusdanig moeten functioneren dat 'onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld worden en zij zelf worden opgeleid tot alle Maatschappelijke en Christelijke deugden'. Belangrijk aspect van deze wet is dat het onderwijs onder controle komt van de centrale overheid. De wet onderscheidt openbare scholen naast bijzondere scholen. Beide schoolsoorten vallen onder de wet en onder het toezicht van de bij deze wet ingestelde schoolopzieners. Met het aanvaarden van de wet is het mogelijk om het onderwijs metterdaad te moderniseren: overal zal nu de klassikale methode ingevoerd worden (drie klassen per school). [3]

Koning Willem I ziet in dat voor het slagen van de invoering van het metrieke stelsel je hierin de jeugd moet betrekken. Via het onderwijs is deze bevolkingsgroep goed benaderbaar. De onderwijswet maakt dat mogelijk. Jongeren worden in staat geacht zich de nieuwe eenheden eigen te maken en in de praktijk te brengen.

Artikel 5 van de wet van 21 augustus 1816 regelt het aandeel van de scholen. Vanaf januari 1817 wordt het metrieke stelsel op de scholen onderwezen. [4]

In de jaren daarop verschijnt het ene na het andere lesboek ten tonele met daarin opgenomen het metrieke stelsel.

De problemen rondom het metrieke stelsel zijn groot. In de praktijk is het in de scholen niet mogelijk om de oude eenheden volledig te negeren, omdat ze buiten het schoolplein nog jarenlang heer en meester blijven. Leerlingen moeten kunnen herleiden. Dit brengt nieuw 'gevaar' met zich mee. Het herleiden kan een eigen leven gaan leiden als nieuwe 'rekenkunst'.

In onderwijskringen ontstaan twee stromingen. De eerste stroming, die aanvankelijk de overhand heeft gaat er van uit dat de oude eenheden nog lang in gebruik zullen blijven. De tweede stroming benadrukt vooral het leren van de decimaalrekening en het metrieke stelsel. Herleiden is hierin een praktisch hulpmiddel en beperkt zich tot de meest gebruikte oude naar de nieuwe maten. Naast deze twee stromingen zijn er de onderwijzers die hun eigen stokpaardjes berijden. Een karikatuur van dit type onderwijsmensen is terug te vinden in het 'Tijdschrift voor Onderwijzers' in de fictieve persoon 'Decimus', aldus Maenen. [4]

Invloedrijke vertegenwoordigers van de eerste stroming zijn Arnoldus Numan en Jacob de Gelder. De 'Korte schets van het tientallig stelsel van maten en gewigten' van de hand van Numan gaat feitelijk alleen over herleiden.

In de derde druk van de 'Allereerste Gronden der Cijferkunst' (1824) behandelt De Gelder de oude en de nieuwe stelsels [2]. Deze druk is 'door den schrijver aanmerkelijk beschaafd en verbeterd'.

De indeling is als volgt: in het eerste hoofddeel worden de getallen behandeld. Les II gaat over het tientallig stelsel. In de eerste vier hoofddelen wordt gebruikt gemaakt van de oude maten en gewichten. Verwijzingen naar het nieuwe stelsel zijn terug te vinden. Bijvoorbeeld in paragraaf 118 op pagina 37 en paragraaf 122 op pagina 38. In paragraaf 123 staat geschreven: 'Naderhand zullen wij, in de XXXIII les, gelegenheid vinden, om deze gebrekkige en onregelmatige maten en gewigten, met die van het nieuwe stelsel vergelijken.'

Tot aan hoofddeel V worden de breuken en het rekenen met breuken behandeld. In hoofddeel II gaat dit gepaard met 'Gelden, Maten en Gewigten'. Hoofddeel V gaat 'Over de behandeling der tiendeelige of decimale Getallen'. Hoofddeel VI tenslotte draagt de titel 'Over het Nieuw Wijsgeerige Stelsel van Maten en Gewigten'.

In de voorrede legt De Gelder 'verantwoording' af voor deze keuze. Op pagina xii staat '(…) het nieuwe stelsel van Maten en Gewigten, thans ook bij ons ingevoerd, (…) Hierom is de leer der tiendeelige breuken, welke, voor dezen, in geen schoolboek voorkwamen, eene algemeene behoefte geworden (…)

Wellicht zal nu iemand vragen: waarom wij (…), in deze derde uitgave, nog de berekeningen, die, op de verdeeling der oude Maten en Gewigten gegrond zijn, hebben laten bestaan? (…), maar een Koopman, die met uitheemsche Maten en Gewigten en vreemde Muntspeciën dagelijks te doen blijft hebben, moet ook weten: hoe hij zijn berekeningen moet inrigten; en een jong mensch, die tot eenen beschaafder stand, in zonderheid tot den Geleerden, wordt opgeleid, moet dit alles blijven weten.'

Voor deze klasse van mensen is het leerboek van De Gelder bedoeld. Onder aan de pagina's staan vragen waarvan de antwoorden in de tekst terug te vinden zijn. Onder aan pagina 149 bijvoorbeeld 'Welke gebreken hebben de oude maten en gewigten?' Het antwoord is terug te vinden in paragraaf 403: 'Alle onze oude Maten en Gewigten zijn, in dezelver waarde, onzeker, onregelmatig verdeeld, en daarom in het gebruik moeijelijk en lastig'.

Les XXXIII gaat 'Over de Voordelen, welke het wijsgeerige Stelsel van Maten en Gewigten boven de oude heeft'. Verderop in paragraaf 421 staat geschreven '1o Elke éénheid der oude Maten en Gewigten schijnt willekeurig aangenomen te zijn; tenminste heeft men in de natuur, geene bestendige grootheid kunnen ontdekken, waarna andere gebreken volgen. Het nieuwe Stelsel heeft dat niet.' En in paragraaf 427: '1o In dit stelsel hangt alles van den meter of de el af; en die kan altijd weder gevonden worden' om te vervolgen in paragraaf 433: '7o Eindelijk is elke maat en gewigt in kleinere onderdeelen verdeeld; dit stelsel is dus veel geschikter om alles met de uiterste praktische nauwkeurigheid, te meten en te wegen.'

Nog meer propaganda voor het nieuwe stelsel staat in de voorrede vermeld, waar Stevin en Huygens genoemd worden. Stevin vanwege het invoeren van de 'tiendeelige breuken' en Huygens als voorvechter van 'een beter Stelsel van Maten en Gewigten'.

Hoe moeilijk de didactiek rondom het nieuwe stelsel was toont De Gelder op pagina 148 in volgende opgave: 'Om 7 voeten 11 duim lijnen Rijnlandsch tot tiendeeligen van Rijnl. roeden te herleiden.' Hierbij worden eerst de lijnen decimaal omgezet in duimen, de duimen in voeten en de voeten tenslotte in roeden. De eenvoudigste methode namelijk de voeten, duimen en lijnen apart te herleiden en dan de resultaten op te tellen worden niet genoemd.

Maenen [4] noemt verder een boek geschreven voor de lagere school met hetzelfde gebrek. De decimaalrekening en de decimale notatie van getallen voor metrieke eenheden worden in veel gevallen gebrekkig behandeld of zelfs helemaal niet toegepast. Op pagina 122 van 'De vernieuwde Rekenkunst van mr. Willem Bartjens' staat de veel te nauwkeurige en onbetaalbare prijs van ƒ 5,815626 afgedrukt als 5 gl.815- cent en niet als ƒ 5,82.

In latere schoolboeken verdwijnt de twee sporen gedachte zoals De Gelder nog had. In 'Grondbeginselen der rekenkunde uitgegeven door het wiskundig genootschap' uit 1828 komen de oude lengtematen niet meer nadrukkelijk voor. Na de breuken wordt er overgestapt naar de decimalen en het decimaal rekenen. Het lesboek staat verder vol met redactionele opgaven uit het dagelijks leven van de ambachtslieden gegrepen. Opgave 16 op pagina 99 luidt: 'Een biersteker heeft 1645 kruiken bier in zijne Kelder; zo nu elk dezer kruiken 1 KAN en 6 Maatjes bevat, vraagt men hoevele Nederlandsche Vaten deze hoeveelheid zal dit beloopen?' Hier worden wel nog de Nederlandsche naamgevingen gebruikt i.p.v. hectoliter voor vat en liter resp. deciliter voor kan en maatje.

In 1829 schrijft de arrondissementsijker van Sneek, G. Krol, een 'Handleiding voor Schoolonderwijzers' [4]. Krol gaat hierbij uit van de 'aanschouwelijke' methode. Zien en hanteren van voorwerpen is volgens deze methode belangrijk. Bij Koninklijk Besluit van 12 november 1827 moet iedere openbare school beschikken over een stel maten en gewichten. Krol wilde leerlingen wapenen tegen misbruiken van het oude stelsel. Volgens zijn zienswijze is het opruimen van deze misbruiken een absolute voorwaarde voor het welslagen van de nieuwe eenheden.

H. Hemkes en Willem van de Hoonaard volgen de lijn van Krol. In 'Rekenboek voor de scholen' (1817) van Van den Hoonaard, onderwijzer te Hillegersberg, staat een grondige behandeling van het metrieke stelsel. Ook de systematische benamingen worden genoemd. Er is nog wel ruimte gelaten voor het herleiden naar het oude stelsel. Dat laatste ontbreekt al in de boeken van Hemkes. Beide auteurs behandelen wel de (afwijkende) medicinale gewichten.

De houding van de onderwijsgevenden tegen over het metrieke stelsel is uiteraard van groot belang. In dit kader worden de tijdschriften Nieuwe Bijdragen en Tijdschrift voor Onderwijzers genoemd. In de beginjaren van het metrieke stelsel worden nog veel oude eenheden in de tijdschriften gebruikt. Rechtstreekse kritiek op het metrieke stelsel ontbreekt in beide tijdschriften.

In 1822 wordt in de Nieuwe Bijdrage een artikel uit West-Vlaanderen gepubliceerd. Het artikel bevat uitsluitend gegevens in niet-metrieke maat. Een verhandeling in hetzelfde tijdschrift over het rekenonderwijs eist van de leerlingen dat ze de maten en gewichten bij het tonen herkennen; zij kunnen hun ouder helpen er aan te wennen: 'Het is van het hoogste belang, dat in dit deel van het lager onderwijs, de leerlingenniet alleen met het theoretische gedeelte van dit stelsel bekend gemaakt worden; maar zij dienen ook praktisch zoodanig met dezelve gemeen te geraken, dat zij, op het gezigt af, dadelijk kunnen zeggen; dit is een wigtje, lood, once of nieuw pond; zo groot is een Nederlandsche el, palm, duim enz. om dus in staat te zijn, het verschil van derzelver zwaarte, grootte en inhoud naauwkeurig aan te toonen. Vele ouders hebben geene gelegenheid gehad, noch hebben die ook tegenwoordig, om zich met dit stelsel en derzelve verhouding van nabij bekend te maken; met welke voldoening en verwondering zullen zij niet uit hunne verlegenheid gered worden, indien hunne kinderen hun den aard, de waarde en verhouding der nieuwe maten en gewigten zullen weten te verklaren, en daarin eene rede te meer vinden, om het verbeterd schoolonderwijs te zegenen, hetwelk zoo veel wezenlijke voordeelen aan het dagelijksch en burgerlijk leven verschaft.' [11]

Al in 1819 verschijnen artikelen die aanschouwelijk onderwijs propageren. In 1835 levert onderwijzer Pieter Meesters uit Sluis in zijn artikel 'Over het onderwijs in het tientalligstelsel' kritiek op de nog bestaande traditionele methoden. Volgens Meesters moeten de nieuwe eenheden in hun geheel worden toegepast; voor de internationale handel kan waar nodig is op niet-metrieke maten en gewichten worden ingegaan. Hij pleit voor het schrijven van een rekenboek waarin eerst de decimale breuken en het metrieke stelsel worden ingeslepen gevolgd door de gewone breuken. In 1837 voegt hij de daad bij het woord. Samen met M.A. Jung uit Groede is hij schrijver van het leerboek 'Cijferboek voor de Nederlandsche Jeugd', verschenen bij Mortier en Zoon in Leiden.

Consequent wordt in de vier deeltjes het tiendelige stelsel gebruikt en behandeld. Nadat in het eerste boekje de nieuwe maten en gewichten zijn gepresenteerd en definities zijn gegeven van begrippen als cijferkunst, hoeveelheid, eenheid, een geheel en een ongedeeld getal, komen achtereenvolgens de telling, optelling, aftrekking, vermenigvuldiging en deling aan bod. Steeds worden eerst definities gegeven, waarna vragen en toepassingen volgen. Ten aanzien van de in de opgaven gebezigde taal hebben de auteurs gemeend 'het kinderlijke niet tot het kinderachtige te moeten voortzetten', wat in vele schoolboeken -'een gebrek onzer dagen' - wel gebeurt. De repeterende tiendelige breuken worden behandeld in het tweede deeltje, dat evenwel vooral is bedoeld om de leerling door een genoegzaam getal gemengde voorstellen' de nodige vaardigheid in het oplossen van deze opgaven te doen verkrijgen. De oude - gewone - breuken 'benevens de bewerking van den zoogenaamden Regel van Drieën in 't gebroken' worden behandeld in deel 4. [9]

Dat de invoering van het metrieke stelsel het onderwijs niet zo gemakkelijk verloopt blijkt uit een bericht uit 1828 [4]: In Henegouwen zijn voor het onderwijzersexamen 33 kandidaten gezakt. Dit wordt toegeschreven ontbrekende of te geringe kennis van het metrieke stelsel. Ook De Gelder maakt gewag in zijn voorwoord (hoewel algemener van aard). Op pagina xv: 'Hoe komt het, moet ik vragen: dat er aan de Latijnsche Scholen zooveele novitii zijn aangekomen, die de getallen, de tafel niet kennen, met welke men dus niets kan uitvoeren, en dat andere kundige Leeraars der Wiskunde aan de Latijnsche Scholen over dit zelfde gebrek klagen?'

(De eerste Rijkskweekschool in Haarlem is in 1816 gesticht en staat onder leiding van P.J. Prinsen, in het zelfde jaar komt in Lier een tweede kweekschool).

Slotbeschouwing

De overgang naar nieuwe standaarden vereist gewenning. Het duurt lang eer een grote groep mensen, lees bevolking, iets nieuws als vanzelf sprekend accepteert. Voorlichting en propaganda is zeer belangrijk. Tegenwoordig is daar Postbus 51 voor.

Nog steeds kom je de ons en de pond in het taalgebruik tegen. Sterker nog in de kookboek zijn nieuwe maten ingevoerd (of zijn de oude door de eeuwen bewaard en dus met de invoering niet afgeschaft?). Echter met deze maten wordt niet gerekend. Maar met een el bedoelen ze niet de lengte van je arm, doch een eetlepel.

In de huidige tijd zijn de anglicaanse naties bezig met de overgang naar het metrieke stelsel. De geschiedenis lijkt zich te herhalen, zoals onderstaande kop uit de Telegraaf van 4 januari 2000:

Misverstanden door het gebruik van metrieke stelsels hebben geleid tot het bijna verlies van een boeing 767 met passagiers aan boord en tot het verlies van een satelliet:

Anders dan bij de afgelopen invoering van de euro, brengt de overgang van een niet-metriek stelsel naar een metriek stelsel veel meer te weeg. Naast de vele aanpassingen die gedaan moeten worden, moet men voorkomen dat men terugvalt op oude standaarden. Bij de invoering van de euro is dat niet meer mogelijk, omdat de oude munten uit het straatbeeld verdwenen zijn. Bij de standaarden ligt dat duidelijk anders.

De rol van het onderwijs bij de invoering van het metrieke stelsel is belangrijk geweest. Het onderwijs is een uitstekend medium om de 'waar' van het metrieke stelsel aan de man te brengen. De invoering van het metrieke stelsel vormt immers een grote omwenteling geweest met grote gevolgen. De manier van denken door de auteurs van rekenkundige boeken is door de tijd duidelijk gewijzigd. Aanvankelijk zijn de schoolboeken nog geënt op de voorloper van het metrieke stelsel. Hand over hand verdwijnt dit inzicht om plaats te maken voor de tweede stroming: het leren van het tientallig stelsel en het nieuwe metrieke stelsel zonder om te zien naar de oude maten en gewichten.

Naast de gewijzigde boeken moeten ook de onderwijzers opnieuw in de leer om zich het nieuwe metrieke stelsel machtig te maken. Dit is niet van een leien dakje gegaan getuige het grote aantal niet geslaagden. Voor velen, waaronder ook onderwijzers, is de omschakeling groot. Echter van de onderwijzers wordt verwacht, dat zij horen tot de voorhoedevechters van het nieuwe stelsel.

Voortdurend moeten onderwijzers zich aanpassen aan de nieuwe ontwikkelingen. Dat is niet altijd gemakkelijk. Te meer daar zij die ontwikkelingen op de voet moeten volgen.

Tegenwoordig doet de ICT haar intrede. Ook nu is er een belangrijke rol voor de docent weggelegd. En helaas weten niet alle docenten deze stap te maken.

 

Bronnen

[1] G. Bigourdon, Le système métrique, Paris, 1901 (in [6], p. 648)

[2] J. de Gelder, 'Allereerste Gronden der Cijferkunst', derde druk, 1824

[3] Kroniek van Nederland, Agon Elsevier, 1987

[4] J. M. A. Maenen, De invoering van het metrieke stelsel in Nederland tussen 1793 en 1880, Aspecten van een beschavingsproces, In eigen beheer uitgegeven, 2002

[5] R. Muijlwijk, Weet wat je meet, Vertellingen over maten en gewichten, Nederlands Meetinstituut nv, Aramith, Bloemendaal, 1995

[6] D. E. Smith, History of Mathematics Vol. II, Dover Publishers, New York, 1953

[7] K. M. C. Zevenboom en D. A. Wittop Koning, Nederlandse gewichten, stelsels, ijkwezen, vormen, makers en merken, N.V. Uitgeversmij De Tijdstroom, tweede aangevulde druk, 1970

[8] R. E. Zupko, Revolution in Measurement, Western European Weights and Measures Since the Age of Science, The American Philophical Society, Philadelphia, 1990

[9] http://www.xs4all.nl/~remery/Schoolboeken/sboek19.html#Brunt

[10] http://www.leiden.nl/openmonumentendagen/bs/2002_bs_ijkwezen.html, Monique Roso

[11] http://www.xs4all.nl/~remery/Wetten/sw1822reg.html

 Figuur voorblad: Jean Henri van Swinden (1746 - 1823), 'de peter van de meter'; bron R. Muijlwijk, Weet wat je meet