Samenvatting Economische ontwikkeling Suriname 1954-2015

De studie ‘’Belaste Relatie’’ bevestigt, en nu officieel, nog eens hoe beroerd de ontwikkelingssamenwerking tussen de Surinaamse en de Nederlandse staat is geweest. Betekent dit nu dat er geen economische ontwikkeling in Suriname mogelijk lijkt?

In het paper ''50 jaar economische ontwikkeling van Suriname, een kwantitatieve macro en bedrijfseconomische benadering'', gepresenteerd op 24 mei bij Cedla, Universiteit van Amsterdam, zie www.cedla.uva.nl komt Dr. Marein van Schaaijk na diverse analyses en berekeningen tot de conclusie dat er heel goed economische groei in Suriname kan worden gerealiseerd.
Hij heeft daarvoor nog dieper gegraven dan de ontwikkelingen in de afgelopen dertig jaar en vond op basis van de database in Mamiabc 1954-2015, twee periodes van groei, namelijk 1954-1963 en 1964-1967. In de oudste periode was er wel degelijk groei, op basis van een arbeidsintensieve economische ontwikkeling, gebaseerd op een bedrijfseconomisch georiënteerd beleid. In de periode 1964-1967 was er spectaculaire economische groei, dankzij grote particulier gefinancierde investeringen in de aluinaarde, maar met nauwelijks werkgelegenheidsgroei.
De jaren zeventig kenden spectaculaire overheidsinkomsten uit Nederlandse hulp en bauxietheffing. Toen echter beide bronnen opdroogden en ook de deviezenvoorraad in 1984 op was, bleek al dat geld slechts tot tijdelijke welvaart te hebben geleid. Sterker nog, in de daaropvolgende jaren werd duidelijk hoezeer de fundamenten van de economie waren verzwakt in plaats van duurzaam verstevigd. Omvangrijke ontwikkelingshulp garandeert kennelijk geen ontwikkeling.

Daarom is in dit paper gezocht naar mogelijkheden voor economische ontwikkeling in Suriname zonder hulp. Daartoe keren we terug naar de bedrijfseconomische benadering die na 1963 uit beeld is verdwenen. Als voorbeeld de invloed van macro factoren op micro wordt de rijstsector onderzocht. Zo kan worden becijferd welke veranderingen in belastingdruk rentestand en dergelijke nodig zijn om die sector weer gezond te maken. Dat blijkt te kunnen door een pakket maatregelen, waarbij belastingverlaging een belangrijke rol speelt. Zo’n belastingverlaging is binnen enkele jaren gemakkelijk te realiseren door de overtollige ambtenaren te laten afvloeien, met nog enkele jaren doorbetalen van hun salaris.(Dat staat elders op www.stuseco.org voorgerekend op basis van het succesvolle Curaçaose voorbeeld). Er wordt voorgerekend dat momenteel de loonsom van de overheid gelijk is aan 15% van het BBP. Een derde daarvan weg levert meer op dan de ontwikkelingshulp, die tegenwoordig slechts gelijk is aan een paar procent van het BBP.

Zo’n goed macro beleid zal ook op andere producten gunstig uitwerken. Met behulp van het macromodel rekenen we vervolgens door de effecten van het zojuist genoemde pakket plus de assumptie van 7% per jaar gemiddelde groei van de totale export. Die 7 % is gelijk aan het gemiddelde van de jaren 1954-1967. Dankzij de economische groei is verdere belastingverlaging mogelijk, ook van de loonbelasting, waardoor de koopkracht kan stijgen zonder loonsverhoging, die immers ten koste van de rendementen zou gaan. Zo’n gematigde ontwikkeling van de bruto lonen is mogelijk als de overheid de overwinsten in de natuurlijke hulpbron sector af roomt, in plaats van dat over te laten aan de vakbonden. Want in dat geval zouden de hogere loonkosten als een olievlek door werken naar de rest van de economie, ook naar de arbeidsintensieve sectoren die deze last niet kunnen dragen.

Een combinatie van afromen door de overheid van overwinsten op de natuurlijke hulpbronnen, en de opbrengst door verlaging van belastingen te gebruiken, maakt koopkrachtverbetering mogelijk voor loontrekkers ook in de arbeidsintensieve sectoren. Zonder dat de loonkosten de rendabiliteit aan tasten. Zo’n beleidsscenario vereist dus afstemming tussen de sociale partners en overheid.

In het paper wordt de hele rekenpartij voorgedaan, verwijzen naar het Mamiabc.xls model dat als shareware op www.stuseco.org staat. Wie dat wenst kan de berekening van de diverse scenario’s dus zelf reproduceren. Nog beter zou het zijn als werkgeversorganisaties en vakbonden in Suriname gezamenlijk, met steun van Planbureau in het kader van de pas opgerichte SER zelf scenario’s zouden becijferen. Van die organisaties zal het moeten komen, want het is de vraag of de overheid het initiatief zal nemen om zich zelf in te krimpen ten gunste van de private sector.
Een van de interessante bevindingen van het groeiscenario is, dat het in het pakket maatregelen dat leidt tot groei, de ontwikkelingshulp niet voor komt. Groei kan dus ook zonder hulp. Suriname zou dus zelf een groeibeleid kunnen ontwikkelen en uitvoeren. En pas daarna kan worden bezien of en zo ja hoe een bijdrage van de Nederlandse staat door beide staten nuttig wordt geacht en ook gewenst. In feite wordt hier dus voor het groeibeleid een 0+ optie naar voren gebracht, zoals in 1994/1995 ook succesvol is toegepast bij het monetaire stabilisatiebeleid.

Het complete paper ''50 jaar economische ontwikkeling van Suriname, een kwantitatieve macro en bedrijfseconomische benadering’’ (16 bladzijden) plus de daarin gebruikte databases en modellen staat onder het kopje 2004 op www.stuseco.org