Curaçaose sanering
overheid: een idee voor Suriname?
Voor
mijn werk ben ik regelmatig op Curaçao en ik zag dat daar het te grote
overheidsapparaat succesvol is afgeslankt. De inkrimping is in feite door
Curaçao zelf gefinancierd door de
vertrekkers maximaal 4 jaar wachtgeld te blijven doorbetalen, gefinancierd uit
het salaris dat ze anders zouden hebben gehad. Er zijn vrijwel geen gedwongen
ontslagen gevallen zodat, achteraf bezien, het net zo goed geheel op
vrijwillige basis had gekund. Er was hierbij echter wel een belangrijke stok
achter de deur. Er was namelijk de dreiging dat later ontslag tegen minder
gunstige voorwaarden, en wellicht onvrijwillig zou kunnen plaats vinden.
Dat roept de volgende vraag op:
''Hoe
zou, op basis van de Curaçaose ondervinding, ook in Suriname snel, op
vrijwillige basis, ook zonder extra kosten, en met grote besparing na circa 4
jaar, een afvloeiing van een derde deel van de landsdienaren kunnen plaats
vinden?"
Deze notitie is in het bijzonder gebaseerd op
e-mail discussies met:
·
een
expert van Surinaamse origine, mevrouw Euridice Stuger, die bij de sanering
betrokken is geweest als arbeidsvoorwaardenjurist en hoofd van de afdeling
Arbeidsvoorwaardenbeleid en Organisatieontwikkeling van de Afdeling
Personeelszaken van het Eilandgebied Curaçao (EGC). Ze was door het ministerie
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Nederland) voor vijf jaar (eerst
drie jaar gevolgd door een verlenging van twee jaar) uitgezonden naar Curaçao
om het EGC te ondersteunen bij de bestuurlijke ontwikkeling van het EGC waar de
sanering deel van uit maakte.
·
Drs.
Danielle Haverkort, een Nederlandse bedrijfskundige, die destijds eveneens
werkzaam was bij de Afdeling Personeelszaken van het Eilandgebied Curaçao.
·
Ir.
Pablo Burgos, ook een expert van Surinaamse origine, hoofd van de afdeling
ontwikkelingssamenwerking en lid van het Management Team van Dienst Economische
Zaken Eilandgebied Curaçao (DEZ)
We bespreken de sanering eerst macro, in het
algemeen en dan micro vanuit het perspectief van een concrete dienst, namelijk
DEZ. Daarna volgen conclusies. De lezer wordt verzocht bij het vele negatieve
over het te omvangrijke overheidsapparaat in Suriname ook te bedenken, dat er
(nog?) steeds een groep van hardwerkende landsdienaren met groot verantwoordelijkheidsbesef
is. Sanering houdt daarom niet alleen in inkrimping van het totaal aantal
landdienaren, maar ook dat de overblijvenden het voorbeeld van die groep
overnemen. De huidige groep van hardwerkende landsdienaren met
verantwoordelijkheidsbesef vindt men niet alleen onder een deel van het
topkader, maar ook onder onderwijzers en een deel van het lagere kader. Dat
hardwerkende deel van de landsdienaren verdient niet alleen een hoger salaris
te krijgen, maar om te beginnen om ook weer gerespecteerd te worden. Deze notitie is heel kritisch over het
overheidsapparaat, maar ik verzoek de lezer om te bedenken dat de hele notitie
gebaseerd is op groot respect voor een (klein) deel van de landsdienaren:
wanneer hier wordt betoogd dat sanering op eigen kracht mogelijk is zonder
donor steun, dan zeggen we eigenlijk niets anders dan dat we denken dat het nog
resterende goed functionerende deel van de landsdienaren de motor kan zijn om
het hele apparaat te saneren.
Macro:
De sanering vond als volgt plaats:
Speerpunt van de sanering was het afstoten van
uitvoerende taken en het versterken van de beleidsontwikkeling. Elke dienst
kreeg zijn taakstelling (aantal in te krimpen formatieplaatsen) en in een
periode van ongeveer een maand moest worden aangegeven welke functies gemist
konden worden, uitgaande van het speerpunt van de sanering. Deze functies
werden vervolgens aan de medewerkers van de betreffende diensten mede gedeeld.
Deze medewerkers hebben toen de gelegenheid gehad om vrijwillig ontslag aan te
vragen. Bij ontslag maakten medewerkers zoals eerder gemeld aanspraak op een
wachtgelduitkering van maximaal 4 jaar.
De Nederlandse Antillen kende al een
wachtgeldregeling. Diegenen die "vrijwillig" met wachtgeld gingen
vielen nog in de oude wachtgeldregeling deze bood zicht op een wachtgeld van
maximaal vier jaar. De nieuwe regeling bood zicht op een wachtgeldregeling van
maximaal twee jaar. Bovendien waren op dat moment de overtollige plaatsen al
bekend. Een ieder kiest dan eieren voor zijn geld en gaat "vrijwillig"
met wachtgeld. Als Suriname zo een wachtgeldregeling niet kent zal een andere
constructie gevonden moeten worden. Gedacht kan worden aan de invoering van de
wachtgeldregeling waarbij een verslechtering van de regeling binnen een half
jaar in het vooruitzicht gesteld wordt (zachte dwang). Ook de invoering van het
functionerings- en beoordelingsstelsel heeft een
positieve bijdrage. Wellicht ten overvloede, voor de sanering heeft ook een
opschoning van de non-actieven plaatsgevonden, dit
zijn ambtenaren die op de loonlijst staan maar niet daadwerkelijk werken.
Tevens zijn vele diensten geprivatiseerd.
De rol van de Afdeling Personeelszaken in dit
traject was:
-
Het
ondersteunen van het Eilandgebied Curaçao bij deze exercitie:
-
de
begeleiding van de diensten:
-
het
inlichten van het personeel:
-
het
oprichten en bemensen van een Mobiliteitsbureau belast met de uitvoering van de
wachtgeldregeling en het her- en bijscholen van overtollig personeel:
-
begeleiding
van de diensten bij het herinrichten van het apparaat na de afslanking.
Voorafgaand en parallel aan
de sanering heeft ook een herstructurering van het bezoldiging- en het
beloningsstelsel plaatsgevonden, zijn functionerings-
en beoordelingsgesprekken en een nieuw functiewaarderingssysteem geïntroduceerd.
Verder was de rol van de vakbonden in dit traject
niet te onderschatten. Voordeel van het overlegstelsel dat tot nu toe op de
Nederlandse Antillen geldt, is dat er nog geen overeenstemmingsvereiste
geldt ten aanzien van ontslag. De vakbonden moeten wel gehoord worden in deze.
Andere belangrijke succesfactoren in dit proces
zijn draagvlak bij de politiek verantwoordelijken, duidelijkheid, een
gezamenlijke missie en visie voor de toekomst, zicht op verbetering evenals het
helder formuleren en communiceren van een doemscenario als er niets wordt
ondernomen.
Micro:
de sanering vanuit een concrete dienst bezien
DEZ kreeg
als taakstelling opgelegd dat bijna de helft van de medewerkers zou moeten
verdwijnen (33 full time equivalenten (fte) van de in totaal 73). Hoe men in het rapport “nothing will be
the same” aan deze benchmark
kwam is nooit medegedeeld.
Het zoveel
mogelijk saneren van uitvoerende functies
terwijl de uitvoerende taken moesten
worden behouden (bijv. het afgeven van vestigingsvergunningen, uitvoeren van
prijscontroles, uitvoering secretariaat huurcommissie) bracht natuurlijk
problemen met zich mee.
Uiteindelijk
is het Bestuurscollege (de Regering van Curaçao) akkoord gegaan met het
uitplaatsen van de huurcommissie (4 fte) en het
behouden van uitvoerende taken zoals vestigingsvergunningen en economische
controle. In totaal zijn er 23 fte (op 2
beleidsmedewerkers na uitsluitend ondersteunende functies) met wachtgeld
gegaan, waarvan lang niet allen “vrijwillig”. Bij de hogere salarissen die konden
genieten van een lange wachtgeldregeling was de animo groter dan bij de lager
betaalden, waarvan enkelen slechts aanspraak maakten op een relatief korte
wachtgeldregeling.
In een
enkel geval kreeg het management team van DEZ de vakbond op bezoek die om
verantwoording kwam vragen, bij een geval van vermeende willekeur.
Bij het
aanwijzen van de op te heffen functies moest de conceptlijst door de
gedeputeerden worden gescreend; dit bood kans op bescherming van partij
sympathisanten.
Curaçao
heeft gekozen voor eerst afslanken en daarna reorganiseren. De reorganisatie
zou begeleid worden vanuit het NBO traject Nieuwe
Bestuurlijke Ontwikkeling, Visie document EGC februari 2000) . Er is een
hele project organisatie opgezet. In de praktijk is er van de projectorganisatie
weinig terecht gekomen en waren de diensten aangewezen op zich zelf voor het in
gang zetten van het traject. Dat heeft geleid tot een zeer versnipperde
werkwijze. Onzekerheid en onvrede groeide. Velen hebben daarna hun dienst
verlaten. Hierbij moet niet vergeten worden dat de arbeidsonrust kon worden
ingedamd omdat men een uitlaatklep naar Nederland had. In Suriname is dat niet
zo.
Op Curaçao heeft (vanwege geldgebrek?) de reorganisatie te lang op zich
laten wachten en werd het voortouw niet door de ingestelde projectgroep
genomen. Zeker binnen een dienst met relatief veel beleidsmedewerkers als de
DEZ heeft dit geleid tot veel onduidelijkheid, ontevredenheid en een vertrek
van goede krachten. Het ingeslagen traject van functiewaardering heeft namelijk
voor beleidsmedewerkers absoluut geen betere waardering (salariëring)
opgeleverd, in tegendeel. Het verschil tussen salarissen in de private sector
en salarissen van academisch geschoolde ambtenaren bleef zoals het was. Als dan
door het saneren van ondersteunend personeel er een zware wissel op de
achterblijvers wordt getrokken kan je ervan op aan dat dit niet motiverend
werkt en je je doel voorbij schiet. Met minder mensen
zal zo’n dienst niet in staat zijn meer te presteren en de noodzakelijke efficiëntie
verbetering te realiseren.
Saillant is ook dat het Eilandgebied reeds
bezig was met het traject van modernisering van het financieel management.
Verbetering van de planning en budgettering (public controllers opleiding),
verbetering van de begrotingsvoorbereiding (concretisering van de
beleidsbegroting), aanvang maken met ombuiging van input naar output begroting
etc...zijn activiteiten die allen in dit stadium hebben bijgedragen bij de
verbetering van de bestuurlijke ontwikkeling. De uitvoering van de sanering
werd op korte termijn gevolgd door de introductie van het NBO traject (Nieuwe
Bestuurlijke Ontwikkeling, Visie document EGC februari 2000) waarin de nieuwe
visie gebaseerd op accountability, empowerment, efficiëntieverbetering en het klantvriendelijkheidstraject binnen de overheid als
uitgangspunten zijn gepresenteerd. Ook hebben verschillende diensten het ISO certificeringstraject opgestart.
Het Eilandgebied heeft haar producten/
taken geactualiseerd, dienstplannen voor elke dienst zijn verplicht gesteld en
m.i.v. 1 jan 2003 zal elk diensthoofd een management contract (geen juridische
binding) met zijn gedeputeerde moeten afsluiten.
Al deze activiteiten hebben bijgedragen tot een doelgerichter werken
van overheidsdiensten na de grote sanering.
Voorlopige
conclusies
De correspondentie met Euridice Stuger, Danielle
Haverkort en Pablo Burgos brengen me tot de volgende voorlopige conclusies voor
de sanering van het landsdienaren apparaat van Suriname:
1.
Geef
de ministeries een maand om een lijst op te stellen van functies die onmisbaar
zijn. Personen die deze functies bekleden kunnen niet opteren voor de
ontslagregeling.
2.
Maak
een eenvoudige vrijwillige ontslagregeling voor de andere functies. Medewerkers
op deze functies kunnen hiervoor een beperkte periode, bijvoorbeeld een half
jaar opteren. Te denken aan bijvoorbeeld 3 jaar doorbetaling van 80% van het
salaris en daarenboven nog eens 3 jaar doorgaan van de ambtelijke
ziektekostenverzekering en opbouw pensioenrechten (voor landsdienaren die pas
kort bij de overheid werken kan minder dan drie jaar wachtgeld worden gegeven);
3.
Eis
van de landsdienaren die niet opteren voor ontslag dat ze voortaan 8 uur per
werkdag aanwezig zijn en bovendien gedurende die tijd ook werken. Er is een
cultuuromslag nodig;
4.
Bespreek
de plannen in een zeer vroeg stadium al met de vakbonden van de landsdienaren.
Dit is een conditio sine
qua non. Leg uit dat de sanering uiteindelijk ook in het belang is van het hele
land en alle landsdienaren;
Bezie na een half jaar wat er is gebeurd en stel
de volgende punten zo nodig bij;
5.
Gedurende
het eerste half jaar wordt gewerkt aan het opzetten van een Mobiliteitsbureau
(kan betaald worden uit de 20% lagere loonkosten bij de vertrekkers);
6.
Na
een half jaar wordt de ontslagregeling wat versoberd, maar kan men wel gebruik
maken van de diensten van het Mobiliteitsbureau;
7.
Eis
van de landsdienaren die niet opteren voor ontslag dat ze voortaan 8 uur per
werkdag op zijn minst aanwezig zijn. De volgende stap, dat ze allemaal ook
werken kan natuurlijk pas worden gezet als het overtollige personeel is
afgevloeid;
8.
Verder
wordt voor de achterblijvers voortaan niet alleen geëist dat ze aanwezig zijn,
maar ook dat er gewerkt wordt. Behalve het Mobiliteitsbureau bij de vertrekkers
worden er voor de blijvers cursussen klantvriendelijkheid georganiseerd. Te
denken aan cursussen zoals Curaçaose experts (waaronder vakbondsleiders) voor
personeel van hotel Torarica hebben gehouden.
9.
Maak
ook een aanvang bijvoorbeeld via een functiewaarderingssysteem, dat deze mensen
die niet kunnen opteren voor een gouden handdruk voortaan op een goede wijze
worden beloond voor hun werk. Door het geringer aantal landsdienaren kan er
worden bezuinigd op overheidsgebouwen en materiële uitgaven. Het daarmee
uitgespaarde geld kan worden gebruikt voor betere honorering van het kader.
10.
Doordat
het management bij de overheid minder personeel hoeft te begeleiden, kan er ook
worden bezuinigd op het aantal management functies.
Dit hele saneringsprogramma kost de overheid geen
cent extra en kan dus ook zonder donor steun worden uitgevoerd, zoals Curaçao
heeft laten zien. Daar is eenderde deel van de ambtenaren afgevloeid zonder
steun van Nederland of andere donoren.
In discussies is gebleken dat dit punt
verduidelijking behoeft. We vergelijken een toestand zonder sanering B met een
toestand met sanering A. In geval A betaalt de overheid een kleiner bedrag aan
salarissen dan in geval B, want diegenen die opteren voor ontslag ontvangen
geen salaris meer. Zij ontvangen echter nog wel enkele jaren iedere maand een
wachtgeld gelijk aan 80 % van hun loon.
Per saldo is er de eerste jaren dus een besparing gelijk aan 20% van het loon
dat de ontslagenen anders zouden hebben gehad. Na drie jaar stoppen de wachtgeld
uitkeringen en is er dus een besparing van 100% van de loonsom die de overheid
zou moeten hebben betaald als er geen sanering was geweest. De 20% besparing
gedurende de eerste drie jaar kan worden gebruikt voor de financiering van een
mobiliteitsbureau, dat vertrekkers
desgewenst helpt bij herscholing, het trainen in het vinden van een werklustige
attitude (veel landsdienaren hebben nog nooit echt gewerkt en weten
vermoedelijk niet eens wat dat is), het zoeken van een baan of het opzetten van
een bedrijf.
Het voorgaande lijstje kan geheel gefinancierd
worden uit de lonen die niet meer hoeven te worden betaald aan de vertrokkenen.
Na enkele jaren is dat niet meer nodig en kunnen de belastingen fors worden
verlaagd.
Conclusies:
1.
Saneren
is op Curaçao mogelijk gebleken;
2.
Het
kan op vrijwillige basis, mits er een acceptabele wachtgeld regeling is;
3.
Het
kost geen extra geld: de wachtgelden en het mobiliteitsbureau kunnen worden
gefinancierd uit de lagere loonsom;
4.
Suriname
kan er – net als Curaçao- zelfstandig, ook zonder donorsteun, toe over gaan.
En verder
Tot zover de les die uit de succesvolle sanering
op eigen kracht op Curaçao kan worden getrokken voor Suriname. Hier gaan we nog
in het kort in op twee vragen: om hoeveel personen gaat het en wat is de link
met de particuliere sector.
Hoeveel
landsdienaren zijn er teveel?
Elders op www.stuseco.org
staat een berekening van het aantal ambtenaren per hoofd van de bevolking van
het jaar 1954 tot heden. Daaruit blijkt dat het aandeel vroeger, toen het onderwijs
nog goed was, de helft bedroeg van nu. In een recente studie van Dirk Kruit
& Marion Maks, ‘’De armoede in Suriname,
1980-2000’’ in tijdschrift OSO, november 2002,
wordt een UNDP studie uit 1974 aangehaald, waaruit blijkt dat toen
10.000 van de ongeveer 25.000 landsdienaren te veel waren. Ook uit een internationale vergelijking op www.stuseco.org
blijkt dat er in
Suriname eenderde tot de helft van het aantal landsdienaren kan worden gemist.
Er zijn er thans ongeveer veertig duizend, dus zo’n twintig duizend teveel.
Hoeveel
zullen er opteren voor vrijwillig ontslag?
Uit De Ware tijd van 4-12-2002 blijkt dat er de
afgelopen twee jaar 1200 landsdienaren bij zijn gekomen, waarvan slechts 224
kader. Dus nog voor de recente loonsverhogingen! Dat betekent dat het kennelijk, ook nog voor
de salarissen met 70% werden verhoogd aantrekkelijk was om landsdienaar te
worden. De lagere functies worden bij de overheid kennelijk beter betaald dan
elders. Lang niet alle overtollige
landsdienaren zullen daarom opteren voor een wachtgeldregeling. Hoeveel
landsdienaren zouden opteren voor vertrek is moeilijk te voorspellen. Het is
afhankelijk van:
1.
Trek
factor: hoe goed is de wachtgeldregeling?
2.
Duw
factor: zal men gaan eisen dat de resterende landsdienaren 8 uur per werkdag
moeten gaan werken?
3.
Huidige
vraag naar arbeid in de particuliere sector
4.
Extra
vraag in de particuliere sector als belastingen omlaag kunnen dankzij vertrek
landsdienaren, na afloop wachtgeld jaren
5.
Creatie
van banen door landdienaren die een bedrijf beginnen
De vraag is echter of men moet wachten op zo’n
voorspelling van de aantallen. Men kan gewoon beginnen met een vrijwillige wachtgeldregeling voor de
niet onmisbaren, plus van de achterblijvers eisen dat
ze acht uur per dag gaan werken. Dan zal wel blijken hoeveel landdienaren zelf
(eventueel met behulp van mobiliteitsbureau) een baan vinden of een bedrijf op
zetten. Veel ambtenaren hebben nu al nevenaktiviteiten
en kunnen van daar uit de sprong maken.
Pas na deze eerste vrijwillige ontslagronde en de
daarbij opgedane ervaring kan men een tweede stap zetten en de druk opvoeren:
dan niet alleen eisen dat de landsdienaren 8 uur per dag aanwezig zijn maar ook
value for money geven. Daartoe dienen prestatie afspraken te worden
gemaakt. Ook kan men in tweede ronde de salarissen concurrerend maken met die
van het bedrijfsleven. Dat zal veelal in houden dat het hard werkende kader
meer gaat verdienen, en dat diegenen die weinig presteren minder salaris
krijgen.
Macro
effecten
Door de sanering van het overheidsapparaat zal de
loonsom bij de overheid na enkele jaren kunnen dalen, waardoor belasting
verlaging mogelijk wordt. Dat is hard nodig om het arbeidsintensieve
bedrijfsleven weer winstgevend te maken. Zie de notitie over de Rijstsector in macro economisch perspectief op www.stuseco.org Ook verwacht ik dat door de sanering het
overheidsapparaat beter zal
functioneren, want er lopen dan geen mensen meer in de weg die demotiverend
werken op de rest van het apparaat. Want laten we niet vergeten dat er naast de
nietsnutten nog steeds vele landsdienaren gewoon met verantwoordelijkheidsbesef
hard werken. Het lijkt een wonder in zo’n teleurstellende omgeving, maar ze
zijn er (nog?) wel.
Donorsteun?
Soms krijgt men wel eens de indruk dat alle heil
wordt verwacht van donoren. Er worden vele rapporten geproduceerd, meestal
geschreven door consultants, gefinancierd door
donoren, want die hebben het geld om rapporten te laten schrijven. Nu heb ik
helemaal niets tegen consultants, want ik heb zelf
een consultantsbureau zie www.micromacroconsultants.com Donoren en consultants
kunnen goed aanvullend werk doen, maar het is verkeerd om te veel van consultants en donoren te verwachten. Dat kan het eigen
verantwoordelijkheidsbesef ondergraven. Zie de notitie ‘’25 jaar
ontwikkelingssamenwerking’’ op www.stuseco.org
Ik heb de stellige indruk
(maar niet iedereen deelt die) dat de druk van donoren (om het
financieringstekort te laten verdwijnen en daarmede monetaire stabiliteit te
bereiken) de eerste helft jaren negentig averechts heeft gewerkt en het
realiseren van monetaire stabiliteit enkele jaren heeft vertraagd. Nu de
monetaire stabiliteit is bereikt is het inderdaad zaak om het overheidsapparaat
te saneren, en via lastenverlichting het bedrijfsleven de kans te geven om te
groeien. Ik vrees dat druk van donoren ook nu weer averechts zou kunnen werken.
Het lijkt me dat de kern van het vraagstuk is dat men zich zelf
verantwoordelijk moet voelen, ook voor het functioneren van het
overheidsapparaat. Donorgeld is geen goed substituut voor eigen
verantwoordelijkheid. En de Curaçaose
onderving laat zien dat zo’n sanering ook zonder donorsteun mogelijk is. De Nederlandse staatssecretaris voor
ontwikkelingssamenwerking maakt zich bezorgd omdat de hervorming van de
publieke sector op zich laat wachten. Zie brief van Van
Ardenne over de ontwikkelingssamenwerking met
Suriname op http://www.minbuza.nl. Het is echter niet nodig dat
de Nederlandse Staat zich verantwoordelijk voelt voor de gang van zaken in
Suriname. Die verantwoordelijkheid is namelijk in 1954 grotendeels en in 1975
volledig vervallen. De Nederlandse Staat is slechts verplicht om de
verdragsafspraken van 1975 na te komen. De beste weg lijkt het om de resterende
verdragsmiddelen de komende negen jaar in tranches als begrotingssteun te
geven. Dat kan voorkomen dat het misverstand ontstaat dat het saneren van het
Surinaamse overheidsapparaat het probleem zou zijn van de Nederlandse
Staat.
Doorrekenen
Het mooiste zou het zijn als de Centrale
Landsdienaren Organisatie (CLO) het voortouw zou nemen om een saneringsplan te
ontwerpen. De macro economische effecten kunnen worden doorgerekend met
Suryamodel van SPS, CBMOD van Centrale Bank of het Mamiabc
model van de Stuseco (zit in sheet model van TurboABS als shareware op www.stuseco.org),
nadat in die modellen het micro blok is geactiveerd. Dan zal duidelijk worden dat sanering van
overheid en groei particuliere sector met elkaar samen hangen. Na inkrimping
van het overheidsapparaat wordt lastenverlichting mogelijk, waardoor de rendementen
weer positief kunnen worden en dat is de motor voor investeringen en vervolgens
groei werkgelegenheid in de particuliere sector. In afwachting van nadere
berekeningen lijkt me de juiste volgorde:
Eerst een soepele vrijwillige ontslagregeling voor
landdienaren die dat wensen. Dat zullen lieden zijn die dan voltijd werknemer
worden in het bedrijfsleven of zelf een bedrijf beginnen. Zonder kosten komt er
aldus energie vrij en bovendien kunnen de belastingen na enkele jaren omlag
dankzij de uitgespaarde loonsom bij de overheid. Dat is dus een dubbele
stimulans voor groei, dus meer vraag naar werknemers in de particuliere sector.
De volgende stap is om ook anderen een duwtje te
geven om de overheid te verlaten via marktconforme salarissen en marktconforme
inspanningen. Uiteindelijk kan de helft van de landsdienaren in het
bedrijfsleven gaan werken. Dat betekent een vergroting van de werkgelegenheid
in bedrijven met 33% en daarmede een reële, duurzame welvaarts
groei van Suriname met 33% op eigen kracht.
Deze notitie is het resultaat van e-mail en
discussie in tweede helft 2002 op Curaçao, in Suriname en in Nederland. Met
dank aan Euridice Stuger, Danielle Haverkort en Pablo Burgos die de bouwstenen voor
dit verhaal leverden. Zij zijn uiteraard niet verantwoordelijk voor de wijze
waarop ik er een verhaal van componeerde.
Marein van Schaaijk, 30
december 2002