Deugd

Vorm
nummer twee en dertig
- De Weg is eeuwig onomschreven.
- Alhoewel ze klein iis in haar natuurlijke toestand,
- durft niemand ter wereld het als onderwerp te behandelen.
- Als markiezen en koningen haar zouden kunnen handhaven,
- dan zouden de tienduizend dingen zich uit zich zelf aan hen onderwerpen
- en Hemel en Arde zouden zich verenigen om een zoete dauw te zenden.
- Als vanzelf zou dit gelijkelijk op alle dingen vallen
- zonder dat niemand van de mensen een aanwijzing daarvoor zou geven.
- Zodra we beginnen met het bedenken van een systeem,
- hebben we namen nodig.
- Dan dient je ook te weten wanneer het tijd is op te houden.
- Door op deze manier te weten wanneer op te houden
- voorkom je schade.
- De aanwezigheid van de Weg in de wereld
- is als de verwantschap van een klein stroompje in een vallei
- met rivieren en zeeen.
Deugd
nummer drie en dertig
- Anderen begrijpen is goed op de hoogte zijn;
- Je zelf begrijpen is wijs zijn.
- Anderen veroveren betekent kracht hebben;
- Je zelf veroveren betekent sterk zijn.
- Weten wanner je genoeg hebt, betekent dat je rijk bent.
- Volharding is een teken van wilskracht.
- Voorwaarts gaan met kracht betekent dat je ambitie hebt.
- Je plaats niet verliezen betekent dat je er lang blijft.
- Sterven, maar niet worden vergeten -
- Dit is [waarlijk] lang leven

De Weg bevoordeelt niemand
nummer vier en derig
- De grootse Weg stroomt overal,
- zowel aan linker- als aan rechterzijde.
- Het volbrengt zijn taken en voleindigt zijn zaken,
- en toch heeft het hiervoor geen naam gekregen.
- De tienduizend dingen vertrouwen hun bestaan eraan toe,
- en toch handelt het niet als hun meester.
- Aldus is het voortdurend zonder verlangen.
- Het kan genoemd worden met de dingen die klein zijn.
- De tienduizend dingen vertrouwen hun bestaan eraan toe,
- en toch handelt het niet als haar meester.
- Het kan genoemd worden met de dingen die groots zijn.