| 3.9 |
De
raadsheren van een keizer
noemt men raadsheer
maar in werkelijkheid zijn het leraren.
De raadsheren van een koning
noemt men raadsheer,
maar in werkelijkheid zijn het medestanders.
De raadsheren van een overheerser
noemt men raadsheer,
maar in werkelijkheid zijn het gasten.
De raadsheren van wie in gevaar verkeert
noemt men raadsheer,
maar in werkelijkheid zijn het dienaren.
De raadsheren van wie gedoemd is
noemt men raadsheer,
maar in werkelijkheid zijn het slaven.

|

|
| 3.10 |
Wie zichzelf breed
voordoet
zal velen vinden die hem uit de weg gaan.
Wie anderen steeds opnieuw [kleineert]
brengt zijn leven in gevaar
en zal in schande sterven.
In het eigen huis
kan men dat kwaad niet weerstaan
en in een noodgeval
zal men niet het juiste moment
weten te kiezen.

|
|
|
3.13 |
Het grondgebied van
een Zoon des Hemels
is duizend mijlen in het vierkant.
Van leenheren is het
honderd mijlen in het vierkant
en dat is de manier
om hen aanéén te binden.
Daarom zal degene die
een Zoon des hemels aanwijst
zorgen dat geen verwarring
mogeljk is met de leenheren.
Wie een zoon van
een hoofdvrouw aanwijst
zal zorgen dat geen verwarring
ontstaat met de zonen van bijvrouwen.
Wie een hoofdvrouw aanwijst
zal zorgen dat geen verwarring
ontstaat met de bediendes
Waar verwarring mogelijk is,
doen mensen afbreuk aan elkaar.
Waar functies door elkaar
worden gemengd,
zullen mensen elkaar hinderen.

|
|
| 3.14 |
Als
het juiste ogenblik zich voordoet
speel er dan heel snel op in
en spreek daarover niet.
als het juiste ogenblik er nog niet is
sluit dan de poort
en laat dan van jezelf
nog niet het kleinste stukje zien.

|
|
3.15
|
De loop des Hemels
omvat koude en warmte.
De loop der Aarde
omvat hoog en laag.
De aard der mensen
omvat geven en nemen.
Degene bij wie geven en nemen
in evenwicht is,
wordt aangeduid als goede koning.
Degenen bij wie geven en nemen
niet in evenwicht zijn,
die zal men verbannen
en zij zullen ten ondergaan
en sterven.
De Hemel heeft voor hen een straf
die omslaat en terechtkomt
op het eigen hoofd.

|
|
|
3.16
|
Daar waar vaste patronen
niet in het tijdperk passen,
daar zet men de Wet opzij
en hanteert men eigen inzicht.
Omdat het hanteren
van eigen izicht ongepast is
veroorzaakt dat ongeluk.

|
|
 |
|

|