|
De bron of oorsprong van de Weg is het vierde geschrift van
de Gele Keizer. Het beschrijft het verhaal van de schepping in zestien stappen.
De laatste acht verzen vormen een echo in de geschiedenis der tijden, toen de
cultuur en zeer hoog niveau moet hebben bereikt. Deze tekst sluit naadloos aan
als voorwoord op het tweede deel van de Tao te Tjing, die op het zijden
manuscript uit het graf inderdaad daarop volgt.
Bram
De begrafenis
titels 
Begin
Gids voor de wet
Naam en patroon
Beleidsverklaring
Namen geven
Oorsprong van de Weg

| 4.1 |
Het begin deed het eeuwigdurend niets
samenvallen met de absolute leegte
tot in oneindigheid.
Eenheid van oneindigheid en leegte,
voortdurend eenheid, verder niets,
een nevel van de droom
zonder licht en donker.

|
|
| 4.2 |
De verfijnde scheppingskracht
vulde grenzeloos de leegte en het niets,
puur en roerloos, zonder gloed of glans.
Daarom kon er geen gebruik bestaan,
geen verschijnsel bestaat in het lege niets,
er was geen vorm die kon bestaan.

|
|
| 4.3 |
Het absolute eeuwigdurend lege niets
had nog geen naam.
De Hemel kon het niet omspannen,
er was geen draagkracht voor de Aarde.

|
|
| 4.4 |
Een enkele unieke maatstaf,
onveranderlijk,
die past op wormen en insecten,
vogels ontstaan en vliegen,
vissen ontstaan en zwemmen,
wilde dieren ontstaan en lopen,
de talloze wezens ontstaan
en komen tot leven.
De talloze patronen ontstaan
en komen tot voltooiing.

|
|
| 4.5 |
Alle mensen zijn deel van de
schepping
maar niemand kent de naam ervan.
Alle mensen gebruiken de schepping
maar niemand ziet de vorm ervan.
'Het ene' is de benaming ervan,
'Het lege' is de woonstede ervan,
'Laten gaan' is het wezen ervan,
'Eendracht' is het nut ervan.

|
|
| 4.6 |
Dat is de reden dat de hoogste Weg
zo hoog is,
dat hij niet gezien kan worden
en zo diep, dat hij niet gepeild kan worden,
zo stralend helder,
dat er geen naam voor bestaat.
Hij bestaat als enige zonder tweede
maar geen enkele van de talloze wezens
kan hem bevelen geven.

|
| 4.7 |
Hemel en Aarde, ontvangend en
scheppend,
de vier seizoenen, Zon en Maan,
planeten en sterren, wolken en nevels,
wat zich kruipend en wriemelend voortbeweegt,
al wat kruin en wortel heeft,
alles ontleent het bestaan aan de Weg.

|
| 4.8 |
Maar de Weg wordt daardoor niet
minder,
alles keert daarheen weer terug.
Maar de Weg wordt daardoor niet meer.
Hij is zo hard dat hij niet breekt,
en zo zacht dat hij niet kan worden omgevormd.
Het allerkleinste weet er niet in door te dringen,
Het alleruiterste gaat er niet aan voorbij.

|

|
 |
 |

|
|