3.19 |
Wanneer een leenheer afziet van
vergelding
Wast hij zijn schande niet weg,
En zal hij het vergelden daar waar hij zich bevindt.

|
|

3.20 |
Waar afgunst, diefstal
en geheimen heersen
Tussen de echtgenotes van één man,
verlaag hen dan in rang
en verwijder hun persoon. Als men hen
de invloed niet ontneemt
Hen niet in rang verlaagt
en hun niet in persoon verwijdert
Dan zal dat onheil brengen.

|

|
|
3.21 |
Zolang je van binnen in je hart
Niet in harmonie met de dingen bent
Mag je niet spreken van de buitenkant
Zolang de kleine dingen niet zijn onderzocht.

|
|
| 3.22 |
Winst verzamelt zich niet in één
enkele hand
Beloningen worden niet verdubbeld
Dieren die horens dragen
Hebben geen scherpe tanden.

|
|
3.23
|
Voer bij de strijd altijd het
juiste vaandel.
Wanneer je wint, wat je verlangde,staak dan de strijd.

|
|
|
3.24
|
Koren in een aar, dat draagt geen bloem.
Oprechte woorden klinken zelden fraai.
De hoogste vreugde kent geen lacht.
Dat wat bloemen draagt, bevat altijd een pit.
En in de pit zit zeker een harde kern.

|
|
| 3.25 |
De weg van Hemel en Aarde
kent links en rechts,
kent vrouwelijk en mannelijk.
Grandioos vervult het zijn taak
en laat niet toe
dat de cirkel van inzicht wordt verbroken.
De donder is zijn wagen,
de bliksemschicht zijn paard.
Waar de één gaat, volgt de ander.
Waar de één stopt, houdt ook de ander stil.
Gebruik de Aarde en schep rijkdom.
Gebruik de volken en vorm legerscharen.
Wat niet gebruikt wordt heeft geen naam
 |
|
 |
|

|