Xenophanes

ELEGIE╦N

uitleg

Bij een plechtigheid mag wel sprake zijn van vrolijkheid, maar niet van vermaak; maat houden is de grondslag waarop de ethiek van de Grieken van het begin af aan is gevestigd.  Overmoed (hybris) is de grootste fout die de Grieken kennen.  Hybris verstoort de verhouding van de mens tot de goden en tot zijn medemensen.  Hybris is het, wanneer men ongeremd eigen lusten volgt en het geweld de vrije loop laat.  Vandaar Xenophanes' kritiek op de verhalen over Titanen.  Giganten en Centauren.  Vandaar ook zijn afwijzing van onderlinge twisten tussen de burgers van een gemeenschap.  Ook daarin zegeviert de hybris.

Eerst past het goedgezinde mannen god te prijzen met vrome verhalen en zuivere woorden. Na geplengd en gebeden te hebben om wat juist is te kunnen volbrengen - dit immers is onze eerste plicht - is het geen overmoed zoveel te drinken, dat men thuis kan komen zonder begeleider, tenzij men te zwak is van ouderdom.

Onder de mannen is hij te prijzen, die na het drinken een edele gezindheid toont, zoals voor hem het overdenken een nastreven is van het eervolle, en die niet spreekt over de gevechten van Titanen en Giganten noch van de Centauren, verzinselen van onze voorouders, evenmin van heftige burgertwisten, waarin geen enkel nut ligt. Eerbied echter voor de goden is altijd eervol.

Bijtende kritiek wordt geleverd op de overdreven sportverheerlijking met achterstelling van wat van wezenlijk belang is: het materiŰle en geestelijke welzijn van de gemeenschap.  Xenophanes vindt dat de sporthelden de verering niet in dezelfde mate verdienen als hij: zijn wijsheid (sophia), d.w.z. zijn dichtkunst, is meer waard dan spierkracht en behendigheid.

Maar als iemand door de snelheid van zijn voeten de overwinning behaalt of in een vijfkamp, in de heilige ruimte van Zeus, langs de stromen van de Pisa in Olympia, hetzij als worstelaar of als beoefenaar van de pijnlijke bokssport, hetzij in de verschrikkelijke wedstrijd pankration genaamd, dan zou hij bij zijn medeburgers hoger in aanzien staan. Hij zou bij de wedstrijden een openlijke ereplaats krijgen, de stad zou op gemeenschapskosten in zijn levensbehoeften voorzien en hij zou een voor hem waardevol geschenk ontvangen. Ook als hij zou winnen met paarden, zou dit alles hem ten deel vallen, terwijl hij daar toch niet zoveel aanspraak op kan laten gelden als ik: onze wijsheid immers is beter dan de kracht van mannen en paarden. Zonder reden echter houdt men aan deze gewoonte vast: het is echter onjuist kracht te verkiezen boven gedegen wijsheid. Want als er een bekwaam bokser onder de burgers zou zijn of iemand die uitmunt in de vijfkamp of bij het worstelen ofwel door de snelheid van zijn voeten, want dit is de voornaamste van de krachtsporten die mannen in de wedstrijd beoefenen, dan zou de stad daardoor toch niet volgens goede wetten bestuurd worden. Zij zou er weinig vreugde aan beleven, indien iemand een wedstrijd zou winnen aan de oevers van de Pisa: dat vult immers niet de schatkamers van de stad.

HEKELDICHTEN

De Grieken vonden hun godsgedachte beschreven bij Homerus en Hesiodus.  Daarop, op dit mythische en polythe´stische godsbeeld, greep rnen steeds opnieuw terug. Xenophanes vindt dit een teruggrijpen op een volstrekt onaanvaardbaar godsbeeld. Xenophanes' bezwaren zijn van morele aard: alle immoraliteit waaraan de mensen zich schuldig maken, leggen zij in hun godsbeeld en verontschuldigen daarmee zichzelf.  Xenophanes streeft naar een zuivering van het godsbeeld.

Alles wat bij de mensen schandelijk en verkeerd is hebben Homerus en Hesiodus aan de goden toegeschreven: stelen, echtbreken en elkaar bedriegen. De stervelingen menen dat de goden geboren zijn en evenals zijzelf kleren hebben, een stem en een lichaam. Maar als koeien, paarden en leeuwen handen hadden of met hun handen konden schilderen en beeldhouwen zoals de mensen dan zouden paarden de goden als paarden uitbeelden en de ossen als ossen en lichamen zouden zij maken, zoals zij zelf hun eigen lichaam hebben. De EthiopiŰrs zeggen, dat hun goden zwart zijn met een platte neus, de ThraciŰrs, dat zij blauwe ogen hebben en rode haren.

OVER DE NATUUR

De mens is in zijn kennis aan zintuigen gebonden.  God is geheel anders.  Hij is ÚÚn, geen uit verschillende delen bestaand wezen: Hij is zuivere geest, een persoonlijk, denkend wezen.  Over het onvoorstelbare kan niet op menselijke wijze gesproken worden.  De god van Xenophanes is geen particuliere god.  Hij heeft geen naam, hij is de grootste macht, die zich niet laat vangen in onze voorstellingen.  De vraag is, of de Úne god van Xenophanes monothe´stisch of panthe´stisch gedacht moet worden.

Monothe´sme is het geloof in ÚÚn van de wereld onderscheiden (persoonlijke) god; panthe´sme is de identificatie van god en wereld.

Duidelijk is, dat Xenophanes het polythe´sme afwijst, maar daardoor niet tot athe´sme komt, maar tot de aannarne van ÚÚn god.  Deze Úne god vertoont zowel monothe´stische als panthe´stische trekken.  De tegenstelling tussen beide godsbeelden ligt nog niet in het denkperspectief van Xenophanes.

EÚn God, onder goden en mensen de grootste noch in gestalte, noch in geest gelijk aan de mensen. Hij ziet als geheel, denkt als geheel, hoort als geheel. Maar zonder inspanning beweegt hij alles door de kracht van zijn geest. Altijd blijft hij op dezelfde plaats zonder enige beweging: het past hem niet zich nu eens hierheen dan weer daarheen te bewegen.