Diogenes was geboortig uit Sinope. Een zoon van Hicesius, een bankier. Diogenes bekent
feitelijk zelf dat hij in ballingschap ging, omdat hij de munt vervalst had. In Athene aangekomen, ontmoette hij daar Antisthenes. Toen deze hem afwees omdat hij
nooit leerlingen aannam, probeerde Diogenes hem door voortdurend aandringen te winnen. Toen Antisthenes eens zijn stok naar hem ophief, bood hij hem zijn hoofd aan met de
woorden:" Sla maar, want u zult geen hout vinden dat hard genoeg is om mij van u weg te houden, zolang ik denk dat u wat van belang te zeggen hebt". Van dat moment af aan was hij
leerling van Antisthenes, en daar hij maar een balling was, begon hij aan een eenvoudig leven. Hij was volgens sommigen de eerste man die zijn mantel opvouwde, omdat hij er ook in moest
slapen, en hij droeg een zak bij zich om zijn levensmiddelen in te stoppen, en hij gebruikte elke plaats voor elk doel, voor ontbijten, slapen of conversatie.
Hij had iemand geschreven om een onderdak voor hem te zoeken, en toen die man traag in het antwoorden bleek, nam hij een ton in het Metroon tot onderdak, zoals hij zelf in zijn brieven
meedeelt. Des zomers placht hij te rollen door droog zand, terwijl hij des winters met sneeuw overdekte standbeelden omarmde, aldus alle middelen aanwendend om zich te harden.
Toen hij eens een kind uit zijn handen zag drinken, gooide hij de beker weg uit zijn knapzak met de woorden:" Een kind is me in eenvoud van leven de baas gebleken". Hij gooide ook zijn
eetnap weg op soortgelijke gronden, toen hij zag dat een kind dat zijn eetnap gebroken had, een hap linzen met een stuk brood tot zich nam. Hij placht aldus te redeneren: alle dingen
behoren aan de goden toe; de wijzen zijn de vrienden van de goden, en vrienden hebben alles gemeenschappelijk; dus zijn alle dingen het eigendom van de wijzen. Hij vond ook dat vrouwen
gemeenschappelijk eigendom moesten zijn, geen huwelijk als zodanig beschouwend dan de vereniging van een man die een vrouw daartoe overreedt welke zich laat overreden. Om
dezelfde reden vond hij ook dat zoons gemeenschappelijk eigendom moesten zijn. "Toen iemand hem zijn jas terugvroeg, antwoordde Diogenes:" Als je hem mij als gift gegeven
hebt, bezit ik hem, als het maar te leen was, gebruik ik hem". Toen iemand hem hoonde met zijn verbanning, zei hij:" Maar juist daardoor, ellendeling, ben ik
gaan filosoferen". En toen iemand anders zei:" De mensen van Sinope hebben jou toch maar tot ballingschap veroordeeld", luidde zijn antwoord:" En ik hen tot thuisblijven".
Gevraagd wat hij met filosoferen verdiende, antwoordde hij:" Zo al niets anders, dan tenminste dat ik voor elk lot ben toegerust". Toen men hem vroeg waar hij vandaan kwam, zei hij:" Ik ben een wereldburger".
Hij bedelde eens bij een standbeeld, en toen men hem vroeg waarom hij dat deed, antwoordde hij:" Om er aan te wennen dat ik niets krijg".
Op een vraag waarom mensen geven aan bedelaars, maar niet aan filosofen, luidde zijn antwoord:" Omdat ze denken dat ze wel eens lam of blind kunnen worden, maar nooit verwachten te zullen gaan filosoferen".
Hij vroeg een nors man eens om een aalmoes en toen deze zei:" Goed, als je me kunt overreden", zei Diogenes:" Als ik u had kunnen overreden, zou ik u overreed hebben u op te hangen".
Bij vol daglicht stak hij een lamp aan en liep rond met de woorden:" Ik zoek een mens". Op zekere dag riep hij:" Heidaar, mensen!", en toen ze zich verzameld hadden, haalde hij uit
met zijn stok en zei:" Ik riep om mensen, niet om ploerten". Toen hij op zekere dag een ernstige uiteenzetting gaf en niemand aandacht aan hem schonk,
begon hij te fluiten, en toen de mensen zich daarop om hem heen verzamelden, verweet hij hun dat ze volledig serieus kwamen om naar nonsens te luisteren, maar dat ze traag en vol
verachting waren als het om een serieus onderwerp ging. Hij placht te zeggen dat de mensen bij het graven van kuilen voor elkaar en bij het trappen naar elkaar hun best doen elkaar te
overtreffen, maar dat geen mens ernaar streeft een goed en oprecht man te zijn. Hij verbaasde zich er over dat de geleerden onderzoek deden naar alle ellende van Odysseus, maar onbekend
waren met die van henzelf. En dat musici de snaren van een lier stemmen, terwijl ze de gesteldheid van hun eigen ziel in disharmonie laten. Dat wiskundigen kijken naar de zon en de
maan, maar geen oog hebben voor zaken die voor de hand liggen; dat de redenaars zich in hun pleidooien druk maken over de gerechtigheid, maar die nooit zelf toepassen.
Hij was knap in het verachten van anderen, en de school van Euclides noemde hij vol gal, de lessen van Plato verspilling van tijd.
Toen Plato een uiteenzetting hield over ideeën en de woorden 'tafelheid' en 'bekerheid' gebruikte, zei hij:" Een tafel en een beker zie ik, maar jouw tafelheid en bekerheid zie ik
helemaal niet, Plato". "Dat is redelijk", zei Plato, "want met je ogen zie je tafel en beker, maar je hebt geen hersens om de ideeën tafelheid en bekerheid te zien".
Plato had de mens gedefinieerd als een wezen met twee benen zonder vleugels, en genoot daarvoor faam, maar Diogenes plukte een haan kaal, bracht die de collegezaal binnen en zie:" Hier is de mens van Plato".
Toen hij eens op de markt ontbeet, riepen de omstanders telkens:" Hond!" tegen hem. "Jullie zijn de honden", riep hij, "jullie die om me heen staan als ik aan het ontbijt zit". Toen hij eens
op de markt stond te masturberen, zei hij:" Och was het ook maar mogelijk je honger te stillen door over je maag te wrijven".
Toen hij het kind van een courtisane stenen naar een massa mensen zag gooien, riep hij:" Pas op dat je je vader niet raakt". Iemand nam hem eens mee in een prachtig huis en waarschuwde hem niet te spuwen, waarop
hij na zijn keel geschraapt te hebben de man zijn speeksel in het gezicht spoog, omdat hij, naar hij zei, er geen minder geschikte plaats voor had kunnen vinden.
Bij een feest gooiden enige mensen aldoor de botten naar hem toe, zoals men dat bij een hond doet, waarop hij zich verwijderde na als een hond tegen hen aangeplast te hebben.
Toen hem gevraagd werd wat het mooiste op aarde is, zei hij:" Vrijheid van spreken". Tegen iemand die zei:" Ik ben ongeschikt voor de studie in de filosofie", zei hij:" Waarom leef je
eigenlijk, als je er niet om geeft goed te leven?" Toen Alexander eens bij hem kwam en zei:" Ik ben Alexander, de grote koning", zei hij:" Ik ben
Diogenes, de Hond". Toen hem gevraagd werd wat hij gedaan had waardoor men hem een hond noemde, zei hij:" Omdat ik kwispel tegen degenen die mij iets geven, blaf tegen degenen
die wat weigeren, en omdat ik booswichten bijt". Toen Alexander bij hem kwam en vroeg;" Ben jij niet bang voor mij?" zei hij:" Wel, wat ben je, iets goeds of iets kwaads?" en toen Alexander
antwoordde:" Iets goeds" zei Diogenes:" Wie is nu bang voor iets goeds?" Toen iemand Callisthenes gelukkig prees en zei hoe weelderig deze in het gevolg van
Alexander leefde, luidde het commentaar van Diogenes:" Helemaal niet, de man is er rampzalig aan toe, want hij ontbijt en dineert wanneer Alexander daar zin in heeft".
Toen hij eens zat te zonnen, kwam Alexander bij hem staan en zei:" Vraag van me wat je wilt", waarop hij antwoordde:" Ga dan een stap opzij, dan kan ik in de zon zitten".
Sommigen zeggen dat Alexander gezegd heeft:" Als ik niet Alexander was, had ik Diogenes willen zijn". Hij werd naar Kreta overgebracht, en daar als slaaf verkocht. En toen de veilingmeester vroeg
waarin hij bedreven was, antwoordde hij:" In het heersen over mensen". Daarop wees hij op een man uit Korinthe met een mooie purperen mantel, Xeniades, en zei:" Verkoop me aan die man, hij heeft behoefte aan een baas". |
||||