Boeken, schrijvers en boekhandels

Als liefhebber van boeken in alle soorten en
maten zal ik hier over mijn leeservaringen vertellen, mijn favoriete schrijvers
bespreken en verwijzen naar (nieuwe of oude) interessante boeken en
boekhandels. Van mijn fascinatie voor Janusz Korczak, John
Dewey en Hannah Arendt (alle drie geweldige
boekenschrijvers) en hun werk doe ik elders op deze website verslag, kijk in
het menu links.
Er gaat
niets boven een écht boek … zoals deze clip laat zien.
Inkt!
Boekenliefhebbers lezen natuurlijk het prachtglossy Inkt! Dit bestaat sinds zomer 2009 en verschijnt om de twee maanden. Ik heb tot nu toe in elk nummer een literaire recensie geschreven.
*
In het eerste nummer besprak ik twee reisboeken van Paul Theroux. Mijn
bijdrage is hier
te lezen (pdf).
* Aan het tweede nummer (zomer 2009) droeg ik bij door een verslag van mijn
parallelle lezing van Mrs Dalloway van Virginia Woolf en De
uren van Michael Cunningham (zie onder). Dat artikel kun je hier lezen (pdf).
* In het derde nummer (september 2009) besprak ik mijn lezing van The death
of Socrates van Emily Wilson (zie ook de Arendt-pagina’s op deze
website) en de roman Xanthippe (1959) van de Vlaamse auteur Paul
Lebeau. Ben je daarin geïnteresseerd, klik dan hier.
* In het vierde nummer van Inkt! (november-december 2009, pp.
12-14) staat een bespreking van de intrigerende roman To the Hermitage
van Malcolm Bradbury. Voer voor liefhebbers van geschiedenis, filosofie
èn Rusland! Klik hier.
* Nummer 5 (januari-februari 2010): een parallelle lezing van tweemaal
‘Eichmann in Jerusalem’: van Hannah Arendt en Harry Mulisch (De
zaak 40/61). Ik buig me over de literaire kwaliteiten en overeenkomsten in
deze twee inhoudelijk zeer beladen werken. Een iets uitgebreidere versie dan de
gepubliceerde kun je hier
downloaden.
* In nummer 6 (maart-april 2010) bespreek ik twee essays-in-boekvorm van de
Franse auteur Daniel Pennac: tweemaal een hartstochtelijk pleidooi voor
het lezen en voor een leescultuur op school; de tekst in iets andere vorm kun
je hier
downloaden.
* De bespreking in nummer 7 (mei-juni 2010) is gewijd aan de biografie van die andere Woolf: Leonard. Victoria Glendinning schreef zijn vuistdikke biografie die in een aantal opzichten nieuw licht werpt op het leven van Virginia. Een korte bespreking staat verderop, de uitgebreide versie is hier beschikbaar.
* In Inkt! nr 8 (september – oktober 2010) staat een bespreking van John Irvings jongste roman De laatste nacht in Twisted river. De tekst is in iets andere vorm hier beschikbaar.
* In het novembernummer 2010 van Inkt! (iets verlaat vanwege het overlijden van Harry Mulisch, maar daarom wel met veel aandacht voor diens werk) staat een korte bespreking van zijn Wenken voor de jongste dag. De tekst is in iets andere vorm hier te lezen.
* In het maart-aprilnummer 2011 besprak ik de biografie van Saul Bellow door James Atlas. In iets gewijzigde vorm kunt u deze bespreking hier downloaden.
* Het mei-juninummer 2011, #11, is gewijd aan ‘spannende boeken’. Ik bespreek er twee literaire, historische thrillers, De Caravaggio kunstgreep van Noah Charney en De hand van de schilder van Wolfram Fleischhauer. De bespreking is hier te lezen.
* In het zomernummer van 2011 schreef ik een bespreking van J.J. Voskuils wandelboeken: Inkt!, nr 12-2 (recensies) , juli/augustus 2011, pp. 34-39, hier te lezen.
* Het september-oktober nummer 2011 is deels gewijd aan kinderboeken. Ik schrijf een korte bespreking van een heel dierbaar kinderboek, Plaats voor Gino van H. Diessel, uit de jaren 60.
Boeken
Virginia Woolf
De laatste vier jaar houd ik me intensief bezig met het werk van de Engelse schrijfster Virginia Woolf (1882-1941). Daarom zet ik mijn besprekingen van haar boeken hieronder bij elkaar. De kennismaking met haar werk verliep aldus. Ik ben een fan van de muziek van de Amerikaanse componist Philip Glass. Deze heeft, onder zeer veel andere stukken, een flink aantal filmscores op zijn naam staan. Zo ook van de film The Hours (De uren). Ik beluisterde eerst deze muziek en bekeek toen de film The Hours, onder regie van Stephen Daldry (2002). Nicole Kidman speelt daarin de rol van Virginia Woolf en Meryl Streep van (een moderne) Mrs Dalloway, naar een van Woolfs boeken. Daarna las ik het boek De uren, geschreven door Michael Cunningham. Beide maakten grote indruk op me. Naar aanleiding hiervan begon ik werk van Woolf te lezen en startte met Mrs Dalloway.
* Ik las dus direct na elkaar de roman De uren (1999) van Michael Cunningham, waarin met veel fantasie de ineengewoven levensverhalen van Virginia Woolf, Mrs. (Clarissa) Dalloway en Mrs. Brown worden verteld en van Virginia Woolf zelf haar baanbrekende roman Mrs Dalloway (1925). In dit laatste boek worden op één dag (in juni 1923) in het Londense Bloomsbury verleden, heden en toekomst van de protagoniste bijeengebracht. ‘Mrs Dalloway’ wordt vanuit verschillende perspectieven belicht en dat levert een veelzijdig portret op. Er passeert (soms letterlijk) een hele stoet figuren die hun eigen troubles en eigenaardigheden hebben, voor een deel als nasleep (shell-shock?) van de 1e wereldoorlog. Septimus Smith is er zo een. Een andere belangrijke figuur is Peter Walsh, recent teruggekomen uit het Verre Oosten en eens de man op wie Mrs Dalloway verliefd was. De nogal vaag getekende prime-minister; Mrs Dalloways dochter, Elisabeth die op de drempel van de volwassenheid staat; en zo nog een aantal, van jong tot oud, in verschillende levensfasen. Het boek culmineert in het feestje dat Mrs Dalloway ’s avonds geeft en waarop zij als het ware van gast tot gast dwaalt die haar steeds becommentariëren. De onrustfactor is het bericht van de zelfmoord van een jongeman dat tijdens het feestje opduikt (het gaat om de eerder genoemde Smith, al wordt deze niet als zodanig genoemd door Woolf). Het boek bevat talrijke verwijzingen naar Londen anno 1923, ik noemde al de oorlog; ook aan de moderne techniek, in de vorm van snelle auto’s, luchtreclame wordt gerefereerd. Ook zit het boek vol met verwijzingen naar (lesbische) homosexualiteit.
Het blad The New Yorker noemde Mrs Dalloway: ‘One of the few genuine innovations in the history of the novel’. Ik kan dat niet beoordelen maar ervoer het lezen wel als een ‘spannende’ en vaak verrassende aangelegenheid. In Woolfs stijl (ze deed overigens een paar jaar over het schrijven van dit boek) springen naar voren: korte, directe zinnen die vaak in slechts enkele woorden een sfeer schetsen; herhaling, soms letterlijk, soms parafraserend. Veel interne monologen, er wordt veel ‘gedacht’ door de figuren. Het boek van Michael Cunningham is getiteld De uren (The Hours) en dat was de titel die Woolf eerst voor Mrs Dalloway in gedachten had. Tijd is namelijk een belangrijk aspect in dit boek, gesymboliseerd door het slaan van de Big Ben en het verlopen van het leven in fasen. In zijn boek komt de ‘echte’ Virgina Woolf voor die in 1941 zelfmoord pleegde, een ‘Mrs Dalloway’, nu als ‘Clarissa Vaughan’, een (lesbische) uitgeefster anno onze tijd en Mrs Brown die haar benauwende huis- en gezinsleven tracht te ontvluchten. Clarissa is de interessantste figuur. Ze organiseert een feestje voor een oude vriend van haar, zwaar depressief nu, die een literaire prijs heeft gewonnen. Deze Richard noemt Clarissa steevast en liefdevol ‘Mrs Dalloway’. De hoofdstukken in het boek zijn (bijna) beurtelings gewijd aan een van de drie dames. Het boek is briljant geschreven, ironie en heftige scenes wisselen elkaar af. Een uitgebreidere bespreking van beide boeken, parallel gelezen, is inmiddels verschenen in het zomernummer 2009 van Inkt! onder de titel ‘Uren met Mrs Dalloway’ (dat vond ik wel een aardige parafrase) (zie boven).
* Na Mrs Dalloway kreeg ik de smaak te pakken van deze voor mij nog onbekende schrijfster en las ik Naar de vuurtoren (To the Lighthouse, 1927). Het verhaal van een huwelijk gezien door de ogen van de (niet-begrijpende) kinderen, zo zou men dit impressionistische verhaal kunnen noemen. Het is geschreven in een stijl met veel monologues interieurs en andere bespiegelingen. De vuurtoren en de boottocht ernaar toe staan voor het onbereikbare, ongrijpbare in relaties. Uit commentaren op dit werk begrijp ik dat dit het meest autobiografische boek van Woolf is, met herinneringen aan haar vroeg-overleden moeder en haar broers en zussen. Mede daardoor en doordat haar werk werd onderbroken door hoofdpijnaanvallen en depressies heeft ze er lang over gedaan het in de gepubliceerde vorm te produceren. Dit is een buitengewoon complex boek, geschikt om te herlezen (aantekening 13-2-2010).
* Daarna las ik Orlando. A Biography (1928): de gefantaseerde biografie (met foto’s!) van een edelman uit de 16e eeuw die ergens in de 17e (!) zomaar ineens in een vrouw verandert … als vrouw gaat leven en be-leven, denken, kleden, zich gedragen. Geschreven in werkelijk schitterende uitgesponnen zinnen, prachtig Engels, heerlijk om te lezen. Opmerkelijk genoeg is mijn editie er een in the Library of gay and lesbian experience. Dit boek was tevens een ‘liefdesbrief’ aan Vita Sackville-West. Een aantal boeken van Woolf ligt klaar om te lezen. Allereerst The Waves (zie hieronder een uitvoerige bespreking). Verderop doe ik verslag van de theatervoorstelling Orlando die ik in januari 2010 bezocht.
* Virginia Woolf had nog tien jaar te leven toen zij in 1931 The Waves
schreef, een boek dat geschreven lijkt door een door dood en vergankelijkheid
geobsedeerd persoon. Het hele boek, circa 200 pagina´s, staat in het teken van
de ´golven´ van het leven: het komen en gaan van vriendschappen en liefdes, van
stad en platteland, van opbloei en vergaan. Er zijn zes ´sprekende´ personen
die het verhaal dragen (‘Maar is er wel een verhaal?’, vraagt een van hen, Bernard,
zich op het einde af): Neville, Louis, Jinny, Rhoda, Susan en de al genoemde
Bernard. Het bijzondere van de constructie van het boek is dat zij steeds om
beurten spreken, ieder met een eigen ´stem´, een eigen levensverhaal, een
typerend karakter. Het zijn dus monologen, geen dialogen. Deze ´vondst´ van
Woolf is een zeer dwingende. Ik vermoed dat zij ter ´verlichting´ hiervan een
aantal bespiegelingen heeft ingebouwd, dat wil zeggen negen beschrijvingen van
de natuur, met name van de zee en de golven die op de kust stromen dan wel
beuken. Het zijn schitterende beschrijvingen waarin Woolfs enorme
taalrepertoire volledig tot ontplooiing komt. Deze observaties vormen samen een
complete dag, van zonsopkomst tot zonsondergang.

Terug naar de hoofdlijn. De zes hoofdpersonen spreken dus om de beurt, soms een lang stuk, pagina´s lang zelfs, dan weer wat korter. Al doende zien we in deze roman complete biografieën voorbij komen, van de kindertijd tot en met de ´oudere´ middelbare leeftijd, en daartussen in de adolescentie en de volwassenheid. Steeds komen dezelfde thema´s terug: de onderlinge vriendschap in al zijn wankeling, de verhouding tot de ´buitenwereld´ in de vorm van school, gezin, werk en natuur. De figuren vragen zich steeds af, wie ben ik? Is er wel één ‘Bernard’ bijvoorbeeld, of zijn er meerdere, ontelbare zelfs, afhankelijk van de sociale situatie waarin hij zich bevindt? Naast de monologen zijn er geen ondersteunende teksten dus we zijn geheel afhankelijk van wat de personages zeggen. Een voorbeeld. ´Now´, said Bernard, ‘let us explore. There is the white house lying among the trees. It lies down there ever so far beneath us. We shall sink like swimmers just touching the ground with the tips of their toes. (…)´ (p. 11). Hieruit en alleen hieruit kunnen we afleiden dat het clubje vrienden ergens bovenop een heuvel naar de zee beneden zit te kijken.
Een zevende figuur die zeer bepalend is voor het verhaal heb ik nog niet genoemd, is de afwezige Percival. Deze is na de diplomering naar India vertrokken, maar aldaar bij een ongeluk omgekomen. Hij is op meerdere momenten in het boek degene naar wie allen uitkijken - en dus het element dat hen verbindt - maar die niet komt en ook nooit meer zal komen. Met name Bernard heeft het daar erg moeilijk mee. Hij had een afspraak met Percival om ergens te gaan drinken maar is niet gegaan. Dit kan hij niet meer goedmaken.
Bernard lijkt de centrale figuur in deze roman die de monoloog van de laatste 40 (!) pagina´s voor zijn rekening neemt. Het lijkt erop dat hij alle karaktertrekken van de anderen in zich verenigt. Is hij ook het alter ego van Virginia Woolf? Dat is geen gekke gedachte want in alle uitingen van de personages lijkt wel ´iets´ van Woolf naar voren te komen. Zo is er bij allemaal wel een fascinatie met literatuur, poezie en/of het schrijverschap, maar – opnieuw - bij Bernard lijkt die het meest dominant. Hij maakt zich steeds zorgen over wat hij noemt zijn ´phrases´, zijn zinnen die, zo interpreteer ik het, bij hem steeds als stoplappen, als niet-authentieke uitingen opduiken. Is dit Woolfs eigen worsteling met het schrijverschap? Dat zou betekenen dat zij het zich zelfs lang na haar debuut (in 1915) nog niet makkelijk maakte, The Waves was haar zesde roman, tussen To the Lighthouse en Mrs Dalloway in.
Ik heb een aantal saillante situaties/uitspraken genoteerd:
-Neville zegt op p. 39: ´and the chained beast stamps on the beach. It stamps and stamps´. Deze metafoor komt zowel in de monologen als in de beschrijvingen van de zee en de golven een aantal keren naar voren. Let ook op de herhaling, in The Years (zie onder) komt deze stijlfiguur bijna op elke bladzijde voor.
-Op p. 78 zegt Bernard:´The authentics exist most completely in solitude´. Dit is een van die vele zinnen waarvan ik denk dat Woolfs eigen gevoel over haar schrijverschap en de problemen die het met zich meebrengt naar voren komt.
-Op p. 79 de mooie quote: ´To speak is to bring about an explosion. (...) The entirely unexpected nature of this explosion -that is the joy of intercourse. (...) There is no stability in this world. Who is to say what meaning there is in anything? Who is to fortell the flight of a word? It is a balloon that sails over tree-tops. To speak of knowledge is futile. All is experiment and adventure´. (Hannah Arendt zou hiermee zeker instemmen!)
-Op p. 91 net als in Mrs Dalloway referenties aan de ´moderne´ tijd: ´The roar of London´, said Louis, ´is all around us. Motor cars´ etc etc. Op p. 113 nog ´n keer zoiets maar dan met typewriter en telefoon. En op andere pagina´s, bv. 130, de ´Tube´.
-Op p. 93 volgens Louis ´speech is false´.
-Op p. 101 het dramatische bericht over Percival: ´He is dead´, said Neville. ´He fell. His horse tripped. He was thrown.´ Etc. Deze beschrijving komt een aantal malen terug, ook uitgesproken door Bernard.
-p. 118 gaat over ons menselijk vermogen dingen te maken en over het lichaam dat bepaalde ´signalen´ uitzendt.
-p. 127: heeft een mens meerdere ´life-skins´?
-p. 130, het is, net als Mrs Dalloway een echt Londen-boek. Zie bv. de opsomming van Londense straten.
-p. 142 Hampton Court wordt meerdere malen genoemd. Mooie quote: 'There is no panacea ... against the shock of meeting'.
-p. 148 Louis die geplaagd werd om zijn Australische accent is een geslaagd zakenman geworden. Hij is er niet gelukkiger op geworden. Net als de anderen wordt hij heen en weer geslingerd tussen genegenheid en afkeer van zijn vrienden. 'I would go with you through the fires of death. Yet am happiest alone'.
-p. 160 tot 200 bevat een volledige monoloog van Bernard die zijn vrienden stuk voor stuk 'tegen het licht' houdt. Hij begint met : 'Now to sum up'. Maar tegen wie heeft hij het? 'Since we do not know each other ... we can talk freely'. De vorige paragraaf eindigde met het uit elkaar gaan van de vriendengroep na een diner. Bernard spreekt dus niet tegen hen. Hoe dan ook, om zijn leven te verduidelijken zal hij een verhaal moeten vertellen, meerdere zelfs die echter geen van alle waar zijn. Is dat hoe Woolf haar schrijverschap beleefde? Hoe dat ook zij, Bernard begint zijn levensverhaal dan maar door als het ware steeds een bladzijde uit een prentenboek om te slaan. Al in de nursery ontmoetten de vrienden elkaar. Er is het beeld van de schrijvende vrouw dat in het boek meerdere malen voorkomt. Ook Percival wordt beschreven. En zo successievelijk de anderen. Op p. 175 is er een soort ironische verwijzing naar 'een biograaf die ik ooit had'. Mooie observatie: op hoeveel manier men 'Hier is Bernard' kan zeggen (p. 176). Zoveel kamers, zoveel Bernards. Op p. 178 wordt duidelijk dat Bernard ook vader is geworden, het is (mij) niet duidelijk met wie hij is getrouwd en wie de moeder van het (naamloze) kind is. Op p. 186 een mooie melancholieke, Voskuil-achtige opmerking over vriendschap. Op p. 187, het 'I make phrases'-motief weer. Het idee dat 'Bernard' een amalgaam is van de anderen ontleen ik aan zijn uitspraak: '... what I call my life, it is not one life that I look back upon; I am not one person; I am many people; I do not altogether know who I am - Jinny, Susan, Neville, Rhoda, or Louis, or how to distinguish my life from theirs'. Een herinnering aan een vorige reünie. Op p. 192 is Bernard opeens zonder zijn 'frasen'. 'Nothing came, nothing'. Op p. 197 de uitroep 'Lord, how unutterably disgusting life is! What dirty tricks it plays us, one moment free; the next, this. [namelijk tussen de resten van de lunch] (...) We must go. Must, must, must - detestable word'. Bernard meent zich, voor de tweede maal, te herinneren dat hij en degene tegen wie hij spreekt, elkaar een keer op een boot naar Afrika hebben ontmoet. Onderaan p. 198 zijn ze uit elkaar gegaan en is Bernard weer alleen. Hij had een aantekenboekje bij zich, dat laat hij achter. Geen 'frasen' meer. De stilte is beter. Laat me hier maar eeuwig zitten. Maar ja de kelners willen ook naar huis ... Als hij eenmaal op straat staat, voelt hij een nieuw 'golf' in zich opkomen, een nieuw verlangen. Hij ziet de dood nu als nieuwe vijand: 'Against you I will fling myself, unvanquished and unyielding, O Death!' zijn Bernards slotwoorden. Het boek eindigt daarna met de zin: 'The waves broke on the shore'.
Ik vond het een indrukwekkend boek, door de vorm maar ook door de diepte van de gevoelens die op zo’n schitterende manier worden verwoord, met de van Woolf bekende herhalingen zoals die ook in Mrs Dalloway voorkomen.
* Opnieuw een boek van Virginia Woolf (in Bredevoort heb ik er enkele ‘gescoord’), namelijk haar laatste (1939): Between the Acts. Een relatief ‘makkelijk’ boek - de flaptekst noemt het ‘lyrical’ – en een waarin Woolf, zoals steeds, haar eigen schrijverschap onderzoekt. Ditmaal in de persoon van Miss La Trobe, een toneelschrijfster/-regisseuse die in een dorp ergens in Engeland een toneelspel laat opvoeren door de bewoners. Deze zijn van diverse plumage, van ‘gewone’ arbeiders en hulpen-in-de-huishouding tot (would-be) adel met geschiedenis. Het stuk – een soort historisch overzicht van de geschiedenis van Engeland tot ‘heden’, een dag in juni 1939 - wordt in aktes opgevoerd (vandaar de titel) en daartussen spreken enkele hoofdpersonen met elkaar, of juist niet. Vader en zoon-, moeder en dochter-, man-vrouw-verhoudingen en de problematische kanten daarvan passeren de revue. Net als in The Waves zet Woolf dan zinnen tussen ( ), bijv. ‘He said (without words) “I’m damnably unhappy”’ (p. 128). Anders dan in bijvoorbeeld The Waves zijn er meer dialogen, al zit ook dit boek vol met monologues interieurs. Net als in To the Lighthouse werkt Woolf veel met visuele metaforen, bijvoorbeeld wanneer Miss La Trobe tot haar teleurstelling merkt dat ze er niet in is geslaagd hen (het publiek) te laten ‘zien’: ‘It was a failure, another damned failure! As usual. Her vision escaped her’ (p. 75). Net als in Mrs Dalloway zijn er veel verwijzingen naar het moderne leven, zoals de grammofoon (die overigens vaak dienst weigert) en overvliegende vliegtuigen.
De laatste dertig bladzijden zijn gewijd aan ‘onze tijd’ of wat Woolf veelbetekenend aanduidt als ‘ourselves’. Miss La Trobes’ experiment is personages op het podium te zetten met spiegels in hun handen die naar het publiek gericht waren. Maar helaas, het gaat mis: het publiek begrijpt het niet en bovendien gaat het tegen de verwachting in regenen. Heel gemeen geeft Woolf het (bijna) laatste woord aan de plaatselijke priester die het algemene gevoelen van onbegrip mag vertolken en die nog even de collecte ten bate van de kerk mag aanbevelen. Miss La Trobe blijft achter met het gevoel dat ze niet meer heeft gegeven aan de wereld dan ‘een wolk die aan de horizon zich met andere wolken zal vermengen’ (p. 151). Het einde van deze roman lijkt veel op dat van Mrs Dalloway. Twee van de hoofdpersonen, het zich ongemakkelijk met elkaar voelende echtpaar Isa en Giles, zijn eindelijk alleen met elkaar. Het is duidelijk, voordat ze met elkaar zouden slapen, moesten ze vechten: ‘Then the curtain rose. They spoke’ (p. 159). De laatste woorden van het laatste boek van deze schrijfster.
* Jacobs kamer (Jacob’s Room, 1922) is geschreven in een wat ik zou willen noemen ‘rapsodische’ stijl: een snelle opeenvolging van korte en langere observaties, soms van slechts een of twee woorden, dan weer in wat langere zinnen. Het is razend knap met hoe weinig middelen (maar het zal ongetwijfeld hard werken geweest zijn voor Woolf) steeds een complete sfeer, een wereld wordt neergezet. In Jacobs kamer dat men als ‘Bildungsroman’ kan lezen, gaat het om het leven vanaf de kindertijd van Jacob, een van de drie zonen van Betty Flanders, tot en met zijn dood in de Eerste wereldoorlog. (vgl. Flanders = Vlaanderen) Ik las in een commentaar op dit boek dat het vooruitloopt op of eindigt waar Mrs Dalloway (zie boven) begint. In dat laatste boek is immers het trauma van de Eerste wereldoorlog een van de centrale thema’s. Het boek eindigt heel abrupt als de moeder en de beste vriend van Jacob zijn kamer doorzoeken. Ik dacht eerst dat een aantal bladzijden uit mijn exemplaar miste maar het klopte. ‘Wat een rommel overal!’ riep Betty Flanders uit, de slaapkamerdeur opengooiend. Bonamy wendde zich van het raam af. ‘Wat moet ik hiermee doen, Bonamy? Ze hield een paar van Jacobs oude schoenen omhoog. [Einde]
* Een kamer voor jezelf (A room of one’s own, 1929; wat is het Engels toch veel sierlijker dan het plompe Nederlands!) is geen roman, ook geen verhalenboek, maar een bundeling van twee lezingen, in zes hoofdstukken over ‘de vrouw in de literatuur’ of liever het gebrek daaraan. In dezelfde vloeiende en soms springerige stijl als haar fictie houdt Woolf een pleidooi voor het serieus nemen van vrouwelijke literatoren, waar eigenlijk maar twee dingen voor nodig zijn: een kamer voor haar om in te werken en 500 pond per jaar, met andere woorden een zekere financiële onafhankelijkheid. Woolf roept vrouwen op zich in woord en geschrift uit te spreken. Gezien de stortvloed van vrouwelijke auteurs in alle mogelijke talen en literaire domeinen heeft dit ‘geholpen’.
* Een boek over Woolf, daar had ik na al het werk van de schrijfster zelf, behoefte aan. Het werd het boek Virginia Woolf van Michael Whitworth uit de reeks Authors in Context. Het mooie van dit boek is dat het het werk van Woolf vanuit verschillende invalshoeken contextualiseert en daarbij laat zien wat de impact daarvan is voor dat werk. Achtereenvolgens komen aan de orde ‘The fabric of society’ waarin het Engeland van de tweede helft van de 19e eeuw in politiek en economisch opzicht wordt beschreven. Ook de opkomst van de vrouwenbeweging, het ‘algemeen’ kiesrecht en allerlei wetgeving worden beschreven.
Veel aandacht besteedt Whitworth aan de gevolgen van de Eerste wereldoorlog. In Mrs Dalloway komen we daarmee in aanraking via Mr Septimus Smith die, lijdend aan ‘shell shock’ (althans dat wordt verondersteld, maar is het werkelijk waar?), een einde aan zijn leven maakt. Wat me verraste is Whitworths stelling dat ook The Waves in het teken van militarisme staat. Maar, inderdaad: vooral het eerste deel van dit boek waarin het schoolleven van de vrienden wordt beschreven staat daar bol van. En er is Percival, die omkomt in India. De auteur gaat uitgebreid in op het ingewikkelde klassenstelsel in Engeland met zijn ‘upper middle class’ enz. Daarna bespreekt Whitworth de ‘literary scene”: wie publiceerden er allemaal en wat was de economische positie van schrijvers? Woolf zelf ging na The Years (1937) wat verdienen met haar boeken. Een ander belangrijk verschijnsel waren de (openbare) bibliotheken waarin de notabelen overigens waakten over de goede zeden. Het verschijnsel ‘literaire agent’ kwam op. Voor Woolf was het uitermate belangrijk dat zij en haar man Leonard (thuis) de Hogarth Press hadden die niet alleen haar eigen boeken publiceerde maar ook bv. de eerste Freud-uitgaven in Engeland. Lawrence, Joyce, George Eliot, T.S. Eliot, Auden [een vriend van Hannah Arendt overigens], Spencer, dat waren de auteurs van Woolfs ‘dagen’. Er waren enkele populaire genres: over de opvoeding, het huwelijk en familiesages (denk aan Galsworthy’s Forsythe Saga). Woolf verhoudt zich kritisch hiertoe, zoals al bleek uit mijn bespreking van To the Lighthouse, en zal blijken uit The Years hieronder. Jacobs kamer is een voorbeeld van een Bildungsroman. Maar het is ook een voorbeeld van biografie, zoals ook Orlando maar dan uitzinnig dat is.
Het volgende thema is de filosofie, in het bijzonder de idee van representatie en de esthetiek. Het eerste hangt samen met de vraag in hoeverre ideeën - of kunst - een (correcte) representatie van de werkelijkheid is. Woolf was zeer geïnteresseerd in schilderkunst, zie bv. To the Lighthouse; toneel, zie Between the Acts en meer in het algemeen in de relatie tussen beeld/woord en werkelijkheid. In Mrs Dalloway, maar ook in The Years speelt het verschil tussen kloktijd en psychologischre tijd een cruciale rol. In het eerste speelt het slaan van de Big Ben door het hele verhaal heen; in het tweede volgen we een familie van 1880 tot eind jaren 30 (‘present day’). Tijd strekt zich en krimpt weer in, zo is de gedachte (vgl. The Waves). Het volgende thema is de verhouding tussen amatschappij en individu en de keuzes die men maakt. Hierin bespreekt Whitworth een groot aantal personen uit Woolfs boeken en hoe ze op elkaar reageren. In The Waves introduceert Woolf ‘de groep’ (van vrienden).
Het voorlaatste hoofdstuk bespreekt ontwikkelingen in de wetenschap en met name de geneeskunde. Woolf was op de hoogte (maar beslist geen expert) van 20e eeuwse ontwikkelingen in de natuurwetenschappen, zoals de beschrijving van het atoom in de jaren 1890. Whitworth veronderstelt dat met The Waves Woolf als het ware positie kiest in het debat tussen voor- en tegenstanders van de golftheorie in de quantumtheorie. Dit lijkt me iets te boud, maar het is wel een interessant punt. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan de wisselende beelden van Woolf zoals die in secundaire literatuur en in de film naar voren komen. Denk aan The Hours (zowel boek als film), Mrs Dalloway, van Marleen Gorris (1998) en Orlando van Sally Potter (1992). De eerste heb ik gezien, de andere twee staan op het lijstje. Dit was een interessant boek dat het werk van Woolf van veel, ook buiten-literaire kanten bekijkt.
* Tot nu toe vond ik The Waves Woolfs meest indrukwekkende boek (zie boven). Nu ik ook The Years (1937) heb gelezen, aarzel ik. Het is het boek waarin Woolf zich op intensieve wijze bezighoudt met het thema vergankelijkheid. Zij schetst het leven van de familie Pargiter van rond 1880, het Victoriaanse tijdperk tot 1937, wederom ‘present-day’. Dit laatste deel beslaat zo’n 120 bladzijden, op een totaal van 380. (Aanvankelijk had zij als titel ‘The Pargiters’ in gedachten.) Vergankelijkheid komt naar voren door het verstrijken van de jaren, het ouder worden van de (hoofd)personen in dit boek, het herinneren en het vergeten. Qua stijl viel me het ongelooflijke aantal herhalingen op; bijna obsessief herhalen de personages hun uitspraken. Een paar voorbeelden: ‘Parnell … he’s dead’. ‘Dead?’ ‘Yes ..’. ‘Parnell is dead’’, she repeated. …’Poor thing!’, she exclaimed. ‘Poor thing?’, he repeated. Een van de hoofdpersonen gaat op bezoek bij een familielid bij wie in de tuin iemand met een hamer staat te werken: ‘hammer, hammer, hammer’. Vele pagina’s later bezoekt iemand een voorstelling van Wagners opera ‘Siegfried’ en klinkt opnieuw ‘hammer, hammer, hammer’. Ook op deze manier ‘dead, dead, dead’ (dit naar aanleiding van genoemde Parnell, overigens een werkelijk bestaande Ierse politicus).
Een ander thema in dit boek, zo maakte ik op uit de uitstekende inleiding van Steven Connor, is dat van de lelijkheid. Dit komt tot uitdrukking in onder andere de verkrampte levens van de Pargiters in het Victoriaanse tijdperk, in hun neurotische gedrag en gelaatsuitdrukkingen (die Woolf associeert met het thema van het militarisme, zie Mrs Dalloway en The Waves), in vlekken op hun kleding, smerige badkuipen etc. Er wordt heel wat gewassen in dit boek; wassen, zegt Connor, is een transitieritueel tussen sociale klassen. Het thema ‘water’ kennen we natuurlijk van The Waves. Maar Woolf was zelf ook erg geïnteresseerd in nieuwigheden op het gebied van sanitair die ze ook in het boek laat verschijnen. Steeds wisselen leven, lichtheid, kleur af met doodsheid, dofheid, grauwheid. Ik vraag me af of de methode die ze koos voor haar zelfmoord in 1941, verdrinking, met dit ‘waterthema’ samenhangt.
Elk nieuw hoofdstuk, steeds een jaar tussen 1880 en 1937, begint met een beschrijving van de natuur, ook dit doet denken aan The Waves. Op een later moment zal ik nog dieper ingaan op dit intrigerende werk.

* Inmiddels ben ik begonnen aan dé Woolf-biografie, namelijk van Hermione Lee (1996), simpel getiteld Virginia Woolf. De kerstvakantie 2009 heb ik deels besteed aan het lezen van deze vuistdikke (892 pp) studie. Het geheel maakt door de gedetailleerdheid en de wijze waarop Woolf ten tonele wordt gevoerd veel indruk. In de eerste hoofdstukken brengt Lee Woolfs (toen nog Adeline Virginia Stephen) jeugd in kaart, met haar hertrouwde vader, haar moeder – beiden overleden toen Woolf nog relatief jong was – en haar (stief)broertjes en zusjes. Van deze laatste is de relatie met Vanessa, die zich zou ontwikkelen tot schilderes, het meest intensief maar ook problematisch, een soort haat-liefdeverhouding.
In de volgende hoofdstukken beschrijft Lee hoe de Eerste wereldoorlog (waar Engeland meer mee te kampen had dan ik wist) een blijvende invloed op persoon en werk van Woolf had. Zie ondermeer Mrs Dalloway hiervoor. In 1912 trouwde ze met Leonard Woolf en ‘was direct daarna drie jaar ziek’, zoals ze zelf schreef. Vele jaren van haar leven gingen op aan ziektes, klachten van zowel psychische als fysieke aard. Maar Lee rekent af met het beeld van een kwijnende, wereldvreemde ‘feministe’. Zij ziet Woolf als een juist heel krachtige vrouw die goed wist wat er in de boze buitenwereld omging. Tegelijk is het een feit dat ze met veel tegenslagen, al vanaf haar kindertijd, te kampen had. Met vele intellectuelen, schrijvers etc onderhield ze relaties; Lee houdt zich in een aantal gevallen enigszins op de vlakte over het al dan niet amoureuze gehalte hiervan.
Lee laat zien dat Woolf steeds in verschillende literaire vormen bezig was met een thematiek die haar interesseerde: ze schreef dan tegelijk in haar dagboek, in brieven aan familie of vrienden, in concepten van een essay èn in een roman. Stukken tekst die eerst in de kladversie van een roman stonden, verhuisden in de definitieve versie naar het essay. Het Bloomsbury-milieu wordt geschetst door Lee en de manier waarop tijdgenoten en latere schrijvers hiertegen aan keken (niet altijd gunstig). De Woolfs die hun eigen uitgeverij/drukkerij begonnen (de Hogarth Press gaf werk van hunzelf en van vrienden uit, later werd dit verzakelijkt) leefden veel in Londen, maar ook in huizen op het platteland, bv. in Monk’s House vlakbij Lewes. Volgens Lee is Woolf een echt Londense schrijfster, je kunt haar ‘gangen’ letterlijk nagaan in deze stad. Maar ze hield ook van de afzondering van het platteland. Beide werelden komen voor in haar werk.
Tegen het einde van de jaren 20 verdiende Woolf eindelijk geld met haar boeken, ze werd min of meer een ‘bekendheid’. Dat leidde tot veel nevenactiviteiten, zoals lezingen en optredens voor vrouwenclubs e.d. Vaak vond ze dit verschrikkelijk. Ze had haar ’fans’ die graag een ‘verhouding’ met haar begonnen, zowel mannen als vrouwen. Lee gaat niet heel diep in op Woolfs werk als zodanig (daar zijn andere bronnen voor), met een uitzondering namelijk The Years (1937) dat ik ook hierboven besprak. Het is het boek dat haar de meeste moeite kostte, bij elkaar zo’n vijf jaar en ze was niet tevreden over het resultaat. Ze ging er bijna aan onderdoor (en schreef daarna toch nog het een en ander). Volgens Lee is in dit boek haar outsider-positie het meest zichtbaar, naast heel concrete zaken als de party in het laatste deel waarvoor hun huis in Londen model stond.
In de jaren 30 maakte Woolf kennis met Freud, zijn werk kende ze al. Tegelijk zaten de Engelsen met een knoop in hun maag naar de ontwikkelingen op het continent te kijken. ‘Peace in our time’, was de boodschap van Chamberlain, maar ze zouden gauw bedrogen uitkomen. Ook hier werd me duidelijk hoe heftig in 1939-1940-1941 de Engelsen met de nazi-dreiging werden geconfronteerd; Londen werd gebombardeerd, de Woolfs moesten hun huis uit, ze gingen naar Monk’s House. En daar op 18 maart 1941 schreef ze een van haar indrukwekkendste geschriften: haar afscheidsbriefje aan Leonard. Het vreemde is dat ze daarna ‘gewoon’ andere dingen ging doen. Op 28 maart schreef ze een soortgelijk, korter briefje. Dit zette ze wel neer voor haar man. Daarna ging ze het huis uit, liep naar de rivier de Ouse, verzwaarde haar jas met een steen en liep de rivier in. Bijna drie weken later werd haar lichaam gevonden. Haar briefje getuigde van een existentiële angst voor weer een volgende mentale crisis, ze had er al vele gekend, en kon het niet meer aan. Maar Lee maakt naar mijn gevoel zeer overtuigend duidelijk dat ook de zeer reële angst voor de oorlog een enorme impact op Woolf heeft gehad. Deze terecht zeer geprezen biografie is een goudmijn voor de ‘achtergronden’ van het oeuvre van Woolf, waarvan ik hierboven een korte impressie heb gegeven.
* Joke J. Hermsen, schrijfster en filosofe, bundelde in Heimwee naar de mens (2003) een aantal beschouwingen, over onder andere Hannah Arendt (zie de sectie https://homedrive.ziggo.nl/jwa.berding@ziggo.nl/publiek/Hannah Arendt.html op deze website) en Virginia Woolf. Zij stelt dat er eigenlijk twee Woolfs waren: de ‘droefgeestige en schuchtere romanschrijfster’ aan de ene kant en aan de andere kant de ‘felle polemiste die haar angsten in dagboeken en brieven … van zich afschudt’ (pp. 166-167). Deze twee typen herkennen we inderdaad gemakkelijk uit de zojuist besproken biografie van Lee. Maar Hermsen stapt te makkelijk over het feit dat Woolfs teksten heen-en-weer zwierven tussen juist die verschillende literaire middelen, iets wat Lee overtuigend laat zien. Hermsen gaat uitvoerig in op Orlando dat zoals bekend is opgedragen aan haar vriendin Vita Sackville-West. Zij stelt dat Orlando iets teveel ‘leukigheid’ bevat. In feite draait het hele boek om ‘auteurschap’, preciezer, wat het betekent ‘biograaf’ te zijn. Volgens Hermsen ‘wint’ de ‘moderne schrijfster’ het van de ‘klassieke biograaf’ (p. 170). Daarmee wordt uiteindelijk het boek van een grap een literair meesterwerk. Het was een soort samenspraak van de schrijfster met zichzelf. Woolf werd zich er in de jaren 30 steeds meer van bewust – mede vanwege de toenemende oorlogsdreiging en uiteindelijk de oorlog zelf, zie Lee – dat ze die dialoog niet kon volhouden. Ze kon haar levenslange vraag: ‘Wie ben ik?’ slechts beantwoorden met ‘Ik ben velen’. Orlando brengt die vele ‘ikken’ in kaart.
* Een geweldige ervaring was het bijwonen van de voorstelling Orlando (subtitel: ‘Werkboek’) van Toneelgroep Oostpool in januari 2010. Met Maria Kraakman in de rol van Orlando. Deze voorstelling is vele dingen tegelijk: een ‘opvoering’ van Orlando, een reflectie op het verschijnsel biografie, een tweede op het verschijnsel ‘toneel’ en wat betekent acteur te zijn en nog veel meer. In een kaal, strak decor van zwarte achterwand, twee tafeltjes en een bankje, en soms fel aanschietende tl-balken aan het plafond of vlak boven het speelvlak spelen vier acteurs vele rollen; Orlando; Euphrosyne, de koningin, Nick Green de dichter, Marmaduke Bonthrop Shelmerdine en nog andere personages uit het boek, niet te vergeten ‘Sasja’, Orlando’s eerste liefde. De verschillende jaren uit Orlando’s 30-jarig leven worden gespeeld en ‘verteld’, op een bijna hypnotiserende manier. Prachtige teksten, zowel uit het boek als bij-geschreven, poëtisch, langdradig, met vaak ironisch commentaar als een soort tongue-in-cheek terzijdes.
Een schitterend moment is er als ‘Orlando’ uit zijn/haar rol stapt omdat de scene niet naar zijn/haar zin is. Er ontstaat een ruzieachtige sfeer tussen de acteurs, waar zijn ze nu ‘eigenlijk’ mee bezig/ Deze scene en vergelijkbare deden me denken aan de voorstelling Hannah en Martin van Mugmetdegoudentand waarin ook personages als het ware uit hun spel stappen en dat spel of de situatie becommentariëren. Er zitten ook slapstick-achtige scenes in bv. de matroos die uit het want dondert omdat hij een glimp van Orlando’s enkel heeft opgevangen, of de scene van de Turkse onlusten waarbij een van de spelers helemaal uit zijn dak gaat. De biograaf – volgens Joeri Vos, auteur van dit stuk, de centrale figuur – zit regelmatig vast: ze weet het ook niet meer, ze probeert zich te houden aan ‘de feiten’ maar die zijn of onbegrijpelijk of banaal. Het voortdurende spel tussen illusie en werkelijkheid – om de zoveel tijd komt een centrale vraag naar voren: ‘Wat is liefde?’, ‘Wat is het leven?’, maar ook worden de toeschouwers er even op gewezen dat we, inderdaad, in het theater zitten – weeft zich als een soort Droste-effect door de voorstelling heen. Het exemplaar van Orlando waarmee Joep van der Geest het toneel opkomt en waaruit hij soms citeert overleeft de voorstelling; het tekstboek van deze voorstelling echter niet: dat wordt kapotgescheurd, vertrapt en achtergelaten op het toneel.
Er is overigens één merkwaardige rol: rechtsachter op het speelvlak bevindt zich, staande en zwijgend, gedurende vrijwel de gehele duur van het stuk (2 uur en 15 minuten, zonder pauze!) een man. Pas op enkele minuten voor het einde, als Orlando snikkend ergens op een heuvel ligt, valt hij plotseling om, en rolt naar de linkerachterkant van het toneel. Ik las in een recensie dat deze rol de ‘enigmatische sfeer’ van het stuk vergroot, en dat is in die zin zo dat het geheel en al raadselachtig is wie of wat deze man voorstelt in het stuk. Is hij een zwijgende observator? Andere vraag: zouden we dit personage hebben gemist als de auteur hem er niet in had geschreven? Maria Kraakman als Orlando is groots, ze beheerst alle vormen van expressie: stembuigingen, mimiek, motoriek, het is intens en razendknap. Tijdens meerdere van haar soms lange monologen kon je de bekende speld horen vallen. Soms zijn er voorstellingen die je ‘bijblijven’: dit is er zo een.
Toevoeging 15 september 2010: voor haar rol in Orlando ontving Maria Kraakman deze week de Theo d’Or, de jaarlijkse toneelprijs voor de meest indrukwekkende vrouwelijke dragende rol.

Orlando poster Maria Kraakman
* Van Joke J. Hermsen, wier essay over Woolf ik hierboven besprak, las ik nu de (dikke, 468 pp) roman Tweeduister (Arbeiderspers, 2000). Virginia Woolf en ‘haar’ Bloomsbury-groep staan hierin centraal. De titel van het boek is ontleend aan een citaat van T.S. Eliot: ‘Verleden en toekomst/ laten maar weinig bewustzijn toe/ Maar enkel in de tijd kan het ogenblik in de rozentuin/ Het ogenblik in het prieel toen de regen neersloeg/ Het ogenblik in de tochtige kerk in ’t tweeduister/ worden herinnerd; betrokken in verleden en toekomst/ Enkel door middel van de tijd wordt de tijd overwonnen’. Het is, niet verwonderlijk in een roman over Virginia Woolf, het verschrijden van de tijd dat centraal staat. De inzet is de zoektocht van een jonge Nederlandse vrouw, Martha Thompson, naar hoe het haar Engelse vader in en na de Eerste wereldoorlog is vergaan. Tijdens die zoektocht komt ze in contact met Virginia en Leonard Woolf, T.S. Eliot en zijn vrouw Vivien, en nog een aantal figuren uit hun ‘entourage’. En ze ontmoet een oud-soldaat uit WO-1, Billy Prior, die vergelijkbare trauma’s als Septimus Smith uit Mrs Dalloway aan die oorlog heeft overgehouden. Hij is een sleutelfiguur in Martha’s speurtocht. Dat geeft Hermsen de mogelijkheid veel van de verwerking (of het gebrek daaraan) van WO-1 te beschrijven.
Net als in een aantal van Woolfs boeken zijn de delen geordend op jaartal: Proloog (1985); 1924-1925; zomer 1927 etc. tot en met 1935-1936 en de Epiloog, een time-table tot 1948, het jaar waarin Eliot de Nobelprijs voor literatuur kreeg. Vaak refereert Hermsen aan werk van Woolf (ook van Leonard overigens) en haar geworstel met The Waves en The Years. Ook de politieke en maatschappelijke situatie in London, Engeland en breder Europa komt aan de orde na 1933, de machtsovername door Hitler. Er ontstaan politieke kampen, pacifisten versus oorlogshitsers en het ‘vrouwenvraagstuk’, zoals de vraag of vrouwen het fascisme kunnen bestrijden (waar Woolf sceptisch over was, zie haar Three Guineas; zie onder). Ook zijn er veel scenes uit de Engels/Londense society en gay-wereld. T.S. (Tom) Eliot en zijn zenuwzwakke vrouw Vivien zijn twee belangrijke personages. Na het succes van The Waste Land stort hun huwelijk in, Tom bekeert zich tot het Anglicanisme, wordt redacteur en probeert zijn vrouw te laten opnemen. Die is er inderdaad psychisch behoorlijk slecht aan toe, leidt aan waanvoorstellingen etc.
Het boek draait om deze en andere personages die elkaar steeds ontmoeten, in Londen, Cornwall, Monk’s House in Rodmell, Parijs enz. De speurtocht van Martha wordt inderdaad afgerond, hoe dat verklap ik hier niet. Doordat in elk hoofdstuk steeds meerdere ontmoetingen worden gepresenteerd, met verschillende personages, moet je er als lezer goed je hoofd bijhouden. Maar dan loont het erg de moeite. Mooi om te zien hoe Hermsen in haar roman veel biografieën en literatuur over en van haar protagonisten heeft verwerkt; een enkele keer herkende ik iets uit Lee’s Woolf-biografie (zie boven).

* Als derde boek over Virginia Woolf las ik Virginia Woolf’s Women (2003) van de Engelse biografe Vanessa Curtis. Halverwege noteerde ik ergens, ‘wat een levens allemaal’. Want Curtis presenteert de lezer een schitterend, hier en daar tragisch inkijkje in het leven van vrouwen in het Victoriaanse en Edwardiaanse tijdperk. Elk van de vrouwen in Woolfs leven – haar moeder, stiefmoeder, haar zus Vanessa, Violet Dickinson, Katherine Mansfield, Dora Carrington en natuurlijk Vita Sackville-West – bracht iets ‘speciaals’ mee dat invloed uitoefende op Virginia, als mens, als vrouw, als auteur en dagboekenschrijver. Maar tegelijk was er met al deze vrouwen ‘iets’, de behoefte om Virginia te bemoederen bijvoorbeeld, of juist een uit de hand gelopen idolatrie zoals bij de componiste/dirigente Ethel Smyth, lesbische of biseksuele interesse zoals bij Carrington en Vita, en dat allemaal temidden van de door-en-door gefrustreerde Victoriaanse seksuele moraal en later temidden van de verwerking van de Eerste wereldoorlog en de opkomst van het fascisme, zowel op het continent als in Engeland zelf. Curtis schetst op indringende wijze al deze levens en levensomstandigheden en hoe ze Woolf beïnvloedden. Woolf zelf blijkt daardoor (nog) meer facetten te hebben.
Net als in de biografie van Lee komt Woolf in dit boek naar voren als een zelfbewuste, soms zelfs dappere vrouw en bepaald niet als mak slachtoffer. Nog duidelijker wordt de botheid en ongeïnteresseerdheid die ze soms zelfs naar haar beste vriend(inn)en tentoon spreidde. Haar pacifisme wordt duidelijker gepresenteerd dan in de Lee-biografie, voor haar was er een duidelijke samenhang tussen continentaal fascisme en de wijze waarop in haar eigen land vrouwen buiten het openbare leven werden gehouden. Deze bundel levensschetsen eindigt met een prachtig portret van Woolf zelf, mede aan de hand van tot dan toe onbekende foto’s. In al zijn beknoptheid (228 pp) is dit een indrukwekkend eerbetoon aan de vele vrouwen in het leven van Virginia Stephen Woolf.
* Ik las een van de essaybundels waar Virginia Woolf beroemd mee is geworden als ‘feministe’, namelijk Three Guineas uit 1938, in de Nederlandse vertaling werd dat Geachte heer, in 1980 uitgegeven door Feministische Uitgeverij Sara. De oorspronkelijke titel slaat op de drie guineas die Woolf bereid is te investeren in beantwoording van de vraag: hoe kunnen we oorlog voorkomen, nog specifieker: welke bijdrage kunnen vrouwen hieraan leveren? Het zijn dan ook drie essays waarin Woolf scherp het anti-vrouwelijke karakter van de Engelse maatschappij bekritiseert en zoals ik boven al aangaf parallellen trekt tussen deze situatie en de manier waarop in het fascisme de vrouw haar plaats wordt gewezen. Woolf wil de scheidsmuren tussen het privéleven en het maatschappelijk leven slechten (voer voor Arendt-ianen!).
‘De vrouwen’ uit haar vraag beperkt ze tot ‘de dochters van intellectuelen’, arbeidersdochters kende ze niet zo. Deze intellectuele dochters kennen geen ‘vaderlandsliefde’, er is weinig reden om trots te zijn op Engeland. Ook het kiesrecht biedt weinig soelaas, het maakt vrouwen eerder medeplichtig. Universiteiten zijn zo goed als ontoegankelijk voor vrouwen (vgl. A room of one’s own). Het in onderwijs en welzijn geïnvesteerde geld is een schijntje van de kosten van de (oorlogs)vloot. En zo gaat zij maar door, politieke statements worden ontmaskerd, maatschappelijke (wan)toestanden aan de kaak gesteld. Zeer suggestief stelt zij een foto van oorlogsslachtoffers tegenover of naast het beeld van de ‘man in uniform’, de ‘Duce’, de Tiran’. Woolfs conclusie is dat zij zich niet wenst aan te sluiten bij het mannelijk streven een oorlog te voorkomen: ‘Maar het antwoord op uw vraag moet bijgevolg luiden dat wij U het beste kunnen helpen om oorlog te voorkomen niet door uw woorden te herhalen en uw methoden te volgen, maar door nieuwe woorden te vinden en nieuwe methoden te scheppen. Wij kunnen U het beste helpen niet door ons bij uw organisatie aan te sluiten, maar door buiten, maar samen met uw organisatie te werken aan haar streven. Dat streven is voor ons beiden hetzelfde. Het is het zeker van “de rechten van allen – alle mannen en vrouwen – om overeenkomstig de grote beginselen van Rechtvaardigheid, Gelijkheid en Vrijheid als mens te worden gerespcteerd”’ (p. 203).
In mijn antiquarische exemplaar zit een krantenknipsel met een recensie van dit boek ten tijde van het verschijnen van de Nederlandse vertaling (in 1980). Maaike Meijer bespreekt het als het werk van ‘een briljante, vlijmscherpe en vastbesloten radicaal, wier werk terecht kwam op een bodem die niet bij machte was het op te nemen’. En ze voegt daaraan toe: ‘Naar mijn mening had Three Guineas een klassiek boek van de tweede golf feministische boeken moeten zijn. Maar dat kan het natuurlijk nog worden’.
Waarvan akte!, anno 1980 !….. en in 2011 ..?
* Gereed voor lezing ligt de Nederlandse bundeling van de korte verhalen (niet geheel compleet overigens): Maandag of dinsdag (Monday or Tuesday), dat begint met ‘Mrs Dalloway in Bond Street’, een van de wandelingen in Londen die je nog steeds kunt nalopen. In mei 2010 deed ik dat! Inmiddels enkele verhalen gelezen maar nog niet rijp voor bespreking.
* Ik zag het in de ramsj en kon het niet laten liggen: Leonard Woolf. A Biography van Victoria Glendinning (2006). Nu eens niet het leven van Virginia maar van haar man, van huis uit joods, politiek en intellectueel tot op hoge leeftijd zeer actief (1880 -1969). Net als in de Virginia-biografieën is zijn levensverhaal er een van netwerken op velerlei gebied, literair, intellectueel en politiek. Het enigszins dubbele karakter van Woolf, zijn onderdrukte gewelddadigheid maar ook zijn onvoorwaardelijke toewijding aan Virginia en haar literaire werk, wordt prachtig beschreven. Het is me nu nog duidelijker geworden wat een bijzonder huwelijk dit is geweest. Uiteraard ontkomt Glendinning er niet aan Virginia zelf en haar vele vriend(inn)en en kennissen voor het voetlicht te brengen: E.M. Forster, Keynes, Strachey, Roger Fry en uiteraard Vita passeren de revue evenals vele familieleden van beide echtelieden. Toch slaagt ze erin het leven van Leonard accent te geven. Een prachtige aanvulling met ook vele, voor mij nog onbekende foto’s. In Inkt!, nr 7 (mei-juni 2010) schreef ik een bespreking (zie boven).
* Het leven van Virginia Woolf kende vele kanten. Dat werd me (weer) duidelijk uit de bundel Recollections of Virginia Woolf (Joan R. Noble, Ed., 1975). Veel vrienden, familieleden en literati hebben hun herinneringen aan haar op papier gezet. Duncan Grant, Elizabeth Bowen, Clive Bell, T.S. Eliot, Vita Sackville-West, E.M. Forster en last but not least Leonard Woolf en vele andere beschrijven stuk voor stuk de ‘beauty’ van Woolf, haar ‘voorkomen’ en kleding, haar ‘genius’ en – geheel tegen het lange tijd geldende standaardbeeld in – haar vrolijkheid, geïnteresseerdheid en ‘lichtheid’.
Over het werk van Woolf wordt verschillend geoordeeld. Zo wordt The Waves zowel het beste als het slechtste genoemd. Rebbeca West: ‘The Waves is Pre-Raphaelite kitsch and should be forgotten’… Christopher Isherwood stelt dat ‘(h)er genius was intensely feminine and personal – private, almost. To read one of her books was … to receive a letter from her, addressed specially to you’. Volgens Forster zijn Mrs Dalloway, To the Lighthouse en The Waves haar grootste prestaties. Maar in The Years ‘she deserts poetry, and … she fails’. Gelukkig keerde ze in Between the Acts weer terug naar haar kracht. Het interview met Leonard Woolf, afgenomen door Malcolm Muggeridge in maart 1967 in Monks House is een prachtig, zeer direct en emotionerend gesprek, bijv. wanneer Muggeridge zegt: ‘Leonard, in this beautiful garden I find it impossible not to keep thinking of Virginia’, waarop Woolf reageert met: ‘Well, I feel that she’s almost an integral part of it because she was so fond of it’. Wat wellicht enige geheugenverfraaiing is want de tuin was toch vooral Woolfs eigen ‘ding’. Toen ik in mei 2010 Rodmell en Monk’s House bezocht was ik ook onder de indruk (zie onder). Een prachtige bundeling van herinneringen die de tegenspraken, zowel bij Virginia zelf als bij haar relaties, niet wegpoetst.
* Niet van Virginia maar van Leonard las ik zijn tweede en tevens laatste roman The wise virgins (1914/2007). Een familiegeschiedenis en een sleutelroman, hetgeen zijn moeder en zus Bella niet leuk vonden. Hij begon eraan op huwelijksreis in Cornwall. Het staat bol van de (autobiografische) conflicten tussen een drietal zussen, twee andere vrouwen en enkele mannen en het is, zo stelt Victoria Glendinning in haar voorwoord een ‘woedend’ boek. Het verhaal speelt zich af in ‘Richstead’, een fictieve buurt in Londen die wordt gecontrasteerd met Bloomsbury. De hoofdpersoon, de jood Harry, heeft een goede band met Katharine uit Bloomsbury maar is verliefd op haar zus Camilla die fysiek nogal koel is. Daarom richt Harry zich op de derde, Gwen, die niet veel meer doet dan de hele dag op een echtgenoot wachten (dit thema komt ook voor in Virginia’s debuutroman The Voyage Out, waar het gaat om de 24-jarige Rachel; dit boek ben ik nu aan het lezen; NB tegen het einde van The wise virgins schrijft Camilla een brief aan Harry met de volgende passage: ‘I told Katherine that I am an adventurer; she says I’m an adventuress. Perhaps I’m both. It’s the romantic part of tlife that I want; it’s the voyage out that seems to me to matter; the new and wonderful things’; nadruk van mij. Het thema van maar niet kunnen beginnen, verstrikt zijn in post-Victoriaans denken en verwarring over de eigen seksuele identiteit zijn de grote thema’s van beide boeken, dunkt me). In een aantal opzichten doet het werk van Leonard aan dat van Virginia denken: de puntige dialogen, de terzijde-observaties en inhoudelijk de afkeer van godsdienst (christelijk of joods), de vrijwel-onmogelijkheid om over wezenlijke zaken met elkaar te spreken. Twee weken na lezing van Leonards boek kreeg Virginia een van haar diepste depressies.
* Tussendoor las ik Portrait of a Marriage van Nigel Nicolson, deels een autobiografische schets van diens moeder en dat is Vita Sackville-West (of te wel Mrs Harold Nicolson) van wie, zo weten we inmiddels Virginia Woolf een van de geliefden was (overigens niet haar grootste) en een biografie-in-een-notendop van haar door zoon Nigel. Het geeft een prachtig inkijkje in de Engelse upperclass in de overgang van de 19e naar de 20e eeuw. De Nicolsons – Sackville Wests (ieder een familie met een lange adellijke voorgeschiedenis) bewoonden enkele van de mooiste kastelen/landgoederen van Zuid-Engeland: Knole en Sissinghurst. Psychologisch zaten er heel wat steekjes aan ze los, verkrampt en incommunicabel als ze waren onder het Victoriaanse juk. Maar Vita maakte zich van haar familie los, met name van haar dominante moeder en van haar al-te-aardige en naïeve man Harold, en begaf zich in een aantal ‘lesbische’ relaties; ik zet dat hier even tussen aanhalingstekens want het is maar de vraag of deze term 100 jaar geleden dezelfde betekenis had als tegenwoordig. Hoe dan ook, Nigel geeft een zeer realistisch maar ook liefdevol beeld van het huwelijk van zijn vader en moeder; beiden hielden er relaties met anderen op na maar waren daar volstrekt open over. Het zwaartepunt ligt bij Vita’s relatie met de Russische ‘prinses’ ‘Loesjka’ (Mrs Trefusis); deze fungeert ook in Virginia Woolfs Orlando. Deze was, zo krijgt men de indruk, veel belangrijker voor Vita dan Virginia ooit was. Aan haar besteedt Nicolson maar enkele pagina’s. Een indringend portret. Meer over Vita op http://nl.wikipedia.org/wiki/Vita_Sackville-West. Verderop bespreek ik de biografie Vita van Victoria Glendinning die ik in juli 2011 las.
* Na lezing van dit boek bekeek ik de verfilming ervan, van de in dit soort televisiedrama onvolprezen BBC, uit 1990. In de hoofdrol Janet McTeer, die de figuur van Vita, haar eenzaamheid, haar lijden om het verlies van Loesjka, perfect neerzet; overigens geweldig gecast want ze heeft zeer androgyne uitstraling. Briljante dialogen afgewisseld met actiescenes, opgenomen in Zuid-Engeland – dat landschap is toch met niets te vergelijken! - , Londen en Frankrijk. Ook een prachtig tijdsbeeld, met stoomlocs, de eerste burgerluchtvaart, de telefoon, door dat alles heen de Eerste wereldoorlog, de roaring twenties enz. Fantastisch acteerwerk. ‘Verfilming’ is overigens een ruime term, want de (auto)biografie leende zich daar vrijwel niet toe; het meeste is dus zoals dat heet ‘gedramatiseerd’. Het levert een ontroerend verbeeld verhaal op. Virginia Woolf komt er in het geheel niet in voor.
* Eerder besprak ik twee boeken van Joke J. Hermsen, haar roman Tweeduister en haar bundel Heimwee naar de mens. Nu las ik de in 2009 uitgekomen prachtige bundel essays Stil de tijd (20106). Op het omslag een still uit de beroemde film van Charlie Chaplin: Modern Times. Het is een reeks interessante beschouwingen over het fenomeen ‘tijd’ en Hermsen heeft zich, in navolging van een aantal filosofen, literatoren en andere kunstenaars, de opdracht gegeven de ‘subjectieve’ tijd ‘te redden’ van de objectieve, formele (klok)tijd. Ze oriënteert zich daarbij op de tijdfilosofie van Bergson, de filosofie van de hoop van Bloch, Peter Sloterdijks bellen-filosofie, maar ook op Canto Ostinato van Simeon ten Holt, de ‘hervonden’ tijd van Proust en Virginia Woolf en – verrassend – op de schilderkunst van Mark Rothko. De beschouwingen worden afgewisseld met mooie dagboekfragmenten waarin het fenomeen tijd ook centraal staat. Hermsen kan ontzettend goed schrijven èn lezen. Dat laatste zit haar soms een beetje in de weg: sommige passages zijn me iets teveel een uittreksel van het werk van een grote meester. Bijzonder vind ik haar parallel ‘lezen’ van het werk van Rothko en van Arendt, ik denk dat ze hier zeer origineel is. Uiteraard las ik de passages over Ten Holt, met citaten uit diens autobiografie, met veel belangstelling gezien mijn liefde voor diens muziek. Voor wat betreft Virginia Woolf houdt Hermsen het bij The Waves (De golven), en dat is jammer want voor het verschijnsel tijd is The Years, en overigens ook Mrs Dalloway in sommige opzichten, minstens zo interessant. Neemt niet weg dat Hermsen zich opnieuw bewijst als een van de beste essayisten in ons taalgebied. Het zou me niet verbazen als ook dit boek wordt bekroond.
* Inmiddels uitgelezen Woolfs debuut The Voyage Out (1915 uitgegeven bij de Hogarth Press). Het is het verhaal van de 24-jarige wat wereldvreemde Rachel die lijdt onder het suffe regime van twee tantes bij wie ze woont. In gezelschap van een andere tante en oom en enkele andere ‘typisch’ Engelse figuren en niet te vergeten twee jongemannen (Terence en St. John) gaat ze een bootreis maken (een ‘voyage out’) naar Zuid-Amerika. De heer en mevrouw Dalloway varen een stukje mee … Aan de overkant aangekomen neemt het gezelschap zijn intrek in een hotel en worden de dagen gevuld met … ja met wat? Met elkaar bekijken, met praten, met ontbijten, lunchen en dineren, een tennispartijtje, enkele excursies en met enkele verliefdheden. Arthur en Susan vinden elkaar, zoals ook Rachel en Terence elkaar uiteindelijk vinden.
Tot vrij ver in het boek lijkt het allemaal, ondanks de stierlijke en verstikkende verveling, aan te koersen op een happy end – Rachel en Terence zullen in Engeland gaan trouwen - maar het loopt geheel anders: op zo’n 50 pagina’s voor het einde wordt Rachel ziek. Het begint met hoofdpijnaanvallen (ongetwijfeld door Woolf uit eigen ervaring beschreven) die maar niet overgaan waarna een, zelfs twee incompetente artsen (een autobiografisch thema dat ook in Mrs Dalloway aan de orde komt) haar niet meer beter kunnen maken. Haar reisgenoten wijten het aan een tijdens een jungle-excursie opgedane vergiftiging of ziekte. Na een ziekbed van enkele weken waarin Rachel steeds verder verzwakt, blaast ze vredig haar laatste adem uit. Direct daarop laat Woolf Terence denken: ‘They had now what they had always wanted to have, the union which had been impossible while they lived’ (p. 360). En dan: ‘Unconscious whether he thought the words or spoke them aloud, he said: “No two people have ever been so happy as we have been. No one has ever loved as we have loved”’ (p. 360-361). En die laatste passage is toch wel heel bijzonder, want aan het einde van haar afscheidsbrief aan Leonard schrijft Virginia meer dan een kwart eeuw later: ‘I dont think two people could have been happier than we have been’. Wat is hier aan de hand? Is de cirkel rond, van begin naar einde? De overeenkomst tussen deze twee teksten is te opvallend om toevallig te zijn. Wellicht biedt een van de biografieën hier opheldering over.
* In de meivakantie 2010 stond een bezoek aan Bloomsbury in Londen en aan Monk’s House in Rodmell in Zuid-Engeland op het programma. Ter gelegenheid hiervan Mrs Dalloway herlezen en een deel van de wandelingen nagelopen die de verschillende personage door Londen maken. Dean’s Yard (naast Westminster Abbey) – Piccadilly – een boek gekocht bij Hatschard’s boekhandel (waar Mrs Dalloway een boek met werk van Shakespeare in de etalage zag liggen, met een voor het boek cruciaal gedicht) – Bond Street. In het museum Tate Britain (waar ik een schitterende tentoonstelling met werk van Henry Moore bezocht) hangen schilderijen van Virginia’s zus Vanessa Bell en haar minnaar Duncan Grant.
Het bezoek aan Monk’s House was speciaal: het is een mooi huis aan een heuvelig weggetje in het gehucht Rodmell, iets ten zuiden van Lewes, omringd door weilanden en, iets verder weg, de kalkrotsen. Het is voor een deel in tact gelaten zoals het in de jaren 20 was (de Woolfs kochten het in 1919), met een ruime zit-eetkamer, keuken en Virginia’s slaapkamer. Aan de muren hangen her en der schilderijen van de hand van Vanessa Bell en Duncan Grant. Maar, zoals Virginia eens verzuchtte: het gaat om de tuin! Die is groot en prachtig ingericht, met aan het eind het ‘werkhuisje’ waar zij veel van haar romans schreef. Hieronder enkele foto’s van de buitenzijde. (Binnen mogen geen foto’s worden gemaakt.)
* In een van de vele 2de handsboekenwinkels van Londen kocht ik een aantal mooie ramsj-boeken over Woolf. Ik ben direct gaan lezen in een zeer interessante ‘parallelle’ biografie van Virginia Woolf en haar zus Vanessa (Stephen) Bell: A close conspiracy. Vooral boeiend in het licht van de uiteenlopende wegen die beider talenten, resp. de schrijf- en de schilderkunst, namen en waarin ze elkaar zowel bewonderden als de loef probeerden af te steken. Maar ook omdat ‘de psychologie’ in beider zeer complexe levens van groot belang was. Het gemis aan een moeder(figuur) probeerde Virginia te compenseren door sterk te leunen op haar zus. Vanessa verloor haar zoon Julian in de Spaanse burgeroorlog. Beiden maakten deel uit van het Bloomsbury-netwerk, met z’n ingewikkelde (twee-, maar vaker driehoeks)verhoudingen. Virginia flirtte enige tijd met Clive Bell, de man van Vanessa – dit was voor ze Leonard Woolf ontmoette en trouwde. Bell op diens beurt hernam niet lang na zijn huwelijk het contact met zijn maitresse, en had bovendien verschillende homoseksuele relaties, waaronder met de schilder Duncan Grant. Veel van al deze en meer ervaringen is terug te vinden in zowel Vanessa’s schilderwerk (bovendien maakte zij vrijwel alle omslagen voor Virginia’s boeken) maar vooral in de boeken van haar zus. Verschillende personages bijv. in The voyage out en To the Lighthouse zijn op haar gebaseerd.
* Ik bekeek nu ook de film Mrs Dalloway, van de Nederlandse filmregisseur Marleen Gorris. In de hoofdrol een geweldige Vanessa Redgrave, maar ook andere ‘sterren’ zijn geweldig, bijvoorbeeld de ‘jonge’ Clarissa, Peter Walsh en Richard Dalloway in de flashbacks. Een knappe verfilming gezien de bijna niet filmisch te maken innerlijke monologen. Verschillende locaties in Londen herkende ik.
* Ik las in de zomervakantie 2010 de Selected Diaries van Woolf, ruim 500 pagina’s (Vintage Classics), een door Angelica Bell, haar achternicht, gemaakte selectie van circa 20% uit de totale dagboeken. Een buitengewoon indrukmakende leeservaring. Bijna elke aantekening, bijna elke dag brengt wel iets bijzonders: een observatie, een ontmoeting, verdriet, wanhoop, blijheid. Natuurlijk laten deze dagboeken Woolfs ‘typisch’ Engelse snobisme zien, haar vrienden- en kennissenkring ahd en hoog ‘OSM’-gehalte. Zelfs in haar beste vriendschappenen, zoals met Keynes, Litton, MacCarthy, Eliot en niet te vergeten Vita, was er iets ongemakkelijks, dat, denk ik, ook voortkwam uit professionele naijver; ze kon het bijvoorbeeld niet verkroppen dat haar vriendin Katherine Mansfield (1888-1923) veel beter verkocht dan zijzelf (en dat nog wel als uitgegeven door haar eigen Hogarth Press).
De dagboeken zitten, uiteraard, vol met verwijzingen naar works-in-progress, het eindeloze getob met haar romans, de bijna vernietigende arbeid van het overtypen van haar manuscripten en het corrigeren van de drukproeven. De constante, gekmakende discussies met het personeel dat ofwel zelf ontslag nam maar toch weer terugkwam of ontslag kreeg en weer in dienst werd genomen. De evenzeer gekmakende werknemers van de Hogarth Press die ofwel niet functioneerden ofwel de zaak op slinkse wijze wilden overnemen. Ook wordt, opnieuw, duidelijk welk een impact de Eerste en de Tweede wereldoorlog op haar hadden. Niet moet worden vergeten dat ten tijde van de Battle of Britain de bommenwerpers op weg naar Londen over haar Monk’s House vlogen en overigens werd die regio ook gebombardeerd. Haar huis in Mecklenburg Square werd vernietigd, ze heeft het geweld dus van dichtbij meegemaakt. Het maakt, opnieuw, aannemelijk dat deze zeer dreigende situatie een rol heeft gespeeld bij de keuze voor haar zelfdoding.
Haar laatste aantekening (in deze selectie in elk geval) luidt: ‘L. [Leonard] is doing the rhododendrons…’. Ze schreef dit op 24 maart 1941. Op 28 maart kwam aan haar leven een einde. Deze dagboeken zijn, ik kan het niet anders zien, van de hoogste literaire kwaliteit, meeslepend als de (haar) beste romans en een universum op zich. Het was moeilijk het boek weg te leggen.
* Begin augustus 2010 kocht ik, in een onooglijk zaakje met Engelse boeken in Tokio (!), de biografie van Virginia Woolf (twee delen in één band) door haar neef Quentin Bell uit 1972 die nog altijd als gezaghebbend wordt erkend. Ik heb dit boek inmiddels uit en ervan genoten. Bells portret is veelzijdig en wordt niet geplaagd door de vooroordelen die lange tijd over Woolf hebben bestaan en nog bestaan.
* Ik las achter elkaar twee boekjes van Woolf, het ene een bundel observaties over het leven in Londen en het andere haar pastiche Flush. Het eerste, The London Scene (2006) is voor wie van Londen houdt heerlijk om te lezen: de beschrijvingen van het leven op straat, de eerbiedwaardige gebouwen, de huizen van de well-to-do en niet zo well-to-do en het havengebied bieden zoveel jaar na dato veel herkenbaars. Frappant is dat het laatste ‘essay’, ‘Portrait of a Londoner’, over de tamelijk excentrieke Mrs Crowe, pas in 2004 op de University of Sussex werd terugevonden. Flush, in 1933 gepubliceerd door Woolfs eigen Hogarth Press, is een prachtige pastiche op het genre van de biografie: het gaat namelijk over de hond van die naam, een spaniel, die in het bezit was van de beroemde schrijfster Elizabeth Barrett Browning (1806-1861). Woolf zelf vond het schrijven ervan een heerlijk tijdverdrijf en haar aanstekelijke schrijfstijl slaat gemakkelijk op de lezer over. Daarnaast is het gewoon briljant geschreven in fantastisch Engels. Heerlijk. Kun je een pastiche parodiëren? Ja, dat kan en werd gedaan door de schrijfster Sigrid Nunez. Zij schreef Mitz. The marmoset of Bloomsbury (2007) en dat gaat over het aapje Mitz dat jaren lang de ‘dritte im Bunde’ van Leonard en Virginia Woolf was. Het diertje maakt de diepe dalen en triomfen van de Woolfs mee. En passant is het dus ook het verhaal van beiden en van hun Bloomsbury-groep. Nunez heeft goed gebruik gemaakt van zowel het werk van de Woolfs zelf als van verschillende biografieën. Ook dit was een heerlijk boekje om op een verloren zaterdagmiddag te lezen.
* Ik was zo gegrepen door de selectie uit de dagboeken van Woolf (zie boven) dat ik inmiddels de eerste drie delen van de volledige uitgave heb gekocht (The Diary of Virgina Woolf, bestaat uit vijf delen); inmiddels, juli 2011, ook deel 4 te pakken.
* Een heel bijzonder boek dat ik deze week las is van Rindert Kromhout en heet Soldaten huilen niet (Uitgeverij Leopold, 2010). Het is om twee redenen bijzonder: het is een jeugdboek (C-categorie) en het is geschreven vanuit het perspectief van Quentin Bell, de jongste zoon van Vanessa Bell, de zus van Virgina Woolf. Centraal staat de relatie tussen Quentin en zijn oudere broer Julian, tegen de achtergrond van het leven van de Bells in (vooral) Charleston in Zuid-Engeland (op fietsafstand van Rodmell waar de Woolfs hun buitenhuis hadden). Dat leven staat in het teken van de ‘vrije’ verhoudingen tussen Vanessa, haar man Clive (en diens vriendinnen) en de homoseksuele entourage hierom heen, Duncan Grant en David Garnett en hun kunst, met name de schilderkunst. Ook de Woolfs en andere vrienden zoals Lytton Strachey en diens vriendin Carrington treden op. Het boek is een Bildungsroman van beide broers; de een, Quentin, die een schrijverscarrière ambieert en daartoe adviezen van zijn tante Virginia krijgt en de ander, Julian, die zeer politiek bewust wordt en uiteindelijk in 1937 besluit mee te vechten met de internationale brigades in de Spaanse burgeroorlog. Daar komt hij bijna direct om het leven. Over de verhouding tussen Julian en zijn ouders ligt een doem; na jaren komt namelijk uit dat Vanessa’s derde kind, Angelica, niet van haar man is maar van Duncan Grant. Julian kan het niet verwerken dat zijn ouders en hun vrienden die zo hoog opgaven over eerlijkheid en ‘zelf nadenken’ dit al die jaren verborgen hebben gehouden.
Het boek start met een flashback in 1937. Quentin en Julian zitten in hun boomhut en spreken over doodgaan. ‘Als jij eerder doodgaat … zal ik een boek over je schrijven’, zegt Quentin tegen zijn broer. Dat is dan het boek geworden dat we nu in handen hebben. In een aantal hoofdstukken wordt steeds, vanaf 1925 tot 1937, een aantal gebeurtenissen in een jaar beschreven: de wisselende vriendschappen van de ouders, het leven in Charleston dat aanvankelijk zeer primitief is, het groeiende politieke bewustzijn van Julian, de discussies over internationale politiek, wat avontuurtjes met meisjes, de erkenning die Vanessa en Duncan als kunstenaars krijgen, tante Virginia die weer een boek afheeft, Quentin die zich oefent in het schrijven, onder andere van een huiskrant (aanbevolen door zijn tante die dat zelf ook jaren deed toen ze op Hyde Park Gate woonde), enz. Rindert Kromhout heeft zich hierbij op een werkelijk prachtige manier ingeleefd in het ‘milieu’ van Bloomsbury èn in het dagelijks leven van de beide jongens, hun ouders en hun vriendenkring. Hij heeft zich goed geïnformeerd, zo blijkt uit de achterin het boek opgenomen literatuurlijst (ik kwam een aantal bekende boeken tegen). Het boek bestaat voor een belangrijk deel uit, soms prachtige, scherpe dialogen. Soms onderbreekt Quentin (als ik-persoon) zichzelf voor een terzijde-opmerking, bijvoorbeeld over het al dan niet literaire karakter van zijn schrijfsels). Ik vind het een indrukwekkende prestatie zo in de huid van deze personages te kunnen kruipen en zonder opsmuk hun leven te schilderen. De ‘Bloomsberries’ worden niet heilig verklaard, het zijn gewone mensen van vlees en bloed die zich op hun manier staande proberen te houden. Ik vraag me af of er in de Engelstalige literatuur een dergelijk (jeugd)boek bestaat. Zo niet dan zou het zonder meer moeten worden vertaald. Van Quentin Bell zelf (hij leefde van 1910 tot 1996) las ik de Virginia Woolf-biografie (zie hierboven), nog altijd een standaard in de Woolf-receptie.

* Inmiddels deel 1 van de volledige Diaries van Virginia Woolf (Ed. Anne Oliver Bell) gelezen. Door de vele toelichtende voetnoten is de wereld van VW nu nog meer voor mij gaan leven. Nu (4 maart 2011) heb ik inmiddels deel 3 uit. Indrukwekkend. Deel 4 mee op vakantie.
* Klaar ligt om te lezen: John Lehmann’s (plaatjes)boek uit 1975 over Woolf en Bloomsbury. Inmiddels gelezen. Een mooie bundeling herinneringen ‘van binnenuit’: Lehmann werkte een aantal jaren in de Hogarth Pres (het was geen geweldig succes, hij botste nogal met Leonard, zoals meerdere medewerkers in de loop der jaren).
* Ik las het derde deel van de autobiografie van Leonard Woolf, Downhill all the way (1919-1939), dat deels overlapt met deel 2 en 3 van de dagboeken van Virginia. Het is buitengewoon interessant om de loopbaan van LW te volgen die deels parallel loopt met die van VW. Zo maken we de oprichting mee van de Hogarth Press, die door LW werd gezien – daar is hij heel eerlijk over – als een manier om zijn vrouw ‘bezig te houden’. De uitgeverij, waarin de Woolfs, soms met een enkele medewerk(st)er vrijwel alles zelf deden: zetten, drukken, binden, inpakken en verzenden, werd na een aantal jaren een enorm (commercieel) succes. De Woolfs drukten eigen werk, zoals VW’s verhaal Kew Gardens, maar ook dat van tijdgenoten als Katherine Mansfield, Vita Sackville-West en gedichten van T.S. Eliot, bijv. The Wasteland. Ook drukten ze politieke brochures en essays. In de jaren 20 gingen ze het verzameld werk van Sigmund Freud uitgeven. In dit deel van zijn biografie beschrijft LW niet alleen de literaire maar ook de sociale en politieke verwikkelingen van de jaren 20 en 30. LW was politiek zeer actief in de Labour Party, met name in de economische en internationele commissies van deze partij. Zijn netwerk bestond uit invloedrijke politici waaronder de minister-president en vele MP’s. Zelf probeerde hij afgevaardigde te worden in de House of Commons, namens de zeven universiteiten van Oxford en Cambridge maar dat mislukte. Het boek bevat verder vele portretten van tijdgenoten, waaronder de genoemde politici en vele literati. Heel interessant is ook LW’s rol als ‘mee-lezer’ van het werk van zijn vrouw. Hij maakt ook haar ‘strijd’ mee, niet alleen tijdens de eerste fase van het concipiëren van haar boeken maar ook die van het uitwerken en hertypen van het werk. (Vooral dit laatste was letterlijk ziekmakend.) Als overtuigd sociaaldemocraat bezag hij de ontwikkelingen op het vasteland van Europa met grote zorg. Toch weerhielden deze de Woolfs er niet van een rit dwars door Duitsland richting Italië te maken. Een mooie anekdote: LW had een klein huisdier, de marmoset Mitzy (een klein aapje; zie boven) en die trok zoveel bekijks dat ze overal zonder problemen worden doorgelaten, ja zelfs worden toegejuicht, met Hitler-groet en al. LW laat niet na, en dat maakt het lezen hier& daar wat ongemakkelijk, zichzelf ietwat op de borst te kloppen.
* Nu aan het lezen: Virginia’s Shorter Fiction, deels al in vertaling gelezen, nu in het origineel. Deze bundel bevat vroege verhalen en later werk als ‘An unwritten novel’ en ‘Kew Gardens’.
* Inmiddels (mei 2011) een flink aantal nieuwe, tweede-hands- en ramsjboeken van en over de Woolfs gekocht, zoals een aantal delen van de brieven van VW, een deel uit de autobio van LW en een paar mooie boeken over Bloomsbury kunst. Heerlijk allemaal.
* Tijdens een studiereis naar Londen had ik wat vrije tijd en die gebruikte ik om opnieuw Bloomsbury te bezoeken. Nu aan de hand van een wandeling in het boek Virginia Woolf’s Londen van de hand van Jean Moorcroft Wilson (1987/2000). Een heerlijk boek dat Londen in kaart brengt aan de hand van leven en werk van Virginia. Ik kwam, in Bloomsbury, op plekken waar zij en haar collega-Bloomsberries woonden en werkten. Het zijn nog steeds prachtige ‘squares’, zoals Bedford Square en Gordon Square. Sommige zijn in de Tweede wereldoorlog verwoest, zoals Tavistock Square, daar staat nu een hotel op de plaats van de woonhuizen en Mecklenburg Square. Ook bezocht ik voor het eerst Hyde Park Gate, waar op nummer 22 Virginia (en haar zus Vanessa) werden geboren. Nog steeds een mooi (doodlopend) straatje (een zgn. ‘cul de sac’). Zie de foto hieronder. Aan de muur hangen drie gedenkplaten gewijd aan Leslie Stephen, Vanessa en Virginia.
* Van de onvolprezen Quentin Bell, van wie ik eerder de biografie van VW las, tikte nu een aardig boekje over Bloomsbury op de kop, simpelweg getiteld Bloomsbury (1968/1974). Bell wijdt een beschouwing aan wat (of wie) Bloomsbury eigenlijk was. Uiteindelijk gaat het om een heel klein groepje waartoe LW, Thoby Stephen, Keynes en Lytton Strachey behoorden. De zusjes Stephen, de MacCarthy’s, Duncan Grant en Clive Bell en anderen voegden zich er later bij. VW zelf beschrijft in haar opstel ‘Old Bloomsbury’ (in Moments of Being) deze groepsvorming ook uitvoerig. Typerend waren een bepaald levensgevoel, vrijheid, ook op seksueel vlak, en een heel herkenbare kunstzinnige stijl, zie bijvoorbeeld de schilderijen van Vanessa, Grant en Roger Fry. Ze brachten veel avonden door, op Gordon Square of een van de andere adressen in Bloomsbury en discussieerden tot in de kleine uurtjes. Het waren allemaal boeiende persoonlijkheden die afstand namen van het Victorianisme van hun ouders. Alleen al het feit dat twee jongedames, VW en Vanessa, avonden met jongemannen (velen overigens homo- of biseksueel) op een zolderkamertje zaten te roken, drinken en leuteren vormde een bijna niet te bevatten breuk met het tijdperk-Victoria. Het boekje bevat reproducties van schilderwerk en een paar foto’s die ik nog niet kende.
* In de reeks ‘The British Library’ verscheen een aantal jaren gelden een deel over VW, geschreven door Ruth Webb (2000). Een mooi kijk- en bladerboek, met veel foto’s en een facsimile van een paar pagina’s van Hyde Park Gate News, het (dagelijkse) krantje dat de kinderen Stephen het leven lieten zien en dat in de praktijk bijna helemaal werd geschreven door VW. Grappig is dat op een foto van HPG nr 22 slechts één blauw bord te zien is (Londen hangt vol met dit soort borden op huizen waar beroemde mensen woonden), terwijl ik er nu toch duidelijk drie zag.
* In bovenstaand besproken boeken kwam de figuur van Vita Sackville-West (1892-1962) met enige regelmaat terug, als ‘geliefde’ van VW. Tijd om de veelgeprezen en bekroonde biografie door Victoria Glendinning te lezen, simpelweg getiteld Vita (1983/1997), begin juli op de kop getikt bij De Slegte. Glendinning schreef eerder de biografie van Leonard Woolf, zie boven en dat was een majeure prestatie. De biografie van VSW is dat niet minder. In bijna 700 pagina’s zet ze het complexe maatschappelijke, emotionele en (bi)seksuele leven van deze uit een oude adellijke familie stammende vrouw neer. Omdat ze van het vrouwelijk geslacht was, had ze geen erfrecht op het huis+landgoed Knole, bij Sevenoaks, met z’n 365 kamers waarschijnlijk het grootste landhuis in de UK. Ze had vanaf het begin een ingewikkelde verhouding met haar moeder die op haar beurt een nogal schimmige (Engels-Spaanse) achtergrond, plus vele geliefden had. Al in haar jongedamestijd begon VSW verhoudingen met meisjes/jonge vrouwen. Zoals bekend zou VW een van haar belangrijkste vriendinnen worden, maar daarvoor had ze een stormachtige verhouding met Violet Keppel, eveneens biseksueel. Na veel suitors te hebben afgewezen, trouwde VSW uiteindelijk met de diplomaat en journalist Harold Nicolson; ze kregen drie kinderen waarvan twee zoons, Ben en Nigel, in leven bleven. Nigel schreef later op basis van dagboeken van zijn ouders Portrait of a Marriage dat door de BBC grandioos werd verfilmd (beide besprak ik boven). Beide echtelieden hadden naast hun huwelijk (homoseksuele) verhoudingen. Beiden hielden dagboeken bij en alhoewel hun relatie door zeer diepe dalen ging, bleven ze, zoals ze zeiden, ‘elkaar trouw’. Soms ontsnapten VSW en Violet naar Frankrijk, waar ze werden achterhaald door hun resp. echtgenoten. VSW moest Knole verlaten en betrok Long Barn; nog later kochten ze de ruïne van Sissinghurst, ook in Kent, waar ze begon met haar favoriete hobby: het inrichten van tuinen. Ook hierover heeft de BBC een prachtige documentaire gemaakt. VSW was een veelschrijfster: romans, gedichtenbundels, biografieën waarvan een flink deel werd uitgegeven door de Hogarth Press van de Woolfs en waarvan een aantal qua verkoopcijfers zeer succesvol waren (zelfs tijdens WO-2). VSW was een echte society-figuur, ze kende leidende politici zoals Churchill persoonlijk. Toch had ze een hekel aan het ‘opdraven’ op diplomatenfeestjes van Harold. Wel bood diens werk haar vele mogelijkheden, zoals reizen naar Perzië. Gek genoeg werden ze vaak geplaagd door geldgebrek, waarbij haar moeder dan weer moest inspringen. Toch verhinderde dat haar niet steeds meer landgoed te kopen en naar haar smaak in te richten. Uiteraard komt de verhouding met VW uitgebreid aan de orde, vooral op basis van beider dagboekaantekeningen en wederzijdse brieven. Zoals bekend schreef VW Orlando en droeg dat aan VSW op; Glendinning gaat hier uitgebreid op in, bijv. hoe de in het boek afgedrukte foto’s tot stand kwamen. Na een periode van kilte bloeide eind jaren 30 de relatie weer op (dat was nieuw voor mij), tot VW in maart 1941 een eind aan haar leven maakte. Ik ben met lezen nu bijna aan het eind van de oorlog en ben benieuwd hoe de ‘oudere’ Vita haar dagen na ’45 spendeerde.
* Begonnen aan deel I van de Verzamelde brieven van VW (een heruitgave van het oorspronkelijke The flight of the mind). De reeks omvat zes delen met in totaal 3800 (!) bewaard gebleven brieven van VW aan een enorme keur van mensen. Deel I begint in 1888 met haar eerste onbeholpen briefje aan Lowell, een vriend van haar vader. In haar adolescentie komt de productie goed op gang met veel brieven aan haar vriendinnen Violet Dickinson en Emma Vaughan. Ze verzonnen koosnamen voor elkaar, zo was Emma ‘Toad’ en VW zelf ‘Goat’. De brieven gaan, net als het parallel geschreven dagboek, veel over andere mensen, maar ook over wederzijdse verwachtingen, over vriendschap en, zo rond 1904 ook over schrijverschap. Dan publiceert VW voor de eerste maal (de eerste van haar vele boekbesprekingen) en begint het (langdurige) gevecht om de vraag: kan en wil ik schrijver zijn en wat betekent dat voor mij. Uit de brieven wordt duidelijk dat VW zich makkelijker in geschrifte uitdrukte dan in het directe sociale contact met anderen. Ik ben nu aangekomen in 1904 als VW zich vestigt in 46 Gordon Square in Bloomsbury en daar de Bloomsbury ‘groep’ ziet ontstaan.
* Ik las de biografie van de schilder en kunstcriticus Roger Fry (1866-1934) door Virginia Woolf. Het is een van haar laatste werken, alleen Between the Acts zou ze hierna nog voltooien. Zoals bij vrijwel elk boek beschouwde ze het als mislukt. Eigenlijk had ze ook geen zin de biografie van haar zeer goede vriend Fry te schrijven, diens familie haalde haar over. Ze herlas de vele brieven die ze wisselden en Fry’s dagboeken en gepubliceerde teksten over kunst. Het is een prachtig portret geworden. Als schilder was Fry nogal een traditionalist maar in zijn rol als kunstcriticus en vooral tentoonstellingsorganisator heeft hij erg veel betekend juist voor de moderne kunst en de bekendmaking ervan in de UK. Zo organiseerde hij in 1902 de 1e post-impressionisten tentoonstelling, met werk van Van Gogh, Picasso, Gauguin e.a. Het werd een schandaal, bijna niet voor te stellen anno 2011. Vooral Gauguin moest het ontgelden. Maar deze tentoonstelling gaf wel een impuls aan de jonge Engelse schilders. Ook richtte Fry in 1913 de Omega workshop op waar hij zelf werkte en jonge schilders een kans gaf. Deze workshop lag net opzij van Fitzroy Square waar VW woonde. (Ik bezocht FS in mei 2011 en zag het gedenkplakkaat.) Fry leefde als een soort bezetene, maakte vele reizen naar het continent, o.a. Italië om daar de oude meesters te bestuderen, maar was ook een tijd in dienst van J. Pierpont Morgan, de steenrijke kunstverzamelaar in New York. Een paar maanden per jaar moest Fry hier naar toe of met PM op kunstexpeditie in Europa. Hij werd een autoriteit op dit gebied. Frankrijk was zijn meest geliefde land, hij had in het zuiden een huisje, in Cassis waar VW en haar zus ook regelmatig kwamen. Deze biografie geeft een mooi genuanceerd beeld van Fry die als uitvoerend kunstenaar niet erg belangrijk was maar die als kunstcriticus al volgens tijdgenoten een enorme, beslissende invloed had op de ontwikkeling van de Engelse schilderkunst.

* En nu begonnen aan deel 1 van de biografie van Leonard Woolf, Sowing, dat zijn kinder- en jongelingsjaren beschrijft en aansluitend deel 2, Growing dat o.a. zijn tijd als bewindvoerder in Ceylon beschrijft. Dat deel loopt tot 1911: in het daaropvolgende dat ik al las, begint LW’s leven met Virginia. Inmiddels is deel 1 uit. Het bevat prachtige jeugdherinneringen maar bovenal liefdevolle portretten van zijn vrienden tijdens de studietijd in Cambridge. Vooral Desmond McCarthy en Lytton Strachey worden prachtig beschreven. Ook het hilarische van het leven in de upper middle class komt prachtig naar voren. Het is verbazingwekkend hoeveel beroemde personen de Woolfs kenden: (latere) premiers, idem Nobelprijswinnaars en auteurs (en dat allemaal zonder Facebook of Linkedin).
* Begonnen aan deel 2 van de Verzamelde brieven van VW. Dit beslaat de jaren 1912 tot 1922, met andere woorden van vlak na haar huwelijk met L, de Eerste wereldoorlog, tot begin jaren 20. De brieven aan familieleden, zoals zus Vanessa en vrienden zoals Lytton Strachey, Violet Dicksinson, Ottoline Morell en vele anderen, geven een indringend beeld van de Bloomsbury groep, perikelen met het personeel en de start van de Hogarth Press. De meest liefdevolle brieven zijn gericht aan Saxon Sidney-Turner, het wordt me nu pas duidelijk dat dit een zeer bijzondere vriendschap was. De Woolfs brachten veel tijd door in Asheham, een buitenhuisje in de buurt van Lewes. Tijdens de Eerste wereldoorlog zagen ze Duitse zeppelins, op weg naar Londen, overvliegen en schuilden ze in de kelder. Hier en daar vallen er gaten in de brievenschrijverij, onder andere door haar ‘gekte’ en het opgenomen worden in een ‘rusthuis’. Voor LW een zware belasting, zoals V volmondig erkent. Tegelijk wordt hij meer en meer betrokken bij de internationale activiteiten van de Labour Party, publiceert hij (The wise virgins, and politieke boeken) en treedt hij veelvuldig op als spreker, o.a. voor de Women’s Cooperative Guild. De Hogarth Press publiceert het eerste boek, handgedrukt: Two Stories en kort daarna Prelude van Katherine Mansfield. Ik ben nu aangekomen in augustus 1918, de Eerste wereldoorlog is bijna voorbij.
*
Inmiddels deel 2 uitgelezen en begonnen aan deel 3. Maar dat heb ik “even”
onderbroken om te beginnen aan de biografie (800 pp) van één van de
interessantste leden van de Bloomsbury groep: Lytton Strachey,
geschreven door Michael Holroyd (1994). De eerste hoofdstukken geven een
fantastisch inkijkje in het Victoriaanse huisgezin, vader, moeder plus 13
kinderen plus huishoudelijk personeel en hoe Lytton vanaf het begin “een beetje
anders” was. Wat in elk geval opviel was zijn formidabele taalgevoel, op z’n
vijfde schreef hij zijn eerste gedicht. Ik weet al (tamelijk) veel van de
relatie VW – Lytton Strachey, maar alleen van uit het gezichtspunt (brieven,
dagboeken) van de eerste. Ik ben benieuwd. Zo was LS een van de ‘suitors’ die
VW ten huwelijk vroeg, vóór LW. Dezelfde dag nog trok hij zijn aanzoek in, het
was gekkigheid. Hun hele leven zijn ze zeer goede vrienden gebleven. Inmiddels
heb ik deze indrukwekkende biografie uit. Naast Lytton Strachey fungeert de
schilderes Dora Carrington een hoofdrol. Zij was overigens bekend onder de naam
Carrington, haar voornaam vond ze verschrikkelijk. (Het boek is begin jaren 90
verfilmd onder de titel Carrington,
met Jonathan Pryce als LS en Emma Thompson als DC.) Beiden hielden er meerdere
zowel hetero- als homseksuele relaties op na. In de biografie komt een keur van
artiesten, literati en filosofen voorbij, deels Bloomberries. LS had van kinds
af aan een slechte gezondheid wat hem afhankelijk maakte van anderen – en hij
vond het ook wel prettig te worden vertroeteld. Zijn literaire carrière kwam
moeizaam op gang, hij was geen snelschrijver en deed over een aantal boeken,
zoals Queen Victoria enkele jaren.
Zijn meesterwerk is Eminent Victorians
dat zo meent Holroyd het aanzien van de biografie als genre radicaal
veranderde, Daarnaast schreef hij vele reviews (iets wat hij gemeen had met
VW), gedichten en essays. Toch heb ik de indruk dat het niet zo zeer zijn
schrijverschap als wel zijn persoonlijkheid (en een zekere cultus daarom heen)
is dat hem een plekje in het twintigste eeuwse Engelse landschap geeft. Nadat LS
was overleden, was Carrington zo desperaat dat ze zichzelf met een geweerschot
dodelijk verwondde. De week ervoor waren de Woolfs zowat haar laatste bezoekers
in Ham Spray, het buitenhuis dat ze samen met LS jaren bewoonde en waar vele
vrienden op bezoek kwamen en logeerden. Carrington maakte meerdere (prachtige)
tekeningen en schilderijen van LS.
* Tijdens een kort bezoek aan Manchester in november 2011 vond ik bij boekhandel Waterstone’s een gloednieuwe, zij het beknopte biografie van Virginia Woolf door de jonge Engelse cultureel-historica Alexandra Harris, simpel getiteld Virginia Woolf (2011). In tien hoofdstukken, verdeeld over de verschillende periodes in VW’s leven geeft Harris een goed, maar nogmaals: beknopt, beeld van VW’s persoonlijkheid, schrijverschap en boeken. Harris is kritisch, maar dat is op zichzelf niet nieuw, over eerdere biografen die VW voorstelden als een zeurende, altijd zieke vrouw. Volgens haar is nog altijd geen precieze diagnose gesteld over VW’s ziekte, maar daarnaast en ook dat is bekend, was VW tussen haar soms diepe ziekteperiodes door een charmante, levendige en creatieve persoonlijkheid. Echter: “Politicized, feminized, romanticized, sexualized, castigated, vindicated – the posthumous Virginia Woolf was the figurehead of opposing causes” (p. 165). Volgens Harris neemt VW als het ware steeds een andere ‘vorm’ aan en dat houdt haar (en haar werk) levend. Dit boek heeft 46 foto’s waarvan ik er enkele nog niet kende.
*
Ik was bezig met het lezen van de reeks Letters
van VW, maar heb dit onderbroken voor het lezen van de Letters van haar man Leonard
Woolf (1989, Ed. F. Spotts). Het is een magnifieke bundel die in een aantal
opzichten van hetzelfde literaire gehalte is van de vrouwelijke tegenhanger.
Wat kon LW geweldig schrijven: wat ’n onderkoelde ‘Englishness’, wat ’n scherp
observatievermogen, wat ’n hartstocht voor de literatuur en de politiek. De
redacteur heeft iets origineels gedaan wat je niet vaak tegenkomt in
brievenboeken, namelijk een thematische indeling: LW’s studietijd in Cambridge,
waar hij (nota bene als eerste Jood) lid werd van het Apostle-genootschap, met
onder andere VW’s broer Thoby, Keynes, Moore en Strachey; dan zijn tijd als
(assistent)bestuurder in Ceylon, waar hij zich, een beetje tegen wil en dank,
opwerkte tot gezagvoerder van een district met 100.000 inwoners en waar hij de
omslag maakte naar een antikoloniaal standpunt; dan als derde zijn leven met
VW, eindigend met de reacties op haar dood in 1942, en dan zijn leven als
Publisher en editor, natuurlijk van de Hogarth Press (waaraan hij meer dan 50
jaar verbonden zou blijven) en bladen als The
Nation. En tenslotte wat gemengde brieven uit verschillende perioden van
zijn leven. Het boek bevat 600 brieven, dit is een fractie van de 8000 die bekend
zijn; in werkelijkheid moeten het er tienduizenden geweest zijn. Ook af te
meten aan het aantal brieven dat hij ontving en dat op 40.000 wordt geschat.
On-voor-stel-baar! Er zijn simpele mededelingen-briefjes bij, maar het
overgrote aantal van de 600 is van hoog intellectueel en reflexief gehalte. Er
blijkt ook zijn fenomenale geheugen en zijn gedetailleerde vastlegging van zijn
leven uit: meer dan 30 jaar na publicatie van de eerste boeken door de Hogarth
Press, lepelt hij nog zonder moeite de verkoopcijfers op en wat ze de Press
hebben opgeleverd. Vele, vele bekende figuren passeren de revue in deze
brieven: beroemde wetenschappers, filosofen, kunstenaars, politici enz.
waaronder meerdere Nobel-prijswinnaars, ridder-geslagenen enz. Na het
overlijden van VW zat hij met een onoverzienbare berg manuscripten en andere
documenten. Omdat hun flat op Mecklenburgh Square kapot was gebombardeerd in
WO-2, was er veel materiaal verloren gegaan. VW schreef meestal meerdere drafts
van haar boeken (en zelfs van haar reviews), sommige kennen wel acht of negen
complete (en verschillende) versies. LW wilde strategisch met al dit materiaal
omgaan. Dat werd belangrijk toen in de jaren zestig de belangstelling voor VW
spectaculair toenam, met name in de VS. Veel brieven en mss zijn ondergebracht
in de Berg Collectie in New York, maar heel veel materiaal was/is nog bij
derden of hun nakomelingen. Overigens kreeg LW vanaf begin jaren zestig talloze
verzoeken om informatie te geven over (het werk van) zijn vrouw. Hij beantwoordde
elke brief, en nodigde menig onderzoeker uit naar Monk’s House te komen (er
kwam zelfs iemand speciaal uit Japan). Tot op hoge leeftijd (hij stierf op
14-8-1969) schreef hij brieven, ook naar kranten, om zijn mening te geven over
een onderwerp. Het is me uit deze brieven nog duidelijker geworden hoe
belangrijk LWis geweest in het leven van VW maar ook dat hij in het literaire
en intellectuele landschap van het Engeland van de twintigste eeuw een eigen,
verdiende plaats heeft. Deze brieven hebben diepe indruk op me gemaakt en ik
denk dat ik een groot deel nog eens ga lezen. Het parallel lezen van zowel de
brieven als de dagboeken c.q. autobiografie van resp. V en L zal veel inzicht
bieden in beider levens, tegen het decor van de meest ingrijpende gebeurtenissen
van de twintigste eeuw.
*
De in 2007 overleden literaire wetenschapper Julia Briggs schreef een paar jaar voor haar dood de geweldige
intellectuele biografie Virginia Woolf.
An inner life (2005/2006). Anders dan andere biografen, zoals de boven
besproken Harris, benadert Briggs
het leven van VW helemaal vanuit haar werk, haar ‘innerlijke wereld’. Dat
levert een duizelingwekkende hoeveelheid inzichten op over de drijvende
krachten achter VW’s schrijverschap, haar geworstel met vorm en inhoud, de vele
versies die ze van haar werken schreef en de (grote) mate waarin haar werk
autobiografisch is. Briggs vergelijkt van elk de verschillende versies en duikt
diep in de redenen waarom sommige passages het wel en andere het niet haalden
in de ‘definitieve’ versies. Enkele thema’s in VW’s werk werden mij nu veel
duidelijk: (1) de vele watermetaforen: niet alleen in The Waves, maar ook in To the
Lighthouse en in bijna al haar werk komt ‘water’ voor, als golven, als
regen, als fontein enz. enz.; (2) de vele passages over insluiting en
uitsluiting, met name van vrouwen en (3) het private versus het publieke.
Briggs ontkomt er overigens niet aan soms toch buiten het ‘innerlijk’ leven te
kijken en VW’s werk te verbinden met gebeurtenissen als de Eerste wereldoorlog,
de overdracht van het koloniale bestuur enz. Van elk boek vermeldt Briggs
steeds in een soort na-bericht hoe de verkoop ging, hoe de critici het
ontvingen en wat er later mee gebeurde, bijvoorbeeld verfilming. Ik vond deze
biografie een van de beste die ik inmiddels heb gelezen, een bron om naar terug
te keren.
*
Op dit moment (half januari 2012) lees ik een van de merkwaardigste maar ook
interessantste boeken over VW die ik ken, namelijk Mrs Woolf and the Servants (2006) van Alison Light. Het is een reconstructie van de geschiedenis van
huishoudelijk personeel in de negentiende en twintigste eeuw en dat is een heel
interessante geschiedenis van sociale en geografische mobiliteit, veranderende
gezichtspunten op de opvoeding en scholing van meisjes en vrouwen en niet in de
laatste plaats de opkomst van de sociale (semi)professionals die het als haar
taak zagen meisjes te “redden” door hen een plek in een tehuis en later een
“dienstje” te bezorgen. Light brengt een grote hoeveelheid sociale dynamiek in
beeld, die de achtergrond vormt van de huishouding van het ouderlijk huis van
VW en later van die van haarzelf, haar zus Vanessa en hun talrijke vrienden.
Voor de Bloomsburry’s was het, ondanks hun verzet tegen het Victorianisme, geen
enkel probleem er een staf gedienstige kokkinnen, schoonmaaksters, tuinlieden
enz. op na te houden. Wel weten we uit de dagboeken en brieven van VW dat ze
jarenlang strijd leverde met haar personeel. Dit was trouwens een algemeen
beeld: degenen die het konden betalen, hadden personeel, maar tegelijk
beschouwden ze deze ‘medewerkers’ als een ergerlijk blok aan het been. In het
boek worden de levens van Lottie Hope, Nellie Boxall en een aantal andere
vrouwen aan de vergetelheid ontrukt. Tegelijk werpt deze geschiedenis een nieuw
licht op een aantal van VW’s boeken. Intrigerend.
*
Voor de tweede keer de magistrale vierdelige BBC-tv serie Portrait of a Marriage (1990) naar het boek van Nigel Nicolson bekeken. Een sublieme
Janet McTeer in de rol van de (jong-volwassen, volwassen en oudere) Vita
Sackville-West. In het boek en in deze serie staat de stormachtige verhouding
van Vita met Violet Keppel, die in het huwelijk trad met kapitein Trefusys.
Deze affaire vond geruime tijd plaats voor de ontmoeting en relatie van Vita en
VW. Wat me nu in de serie nog meer opvalt, is het prachtige tijdsbeeld: rond
1910 wordt de Victoriaanse ‘pater familias’ vakkundig van z’n voetstuk
getrokken en daar kijkt hij behoorlijk van op zijn neus. Uiteindelijk koos Vita
voor haar man Harold Nicolson, maar beiden namen alle vrijheid voor relaties
buiten hun huwelijk. De intensiteit waarmee wordt gespeeld, de natuurlijk
hyper-romantische ontmoetingen en ontboezemingen, de kwaliteit van het geheel
van deze dramaproductie zoals alleen Engelsen die kunnen maken … heerlijk om
even in deze wereld te verkeren …
*
Nu aan het lezen een vergelijkende studie door Suzanna Raitt van leven en werken van Vita Sackville-West en VW.
Uiteraard komt hierin aan de orde hoe eerstgenoemde tegen haar ‘vrije’ huwelijk
aankeek. Maar ook haar snobisme, antisemitisme en – in haar latere leven –
mystieke opvatting van het katholicisme komen aan de orde.
*
Alain de Botton antwoordt in de Huffington
Post op 10 maart 2012 op de vraag: “Which author would you
most like to go on a vacation with, and what would you be doing?” het volgende:
“I'd love to go on holiday with
Virginia Woolf. She'd be super observant, catty, fun - and (on good day)
excellent company. We'd gossip about our fellow guests in a hotel, eavesdrop on
people in shops and (perhaps) try some jetskiing, which Woolf would describe
with great style and elegance.”
*
Ik lees steeds meer ‘om’ Virginia Woolf ‘heen’: nu gelezen de Diaries 1907-1963 (2004) van Harold Nicolson, de man van Vita
Sackville-West en (dus) via haar een relatie van VW. Harold Nicolson is in de
diplomatieke en literaire geschiedenis van 20e eeuws Engeland een belangrijke
figuur. Hij groeide op in Teheran en St Petersburg en behoorde onmiskenbaar tot
de upper class (al noemde hij zichzelf laat in zijn leven een ‘liberaal
socialist’, van de Tories moest hij niks hebben). Hij kende iedereen die ertoe
deed in de politiek: Churchill, Eden, Chamberlain en vele anderen die in WO-I
en tussen de wereldoorlogen en soms nog daarna politiek aan de top stonden en
daarnaast vele hoofden van andere staten, ambassadeurs en koningen en
koninginnen (waaronder die van de UK). Hij was tien jaar lid van de House of
Commons, namens Leicester-Zuid en woonde vele vergaderingen als lid en als
spreker bij. Ook literair stond hij zijn mannetje en schreef zo’n 20 boeken en
vele honderden artikelen voor dagbladen en andere periodieken. Hij reisde de
hele wereld over en sprak meerdere talen vloeiend. Over zijn ongemakkelijke
verhouding met Vita schreef ik boven al. Uit zijn dagboeken en brieven, waarvan
hier een klein deel is geselecteerd, blijkt toch vooral een onbaatzuchtige en
soms ontroerende en naïeve liefde voor zijn ‘Mar’. Ik las dagboeken en brieven
met veel plezier, ze geven een fascinerend kijkje in de wereld van de hoge
diplomatie. Ook Sissinghurst dat ze als ruïne kochten en opknapten komt
uitgebreid aan de orde. Dit boek is een prachtige aanvulling op de serie Portrait of a Marriage die ik eerder
besprak. Fascinerend.
*
Woensdagavond 16 mei: iets waar ik me erg op verheug: de herneming van Orlando, door Toneelgroep Oostpool in het Delamar in Amsterdam. Ik was destijds
(januari 2010, zie boven) laaiend enthousiast over deze voorstelling/bewerking
van het boek van VW, en ik stond daarin niet alleen: Maria Kraakman kreeg voor
haar hoofdrol de Theo d’Or. Ik ben benieuwd of ik de betovering opnieuw beleef.
Het
is nu een dag later. De voorstelling was opnieuw – betoverend, hilarisch,
diepzinnig, verwarrend …. Het script van dit stuk is op zich een prestatie – VW’s
Orlando is immers een biografie
(sommigen noemen het een roman en daar zit wat in) en geen toneelstuk. Maar het
zijn de acteurs en hun persoonlijkheden en inzet die dit stuk ‘maken’. Goed om
dit opnieuw mee te maken.
*
Grappig: filosoof John Dewey gaat in
zijn boek Art as Experience (1934)
uitgebreid in op de kunsttheorie van Roger
Fry, vriend van VW (zie boven). Door een aantal citaten denk ik dat ik meer
zicht heb gekregen op wat VW als ‘schilderend’ schrijfster nu eigenlijk aan het
doen is. Meer volgt.
Andere boeken
*
Nu aan het lezen: de fascinerende brieven van mijn andere grote reisheld: Bruce Chatwin, gebundeld onder de titel
Under the Sun (2011/2012). De ‘weduwe
van’ werkte gelukkig goed mee en redigeerde en becommentarieerde de brieven
samen met Nicolas Shakespeare, auteur van de voortreffelijke Chatwin-biografie.
Het is al even geleden dat ik werk van BC las, maar in zijn brieven komt hij
helemaal ‘terug’. Meer volgt.
*
Van Paul Theroux gelezen zijn
bloemlezing uit vijf eeuwen reisliteratuur (incl. die van hemzelf), The Tao of Travel (2011/12). Erg leuke
stukken en stukjes, reisadviezen enz. Maar het wachten is op zijn nieuwe
roman….. komt deze maand, mei 2012 uit ….
*
Nog een duik in de geschiedenis: de historicus en radiopresentator (van OVT) Jos Palm schreef een ronduit geweldig
boek over de teloorgang van “Rooms Nederland”: Moederkerk (2012). Hij doet dit aan de hand van zijn eigen
rooms-katholieke familiegeschiedenis in de Achterhoek en bestrijkt daarmee
zowat de gehele 20e eeuw. Wat zo knap is aan het boek is dat hij de
geschiedenis van de kerk in den brede verbindt met zeer concrete veranderingen
in het “gewone” katholieke gezin. Halverwege de 19e eeuw waren de
rooms-katholieken ‘erkend’ en begon hun maatschappelijke en politieke
emancipatie. Een eeuw later, zo laat Palm zien, was die in feite voltooid en
zette de ontkerkelijking in. In plaats van de paus en bisschoppen aanbad de
nieuwe generatie andere helden: Marx, Che, Mao. Ik heb het zelf voor een deel
meegemaakt in het parochiewerk dat halverwege de jaren 70 een switch maakte
naar meer algemeen wijkwerk, los van de ‘zuil’. Onze jongerenvereniging had een
“Marx club”, waarvan ik een aantal jaren lid was. Palm beschrijft ook prachtig
de pijn die de omwenteling in de kerk teweegbracht voor de ‘gewone’ gelovigen
zoals zijn ouders. In feite was met het Tweede Vaticaans concilie onder Paus
Johannes XXIII de omwenteling, anderen zeggen: het verval al begonnen. Palm
laat mooi zien dat het vooral de paters en pastoors waren die veranderingen
wilden, niet die gewone gelovigen. Zíj konden het niet volgen dat een mis in
het Nederlands, niet in het Latijn werd opgedragen en dat geestelijken in
plaats van hun habijt een gewoon pak aantrokken. Sommige gelovigen zoals Palms
ouders meldden zich bewust aan bij een bijna schuilkerk-achtige parochie waar
het nog ging zoals ‘vroeger’. Prachtig zijn overigens de verhalen over het
massa-katholicisme uit de jaren 30, de zelfbewuste manifestaties van trouw aan
Rome, met lekenordes, processies enz. – net als de socialisten … Er zitten,
vanwege de herkenbaarheid voor mij, vele ontroerende passages in het boek. Een
ervan is bijvoorbeeld de begrafenis van de moeder waar de kinderen toch maar
een echt-katholieke plechtigheid van maakten. Om als ‘linkse rakker’ het
onze-vader uit je strot te krijgen – dat valt inderdaad niet mee. Het is het
beeld van een wereld die (definitief?, je weet het maar nooit) voorbij is. Voor
(ex)katholieken, zeker van mijn generatie (en ouder) is dit boek een absolute
aanrader.
*
Eerder (zie onder) las ik het magnifieke HhhH
van Laurent Binet. Nu las ik het
“wetenschappelijke” verhaal van Heydrich, de biografie Hitlers beul door Robert
Gerwarth (2011). Ik schreef na lezing voorin: ‘Afschuwelijk indrukwekkend’.
Niets wees erop dat de goed-katholieke, burgerlijke en zeer muzikale Reinhard
Heydrich tot een sleutelfiguur van de ideologie en de uitvoering van de
jodenvernietiging zou worden. Gerwarth laat zien dat, naast algemene sociale,
politieke en culturele factoren in na-oorlogs Duitsland, Heydrichs ontslag uit
de marine vanwege een verbroken huwelijksbelofte de stoot gaf tot zijn
ontwikkeling tot volbloednazi. Toen hij namelijk de kans kreeg in het
administratieve apparaat (SD en SS) te komen werken, ontplooide hij een
nietsontziend beleid met betrekking tot het ‘reinigen’ van Duitsland. De
biografie is een aaneenschakeling van zeer strategisch doordachte en
uitgevoerde pogingen om meer macht te verzamelen – binnen een regime dat
overigens van de spanningen tussen haar onderdelen aan elkaar hing. Niet alles
lukte Heydrich, of niet direct. Dan zette hij alles in het werk om toch zijn
doel te bereiken. De beruchte Wannsee conferentie in januari 1942 waarover ik
eerder schreef (zie de Arendt pagina’s op deze website) komt uitgebreid aan
bod. Volgens Gerwarth was dit niet dé beslissende conferentie, wel werden
onontkoombaar lijnen uitgezet. Heydrich bereikte als ‘Reichsprotektor van
Bohemen en Moravië” in Praag het hoogtepunt en tevens eindpunt van zijn macht.
Op 27 mei 1942 – Gerwarth begint er zijn relaas mee – wordt hij op tamelijk
knullige wijze aangevallen in zijn dienstauto door twee Tsjechische, door
Engeland geparachuteerde soldaten. Heydrich ligt enkele dagen in het ziekenhuis
en overlijdt dan. Een ongekende terreurgolf treft Tsjechië. De nazi’s ruimen een
heel dorp dat ze ‘verdacht’ vinden op – wat tot ver buiten het Reich tot
verontwaardigde reacties leidt. Heydrich krijgt een staatsbegrafenis; tot op
hoge leeftijd maakt zijn weduwe – een zo mogelijk nog fanatiekere nazi –
gebruik van pensioen en faciliteiten. Gerwarth schreef een indrukwekkende
biografie van ‘het blonde beest’, ooit een vioolspelend, net, katholiek
jongetje ….
*
Ik herlas het meesterwerk van Herman
Hesse, Siddharta (1922). Het verhaal
van een jongeman die zijn ouderlijk huis verlaat, zich samen met zijn vriend
Govinda ansluit bij een groep rondzwervende monniken, in contact komt met
Gautama, zich daarna in het “echte” leven stort en de leegte ervaart van deze
“success story”. Bij de rivier ontmoet hij zijn oude vriend mar hun wegen
scheiden zich opnieuw. Siddharta vindt onderdak bij de veerman Vasudeva en
blijft een aantal jaren bij hem. Dan komt zijn hem onbekende zoon in zijn leven
en in feite herhaalt de geschiedenis zich. Pas door te luisteren naar de rivier
met haar vele stemmen en door het oerprincipe ‘Om’ vindt hij vrede en
transformeert hij zich tot de Boeddha. (Dit laatste is een interpretatie van
mij, het staat er niet letterlijk.) Ik vond het opnieuw een meeslepend verhaal,
met zeer herkenbare thema’s als het loslaten, het Zelf, en ‘Om’ (of ‘A-u-m’)
als fundamenteel levensprincipe.
*
Na zijn geweldige debuutroman The white
tiger (2008) (zie onder) was het wachten op een vervolg van Aravind Adiga. Dat kwam er in de vorm
van Last man in tower. Opnieuw
spelend in Mumbay gaat het om de manier waarop vastgoed-ontwikkelaars op
tamelijk onscrupuleuze wijze bewoners uit hun doorgaans afgetakelde
flatwoningen uitkopen om er nieuwe winstgevende luxe –‘condo’s’ neer te zetten.
Dat is ook het geval met ‘Vishram Society Tower A’ waar een amalgaam van
bewoners de verlokkingen van het contante geld niet kunnen weerstaan, behalve
een man, de oud-leraar Yogesh A. Murti, beter bekend als ‘Masterji’. Hij verzet
zich tot op het laatst. Het boek geeft mooie inkijkjes in de razendsnelle
ontwikkelingen in de miljoenenstad Mumbai en de verschillende groeperingen die
daar leven of een bestaan proberen op te bouwen. Net als The white tiger maar toch op een heel andere manier ontwikkelt het
boek zich onontkoombaar naar een niet al te gelukkige climax. De vele karakters
in het boek zijn goed getroffen, rond een aantal van hen hangt een mysterie dat
niet helemaal wordt opgehelderd. Hoewel dit boek niet helemaal het niveau van
het debuut haalt, is het toch een geweldig boek dat de lezer gedurende een paar
uur een heel andere wereld intrekt.
*
Hij kwam 21 februari 2012 uit en natuurlijk heb ik hem inmiddels gelezen: de
“nieuwe” J.J. Voskuil: De buurman, oorspronkelijk uit 2001 maar
nooit gepubliceerd. Het gaat over de buurman of eigenlijk de twee homoseksuele
buurmannen die een aantal jaren in hetzelfde Amsterdamse grachtenpand wonen als
Voskuil en zijn vrouw. (In de figuren van Maarten en Nicolien Koning; het boek
is wel vanuit de ik-figuur MK geschreven.) Het is, net als Bij nader inzien, Binnen de huid en Requiem voor een vriend een boek waarin de auteur zich rekenschap
geeft van (de waarde van) vriendschap. Net als in eerdere boeken stelt deze
niet veel voor. De buurmannen zijn ook eigenlijk meer de vrienden van Nicolien
die het Maarten zeer kwalijk neemt dat hij geen raad weet met hun homoseksuele
geaardheid. Volgens haar heeft hij dezelfde homohaat als zijn moeder. Het boek
staat bol van de dialogen, vaak zeer moeizame dialogen tussen enerzijds het homostel
en Maarten en Nicolien en anderzijds tussen het echtpaar onderling. Vooral de
echtelieden maken voortdurend ruzie, met het homostel als aanleiding, waarover
de weduwe Voskuil ook in het voorwoord iets opmerkt. Ik denk dat het leven met
de buurmannen voor Voskuil het kader schiep waarin hij zijn verhaal over dit
geruzie kwijt kon. Het is overigens een meesterlijk boek dat nog meer dan ander
werk het geduld van de lezer zeer op de proef stelt (maar dat is dan natuurlijk
de uitdaging) vanwege aanhoudende huilbuien van Nicolien en het terugkerende
theedrinken en fietstochtjes maken.
In de kerstvakantie las ik ook nog de
bundel Onder andere uit 2007,
nagelaten deels eerder gepubliceerde herinneringen en beschouwingen, onder
andere over zijn vader, over de oorlog, over een aantal geliefde dieren, een
hilarisch verhaal over een kapot spinnenwiel en nog veel meer, onder andere
prachtige portretten van een aantal vrienden en vriendinnen en van zijn
uitgever Geert van Oorschot. Een heerlijke bundel, ook omdat de verhalen
zich voor een deel bij mij om de hoek in
de Haagse Vruchtenbuurt afspelen: in de Appelstraat, de Vlierboomstraat, de
Amandelstraat (waar op de hoeketage Lousje Haspers woonde) en – aan de overkant
van de Laan van Meerdervoort – het heitje bij de Bosjes van Pex waar de jongens
gingen voetballen. Ik loop hier wekelijks – in Voskuils voetsporen; ik vind dat
een mooi idee.
*
Na een aantal “zware” boeken (zie onder) was ik toe aan iets luchtigers en
herlas daartoe het reisverslag van een reis die Bill Bryson in 1995 door Engeland, Wales en Schotland maakte: Notes from a small island. (Alleen de
titel is al tongue-in-cheek: Bryson is een Amerikaan uit Iowa die een aantal
jaren, eerst als single, later met vrouw en kinderen, in Engeland woonde.) Met
veel liefde vertelt Bryson over het Engelse landschap en de Engelse
eigenaardigheden en gewoonten. Zijn toon wordt bozig en sarcastisch als hij het
heeft over de vernielingen die door “moderne” architecten aan soms eeuwenoude
stadsgezichten en gebouwen zijn aangebracht. Gelukkig overheerst de humor, het
is een heerlijk boek over een heerlijk land.
*
In de afgelopen jaren las ik veel over St. Petersburg (en bezocht deze stad ook
twee maal). Eerder (zie onder) las ik het boek van Michael Jones over het
(bijna) 900 dagen durende beleg van Leningrad, 1941-1944. Nu lees ik van de
historica Anna Reid een zo mogelijk
nog aangrijpender studie, Leningrad. De
tragedie van een belegerde stad (2011). Reid maakt zonneklaar dat de
tragedie voor een belangrijk deel te wijten is aan het onvermogen en/of de
onwil van het regime van Stalin om de stad adequaat te beschermen. Zij citeert
uit talloze dagboeken van Lenigraders, uit officiële documenten – waarvan een
aantal pas zeer recent zijn vrijgegeven – en uit mondelinge overlevering. Er
doen veel mythes de ronde: de grootste is wel het “heroïsche verzet van de
communisten tegen het fascisme”. Er was nauwelijks verzet, want de stad stierf
eerst langzaam en na de winter van 41-42 steeds sneller van de honger en
bovendien werden hier en daar de nazi’s verwelkomd als verlossers. Reid schetst
onbarmhartig hoe “goede” mensen snel tot dierlijk gedrag vervielen – er was op
grote schaal sprake van kannibalisme, ook door soldaten. Huiveringwekkend zijn
nog altijd deze getuigenissen.
*
De prachtige indringende documentaire 900
dagen van regisseuse Jessica Gorter
sluit hierop aan. Zij interviewde overlevenden, deels overigens getrouwe
stalinisten, gemixed met authentieke beelden en beelden van de parades in 2010
ter gelegenheid van 65 jaar na het einde van de Tweede wereldoorlog. Een aantal
overlevenden, kinderen of jonge tieners tijdens het beleg kan er nog steeds
niet over praten, zo blijkt. Anderen halen foto-albums uit de mottenballen en
laten vertederd foto’s zien van ouders, broertjes of zusjes of zichzelf. Een
zo’n meisje, in de film tegen de tachtig, en in 2011 overleden, vertelt hoe
haar moeder het niet kon velen dat het zusje, haar ‘lievelingsdochter’ van de
honger was gestorven: ‘Jij had dood moeten gaan, niet zij’, kreeg ze te horen.
*
In de kerstvakantie 2011-2012 las ik veel, mede ‘gedwongen’ door griep. Aan de
eerste twee delen van 1Q84 van Haruki Murakami kon ik m’n hart
ophalen. Sommige critici vonden er niet veel aan maar ik vond het een prachtig
ontregelend verhaal met veel dubbele bodems. Een mooi, onaf plot (deel 3 ga ik
uiteraard ook nog lezen) waarin de levens van de twee protagonisten elkaar
overlappen. In de zomer van 2010 nam ik uit boekhandel Kinokuniya in Tokio een
(Japanse …) flyer mee waarin de plekken waar het verhaal speelt in Tokio (en
elders) op een plattegrond staan aangegeven.
*
Een van de beste ‘post 9/11’-romans is Het goede leven van Jay McInnery (2006). Het geeft een
fascinerend beeld van de impact van de aanslagen op het leven van ‘gewone’ New
Yorkers die op een nieuwe manier met elkaar verbonden raken en voor nieuwe
keuzes komen te staan.
*
Een heel aardig boek dat ik als kerstcadeautje kreeg gaat over Odessa, De mythe van Odessa door Jan Paul Hinrichs (2011). Odessa is een
van dé literaire steden bij uitstek waar heel grote Russische schrijvers ofwel
hun wortels hebben ofwel de stad als ‘decor’ voor hun belevenissen gebruiken.
Babel, Paustovsky, Oljesja en het duo Ilf & Petrov worden besproken en de
auteur gaat uitvoerig in op de rol die Odessa in hun werk speelt. Van Babel las
ik een tijd terug al zijn verzamelde verhalen waaronder het indrukwekkende Rode Ruiterij en van Paustovksy las ik
‘alles’, met name zijn zesdelige magistrale autobiografie Verhaal van een leven, en enkele romans. Ilf & Petrov zijn het
meest bekend door hun satirische schelmenroman De twaalf stoelen die ik voor de gelegenheid heb herlezen. Het
omslag van het Odessa-boek toont de beroemde trappen die zo’n belangrijke rol
spelen in de film Pantserkruiser Potemkin
van Sergei Eisenstein.
*
Ook in de kerstvakantie las ik – en meer dan 50.000 lezers gingen me voor
blijkens de sticker op het omslag – Hhhh:
Himmlers hersens heten Heydrich van de jonge Franse auteur Laurent Binet. Het is een
verbazingwekkend boek, niet alleen door de op zich al verbijsterende inhoud –
de planning van en daadwerkelijke aanslag in Praag op Reinhard Heydrich, één
van de architecten van de jodenvernietiging – maar ook door de vorm: Binet
neemt zich voor een boek te schrijven over deze aanslag en vertelt als het ware
welke beslissingen hij al lezend en schrijvend neemt. Het boek is hierdoor een
merkwaardige mengvorm van roman en documentaire. Het is adembenemend – vooral
de laatste hoofdstukken over de aanslag, die half mislukt en vervolgens de
speurtocht naar de daders en de verschrikkelijke wraakacties van de nazi’s.
Uiteraard besteedt Binet veel aandacht aan de persoon en ‘functionaris’
Heydrich. In de Arendt-pagina op deze website heb ik ook aandacht geschonken
aan Heydrich in het kader van de Wannsee conferentie: op 20 januari 1942, nu
dus precies 70 jaar geleden, werd op een bijeenkomst van vertegenwoordigers van
alle geledingen van nazi-Duitsland de beslissing over de uitroeiing van de
joden door Heydrich aan hen “voorgesteld”. Het besluit was al genomen overigens
en het ging meer om een mededeling van Heydrichs kant. De bijeenkomst was
minutieus voorbereid en later genotuleerd door Adolf Eichmann. Terug naar
Binet: een zeer indrukwekkende prestatie, terecht met een hoge debuutprijs (!)
bekroond in Frankrijk.
* Dé ontdekking van dit najaar is voor mij het vuistdikke De moed tot waarheid, de postuum uitgegeven laatste collegereeks van de beroemde Franse filosoof Michel Foucault (2009/2011). Hij hield deze colleges aan het Collège de France van 1 februari tot en met 28 maart 1984, steeds verdeeld in een eerste en een tweede uur. In juni 1984 overleed hij aan de gevolgen van aids. Zo nu en dan refereert hij tijdens deze reeks eraan dat hij ziek ‘echt ziek’ was, zonder zijn ziekte te noemen overigens. De laatste keer dat ik iets van Foucault was, was in december 1975 (!), namelijk toen ik begon aan diens De woorden en de dingen. Daar begreep ik natuurlijk helemaal niets van … Nu ik echter deze colleges tot me heb genomen, ben ik onder de indruk van de enorme luciditeit van MF’s manier van denken en presenteren. Hij doet onderzoek naar de parrhesia, de moed tot waarheid (spreken) zoals die in het antieke Griekenland werd gepraktiseerd, met name door de zgn. cynici die ‘als een hond’ leefden en onverschrokken iedereen de waarheid vertelden, namelijk: dat ze beter voor zichzelf moesten zorgen. Die ‘zelfzorg’ was ik al eens tegengekomen, bijvoorbeeld in de boeken van Dohmen, maar hier zijn dan toch de filosofische bronnen in beeld. MF toont zich een ware ‘archeoloog’ in de Griekse filosofie: uit alle hoeken en gaten diept hij teksten op, niet alleen van Socrates (de Krito, de Faidon enz.) maar ook van Seneca en vele anderen. Hij staat lang stil bij de cryptische laatste woorden van Socrates: ‘Crito, we zijn Asclepius nog een haan schuldig. Wel, vergeet niet hem die te geven’ en verbindt deze met de zelfzorg. In de laatste colleges onderzoekt MF de doorwerking van het cynisme in de vroegchristelijke kerk en in ascetische praktijken. Dit ongelooflijk rijke boek is één groot avontuur in denken.
* Ik las in de afgelopen jaren al een flink aantal boeken over St. Petersburg/Leningrad en daaraan nu toegevoegd Leningrad State of Siege van militair historicus Michael Jones (2009). In al zijn beknoptheid, krap 300 pp., geeft het een indrukwekkend beeld van het beleg van de stad vanaf 8 september 1941 tot januari 1944. Het kostte – de schattingen lopen uiteen – tussen de 750.000 en 1,2 mln. mensen het leven. Jones geeft een beeld van de soms stompzinnige militaire strategie van de Sovjets, maar laat ook aan de hand van dagboeken en tekeningen van gewone Leningraders zien hoe het normale leven stelselmatig werd afgebroken. Uiteraard besteedt hij aandacht aan de Zevende symfonie van Sjostakovitsj, opgedragen aan de stad, en de geschiedenis daarvan.
Ik heb nu klaarliggen voor lezing een tweede boek over het beleg, het net verschenen Leningrad. De tragedie van een belegerde stad, 1941-1944 (2011) van de Engelse historica Anna Reid. Ik ben benieuwd wat zij in aanvulling op of correctie van Jones te berde brengt. Het boek kreeg van VN vier sterren.
* Opgehemeld en bejubeld, maar ik vond Freedom van Jonathan Frantzen tegenvallen. Het is wel een mooie en fijn gecompliceerde familiegeschiedenis en de gekozen vorm, onder andere een lang uitgevallen dagboek van een van de hoofdpersonen, interessant maar toch … Er wordt wel erg veel gepraat, geruzied en gevochten maar het raakte me niet echt. De plot is bovendien tamelijk cliché: man bedriegt beste vriend met diens vrouw. Daardoor heen als verhaallijn een tamelijk vergezocht gedoe met natuurbescherming en geboortebeperkingspolitiek, waardoor heen weer een andere ‘affaire’ loopt. Het laatste hoofdstuk is een vreemde mengeling van een verhaal over het verjagen van katten uit de tuin en de verzoening tussen twee hoofdpersonages; tegelijk wat mij betreft het meest meeslepende hoofdstuk van het hele boek (>700 pp.).
* Eindelijk las ik dan de al in 2002 uitgekomen ‘roman’ Requiem voor een vriend van J.J. Voskuil. Geen echte roman want ik schat dat circa 80% van de tekst bestaat uit citaten uit brieven van een van de beste vrienden van Voskuil, Jan Breugelman (een pseudoniem, in werkelijkheid ging het om G.J. Bruggeman die ooit nog eens kamerlid voor de VVD was). Het boek begint in 1937 in Den Haag waar beiden vriendjes worden en met elkaar naar school gaan in de Vruchtenbuurt. Heerlijk natuurlijk om te lezen over de Appelstraat, de Ananasstraat en de Vlierboomstraat en omgeving zoals de Pioenweg (ik liep er deze ochtend nog). Tijdens de oorlog worden de vrienden gescheiden maar daarna komen ze elkaar weer tegen en begint een briefwisseling die honderden brieven omvat. Aan de hand daarvan schetst Voskuil een magistraal beeld van de vriendschap waarvan ook zijn vrouw Lousje (door hem consequent aangeduid als ‘L.’) deel uitmaakt. Eindeloos zijn de deliberaties over literatuur (Ter Braak! Poll!), politiek (de Nato, Luns en tal van politici) en de wereld in het algemeen. Zo nu en dan verwijst Voskuil (die in dit boek, evenals in Binnen de huid, zelf de ik-figuur is) naar eigen werk, zoals het uitkomen van Bij Nader Inzien (1963) en zijn werk aan Het Bureau. Op een gegeven moment neemt de brieven- en kaartenschrijverij bij Breugelman maniakale vormen aan: hij schrijft er soms drie, vier per dag, met vele PS’en. Soms is hij zo geagiteerd dat hij de brief zelf komt bezorgen. Hij worstelt voortdurend met zijn werk, een ambtenarenbaantje op BuZa, maar correspondeert met tal van mensen die er, volgens hem, ‘toe doen’. Het lijkt op grootheidswaanzin. De Voskuils weten er niet goed raad mee. In het laatste kwart van het boek wordt duidelijk wat er aan de hand is: Bruggeman is manisch-depressief en de medicatie houdt hem nauwelijks in toom. De laatste paragrafen zijn ronduit onthutsend. In een inrichting zakt hij steeds verder weg, door Voskuil op zijn bekende zakelijke en matter-of-fact wijze beschreven maar wellicht juist daardoor des te aangrijpender. Na een vriendschap van bijna 50 jaar overlijdt Bruggeman. Voor mij bewust dit boek eens te meer de grootheid van Voskuil, een van de beste Nederlandse naoorlogse auteurs. Hopelijk komen ooit zijn dagboeken waarop veel van zijn gepubliceerde werk gebaseerd is vrij voor publicatie.
* De jonge Lets-Canadese schrijver David Bezmogis schreef met De vrije wereld (2011) niets minder dan een meesterwerk. In een stijl die doet denken aan Jonathan Safran Foer verhaalt hij over een Russisch-joodse familie in het Breznjev-tijdperk die toestemming heeft gekregen om te emigreren. Via Rome staan ze op de nominatie naar de VS te gaan. Bezmogis beschrijft meeslepend hoe het de emi/immigranten vergaat, met flashbacks op het leven in Rusland, op het vertrek en de grensovergang naar het Westen en op het alledaagse leven in Rome (Trastevere!). De patriarch van de familie heeft een getroebleerde relatie met zijn twee zoons en met zijn vrouw. Gelukkig voor hem kan hij zich verpozen met schaken. Zijn oudste zoon Karl begrijpt al gauw welke (financiële) mogelijkheden de vrije wereld biedt, de tweede zoon Alex is een flierefluiter die steeds onder de druk van zijn vrouw Polina probeert uit te komen. De VS blijkt niet door te gaan als immigratieland, daarom richten ze zich nu op Canada. Voor het zover is ontwikkelen zich enkele dramatische gebeurtenissen. Ik las het boek in (bijna) een adem uit.
* Met The women (2009) schreef de Amerikaanse schrijver T.C. Boyle een van de merkwaardigste biografieën die ik ken. Het is het achterwaarts vertelde levensverhaal van de wereldberoemde Frank Lloyd Wright en diens ‘troubled, tempestuous world’ (achterflap). Diens leven liep niet alleen over van architectuur maar ook van affaires met vrouwen, veelal tegelijk en vaak ook al gehuwd met een andere man. Drie (of eigenlijk vier) van hen worden in het boek belicht en hoe het hen in hun relatie met FLW verging. Niet altijd even goed helaas: een van hen werd vermoord, een ander verslaafd en psychotisch. Qua architectuur staat Taliesin centraal, FLW’s meesterwerk in Wisconsin. Er zijn drie versies van, een ervan brandde tot de grond toe af. Boyle pleegt een zeer minutieuze reconstructie van de relaties en doet dat via een van FLW’s leerlingen, de Japanner Sato Tadashi. Deze spreekt steeds over Wrieto-san (als Japans eq voor FLW) en dat wordt op een gegeven moment een beetje storend. Toch is het een meeslepend verhaal, waarin FLW’s voortdurende geldgebrek en maniakele bouw- en verzamelwoede goed beschreven is.
* China heeft de VS qua financiering voor een groot deel in de greep. Dat feit bleef een beetje op de achtergrond in de berichtgeving over de Amerikaanse schuldencrisis in juli/augustus 2011. Jan van der Putten, China-kenner bij uitstek, zegt het zo in zijn nieuwste boek Verbijsterend China. Wereldmacht van een andere soort (2011): “China heeft nu een kwart van de Amerikaanse staatsschuld in handen. Als het zijn schuldpapieren van de hand zou doen of geen nieuwe meer zou kopen, zouden de VS financieel instorten. En als de VS instorten, volgt China snel” (p. 271). Daarnaast was 630 miljard euro van de schulden van de 27 EU landen in Chinese handen (p. 276). Dus wat willen “we” nou? Van der Putten geeft in drie delen inderdaad een verbijsterend, onthutsend beeld van dit immense land (eigenlijk geen land maar een verzameling deels “autonome” regio’s). Na Mao is de overgang naar een centralistisch kapitalisme verbijsterend snel verlopen. De simpele ideologie is: word rijk! En dat gebeurt dan ook, zij het voor een beperkt aantal mensen, met name de zgn. “prinsjes”. Van der Putten biedt veel inzicht in de lange geschiedenis van China, in de tegenstelling confucianisme – taoïsme en de positie van de communistische partij ten tijde van Mao en nu. De partij doet alles om haar positie te beschermen: dat is het centrale, leidende beginsel. Vreemd genoeg geven maar weinig Chinezen de centrale regering de schuld van dingen die mislopen, het zijn de lokale machthebber(tje)s die het moeten ontgelden. Het boek geeft veel voorbeelden van mislukkingen, op het gebied van: milieu, onderwijs, transport, waterbeheersing, corruptie, onderdrukking van “dissidenten” enz. Ook de moeizame verhoudingen met “de rest” van de wereld worden geschetst. China streefde in 2010 Japan voorbij als tweede economie ter wereld. Hun aanpak? Haal buitenlandse bedrijven binnen en kopieer hun technologie. Een prachtig fotokatern illustreert de verhalen.
* Inmiddels las ik over Bernie Gunther de twee resterende delen: Een stille vlam (2008) en de meest recente, Grijs verleden (2010). Beide staan in het teken van de voor- en naoorlogse periode, in Duitsland, Argentinië en Cuba. De intriges en dubbelspel buitelen over elkaar heen, zeer meeslepend geschreven allemaal en, net als de eerdere delen, zeer goed gedocumenteerd. (In Grijs verleden bezoekt Gunther in een van zijn vele dubbelrollen het vluchtelingenkamp Gurs in Zuid-Frankrijk. Ik had een stille hoop dat hij daar Hannah Arendt tegen het lijf zou lopen ... In al zijn boeken laat Kerr zijn hoofdpersoon beroemde/beruchte personen ontmoeten, zoals de al genoemde Eichmann, Heydrich, Erich Mielke en tal van andere “hooggeplaatste” [nazi-]Duitsers). In Een stille vlam ontmoet Gunther Eichmann opnieuw en hij beschrijft hem als volgt: ‘Het was vreemd hoe één kant van zijn gezicht heel gewoon leek, zelfs aangenaam, terwijl de andere kant er verknipt en kwaadaardig uitzag. Het was of je Dr. Jekyll and Mr. Hyde gelijktijdig ontmoette’ (p. 177). Heeft Kerr De zaak 40/61 van Harry Mulisch gelezen, met name het hoofdstuk ‘Eichmanns twee gezichten’? Het kan bijna niet anders, maar hij verwijst er niet naar.
* De zomerperiode is bij uitstek geschikt om (nog meer) te lezen, zeker als het weer wat tegenvalt. Ik las van Philip Kerr de Berlijn-trilogie rond zijn anti-held Bernie Gunther en was blij verrast, om niet te zeggen overrompeld, niet alleen door de geweldige tongue-in-cheek stijl maar ook door de zeer goed gedocumenteerde historische omgeving waarin deze thrillers/’policiers’ zich afspelen: de jaren 30-40 in Berlijn en in deel 3 ook Wenen. Aansluitend las ik daarom De een van de ander dat in het na-oorlogse Duitsland speelt en me deed denken aan The third man en daarna Als de doden niet herrijzen dat deels in het vooroorlogse Berlijn speelt en in deel 2, verrassend, in het Cuba van de jaren 50, vlak voor de machtsovername van Castro. Gecompliceerde intriges maar Kerr houd je als lezer goed bij de les. Messcherpe dialogen en fijne sfeerbeschrijvingen, van steden, landschappen, gebouwen en mensen. In De een van de ander reist Gunther samen met twee officieren naar Palestina (Jaffa, Tel Aviv), om de zaken te behartigen van een Duits-joodse zakenman die wil emigreren (dit in de periode dat emigratie nog als ‘oplossing van het jodenvraagstuk’ werd gezien). Een van deze officieren is …Adolf Eichmann. Dit is historisch correct want AE heeft een reis gemaakt naar Palestina om te onderzoeken of dit land massaal joden zou kunnen/willen opnemen (nee dus, mede, zoals Kerr goed laat zien, omdat het antisemitisme onder sommige Arabische leiders dat van Hitler bijna overtrof). Aan het eind van het boek komt Eichmann nog een keer naar voren: Gunther (als niet geheel vrijwilige ss-er) wil via het ‘netwerk’ onder psuedoniem naar Z-Amerika ontsnappen en in een soort verzamelpunt ‘Ricardo Klement’ tegen die hij onmiddellijk herkent als Eichmann. Nog twee Gunther-boeken te gaan en er komt in oktober een 8e deel uit. Kerr is een geweldige ontdekking. Terecht werden twee boeken met ***** beloond in de VN Detective- en thrillergids en de andere met ****.
* Van John le Carré las ik sinds de jaren 70 (bijna) alles. The spy who came in from the cold (1962) wordt beschouwd als een van de, zo niet de aller-beste spionagethriller aller tijden. Daarnaast schreef hij de Smiley-trilogie en nog een flink aantal spionageboeken. Na de val van de muur verlegde hij zijn aandacht naar Afrika en Rusland. Alhoewel ik hem niet meer zo volg als ‘vroeger’, was het lezen van zijn jongste Our kind of traitor (2010/2011) een groot genoegen. Het is het in eerste instantie wat ongeloofwaardige verhaal van een Engels stel, Perry en Gail, dat op vakantie betrokken wordt in het leven van een wat vage Rus, Dima. Deze blijkt een machtig man die vermogens witwast en doorsluist. Hij heeft een plan in z’n hoofd waarvoor hij het stel wil inschakelen. De Engelse geheime dienst wordt erbij betrokken. Ik zal de afloop niet verklappen. Het boek bestaat uit door elkaar lopende beschrijvingen van het heden met flash-backs. De dialogen zijn als altijd bij Le Carré messcherp en kleuren goeddeels het boek. Het verhaal culmineert in een dramatische afloop. Dit is een van de beste van Le Carré sinds jaren, zijn vorige, A most wanted man (2008/2009) viel wat tegen.
* Ik kende Joke J. Hermsen vooral als filosofe en las ook haar roman Tweeduister. Nu las ik een wat ouder werkje, de roman De profielschets (2004/2009). Het is een sleutelroman (zegt men) over het Amsterdamse filosofenwereldje waarin een strijd is losgebarsten over een nieuwe leerstoel. Praktisch iedereen vindt dat het een vrouw moet worden, maar: welke vrouw? Daar wordt door de verschillende protagonisten verschillend over gedacht. Hoogleraar Brakhoven denkt aan een vrouw die hij een keer op een congres heeft ontmoet (en helemaal heeft geïdealiseerd); anderen denken vooral aan zichzelf. De levens van de verschillende hoofdpersonen (Brakhoven, diens vrouw, de medewerkers en enkele studenten op de faculteit) worden prachtig indringend beschreven. Het hele verhaal culmineert in een heftige afrekening. En passant wordt nog even aan Arendt gerefereerd, een van de momenten in het verhaal dat je merkt dat Hermsen niet alleen geweldig kan schrijven maar ook filosofisch haar mannetje … staat.
* Ik las met veel plezier de nieuwe roman van Umberto Eco, De begraafplaats van Praag. Het verhaal van een intrigant-van-het-zuiverste-water, die liegt en bedriegt en vooral goed is in het vervalsen van documenten om daarmee mensen te incrimineren. Het boek verhaalt tegelijk van het Europese antisemitisme van de 19e eeuw dat uiteindelijk culmineert in de zgn. Protocollen van de wijzen van Sion. Het is opletten in dit boek want het wordt vanuit drie verschillende perspectieven verteld. Net als de andere recente boeken van Eco staat het vol illustraties, meest uit eigen collectie. Vrij Nederland gaf dit boek 5 sterren in de jaarlijkse detective&thriller-gids en dat, met alle respect, is onzin: dit is geen thriller al is het meeslepend geschreven en al helemaal geen detective. Gewoon een erg goed boek.
* Het overkomt me niet vaak dat ik een boek niet uitlees, dat gebeurde met Salman Rushdie’s The enchantress of Florence (2008/2009). Tot iets over de helft is het een meeslepend verhaal met interessante personages en een ‘exotisch’ (oosters) decor, daarna zakt als een plumpudding in elkaar. Jammer.
* In een paar dagen in april 2011 gelezen De terugkeer van het gezag. Waarom kinderen niets meer leren van de Engelse socioloog Frank Furedi (2009/2010). Een briljant en messcherp exposé over de almaar doorgaande verloedering van het onderwijs, het invretende anti-intellectualisme [dat ook het onderwerp was van zijn vorige boek, Waar zijn de intellectuelen? (2004/2006)], de afkeer van leerinhouden en de ophemeling van ‘vaardigheden’, de greep van politici, beleidsmakers, bureaucraten, managers en therapeuten op het onderwijs en het buiten spel zetten van de ‘practici’, de paradox van enerzijds het onderwijs als panacee tegen zo ongeveer alle maatschappelijke kwalen en anderzijds een diep geworteld wantrouwen tegen datzelfde onderwijs, de leraren en de leerlingen. Het welzijn en het geluk van kinderen is het hoogste goed geworden, zo stelt Furedi, aan de hand van een schat aan documentatie, waardoor leren als iets wordt gezien wat zo soepel en gemakkelijk mogelijk moet verlopen om de tere kinderziel niet te beschadigen. Dat er zoiets als kennis is die in de ontmoeting tussen generaties (want dat is onderwijs in wezen) moet worden overgedragen is anathema geworden, ‘ouderwets’. Op scherpe wijze beschrijft en bekritiseert Furedi de ‘kolonisering’ (zijn term) van het kind door de overkill aan programma’s, activiteiten, leermethodes op het gebied van ‘burgerschap’, ‘emoties’ en ‘levensvaardigheden’. Van het ‘oude’ onderwijs moeten we af – want dat stampte kennis er bij kinderen in en dwong ze ‘rijtjes’ te leren -, maar het ‘nieuwe’ staat nog veel meer zijn mannetje als het gaat om het erin drillen van attitudes bij kinderen. Ondertussen verengt en versmalt het werk van de leraar steeds meer, bijgestaan als hij wordt door talloze gedragsdeskundigen, therapeuten, managers etc. Ironisch is dat Furedi verwijst naar het werk van Diane Ravitch, de kampioene van het test- en toetsgerichte onderwijs in de USA, van wie vorig jaar het boek The life and death of the great American school system verscheen, waarin zij haar totale desillusie bekent over dit onderwijs. (Zie het artikel van Inge Braam in Het Schoolblad, 23-4-2011.) Furedi heeft dit boek nog niet mee kunnen nemen in zijn filippica.
Heel bijzonder mag wel worden genoemd dat Furedi zich vooral in het eerste deel van zijn boek goeddeels laat leiden door het werk van Hannah Arendt, met name haar ‘The crisis in education’. Dat Furedi Arendt gebruikt mag op zich al tamelijk uniek heten; nog maar weinig auteurs hebben zich hieraan gewaagd (zie de sectie Arendt op deze website). Maar ik snap het wel: Arendt is precies hetzelfde type conservatief, op pedagogisch gebied, als Furedi. Daarom kan mijn andere ‘held’, John Dewey, bij hem weinig goed doen. Dewey staat aan de wieg van kindgericht onderwijs en van het afscheid van ‘theoretisch’ onderwijs zoals Furedi dat noemt. Aldus heeft Dewey bijgedragen aan de ontmanteling van de leraar als gezaghebbende overdrager van kennis zoals opgeslagen in de schoolvakken. Furedi leest Dewey hier selectief. Dewey heeft in talrijke publicaties, ook in de door Furedi geciteerde, zoals ‘Mijn pedagogische geloofsbelijdenis’, verklaard dat het hem gaat om de bemiddeling tussen de leerinhouden (de opgeslagen cultuur) en het kind als (toekomstig) deelnemer aan de samenleving. Beide zijn geen absolutismen. Furedi lijkt juist het vakinhoudelijke tot (nieuw) absolutisme te verklaren, terwijl hij wel erkent dat er sprake is van kennisontwikkeling en dat (dus) het curriculum (of het ‘theoretisch’ onderwijs) er 100 jaar geleden anders uitzag dan nu (en dat over 100 jaar ongetwijfeld weer zal doen). Furedi lijkt te koersen op een canon-achtige, onbetwijfelbare body of knowledge die moet worden overgedragen en beweert dat het gezag van de leraar daarvan afhangt. Hij heeft te weinig oog voor de dynamiek van kennisontwikkeling en curriculumontwikkeling en stelt te absoluut één criterium voor opvoeders- en lerarengezag vast.
Dit kritiekpunt neemt niet weg dat ik het boek ademloos heb gelezen, hier & daar ook een beetje buiten adem door de duizelingwekkende opeenvolging van scherpzinnigheden en onder de indruk ben van de onontkoombare kritiek waardoor eenieder die ook maar een beetje kritisch naar het hedendaagse onderwijs en de beleidsmatige, politieke en maatschappelijke context daarvan kijkt, zich zou moeten laten informeren.
* Door toeval lees ik twee boeken parallel: Imperium van Robert Harris (2006) en Thatcher and Sons van Simon Jenkins (2007). Het eerste speelt zich af in de jaren 70-60 voor Chr. en vertelt in geromantiseerde vorm de gang van de beroemde redenaar en advocaat Cicero naar de macht. De verteller is diens slaaf tevens secretaris Tiro die op zijn oude dag terugkijkt op de gebeurtenissen op en rond het Forum in het antieke Rome. Het is een fascinerend en tegelijk onthutsend verslag over de werking van democratische politiek in die dagen. De gebeurtenissen nemen een aanvang wanneer op een dag een totaal geruïneerde Siciliaan aanklopt bij Cicero’s huis en hem vraagt zich over hem te ontfermen: hij is leeggeplunderd door generaal Verres, een van de machtigste mannen van het Romeinse Rijk en verantwoordelijk voor vele plunderingen en slachtpartijen, niet alleen op Sicilië maar ook ver daarbuiten. Cicero neemt na enig aarzelen inderdaad de verdediging op zich en dan ontvouwt zich een enorm spel (maar het is tegelijk van grote ernst) om de macht. De machtige tegenstanders van Cicero – consuls, tribunes, generaals – laten geen enkel middel onbetuigd om de democratische rechtsgang, zoals neergelegd in vele wetten, te belemmeren. Maar Cicero is niet alleen buitengewoon slim, hij is ook een geweldig redenaar die alle retorische trucs inzet om z’n gelijk te krijgen. Ook hij kent het wealen en dealen, het lobbyen en alles wat bij ‘politiek’ hoort. Het boek is meeslepend geschreven, bijna als een ‘legal thriller’ en tegelijk biedt het, gebaseerd op historische bronnen, een blik op hoe democratie werkt(e). Het laat tamelijk onthutsend zien dat waar formeel wetten heersten, de barbarij voortdurend de kop opstak en dat zelfs het gevleugelde woord ‘Ik ben een Romeins burger’ soms geen enkele bescherming bood tegen het geweld. Zo ver strekt het tweede boek, over Thatcher en haar ‘zonen’ Major, Blair en Brown, niet, maar in (vrijwel) elke andere zin zijn de parallellen spectaculair opvallend. Ik lees nu de inleidende hoofdstukken over de opkomst van Thatcher eind jaren 60, begin jaren 70 en hoe zij door coalities te sluiten met dan weer de ene en dan weer de andere factie uiteindelijk onontkoombaar als leider (van de Tory’s) kwam bovendrijven. Net als in de Romeinse politiek hangen deze coalities en hun tegendeel vijandschappen geheel op personen en posities. Wordt ingeschat dat standpunt A beter in staat is steun (of stemmen) te winnen dan B, dan wordt voor A gekozen en worden de gelegenheidsargumenten er wel bij gezocht. Ik ben erg benieuwd hoe dit zich in de loop van Thatchers enz jaren gaat ontwikkelen en wat onder andere de invloed van de Falkland-oorlog is geweest op de ontwikkelingen in de Engelse politiek. Want dat is toch ook wel een parallel: soms komt een oorlog handig uit, of je nu een Romeinse consul was of een Britse premier met een imagoprobleem … Wordt vervolgd.
* Een heerlijk boek – voor bibliofielen zoals ik in ieder geval – is Kingdom of Books. Hay-on-Wye bibliopolis onder de Black Mountains van Wim Huijser (2007). Het beschrijft op beeldende wijze de geschiedenis van het boekenstadje Hay-on-Wye in Wales. In de jaren 80 was ik daar eens een keer. Dankzij Huijser was ik weer even helemaal terug. Hay werd als boekenstad opgericht, en van boeken voorzien door Richard Booth. Deze excentriekeling kocht daartoe hele boekwinkels, nalatenschappen enz. op en verkocht ze vanuit zijn ‘kasteel’, Hay Castle en andere boeken’pakhuizen’. Daarnaast wilde hij van Hay een soort vrijstaatje maken, met een eigen munt enz. Ook als Don Juan verwierf hij enige faam. In totaal ‘bevat’ Hay meer dan vier miljoen boeken en er zijn zo’n 30 winkels. Huijser brengt ook de omgeving van Hay in beeld: de Black Mountains. En dan ontkom je er niet aan aandacht te besteden aan Bruce Chatwin wiens De zwarte heuvel hier speelt en waarvoor hij uitgebreid onderzoek deed. Dit is een heerlijk hoofdstuk, over een van mijn favoriete Engelse schrijvers. Ook onze eigen J.J. Voskuil komt langs. Met zijn vrouw Lousje wandelde hij hier in 1979 en beschreef de wandeling in Buiten schot. Het boek gaat ook in op enkele andere booktowns zoals ons Bredevoort. Nogmaals, een heerlijk boek-over-boeken.
* Joep Dohmen, bekend van zijn werk over levenskunst, schreef Brief aan een middelmatige man (Ambo 2010) waarin hij, zoals de ondertitel luidt, een pleidooi houdt voor een nieuwe publieke moraal. De aanleiding was een ingezonden brief in Volkskrant Magazine van een zekere “T.v.H”, vijftiger, over zijn ‘middelmatigheid’. Het is een mooi boek met excursies naar het gedachtegoed van Nietzsche, Foucault (vooral de ‘late’) en naar stromingen als de deugdenethiek, zorgethiek en presentie-ethiek. Hier en daar geeft Dohmen, net als in ander werk van hem, tips voor zelfzorg en het ‘goede leven’.
* Ik las het magistrale boek De duizelingwekkende jaren van Philip Blom in (bijna) één adem uit. Dit is geschiedschrijving op zijn allerbest: goed gedocumenteerd, toegankelijk, meeslepend verteld geeft het een indrukwekkend tijds- en mensbeeld van de jaren 1900 tot 1914. De jaren waarin letterlijk alles in beweging kwam: het vervoer, de communicatie, de kunsten, de politiek en niet in de laatste plaats de opvattingen over wat ‘betamelijk’ is voor mannen en vrouwen. Blom laat prachtig de dwarsverbanden zien tussen de veranderende materiële omstandigheden en de veranderingen in de filosofie en de psychologie en hoe deze weer doorwerkte in de literatuur, de schilderkunst en de muziek. Elk jaar, 1900, 1901 enz. is verbonden met een thema, bijvoorbeeld de ontwikkeling van het vervoer of de opkomst van de vrouwen- en suffragette-beweging. De jaargrenzen worden daarbij uiteraard overschreden maar het is vooral deze constructie van het boek die het zo toegankelijk maakt. Plezierig is het natuurlijk Virginia Woolf te zien optreden, als lid van de Bloomsbury-groep. Zelfs aan de Dreadnought-hoax besteedt Blom aandacht. (Deze grap waaraan onder andere Woolf en haar broer Thoby deelnamen, bestond erin verkleed als ‘Abessynen’ een bezoek te brengen aan het op dat moment grootste marineschip ter wereld – dit was nieuw voor mij, dank aan Blom – de Dreadnought. Van het gezelschap is een foto gemaakt die onder andere is afgedrukt in Lehmanns boek over Woolf.) In de latere hoofdstukken laat Blom zien hoe het vooral Nietzsche was die de wegbereider was voor de geestelijke omwenteling (Umwertung aller Werte) in deze jaren. Maar ook de doorwerking van Darwin en de psychoanalyse van Freud ziet Blom terecht als zeer invloedrijk.

* Eindelijk …. Het is volbracht: ik heb de 1069 pagina’s van Atlas Shrugged (1e druk 1957; herdruk Signet Pocket 2007) van Ayn Rand uit. Hieronder verwees ik al naar deze bijbel vanhet hyperkapitalisme waarmee ik kennismaakte via het boek De utopie van de vrije markt van Hans Achterhuis (zie verderop). Ik kocht het boek in augustus bij Kinokuniya Books in Tokio (wat wel een goede plek is om een boek over hyperkapitalisme te kopen ..). Ik las het niet in een adem uit … Het is zoals Achterhuis goed laat zien een typische utopie: ontevreden met de steeds ‘socialer’ wordende samenleving en politiek (kort gezegd de welvaarts- of verzorgingsstaat) verlaat een groepje captains of industry de vertrouwde wereld en vestigt zich ergens in ‘Atlantis’, een goed verborgen plek in de woestijn. Hun leider is John Galt, een uitvinder. Talloze malen komt in het boek de vraag voor: ‘Wie is John Galt?’ Uiteindelijk wordt in extenso hierop antwoord gegeven: bijna op het einde presenteert Galt in een bijna 70 (!) pagina lange monoloog zijn visie op het hyperindividualisme. Hier gaat het boek over van een roman in een filosofisch geschrift, het zgn. objectivisme van Ayn Rand. In de voorafgaande 1000 pagina’s zien we de geleidelijke ineenstorting van de Verenigde Staten, aan de hand van de ontwikkeling en neergang van een grote spoorwegmaatschappij, Taggart. Deze wordt gerund door broer Jim en zus Dagny Taggart, de eerste een incompetente schreeuwlelijk, de tweede een zeer capabele en doortastende vrouw. Met Galt en met twee andere hoofdfiguren heeft zij ‘wisselende contacten’ (voor een boek uit 1957 zit er opvallend veel ‘vrije seks’ in). Dat zijn: Hank Rearden, een ondernemer die een geheel nieuw bouwmateriaal heeft ontwikkeld (Rearden Metal) dat Dagny wil gebruiken voor haar spoortrajecten en Francisco d’Anconia, ook een ondernemer en een jeugdvriend. Daarnaast wordt het boek bevolkt door talloze nevenfiguren: ondernemers, wetenschappers, politici en gewoon werkvolk. De VS glijden, net als de meeste andere landen, af tot ‘people’s states’ oftewel communistische dictaturen (in feite oligarchieën). Door de geleidelijke ineenstorting van de spoorwegen komt de economie langzaam tot stilstand, totdat de heersende kliek uiteindelijk een beroep doet op de mysterieuze Galt om hen en de maatschappij te redden. Maar dan is het al te laat. Met deze korte samenvatting doe ik niet helemaal recht aan het boek (zie Achterhuis voor een veel uitgebreidere) want het is op veel plekken spannend geschreven, bijna als een thriller (immers: ‘Wie is John Galt?’), de dialogen zijn vaak messcherp neergezet en de psychologie van de hoofdfiguren is interessant. Het scenario is niet helemaal denkbeeldig en de achterliggende filosofie niet helemaal of alleen maar abject. Maar veel pagina’s zijn in het boek zijn toch te prekerig, te uitleggerig, te psychologiserend en vooral te ideologisch. Dat laatste leidt op veel plekken tot ellenlange monologen over de zegeningen van het kapitalisme, van het individualisme en van het utilitarisme. Rand is gewoon een door en door utilitaristisch denker voor wie er maar twee waarden lijken te bestaan, het bevorderen van het plezier en het vermijden van pijn. Van religie of welke andere vorm van onderwerping aan transcendentaal gezag dan ook moest ze niets hebben, het enige wat telt is het individu en zijn ‘mind’. Net als Kant 200 jaar eerder roept ze het individu op zèlf te denken, al het andere is een onderwerping aan andere mensen. Van dat laatste is de slottoespraak van Galt doordrenkt. Misschien dat in één citaat de essentie van het boek het beste naar voren komt: ‘The words “to make money” hold the essence of human morality” (p. 384), zegt Francisco. Diè uitspraak hebben bankiers wereldwijd in hun oren geknoopt …. (zie de analyse van Achterhuis).
* Hieronder is sprake van vijf gelezen boeken over Japan, inmiddels zijn er dat er zes, want ik las nu ook een ander boek van Murakami, Kafka op het strand. Een tamelijk briljant boek met vele lagen, over de jongen ‘Kafka’ die van school en huis wegloopt en terechtkomt in een bibliotheek waar hij mag helpen. Zijn verhaal staat in het teken van vele ontmoetingen met echte en droomfiguren, uit heden en verleden (en toekomst?). De titel van het boek verwijst naar een lied dat een vrouw die hij ontmoet, zij is directeur van de bibliotheek, jaren geleden op de plaat heeft gezet. Ze verwijst ook naar een schilderij dat op haar kamer hangt. De receptionist van de bibliotheek, een masculien-feminiene verschijning, laat Kafka een tijdje wonen in een buitenhuisje, aan de rand van een immens bos. Dat gebeurt twee keer en de tweede keer durft Kafka het aan om op onderzoek te gaan in dat bos. Ook daar komt het ontmoetingen en droomscenes. Dit is, in het kort, de ene lijn in het boek. De andere is die van een oudere man, die als kind een merkwaardig ongeluk heeft meegemaakt. Hierdoor is hij zijn lees- en schrijfvermogen kwijtgeraakt (al kan hij wel praten met katten) en drukt hij zich alleen nog in de ‘hij’-vorm uit. Ook deze figuur gaat op reis die geheel en al intuïtief lijkt te verlopen. Uiteindelijk blijkt een bepaalde sluitsteen het doel. Dit is ook het moment waarop, diep in dit boek van ruim 600 pagina’s, de twee verhaallijnen elkaar raken. Het boek bevat vele ontroerende passages, die soms wel, soms minder passen bij de (denk)wereld van een 12- à 13-jarige jongen. Net als Norwegian Wood bevat ook dit boek een aantal ‘seks-scenes’ maar deze zijn niet altijd even geloofwaardig. Veel beter zijn de droomscenes en de horrorscenes die zich afspelen rondom ‘Jack Daniels’, de kattenmoordenaar en de hele sequentie van de zoektocht naar de sluitsteen. Al met al een boek om nog eens te herlezen.
* Ter gelegenheid van mijn reis naar Japan in augustus 2010 las ik vijf boeken. In het vliegtuig naar Japan en terug las ik De niet vervulde gebeden van Jacob de Zoet van de Engelse meesterverteller David Mitchell (van Droomnummernegen, Dertien en vooral Wolkenatlas). Het is (opnieuw) een meesterwerk waarin de verhouding Nederland – Japan ten tijde van Factorij Deshima (18e-19e eeuw) centraal staat. Het is een politiek en een economisch verhaal, maar ook een vertelling over een onmogelijke liefde. Te complex om hier even samen te vatten maar echt een grandioos boek.
Van heel ander kaliber is Tokyo Zero (2007) van de mij onbekende Engels-Japanse schrijver David Peace, een bijzondere politiethriller die speelt direct na de Tweede wereldoorlog, in augustus 1946 (maar met een voorgeschiedenis die verder terug gaat). Het boek heeft een constante onheilspellende en bijna hallucinerende toon, alsof je voortdurend in een soort halfslaap verkeert (wat de hoofdpersoon in feite doet). Het draait om een aantal moorden die moeten worden opgelost door inspecteur Minami en die hierbij van buiten en van binnen het politiecorps zelf wordt tegengewerkt. De desolate toestand van Japan/Tokio na de overgave en de bezetting door de Amerikanen wordt akelig precies beschreven: een en al corruptie, bendes regeren in feite het land en ‘niets en niemand is wat het lijkt’, inclusief Minami zelf. Het boek zit vol herhalingen, droomachtige beschrijvingen, monologen enz., ik las het (bijna) in een adem uit.
En dan boek nummer 3, van de grootmeester van de Japanse literatuur anno nu: Norwegian Wood, van Haruki Murakami. Hiermee brak hij in 1987 internationaal door en inmiddels is hij een van de meestgelezen auteurs ter wereld. (Hij vertaalde overigens John Irving.) Ik las het boek omdat het in Tokio speelt en ik met Murakami’s werk wilde kennismaken. Qua verhaal biedt het een mooi tijdsbeeld van de late jaren 60, het opkomende nieuwe levensgevoel van late 10-ers, begin 20-ers, inclusief de losse(re) seksuele moraal. De hoofdpersoon is Watanabe, een student die bevriend raakt met het meisje Naoko. Zij heeft echter veel psychische problemen, wordt opgenomen in een soort kliniek – waar hij haar enkele malen bezoekt – maar gaat uiteindelijk ten onder. Ondertussen neukt onze hoofdpersoon heel wat in het rond, samen met een vriend die tamelijk ‘los’ in het leven staat. En tegelijk ontstaat er een merkwaardige vriendschap met een ander meisje, Hatsumi, een echte flap-uit, met wie hij tamelijk hilarische conversaties voert. Ik vond de gesprekken/ontmoetingen van Watanabe met Hatsumi vele malen spannender dan die met de ‘eigenlijke’ (2e) hoofdpersoon Naoko. Die laatste waren soms op het saaie af, zeker waar het de drie-gesprekken betreft van hem, het meisje en haar (wat oudere) vriendin Reiko in de kliniek. Dit boek is een goed voorbeeld van hoe je ‘al pratend’ ruim 380 pagina’s kunt vullen, als Murakami wat had doorgewerk hadden het er ook 500 kunnen zijn. Maar het was beter geweest als hij had geschrapt, vooral in de eindeloze mono- en dialogen in de Watanabe-Naoko-Reiko-lijn. Toch is het een in veel opzichten goed en interessant boek, door het tijdsbeeld, door de bespiegelingen van de ik-persoon en vooral ook de Hatsumi-lijn. Het boek wordt verfilmd en zal vanaf december te zien zijn. Ik ben benieuwd!
En dan het vierde boek, van weer heel ander kaliber: Geketende democratie. Japan achter de schermen (2009) van de journalist Hans van der Lugt. Een boek over geschiedenis, politiek en journalistiek van en in Japan, een onthutsend kijkje achter de schermen van deze (schijn)democratie. Ik kwam een aantal plaatsen tegen in het boek die ik zelf bezocht, zoals de Meiji Tempel en de Yasukuni Tempel, hèt symbool van Japans (ultra)nationalisme waar elk jaar op 15 augustus wordt gedemonstreerd. Japan wordt nog altijd geregeerd door een conservatieve elite, de jeugd is met heel andere dingen bezig. Hypertechnologie, boeddhisme en conservatieve, antidemocratische, antifeminine politiek gaan hand-in-hand in Japan.
Het vijfde en laatste, Pictures from the water trade van John David Morley (1986) had ik al sinds augustus 1986 in bezet. Ik heb het nu herlezen. Ik zal niet zeggen dat ik veel herkende vanuit mijn bezoek aan Tokio …. Maar het geeft wel een mooi beeld van de vele subtiliteiten van het leven in Japan, de taal, de kleding, de omgangsvoorschriften enz. Het is een heel informatief boek en goed gedocumenteerd en tegelijk geeft het in romanvorm de perplexiteit weer van de de ‘buitenstaander’.
* De nieuwste van John Irving, De laatste nacht in Twisted River, bespreek ik uitvoerig in het septembernummer 2010 van Inkt!. (zie boven)
* Inmiddels kocht ik Atlas Shrugged van Ayn Rand, dat centraal staat in het hieronder besproken boek van Hans Achterhuis.
* Hans Achterhuis, een van Neerlands bekendste en meest productieve filosofen scheidde twee jaar na zijn magnum opus Met alle geweld (2008; ligt nog steeds ter lezing) een wat kleinschaliger maar niet minder actueel en relevant boek af: De utopie van de vrije markt (Lemniscaat, 2010). Een prachtig, vlot geschreven boek over een complexe en dynamische thematiek: de volledige ontsporing van de door het (westerse) financiële systeem geregeerde zogenaamde ‘vrije markt’. Volgens Achterhuis is ‘iedereen’ er altijd stilzwijgend vanuit gegaan dat ‘de markt’ een soort natuurverschijnsel was dat ‘spontaan’ was ontstaan. Het zou uitsluitend het communisme zijn waarachter een utopische ideologie schuiilging. Hij laat in dit boek, ik vind zeer overtuigend, zien dat ook achter het vrije-marktdenken wel degelijk een ‘utopie’ zat en een concreet aanwijsbare, namelijk de roman Atlas Shrugged (1957) van de Russisch-Amerikaanse schrijfster (en zelf-benoemd filosofe) Ayn Rand (1905-1982). Alan Greenspan, jarenlang de directeur van de Amerikaanse Fed, was een leerling en trouw aanhanger van haar ‘Objectivisme’, de utopie van de totale breuk met welk gemeenschapsdenken dan ook en de opbouw van een ‘samenleving’ waarin mensen elkaar uitsluitend betaalde diensten verlenen, no matter of deze diensten enig maatschappelijk, moreel of humaan ‘nut’ hebben.
Achterhuis’ boek bestaat uit vier delen: in het eerste vertelt hij in kort bestek de roman van Rand na (het boek telt 1200 pp.), in deel 2 gaat hij in op de rol en geschiedenis van ‘de markt’, een prachtig historisch hoofdstuk, gebaseerd op vele bronnen; dan in deel 3 passeert een aantal denkers over’de markt’ de revue, van Aristoteles, via More, Locke, Smith (van ‘de onzichtbare hand’), Marx tot en met Keynes (overigens als lid van de Bloomsbury-groep zeer goed bevriend met Virginia en Leonard Woolf maar dat terzijde). En niet te vergeten Jeremy Bentham, met zijn panopticum die ik hieronder aan de hand van het boek van Peter venmans besprak. Het vierde deel slaat de brug naar de recente actualiteit met Von Hayek en Friedman en ‘Chili’ (1973) als eerste ‘experiment’. We wisten natuurlijk allang dat de CIA de hand had gehad in de coupe tegen Allende in ’73, een gebeurtenis die in m’n geheugen gegrift staat, maar dat er een speciale economenschool werd opgericht om opgeleid te worden tot ‘shock’-economen in Chili, nee dat wist ik niet, en is trouwens ook te gek voor woorden. Daarna beschrijft Achterhuis nog hoe na de tsunami de lokale bevolking niets merkte van de (westerse) hulp, hoe water onderwerp is geworden van wereeldbrede ‘vermarkting’, hij gaat in op ‘zorg’ als marktproduct en tenslotte wijdt hij een korte beschouwing aan de graai- en bonuscultuur.
In zijn epiloog probeert hij voorzichtig een derde weg te vinden: niet teveel markt, zeker niet op cruciale (levens)gebieden, maar ook niet teveel staat. Prachtig vind ik dat hij teruggrijpt op de ‘klassieke’ deugden: wat we nodig hebben is praktische wijsheid, moed, zelfbeheersing en maatgevoel en tenslotte, rechtvaardigheid. In die laatste deugd staat niet het particuliere maar het algemene belang centraal. Ook Achterhuis heeft dus, net als een aantal pedagogen en politocologen,de weg ‘terug’gevonden naar de deugden en formuleert een deugdenethiek als – mogelijk – antwoord en uitweg uit deze crisis.

* Opnieuw herlezen en van genoten: Humboldts nalatenschap (1975) van Saul Bellow. Ook bij de vijfde keer lezen blijft het een fascinerend verhaal: de auteur-van-één-toneelstuk Charlie Citrine, met z’n moeizame relaties met uiteenlopende vrouwen (één ervan wil graag met hem trouwen, hij aarzelt net iets te lang naar haar zin en dat moet hij bezuren …) en zijn gecompliceerde verhouding met de dichter Von Humboldt Fleischer uit de titel die hem een bijzondere nalatenschap doet toekomen. Het decor: Chicago in al z’n grootsheid en laag bij de grondsheid. Ik schat dat 90% van het boek uit ‘denkwerk’ bestaat, inerlijke monologen en gedachten van de hoofdpersoon en ik-figuur (Charlie). Politiek, maatschappijkritiek, filosofie passeren de revue. Na het onvergelijkelijke De avonturen van Augie March (1953) en De decaan en diens december (1982), beide ook meermalen herlezen, vind ik Humboldts nalatenschap het derde ‘grote’ boek van Bellow, alhoewel het om deze eer strijdt met Herzog (1964). Bellow won in 1976 de Nobelprijs voor literatuur, volgens wikipedia-NL voor Humboldts nalatenschap maar ik denk dat het comité hem voor al zijn tot dan toe verschenen werk (acht romans) wilde eren. Below is een van de auteurs van wie ik alles maar dan ook alles heb verzameld en gelezen en zal blijven herlezen.
* De beroemde Amerikaanse socioloog Richard Sennett schreef een ronduit schitterend boek over de geschiedenis en huidige positie van het ambachtelijke werk in De ambachtsman. De mens als maker (2008). Aan de hand van onderzoek naar het ambachtswerk door de eeuwen heen, van pottenbakkers, glazeniers, architecten, verplegend personeel, musici, stenenmakers, drukkers, de gilden, de vakbonden enz. enz, laat Sennett zien hoe ambachtelijkheid steeds meer naar de achtergrond is gedrongen en werk steeds vluchtiger is geworden. Uiteraard gaat hij in op het verschijnsel ‘machine’ en op industrialisatie maar hij geeft ook een gedetailleerde analyse van de werking van de hand en de vingers en laat zien hoe verschillende typen ambachtslieden ermee worstelen deze ‘naar hun hand’ te zetten. De grote vioolbouwers en hun scholen gebruikt hij als voorbeeld van de overdracht van vaardigheden naar de volgende generatie: ambachtslieden die alle kennis voor zichzelf hielden, kregen geen opvolging en hun vaardigheden stierven uit, terwijl ambachtslieden die hun geheimen deelden met hun leerlingen letterlijk ‘school’ maakten. Impliciet een pleidooi voor een (open) meester-gezel verhouding in het huidige onderwijs. Hannah Arendts these over de ondergeschikte positie van het ‘werken’ ten opzichte van het ‘handelen’ is met Sennetts betoog een stuk minder overtuigend geworden. John Dewey daarentegen is voor Sennett een van de vertegenwoordigers van het niet-doctrinaire socialisme die het verschil maar vooral ook de overeenkomst tussen spel en werk goed doorhad. (Sennett verwijst naar het hoofdsuk ‘Play and work in the curriculum’ uit Democracy and Education dat ik op dit moment aan het vertalen ben voor de bundel die in 2011 uitkomt!) Dit rijke en erudiete boek laat zich verder moeilijk samenvatten, maar het was een genot en een echt intellectueel plezier het te lezen.
* In de afgelopen tijd las ik een herziene biografie over Sjostakovitsj van de hand van Ian MacDonald: The new Shostakovich (2006) met daarin de hedendaagse, d.w.z. nà het verschijnen van Solomon Volkovs Testimony in 1979, opvattingen over het Januszkop-achtige karakter en leven van de componist. Ik kocht dit boek in de stad van Sjostakovitsj: St. Petersburg. Deze nieuwe editie, bijgewerkt door Raymond Clarke, laat overtuigend zien dat Sjostakovitsj allesbehalve de communistische hielenlikker was waarvoor hij lange tijd in het westen is gehouden. Hij heeft zijn (muzikale) leven lang klem gezeten tussen de volkomen onberekenbare Sovjet staat en zijn eigen muzikale ambities. De symfonieën en ook veel filmmuziek hadden (ogenschijnlijk) het doel het vaderland te dienen maar dit boek laat de ambiguïteit zien die in vrijwel elk opusnummer zit. Daarnaast was er Sjostakovitsj’ binnenwereld: de kamermuziek, met name de strijkkwartetten. In dit boek worden alle grote werken besproken met verwijzing naar de partituren. Een prachtige aanvulling op Volkovs boeken, ik besprak diens Sjostakovitsj en Stalin hieronder.
* Van de Jamaicaans-Britse schrijfster Zadie Smith (1975) las ik haar fenomenale debuut Witte tanden en haar niet minder geweldige derde boek Over schoonheid (zie de korte bespreking verderop). Nu las ik het boek daartussen: De Handtekeningenman (2002). Het verhaal van een nogal wanhopig in het levende staande man wiens ‘werk’ erin bestaat handtekeningen, al dan niet vervalst, van levende of dode beroemdheden te verzamelen en voor een goed bedrag aan de man te brengen. Zijn moeder is joods, zijn vader een Chinees, vandaar zijn wat merkwaardige naam Alex-Li Tandem. Het boek begint met een proloog waarin Alex met zijn vader en twee vrienden die ook in zijn volwassen leven zijn vrienden zullen blijven naar en worstelwedstrijd in de Albert Hall gaan. Daar doet hij het idee op om handtekeningen te gaan verzamelen. De rest van het boek is in twee delen geschreven: het eerste, getiteld ‘Mountjoy’ (naar een wijk in Noord-Londen) heeft 10 hoofdstukken die allemaal de naam van een van de facetten of sefirot van de joodse kabbalah dragen: Shekina, Yesod, Hesed enz. Er staat ook nog ergens een sefirot van 10 van Elvis, en een van Alex’ beroemde handtekeningen. Het jodendom, niet alleen de religiositeit maar ook het seculiere leven daarbinnen loopt als een rode draad door het hele boek. Vaak wordt het verhaal ondebroken voor zijstapjes met citaten van beroemde rabbi’s. De relatie van Alex met zijn vrienden en vriendin Esther staat centraal in dit deel. Het tweede deel heet ‘Roebling Heights’ en is opgedeeld aan de hand van de Chinese legende van de stier, of eigenlijk een handleiding uit de 12e eeuw over karakterontwikkeling. In dit deel, dat begint met ‘Op zoek naar de stier’ staat Kitty Alexander centraal, ooit een beroemde filmster, nu 70 jaar oud. Jarenlang heeft Alex brieven aan haar geschreven; als hij haar gaat opzoeken in New York blijkt dat ze deze nooit heeft ontvangen, haar manager heeft ze achtergehouden. Terwijl Esther wordt geopereerd in Londen, trekken Alex en Kitty een weekend met elkaar op. Via een vage kennis komt hij in het bezit van een aantal door haar ondertekende brieven. Alex wil een klapper daarmee maken op de veiling. Ik verklap niet hoe dit afloopt. Ondertussen besluit Alex ook nog Kaddish te gaan zeggen. Dat gebeurt uiteindelijk in Londen. Er wordt in het boek heel wat afgeruzied, afgezopen en joints gerookt; dat geeft prachtige sfeertekeningen, maar is ook wel eens vermoeiend, dat zoveelste drankgelag. Maar de basisgedachte van het boek is briljant en met veel woorden tot in heel kleine details uitgewerkt.
* Als ‘tussendoortje’ herlas ik als voorbereiding op een vakantietrip naar St. Petersburg een van de romans van Fjodor Dostojevski die zich in die stad afspeelt, namelijk Misdaad en straf (1882). Als thriller is het natuurlijk een mislukt boek: in het eerste deel zijn we getuige van de dubbele moord die de armoedzaaier en ex-student Raskolnikov pleegt op een pandjesbazin en haar zuster. De rest (700 pagina’s) gaat over de zieleroerselen van Raskolnikov en zijn moeizame relaties met zijn vrienden, een prostituee, zijn moeder en zus (en haar ‘verloofde’) en nog ’n heel stel andere deels geflipte figuren. Minstens de helft van het boek bestaat uit monologues interieurs en ‘streams of consciousness’ waar Virginia Woolf nog jaloers op kan zijn (zij las overigens in de jaren 20 vele Russen). Het is natuurlijk veel te extatisch allemaal, over the top en toch is het een meeslepend boek. Bovendien is het geschreven zoals toch een goed thriller betaamt (of GTST): vele cliffhangers die nieuwsgierig maken naar het vervolg. De roman is eerst als feuilleton gepubliceerd, vandaar. Wat me nu opviel: hoe Raskolnikov lijdt onder zijn daad; een illustratie van een al heel oud, klassiek adagium waar Hannah Arendt meermalen over schrijft: het is beter om lijden te ondergaan dan zelf lijden te veroorzaken. Want de moordenaar zal ‘zichzelf’ altijd blijven tegenkomen: hij zal moeten leven met die moordenaar ‘in’ hem. Dit is de zgn. 2-in-1 idee, de ‘ik’ en ‘de ander’ in mij (die één is). Terug naar St. Petersburg: ik was er precies drie jaar geleden en ben toen gaan kijken op verschillende plekken waar Misdaad en straf zich afspeelt, dat is namelijk heel precies te lokaliseren, tot aan de binnnplaats en de trappenhuizen aan toe. Ga ik nog ’n keer doen. Zie de foto! Op deze binnenplaats stal Raskolnikov de bijl waarmee hij een paar huizenblokken verderop de pandjesweduwe en haar dochter zou ombrengen.

De binnenplaats
* “Groot nieuws”: de nieuwe Paul Theroux is uit: Een dode hand, meteen al in Nederlandse vertaling dus en net als diens laatste boeken spelend in India (met name Calcutta). En opnieuw een geweldig boek dat vertelt over de ‘ik-figuur’ Jerry Delfont, de schrijver van voornamelijk restaurant- en hotelrecensies. Hij is op een dood spoor gekomen, zijn hand wil niet meer schrijven, de eerste betekenis van dode hand. Delfont ontvangt in Calcutta een nogal geheimzinnige brief van een Amerikaanse vrouw. Een vriend van haar zoon trof op een morgen in zijn hotelkamer een lijk aan. Om niet beschuldigd te worden, vlucht hij. De vrouw, Mrs Unger, vraagt Delfont of ze hem kan helpen. Hij gaat daarop in en zo ontspint zich in ruim 300 bladzijden de intrige. De vrouw blijkt twee ‘gestalten’ te hebben: redder van kinderen die ze opvangt in verschillende tehuizen èn goed getraind in het geven van ‘tantristische’ massages. Er ontwikkelt zich een verhouding tussen de schrijver en de vrouw: hij aanbidt haar en ondergaat graag haar ‘behandelingen’. Hij onderzoekt de moord en vindt in het hotel een luguber iets: een hand, weer een dode hand dus. Hij laat deze onderzoeken. Later vindt hij ook een stuk tapijt dat hij ook laat onderzoeken. Tussendoor heeft hij via de ambassade, een ontmoeting met … Paul Theroux! Hier spelen zich nogal hilarische passages af omdat de ‘ik’ commentaar geeft op de persoon en het werk van Theroux en dat is niet mals. Hij vindt Theroux onuitstaanbaar en arrogant, iemand die oneerlijkheid en bedrog uitstraalt. Hij vermoedt dat Theroux ook achter Mrs Unger en de moordzaak aanzit. Daarom houdt hij zich op de vlakte. Ondertussen krijgt hij bewijzen van de achtergrond van de moord in handen (die ik niet zal verklappen) en wordt ‘de zaak’ opgelost. Met zijn verering voor Mrs Unger is het dan wel gedaan. Het boek is helemaal vintage Theroux; de grote bedreigende metropool, de reflectie op het reizen en het schrijverschap. Het nieuwe is natuurlijk de ironie van de zelfbeschrijving. Theoroux is en blijft een van de grote auteurs van onze tijd, zovéél meer dan een schrijver van ‘reisboeken’. Ik heb alles van hem in de kast staan: 50% is reisverhaal, de andere 50% roman, verhaal of essay. ‘Reisboekenschrijver’ doet hem dus onrecht. Hoewel de thema’s bekend zijn, was ook dit boek weer van grote klasse.

* In de ‘traditie’ van De schaduw van de wind schreef de Spaans-Oostenrijkse schrijfster Elia Barceló de roman Bal Masqué (2004/200914[!]). Het speelt in de uitgeverswereld en gaat over het wederzijdse bedrog tussen twee schrijvers en over een biograaf die het leven van een van hen probeert te beschrijven. De constructie van het boek werkt met flash-backs naar verschillende episodes in het leven van de hoofdpersonen. Alhoewel een enkele figuur van bordkarton is, zijn de intrige en de ontknoping toch interessant. Recensenten noemen dit soort boeken altijd ‘pageturners’ en dit keer hadden ze gelijk; ook in die zin dat sommige bladzijden met gemak ‘diagonaal’ konden worden gelezen.
* Annelies Verbeke van wie ik eerder Slaap! Las, schreef recent Vissen redden (2009). Een boek dat ik snel las, omdat het meeslepend is geschreven maar ook omdat het als een stoomloc naar het einde dendert. Het begin redelijk rustig: een vrouw, schrijfster, is in de steek gelaten door haar vriend en heeft het schrijven van fictie eraan gegeven. Ze stort zich op het fenomeen ‘vis’ en vooral het verschijnsel van de overbevissing van de oceanen en zeeën. Daar krijgen we veel informatie over en inderdaad: het ziet er niet goed uit. Dan ontvangt ze een uitnodiging om als ‘entr’acte’ op te treden, met een literair intermezzo, opp een aantal ‘viscongressen’ (wetenschappelijke congressen). Die neemt ze aan en zo vliegen we met haar de wereld over, in en buiten Europa tot boven de poolcirkel aan toe. Haar optreden is meestal niet meer dan enkele minuten. Het gaat vooral om de ontmoetingen met enkele mede-congresgangers, met wie het niet of wel, en dan op soms redelijk bizarre manier, klikt. (Misschien probeert Verbeke te beschrijven hoe het er en marge van wetenschappelijke congressen aan toe gaat ..?) Hoe dan ook, ze wordt aangesproken door een vrouw die in haar een oude vriendin meent te herkennen. Ze speelt het spel mee tot het fout gaat en dan gaat het ook goed fout. (Hoe dat zal ik niet verklappen.) Ik vond de stijl niet altijd even fraai maar de beschreven Verelendung van de hoofdpersoon wel. Omdat het ook moet verkopen, zo heeft Verbeke of haar uitgever gedacht, moet er ook ‘seks’ in. Alhoewel levendig beschreven past het toch niet echt in het boek.
* Van David Mitchell las ik eerder het schitterende Wolkenatlas en het fraaie Droomnummernegen; nu las ik Dertien. Het is een echte Bildungsroman en verhaalt van de avonturen van de 13-jarige Jason Taylor, een ‘stotteraar’, gedurende een jaar, van januari tot januari. Daarin gebeurt heel wat: vechtpartijen en vernederingen door zijn klasgenoten, maar ook Jasons morele geworstel over wat te doen als hij een goedgevulde portefeuille van een van zijn sarders vindt. Zijn oudere zusje die hem aanspreekt als ‘Het ding’ maar met wie het later tot een goede broer-zus relatie komt. Zijn protserige en control-freakvader die op zijn werk naar boven likt en naar beneden trapt, wordt ontslagen en dan al jaren een buitenechtelijke relatie blijkt te onderhouden; zijn moeder die zich op haar arty werk stort. Ontmoetingen met zigeuners, met een merkwaardige oude barones. En met leraren en de rector van school. Door het hele verhaal heen speelt de pijn van het groot worden maar ook de ‘overwinning’. Een prachtig boek.
* David Benioff, een jonge Amerikaanse auteur van Russische komaf, schreef een bijzonder boek over Leningrad, City of Thieves (2009). Het speelt in de eerste maanden van de 900 dagen durende belegering van Leningrad door de nazi’s in 1941. De hoofdpersoon, de grootvader van de auteur, beleeft als jongen (‘Lev’) deze belegering. Op een avond ziet hij met een paar vrienden een Duitse parachutist dood neervallen vlakbij hun huis. Tegen de regels in gaan ze een kijkje nemen. Lev weet nog het mes te ontfutselen, daarna wordt hij door een paar Russische soldaten gegrepen. Tot zijn verbazing wordt hij niet meteen geëxecuteerd maar gevangen gezet. In zijn cel zit nog een man, een wereldwijze vrouwenverslinder, zo presenteert hij zichzelf in elk geval. Samen worden ze de volgende ochtend bij de kolonel gebracht die hen de absurde opdracht geeft hem aan het eind van de week twaalf eieren voor de bruidstaart van zijn dochter te brengen. De opdracht is daarom absurd omdat er op dat moment vanwege de totale isolering van de stad honger heerste; de katten en honden waren al opgegeten, brood bestond goeddeels uit zaagsel en de mensen aten schoenzolen en lijm. Ze aanvaarden de opdracht en proberen in de stad eieren te pakken te krijgen. Dat lukt uiteraard niet. Dan heeft zijn metgezet het plan naar een afgelegen dorpje te gaan (lopend …) omdat daar eieren zouden zijn. Onderweg gebeurt uiteraard van alles, onder andere een bezoek aan een midden in de wildernis gelegen bordeel voor Duitse soldaten. Ze worden meegevoerd door Russische guerilla’s wat de nodige spanningen oplevert, de ‘missie’ van beide verschilt nogal. Ik verklap hier niet hoe het afloopt. Het boek is een prachtige mix van drama en humor, alhoewel het gepraat over seks een beetje afleidt. Het idee van het eieren-zoeken is natuurlijk te gek, en geeft het geheel een absurdistisch tintje. Op youtube staan filmpjes met Benioff waarin hij over het boek vertelt. Over de 900 dagen belegering (het zijn er 872 om precies te zijn) zijn veel studies geschreven, ik hoop er daar binnenkort een van te gaan lezen (nl van Harrison Salisbury, 900 days. The siege of Leningrad).
* Peter d’Hamecourt, oud-correspondent van de NOS in Rusland, bundelde in 2007 een groot aantal columns en berichten in het boek Russen zien ze vliegen. Het geeft in ruim 400 pagina’s een in al zijn ‘dagelijksheid’ ontroerend en onthutsend beeld van de ontwikkelingen van de Sovjet-Unie, 1989, tot en met het Rusland van Poetin, 2007 (dan is hij nog nèt president). Onthutsend zijn de gevolgen van de ineenstorting van het imperium en de opkomst van het ongebreidelde jungle-plus-olie-plus-corruptiekapitalisme: alles op het gebied van de economie, de gezondheidszorg, de rechtspraak en de politie, het dagelijks brood, groente en fruit, huisvesting, stort als een kaartenhuis in elkaar. En wat zegt de (‘gemiddelde’) Rus: ‘normalno’. Zo is het nu eenmaal en je kunt er maar beter in berusten. De Russische bevoling neemt inmiddels met 700.000 zielen per jaar af. Bestaat het land over 20, 30 jaar nog wel? D’Hamecourt schetst de dagelijkse gang van zaken, het leven, vooral in Moskou en de totale lamlendigheid van politie en andere gezagsdragers. Maar ook de grensgeschillen en regelrechte oorlogen van de afgelopen jaren (in een aantal gevallen, zoals Tsjetsjenië gaat het in feite over eeuwen). De democratie is onder de verschillende presidenten vanaf Jeltsin tot en met Poetin niet meer dan een wassen neus. Tijdens de omwentelingen in 1991-193 grepen de oude apparatsjiks, de zgn. nomenclatura, hun kans om miljarden aan (olie)deviezen het land uit te brengen. Verschillende moordzaken, zoals op de journaliste en activiste Anna Politkovskaja trokken wereldwijd de aandacht; de berechting van de daders sleept maar voort. D’Hamecourt worstelt zelf, dat zie je in veel stukken, tussen liefde en haat voor dit land. Duidelijk is dat de nog steeds waanzinnige consumptie van alcohol plus de deplorabele staat van het milieu in grote delen van het land, gevoegd bij de aldoor sluimerende grensconflicten (die overigens ook om de zoveel jaar leiden tot wat men bijna pogroms op ‘zwarten’ kan noemen – ‘zwart’ is iedereen die een iets donkerder tintje heeft dan de gemiddelde Rus, kortom alles ten oosten van Moskou …) het land om de zoveel jaar op de rand van de afgrond brengen. Maar ja, ze hebben olie, hè! (of te wel: ‘It’s the oil, stupid!’) Maar aan hartelijke mensen is ook geen gebrek, dat laat d’Hamecourt ook zien. Rusland en de Russen blijven dus in zekere zin ondoorgrondelijk. Na lezing van dit boek verheug ik me des te meer op het bezoek in februari aan Sint-Petersburg.
* Als tussendoortje las ik een verramsjd boek uit de NRC leesclubreeks, namelijk Bouvard en Pécuchet van Gustave Flaubert. Een soort schelmenroman voor ontwikkelde heren. Deze B en P maken aan het begin van het verhaal met elkaar kennis en blijken alletwee als ‘kopiist’ op een kantoor te werken. Ze sluiten vriendschap. B ontvangt een erfenis en ze verhuizen gezamenlijk van Parijs naar het platteland, als ik het goed in Bretagne of Normandië. Daar begint hun nieuwe leven waarin ze zich als ware encyclopedisten met allerlei wetenschappen bezighouden: de landbouw, de tuinbouw, de geschiedenis en archeologie, de geesteswetenschappen etc etc. Kilo’s boeken worden verslonden, tussendoor vinden vele ontmoetingen met (andere) notabelen en enkele vrouwen plaats, maar het meest kenmerkende van al hun projecten is dat ze hopeloos mislukken. Uiteindelijk moeten ze zelfs hun bezittingen verkopen en geld lenen. Het boek is niet helemaal voltooid door Flaubert die wel een schema van de laatste hoofdstukken maakte. Ik las het boek met een bijna permanente glimlach. Want ongetwijfeld is de dubbele bodem dat Flaubert behalve een aangenaam boek schrijven ook zijn eigen belezenheid wilde etaleren. Ik schat dat er wel tweehonderd boektitels worden genoemd. Het aardige is natuurlijk dat je geen idee hebt of deze ook werkelijk bestaan of dat ze door Flaubert zijn verzonnen (een procede dat we in ons land kennen van Ate Jongstra) en daarmee het hele boek een pastiche doet zijn.
* In 1979 verscheen Testimony, de door de Russisch-Amerikaanse musicoloog Solomon Volkov opgetekende memoires van de Russische componist Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975). In 1981, een paar jaar nadat ik kennis had gemaakt het werk van Sjostakovitsj, kocht ik de Nederlandse vertaling: Getuigenis. Dit is een in zekere opzichten bloedstollend boek. In zijn memoires vertelt de componist wat hij vanaf zijn kindertijd, nog in het tsaristische Rusland, tot en met het stalinisme had meegemaakt en dat was voor één mens eigenlijk ondraaglijk. Het boek sloeg in als een bom want Sjostakovitsj stond tot dan toe in het westen bekend als een soort model-communistisch componist die in zijn werken (en dat zijn er zeer vele: 15 symfonieën, 15 strijkkwartten, soloconcerten voor viool, piano, cello, tientallen filmscores, een stuk of wat opera’s, kamermuziek waaronder meerdere pianocycli, sonates etc. etc.) de stalinistische heilstaat bezong. Verre van dat, zo bleek. In werkelijkheid had Sjostakovitsj veel van zijn werken, met name de symfonieën, cantates etc als een facade opgetrokken om in ander werk, met name de strijkkwartetten en de liederencycli zijn ware ziel te onthullen. Opeens kwam alles maar dan ook alles wat Sjostakovitsj had gecomponeerd, gezegd en geschreven in een volledig ander daglicht te staan en moesten historici, musicologen en politieke analisten van voren af aan beginnen. Het boek riep een enorme controverse op en gaf voedsel aan veel volgende publicaties. Ook van dezelfde auteur, de al genoemde Volkov. Die schreef in 2003 Shostakovich and Stalin (ik las in de ramsj Sjostakovitsj en Stalin. De kunstenaar en de tsaar, 2005). Ook dat is een ongelooflijk boek waarin het lijden van de componist wordt afgezet tegen de machtswellust van de dictator en dat tegen het decor van de Sovjet-Unie in het Stalinistische tijdperk (dat is dus inclusief de jaren van de grote terreur, de Tweede wereldoorlog en de inzet van de dooi in de jaren 50). Volkov ziet Sjostakovitsj als een typisch Russische ‘nar’, een joerodivy, die er, weliswaar steeds in onzekerheid verkerend over zijn leven, erin slaagt de macht uit te dagen en soms zelfs voor het blok te zetten. Het is een zeer overtuigende these die je ook zo zou kunnen uitleggen: de componist had de dictator nodig om er zijn eigen, innerlijke wereld aan te kunnen ontwikkelen, maar andersom had de dictator grote kunstenaars als Sjostakovitsj nodig om zijn cultuurpolitieke doelen te bereiken. Anders dan je zou denken, was Stalin bepaald een liefhebber van kunst en cultuur, in het bijzonder van opera. Toen Sjostakovitsj’ provocerende modernistische opera Een lady Macbeth van Mtsensk al een tijdje liep in de theaters, 1936, kwam Stalin ook eens een kijkje nemen. Hij verliet de zaal voordat de opera voorbij was. De dag erna stond er in de communistische partijkrant Pravda een vernietigend stuk over deze opera, onder de omineuze titel ‘Chaos in plaats van muziek’. Sjostakovitsj werd ervan beschuldigd geen ‘liedjes’ te hebben geschreven die je kunt fluiten, het was geen ‘muziek’ maar een kakefonie van dissonanten en het verhaal hing aan elkaar van lage lusten, expliciete seksualiteit en meerdere moorden. De componist pakte maar vast zijn koffer, want het artikel eindigde met de zin ‘Dit zal wel gevolgen hebben’. Tot op de dag van vandaag is niet definitief uitgemaakt wie het artikel schreef, maar Volkov maakt meer dan aannemelijk dat het echt Stalin zelf was die de pen ter hand had genomen. Het is een van de vele passen in een macabere dans tussen dictator en componist waarover dit boek een werkelijk adembenemend verhaal vertelt. Het is me weer eens duidelijk geworden hoezeer mensen in dit tijdperk hebben geleden, als het al niet fysiek was, door deportatie, marteling, mishandeling dan wel zoals Sjostakovitsj en vele van zijn vrienden (onder wie de meest briljante geesten van de 20ste eeuw op kunstgebied) hebben ondervonden, dan mentaal: de constante angst om gedeporteerd te worden. Geen wonder dat de toch al nerveuze componist een brok zenuwen was en allerlei daarmee samenhangende kwalen ontwikkelde. Dat hij tot in de jaren 70, toen hij doodziek was en zelfs tot op z’n sterfbed in 1975, is doorgegaan met componeren – en hoe!: zijn laatste werken zoals de altvioolsonate behoren tot het mooiste wat in de vorige eeuw is gecomponeerd – mag wel een wonder heten. Ik was zeer onder de indruk van dit indringend geschreven boek, een boek dat mijns inziens geschreven moest worden omwille van de nalatenschap van Sjostakovitsj.
* Van de Franse romancier, kinderboekenschrijver en essayist Daniel Pennac (*1944) las ik achter elkaar drie boeken, één roman en twee uitvoerige essays. De eerste, Zondebok als beroep, is oorspronkelijk uit 1985 en is er een, zo maak ik op uit wikipedia, uit een reeks met als hoofdpersoon Benjamin Malaussène (nomen est omen …). Deze werkt als ‘chef controleur’ bij een warenhuis, wat in de praktijk wil zeggen dat hij, zodra er een klacht is van een klant, wordt opgetrommeld om als ‘zondebok’ te fungeren zodat de klant tevreden het pand verlaat. Dan ontploft er in het warenhuis een bom, en nog een … Dit boek is een combinatie van een nogal platvloerse who-dunnit, alhoewel de plot best slim bedacht is en een psychologische roman over een man ‘met problemen’.
De twee andere boeken die ik van Pennac las zijn van een heel ander kaliber: twee doorwrochte essays over de zeer actuele problematiek van de massale uitval uit het (voortgezet) onderwijs. Het eerste heet In een adem uit. Het geheim van het lezen (1992) en is een prachtig pleidooi vóór het lezen en niet zomaar lezen, maar écht, ‘diep’ lezen van literatuur, ja ook met de meest achtergestelde ‘moeilijke’ leerlingen. Pennac baseert zijn pleidooi op een meer dan 25-jarige ervaring als leraar Frans. Tegen alle fatalisme in betrekt hij, nee sleurt hij zijn leerlingen de literatuur in, niet opdat ze daarna alle mogelijke moeilijke opdrachten en examenvragen kunnen beantwoorden, nee puur om het genot van het lezen. Lezen is meer dan alleen maar ‘leren lezen’, het is, of wordt, ook houden van lezen. Pennac illustreert zijn boek met talloze voorbeelden van hoe leerlingen het lezen is ontmoedigd en hoe hij ze, soms via leuke didactische grapjes, terugwint. Schitterend.
Pennac pakte in 2007 deze draad weer op met zijn boek Schoolpijn (oorspronkelijke titel Chagrin d’école). Hij plaatst niet alleen het lezen maar het taalonderwijs en het gehele onderwijs als zodanig in het perspectief van ‘de moeilijke leerling’. Dat was hij zelf namelijk ook en hij vindt het een wonder dat het toch nog ‘goed’ gekomen is. Of nee, het was meer dan een wonder: dankzij twee of drie attente leraren die hem stimuleerden, zowel in de taal als in de wiskunde, overwon hij zijn angst om te leren. Het boek is een groot pleidooi voor de terugkeer van de pedagogische relatie tussen leraar en klas, inclusief die moeilijke leerlingen. Met groot pedagogisch, psychologisch én vakinhoudelijk inzicht laat Pennac zien waar het mis ging: het wantrouwen tussen leraren en leerlingen, tussen overheid en scholen, tussen ouders en leraren, het niet aansluiten bij en geen begrip hebben voor de moeilijkheden die leerlingen moeten overwinnen om te gaan leren. Moeilijkheden die bij de leerlingen het (zelf)beeld heeft gevestigd: ‘ik kan er toch geen bal van, het wordt toch niks’. Pennac maakt van hun uitspraak: ‘het wordt toch niks’ een fraai staaltje grammatica en ontleedkunde, samen met de leerlingen. Hij gaat literatuur voorlezen, zijn leerlingen gaan stukken uit het hoofd leren, hij maakt er een competitie van, het werkt! Hij komt wel eens oud-leerlingen tegen die deze teksten, een gedicht, een romanfragment, na 25 jaar nog uit hun hoofd kunnen opzeggen. ‘Alles wordt vloeibaar’, zo zou ik de aanpak van Pennac willen noemen. Begin bij het begin en dat is, bij de ‘moeilijke’ leerling per definitie een pedagogisch-psychologisch begin, niet een vakinhoudelijk begin. Maar dat laatste moet er wel komen! Daar is Pennac ook duidelijk over: het is de taak van leraar de leerlingen, moeilijk of niet, te laten kennismaken met de grote tradities, uit de taal en de geschiedenis én de wiskunde enz. Is dit nu de zoveelste successtory van die o zo met zijn leerlingen begane leraar? Deels ja. Maar Pennac erkent, en dat siert hem, ook de mislukkingen, de kinderen bij wie hij niet door de ‘ik kan toch niks’-barrière heen kwam. En hij beschrijft hard de voortdurende wisselingen in onderwijsbeleid waar het onderwijs steeds maar achteraan holt. En nog harder zet hij zich af tegen degenen die op basis van incidenten met jongeren, die er zeker zijn, alleen maar doemscenario’s ontvouwen over de teloorgang van zo ongeveer de hele westerse beschaving. Prachtig zijn daarnaast Pennacs jeugdherinneringen als ‘moeilijke’ leerling en zijn relatie in dat opzicht met zijn moeder, vader en broer Bernard. Het boek eindigt met een scene waarin Pennac beschrijft hoe een zwaluw tegen een raam vliegt en even bewusteloos blijft liggen. ‘Een neergestorte zwaluw is een zwaluw die weer bij kennis gebracht moet worden, punt uit’ (p. 220). Verplichte kost voor alle lerarenopleidingen die geen vakboeren maar pedagogische leraren willen opleiden.
* Met Boze geesten van Berlijn (20063) schreef Volkskrant-journalist Philippe Remarque niet alleen een heerlijk leesboek over verleden, heden en toekomst van deze intrigerende stad, hij maakte er ook een leesbare geschiedschrijving van. Zijn aanpak – beginnend bij de geschiedenis van zijn ‘eigen’ Berlijnse straat en verder gekenmerkt door doorwrochte desk-research en vele interviews – levert een kaleidoscopisch beeld op van een door-en-door politieke stad. Elke steen ademt geschiedenis en politiek en over elke steen maken ze dan ook ruzie. Uiteraard komen de grote bouwwerken aan de orde, met als hoogtepunt de restoratie van de Rijksdag (met de koepel van Norman Foster) die dan eigenlijk geen ‘Reichstag’ meer mag heten. Ook ‘de muur’ wordt besproken, evenals de vele nog in de stad aanwezige harde en zachte symbolen van het nazi-tijdperk (en van daarvoor, want bijv. ook over Gedenkmale voor Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg wordt eindeloos gedebatteerd). Speciale aandacht krijgt het monstrueuze Palast der Republik dat inmiddels dan echt gesloopt is. Ook de Stalin Allee, pardon Karl-Marx-Allee die zo mooi naar de Alexanderplatz met zijn Fernsehturm voert, wordt besproken. Uitvoerig staat Remarque stil bij de resten van de Hitler-bunker en bij de vraag, wel of niet opruimen (de bunker was overigens zo sterk dat hij vrijwel niet kapot te krijgen was, stukken ervan zitten nog steeds in de grond). Remarque, nu Volkskrant-correspondent in de VS schrijft opmerkelijk mild en genuanceerd. Bijv. over het Holocaust-monument dat na scherpe controverses uiteindelijk tot stand kwam, waarna andere slachtoffergroepen ook hun monumenten wilden. Remarque laat vooral goed zien hoe de debatten verliepen en hoe daarin steeds andere groepen of ‘categorieën’ probeerden hun zin te krijgen. Een prachtig boek maar op vele plaatsen ook enigszins treurig stemmend, met name over de nog steeds niet voorbije impact van de rampen die zich in de 20ste eeuw in deze stad en dit land voltrokken.
* Peter Venmans die eerder met De ontdekking van de wereld een uitstekende introductie tot het werk van Hannah Arendt schreef, heeft zich nu op de filosofische stroming van het utilitarisme gestort. Over de zin van nut, zo heeft hij zijn ´filosofische essay´ genoemd. Een pakkende en adequate titel die tevens een ´program´ inhoudt: wat de zin is van nut en nuttigheid kan niet ´binnen´ het nuttigheidsparadigma zelf worden beslist. Bij de beoordeling van de nuttigheid van iets, bijv. een handeling moeten we een beroep doen op ´nutteloze´ waarden. Het boek staat in het teken van de analyse van het nutsbegrip, vaak in relatie tot het vrijheidsbegrip. Soms gaan utilitarisme en liberalisme hand in hand, soms botsen ze.
In zeven hoofdstukken, waarvan het laatste als een poging tot weging kan worden beschouwd, presenteert Venmans een overzicht van de utilitaire filosofie. Hij begint met Jeremy Bentham (1748-1832), de man die meende dat geluk (of het PGG, het principe van het grootste geluk) geheel en al maakbaar was. Bentham was tamelijk consequent in zijn nuttigheidsdenken, zozeer dat hij zijn lichaam liet conserveren tot ´auto-icoon´ dat ter leringhe ende vermaeck kon worden tentoongesteld. Alleen het hoofd is van was. Dit is meer dan een kwestie van ijdelheid, het doorbreekt ook de onaantastbaarheid en´heiligheid´ van het menselijk lichaam, zo stelt Venmans. Bentham was een typische rationalist. Voor hem draait het in het leven maar om twee zaken: pijn en plezier. Helaas zaait Bentham begripsverwarring door in plaats van plezier ook nut en geluk te gebruiken. Hij is een radicale hedonist. Maar wel een van de berekenende soort: een protestantse levensgenieter. Om dat calculerende een beetje in toom te houden is een privé-ethiek onontbeerlijk. Bentham is het meest bekend geworden door zijn ontwerp van een panopticon, een cirkelvormige gevangenis waarin het leven van de inmates gedurende 24 uur per dag werd gecontroleerd. Een belangrijk principe was het nuttig maken van de daar doorgebrachte tijd. Overigens werden niet alleen de gevangenen bewaakt, ook de bewaarders stonden onder supervisie. De gedachte van maakbaarheid spreekt natuurlijk zeer uit dit voorbeeld, het is een totalitaire utopie zoals Hans Achterhuis zegt. Hannah Arendt echter laat aldus Venmans zien dat utilitair en totalitair denken niet samenvallen: het totalitarisme is de nuttigheid voorbij. Venmans concludeert dat Bentham zichzelf zag als projectontwikkelaar en architect. Hij zag onvoldoende dat geluk en nut niet samenvallen.
Zijn leerling John Stuart Mill, onderwerp van hoofdstuk 2, zag dat wel. Maar daar was wel een vrouw en geliefde voor nodig en een flinke crisis na een sterk door het utilitarisme beïnvloede opvoeding door vader James Mill. ´De crisis van 1826´ maakte de weg vrij voor de aartsvader van het liberalisme. De Romantiek kreeg een plaats in zijn leven, hoewel hij een verlichtingsdenker bleef. Teveel werken aan je geluk brengt het tegendeel teweeg, was zijn stelling. Hij stelde zich teweer tegen zelfgenoegzaamheid en streefde een ´hoge´ cultivering na (complexiteit). In plaats van de benthamiaanse calculus komt het oordeelsvermogen van de mens. Voor goed oordelen is levenservaring nodig, of een crisis zoals Mill ervoer. Zelfontwikkeling en veelzijdigheid zijn Mills (pedagogische) beginselen. Het ging hem dus ook om het ´soort´ mensen dat iets doet,met andere woorden: karakterontwikkeling. En daarmee zijn we bij de aristotelische deugden aanbeland. In een boek noemt James Kloppenburg de belangrijkste vier: voorzichtigheid, matigheid, standvastigheid en rechtvaardigheidsgevoel. Toch is Mill geen ´pure´ aristoteliaan: hij heeft meer oog voor de historiciteit van waarden. Hij is dus allesbehalve een conservatieve liberaal, integendeel, hij heeft een progressieve mens- en maatschappijvisie. Toch zijn er maar weinigen die zijn ideaal zullen bereiken en dat maakt hem zekere zin aristocratisch. Mill is voor wat betreft de centrale benthamiaanse noties pijn en plezier veel realistischer: sommige mensen hebben er veel inspanning, pijn voor over om iets te bereiken. Mill heeft net als Bentham iets berekenends, maar met bijv. liefde kun je daar niet veel mee. En altruïsme kan hij al helemaal niet plaatsen. Venmans refereert aan moderne voorbeelden als moeder Teresa. Utilitaristen vinden hun werkwijze inefficiënt en ze wantrouwen hun opofferingsgezindheid. Zij geloven niet in absolute goedheid, maar evenmin in pure slechtheid, het zgn. radicale kwaad, waar zowel Kant als Arendt indringend over hebben geschreven. Mill benadrukt het belang van diversiteit, ook dat is iets wat we vinden bij Arendt. Nietzsche verwierp Mills progressieve egalitaire utilitarisme. Voor zowel Bentham als Mill staat steeds het individu centraal. Echter, het maximaliseren van nut en vrijheid van het individu staan in gespannen verhouding. Maar Mill vindt vrijheid ´nuttig´ in de meeste gevallen. Ook de samenleving heeft baat bij vrije individuen, bij diversiteit. Hij formuleert drie restricties van vrijheid: als je handelen schade berokkent aan de ander, als je handelen duidelijk menselijke plichten verzaakt (dit tendeert naar Kant), en de derde, je dient vriendelijk te zijn voor elkaar. Dat laatste heet tolerantie. Je hoeft niet iemand te beledigen- al mag het wel … Venmans is duidelijk gecharmeerd van Mills ethos.
In het derde hoofdstuk presenteert hij een aantal hedendaagse utilitaristische denkers en actievoerders: David Pearce die via o.a. psychofarmacologie een eind wil maken aan alle pijn, maar dan ook alle. Het ligt in ons bereik, het kan- dus het moet. Venmans maakt een uitstapje naar de zgn. ervaringsmachine van Robert Nozick. Dit is een gedachte-experiment waarin de vraag luidt: als er een machine zou bestaan die het mogelijk maakt altijd gelukkig te zijn, zolang je er maar op aangesloten bent, zou je dat dan willen? De meesten van ons niet en daar zijn goede, anti-Pearce argumenten voor. De tweede die Venmans bespreekt is Richard Layard, een econoom die constateerde dat we rijker en rijker zijn geworden maar niet gelukkiger. Hoe kan dat? Volgens hem heeft dat te maken met de wet van afnemend grensnut van Pareto. Deze stelt dat geld niet voor iedereen dezelfde waarde heeft. Voor een miljonair is 100 euro niets, voor een bedelaar gigantisch veel. Vergelijk het met de zoveelste auto. Is een basisinkomen voor iedereen een oplossing? Je mag bijverdienen door te werken maar het hoeft niet. Pareto verklaart onvoldoende het verschijnsel rijker - niet meer gelukkig. Twee aanvullende mogelijke verklaringen zijn van psychologische aard: gewenning, aan luxe en vergelijking met anderen. Psychoanalytici wijzen op imitatie, mimetisch gedrag, de studie hiervan heet volgens Venmans tegenwoordig marketing. Belangrijk is nog met wie we onszelf vergelijken, in de praktijk blijken dat met name de buren te zijn. Layard formuleert een lijstje met bronnen van geluk, weinig spectaculair, zoiets kunnen we zelf ook bedenken. Maar hij onderbouwt dit empirisch en dat is volgens Venmans winst. Aan de andere kant, Layard wil beleid hierop baseren en dan wordt het wel kwestieus. De derde en meest radicale nutsdenker is Peter Singer, vooral bekend vanwege zijn dieren’activisme’. Maar Singer is een veel bredere denker zoals Venmans laat zien, die zich, terecht, druk maakt om de uitputting van grondstoffen, de armoede in en uitbuiting van 3e wereldlanden enz. Singer neemt een ‘kosmisch’ standpunt in dat alle pijngevoelige wezens omvat. Vandaaruit kritiseert hij bijv. (westerse) voedingspatronen. Singer is een echte consequentionalist (mijn term): ethiek gaat over de gevolgen, niet de intenties van het handelen, iets wat hij gemeen heeft met Dewey die later aan bod komt. ‘Kleine’ daden hebben zin, stelt Singer, die daarmee kwetsbaar is voor de liefdadigheid-kritiek. Venmans gaat in op Singers pleidooi en actie voor dierenrechten. Hierin betoont Singer zich een echte utilitarist: pijn is slecht, wie die ook heeft. Het opkomen voor dierenrechten is niet nieuw en speelde al bij Bentham. Singer geeft het de naam speciësisme, waar overigens verschillende argumenten tegen in te brengen zijn, zoals het wederkerigheidargument. Singer verdedigt het preferentiebeginsel: in je handelen dien je rekening te houden met diegene of datgene dat het meest erdoor wordt beïnvloed. Venmans constateert droogjes dat het moeilijk is precies te weten wat een dier, bijv. een kip nou wil. Met zijn standpunt dat het menselijk leven niet per definitie heilig is, schopt Singer natuurlijk tegen heel wat schenen. Venmans conclusie van deze excursie luidt dat alhoewel onze maatschappij door en door in het teken staat van nut, weinigen geniegd zijn deze drie denkers/activisten volledig te volgen. Toch is er een waardevolle erfenis: radicale ethische betrokkenheid à la Bentham, gecombineerd met de aandacht van Mill voor menselijke diversiteit.
In hoofdstuk 4 voltrekt zich wat Venmans noemt de pragmatische wending en hier formuleer ik meteen maar een kritiekpunt: in plaats van pragmatische had Venmans consequent en taalkundig juist moeten spreken over ‘pragmatistische’ wending, theorie, denker enz. Pragmatisch heeft een heel andere, veel ‘plattere’ betekenis dan pragmatistisch. Hoe dat ook zij, Venmans constateert dat het gelijkheidsideaal van Bentham en dat van de Founding Fathers en de auteurs van de Constitution dicht bij elkaar liggen: ´We hold these truths etc.´. Maar eerstgenoemde had niets op met de grondvesting van deze waarheden in een schepper of in de natuur. (Ook Arendt ging het erom dat mensen elkaar rechten toekennen.) Zeer belangrijk voor het Amerikaanse zelfbewustzijn maar ook voor het beeld van Amerika in Europa was het boek De la democratie en Amérique van De Tocqueville. Deze adellijke jongeman reisde eind jaren 1830 Amerika rond en beschreef zijn waarnemingen over de Amerikaanse democratie. Kenmerkend is het samengaan van Verlichting en religie, met name het protestantisme-puritanisme dat de nadruk legt op persoonlijk handelen en verantwoordelijkheid dragen. Geld verdienen-door de week en zondags naar de kerk bijten elkaar niet. Venmans besteedt terecht veel aandacht aan William James die met Peirce en Dewey als aartsvader van het pragmatisme geldt. Hij gebruikte in 1898 als eerste deze term. Een reeks lezingen in 1906 stond in het teken van afscheid van de metafysica. James vond het allemaal te hoogdravend, te ver weg van concrete dagelijkse problemen. Zowel James als Dewey bouwden voort op C.S. Peirce, met name zijn artikelen ‘How to Make our Ideas Clear’ en ‘The Fixation of Belief’. In dat laatste verzet hij zich tegen elke dwang op het denken of deze nu van de religie of van de rede komt. De wetenschap biedt de uitweg: daarin maakt het niet uit ´wie´ iets denkt. Nog belangrijker is de idee dat de werkelijkheid wat dat ook is, niet zelfbewijzend is: wij mensen manipuleren en interpreteren haar. Waarheid is altijd een gevolg van ons handelen, bijv. het uitvoeren van een experiment. (We zien hier al Deweys transactionele kentheorie in de dop.) Wat nodig is, is ´pragmatisch geloof´, het geloof dat een dokter heeft als hij een patient behandelt. (Is opvoeder ook een geschikte casus?) Behoedzaamheid is het toverwoord. Op p. 171 refereert Venmans zelf aan opvoeding als behoedzaam doormodderen (mijn term). De pragmatistische denker valt niet ten prooi aan de onrust ontstaan door de cartesiaanse scheiding van lichaam en geest. Ook is er geen plaats voor de platoonse correspondentietheorie. Dat we ons handelen en ons denken nergens (meer) op kunnen funderen, behoeft ons volgens Richard Bernstein geen angst aan te jagen. We kunnen altijd blijven onderzoeken en experimenteren zoals ook Dewey meende. Onze keuzes, ook de morele, zijn best gueses, we weten nooit of we het goede doen. Arendt zou zeggen: handelen is fundamenteel onbepaald, een enkel woord kan een situatie totaal veranderen. James zag denken als ademhalen (vgl. Arendt). We doen het als vanzelf en dat is superieur gedachteloos (! Arendt). James onderschreef Mills liberalisme ook in de zin van een scheiding van privaat en openbaar. Venmans conclusie luidt dat pragmatisten bij uitstek mensen van de kleine stapjes, de kleine veranderingen zijn. Het pragmatisme is radicaal humanistisch, keert zich tegen absolutismen en is in die zin een voor velen aanvaardbare denkvorm.
Hoofdstuk 5 is gewijd aan John Dewey en zeker dit hoofdstuk heb ik met bijzondere belangstelling gelezen. Er valt me iets op: Venmans benadrukt een paar keer dat Dewey zo´n aardige en bescheiden man was en dat hij door anderen ook zo werd gezien. Én dat men daarom, aldus Venmans, open stond voor zijn niet altijd even heldere visie. Het tweede dat me opviel is dat Venmans Deweys denken kritiseert aan de hand van (onder andere) een boekbespreking van Problems of Men uit 1946 door Hannah Arendt. Dat is nogal een magere bron. Uit andere publicaties van Arendt, bijv. The crisis in education, weten we dat zij een nogal vertekend en niet-geinformeerd beeld had van ´het pragmatisme´ dat zij ook op een hoop gooide met ´progressive education´. Het grappige is dat een confrontatie Arendt versus Dewey op het vlak van de ideeën zeer wel mogelijk is. Neem alleen al het ´denken´. Bij Dewey staat denken geheel en al in het teken van het oplossen van problemen. Voor Arendt staat denken in het teken van het zich tijdelijk terugtrekken iut de wereld om zich te wijden aan ´contemplatie´. Van ´problem solving´, het kernstuk van Deweys filosofie, moest zij niets hebben, zeker als die werd benut voor het ontwikkelen van ´beleid´. Want voor Arendt is een uitgediscussieerd, opgelost probleem het einde van de diversiteit - de pluraliteit - die kenmerkend is voor de menselijke existentie. Dit alles stelt Venmans niet aan de orde, een gemiste kans want hij had het op basis van zijn Arendt-kennis heel goed kunnen doen. Venmans geeft overigens een goede beschrijving van Deweys antifoundationalistische ervaringsfilosofie en laat zien hoe hij de tegenstelling tussen individu en samenleving van Mill achter zich laat. Venmans wijdt een paragraaf aan Deweys onderwijsvisie en slaagt er daarbij in de termen Herbartianisme en Froeblianisme te mijden. Knap en merkwaardig tegelijk want deze twee stromingen waren vanaf midden 19e eeuw dé leidende pedagogische en onderwijsvisies in de VS. Hij ziet wel goed dat Dewey zelf onvrede had met wat in de VS onder verwijzing naar zijn naam doorging voor ´progressive education´. Ook Deweys door en door democratische gezindheid komt goed over het voetlicht. Is Dewey met zijn pleidooi voor grassroots democratie, town hall meetings nu een naieve communitarist? Walter Lippmann pleitte voor een bestuurdersdemocratie met minder macht aan de basis, Dewey juist voor het tegendeel. Hij pleitte sterk voor burgerparticipatie maar over de concrete invulling en uitvoering hiervan is hij vaag. (Venmans maakt hier waarschijnlijk gebruik van de studie van Louis Logister naar Deweys democratietheorie, hij noemt deze hier niet als bron.) De hedendaagse socioloog Fareed Zakaria herhaalt deels Lippmanns argumenten: er is teveel aan democratie, sommige zaken kunnen beter aan experts worden overgelaten. Met betrekking tot moderne techniek is Dewey een onvervalst supporter. Maar ze dient dan wel voor iedereen bereikbaar te zijn en niet te staan onder druk van de pecuniary culture (Venmans schrijft geldcultuur, maar hij bedoelt Deweys term.) Dewey poogt ´het individu´ te herstellen, Venmans vindt dit nogal utopisch. (Hij spreekt overigens over Deweys ´individualisme´, maar Dewey zelf heeft het uitdrukkelijk over individualiteit, zie Individualism Old and New.) Venmans concludeert dat Deweys politieke en economische kritiek nogal abstract is. Eerder kwam al Arendts kritiek ter sprake, ook vanuit andere hoek kwam deze. Frank Margonis bekritiseert Deweys dwingende keurslijf van de rede (eigenlijk dus Rede). Dewey heeft altijd van meerdere kanten onder vuur gelegen: te vaag, te rationalistisch, te optimistisch of zelfs utopisch, een adept van sociale planning maar tegelijk door en door protestant. Venmans stelt terecht dat het idee van ´vrij onderzoek´ cruciaal is voor Dewey. Ook of juist een empirist moet steeds zijn bevindingen checken, ze kunnen dus altijd maar voorlopig zijn. Dewey heeft ook duidelijk inschattingsfouten gemaakt lijkt Venmans te willen zeggen als hij diens standpunt inzake de betrokkenheid bij WO1 bespreekt. Zijn betoog neemt een rare wending als hij poogt Deweys antitotalitarisme te duiden, het lijkt me dat ook hier Venmans kennis van Arendt hem parten speelt. Er is een oceaan van verschil tussen de mentale houding van Dewey resp.Arendt ten opzichte van het totalitarisme en een eventuele vergelijking hiervan vraagt een afzonderlijke studie. Het niveau van deze paragraaf vind ik bedenkelijk. (Neem bijv. de vraag hoe Dewey zou staan ten opzichte van ´de zaak-Eichmann´. Het is slechts een uiterst speculatieve en eigenlijk ook inadequate vraag.) Venmans is beter op dreef in het aantonen van de waardenbetrokkenheid van Deweys filosofie, hij pareert de kritiek dat Dewey amoreel of op zijn best non-moreel zou zijn. Dewey is een echte Milliaanse liberaal, zo luidt de conclusie, maar wist zijn idealen niet altijd goed onder woorden te brengen.
Het voorlaatste hoofdstuk gaat over een man, Richard Rorty, die in 1979 met zijn boek Philosophy and the Mirror of Nature in een klap Dewey aan de vergetelheid wist te ontrukken door hem en Wittgenstein tot de belangrijkste filosofen van de 20e eeuw te verklaren. Venmans geeft wat biografische achtergronden van Rorty (1931-2007) waaruit onder andere de invloed van zijn troskistische ouders blijkt en zijn voorliefde voor orchideeen. Filosofie was voor hem geen ´natuurlijke´ keuze en hij is altijd blijven twijfelen of het wel een juiste was. Hoe dat ook zij, het gaat Rorty om filosofie, niet om Filosofie: met name metafysica en kenleer schuift Rorty als zinloze disciplines terzijde. Betekent dit ook het einde van het denken? Geenszins, filosofie wordt een zoektocht naar de wisdom of practice, de in het dagelijkse handelen te vinden wijsheid. Voor de neopragmatist Rorty komt kunnen vóór kennen. Venmans laat goed zien hoe Rorty gevangen zat tussen enerzijds zijn afscheid van de ´klassieke´ filosofie en anderzijds zijn ´teren´ op de zak van de belastingbetaler als universitair filosoof. Voor hem ging het erom zijn werk goed te doen, niet zozeer om erin te geloven.(De vergelijking met J.J. Voskuil en diens ´Bureau´ dringt zich op!!) Voor Rorty was de genoemde wisdom overigens een privézaak, net als esthetica: als het om kwesties van rechtvaardigheid gaat is de filosoof ´gewoon´ een burger. Filosofie en democratische politiek hebben een haat-liefde verhouding zoals bv. de ´zaak´-Heidegger laat zien. Rorty´s beweging weg van de politiek is volgens Venmans echter onhoudbaar. Net als bij veel andere filosofen neemt bij Rorty taal een centrale plaats in. Taal is een model voor morele opvattingen en anders dan bv. Bentham wijst hij een ideale uniforme taal af. Taal beeldt immers niet af. Wel vormt ze het opgeslagen kapitaal van vele eeuwen menselijke ontwikkeling en daarin zit veel praktische wisheid. (Dit lijkt me een echo van Dewey en van Bakhtin.) Zoals er vele talen -en wijsheden- bestaan, zo bestaan er evenveel waardenpatronen. Een mens is per toeval in een taal en daarmee in wijsheden en waarden geboren. Deze zijn ´contingent´. Dit te beseffen noemt Rorty ironie. Dit lijkt socratisch maar is het evenwel niet: Rorty´s verre voorganger ging het om absolute waarheid, Rorty gaat om praktische wijsheid. Rorty haalde zijn ideeen -en tegenideeen- uit verschillende bronnen. Venmans noemt er twee: Heidegger en Dewey. Kan het diverser? Maar Rorty plukt uit beider werk wat hij nodig heeft, de achterliggende systematiek laat hem koud, aldus Venmans. Naast filosofie speelde ook de bellettrie een grote rol voor (de latere) Rorty. Hij maakt daarbij geen onderscheid tussen hogere en lagere kunst, het gaat om de emotie die een werk teweeg brengt. In hoeverre is Rorty nu een utilitarist? Venmans maakt dit duidelijk aan de hand van Rorty´s houding ten opzichte van pijn, met name wreedheid aan anderen berokkend. Dat laatste is het ergste wat er is, meent Rorty. Venmans spreekt van negatief utilitarisme. En zijn liberalisme? Het beste is een liberale ironicus te zijn: je kunt je eigen contingentie begrijpen en aanvaarden, dat is privé, maatschappelijk verzet je je tegen alle vormen van wreedheid. Is Rorty's maatschappelijke ideaal de ´leesclub´ of meer de ´bazaar´? Rorty kiest voor de gezellige drukte van de laatste, vooral omdat ´je privé´ daar niet zo belangrijk is maar je toch deals met elkaar kunt sluiten (het zijn allemaal maar metaforen ...). Volgens Rorty voldoet tolerantie meer dan voldoende. Maar het is wat mager, daarom gaat (de latere) Rorty toch op zoek naar wat krachtigers.Opvallend genoeg komt hij net als Charles Taylor uit op ´sterke waarden´ (hypergoods bij Taylor) en blijken deze zelfs aan de contingentie te ontsnappen. Zelfs ongefundeerde waarden blijken de moeite ´waard´, zozeeer zelfs dat je er je leven voor zou kunnen geven. Patriottisme is zo gek nog niet ... Naast vele zwarte bladzijden kent de geschiedenis van de VS ook heel mooie en dat laat volgens Rorty zien dat er zoiets als morele vooruitgang mogelijk is. Volgens Venmans is dit allemaal niet zo geloofwaardig: net als Dewey onderschat Rorty volgens hem het kwaad. Rorty is teveel van pappen en nathouden. Er is meer durf gewenst met name om met geweld dat nu eenmaal een onvermijdelijk gegeven is om te gaan. Toch is voor Venmans er een positieve balans: aanmodderen en compromissen sluiten en kleine daden stellen en telkens weer de redelijkheid veilig te stellen is uiteindelijk beter dan fanatieke en fundamentalistische heldenmoed en martelaarschap.
In het laatste hoofdstuk maakt Venmans de balans op en houdt hij een pleidooi voor een ´verruimd pragmatisme´. De traditie van het nutsdenken zowel in de utilitaire als in de pragmatistische variant is niet alleen de moeite waard maar zit op de een of andere manier ook diep in ons. Hier verwijst Venmans naar Taylor en diens hypergoods. Ook maakt hij duidelijk dat het nutsdenken oog heeft voor het (menselijk) lijden en sterk universalistisch is. Dat laatste is een sterke ethische kracht maar tegelijk ook een zwakte: wat ons nabij is, is toch meer dierbaar dan het ´vreemde´. Utilitarisme en pragmatisme zijn sterk activistisch: mensen moeten iets ´doen´ in en met de wereld: de wereld is wat we ervan maken. En het zijn rationalistische benaderingen met het gevaar van sciëntisme. Vrijheid en diversiteit zijn beide nodig. Het geluk van de mens staat centraal tegen alle pogingen tot bevoogding in. Venmans noemt dit een ´grandioze poging´ die onze morele horizon definieert. Daar tegenover staat natuurlijk de kritiek op het nutsdenken, vooral op de te enge opvatting over geluk. Bentham zag al dat het veel breder moest. Pragmatisten en utilisten zijn onrustige mensen: de wereld kan immers altijd beter, er valt nog zoveel te doen. Venmans verwijst naar de activistische opvoedingsfilosofie van Dewey en gebruikt daarbij de term ´het hedendaagse, sterk pragmatisch gerichte onderwijs´, om daarna uit te varen tegen het voortdurend labelen van kinderen als adhd, etc. Dit gaat allemaal een beetje te snel en het Deweyaanse gehalte van deze observaties is kwestieus. Hoe dat ook zij, problemen en het oplossen daarvan staan centraal (zie Dewey) maar Venmans vindt dit nogal plat: een leven zonder ´problemen´ bestaat sowieso niet dus in dit opzicht is het pragmatisme niet bijzonder. Venmans haalt hieruit overigens een door oosterse filosofie geïnspireerd pleidooi voor nutteloosheid uit. Een wat rare wending zo aan het einde van het boek: had hij niet van begin af aan nuttigheid op deze wijze ter discussie moeten stellen? Meer hout snijdt zijn opmerking omtrent nutsdenken en globale veranderingen zoals het afsterven van de poolkappen. Dit wordt helemaal tot een ´op te lossen´´probleem´ gedefinieerd, terwijl we misschien moeten aanvaarden dat sommige zaken zich niet zo laten beheersen. (Een fundamenteel inzicht van Arendt, waar Venmans ook naar verwijst: het gaat haar om de zin van het nut.) Tegelijk zullen we ´pragmatisch´ moeten handelen en ook niet bang zijn voor technologie. Wat is de uitweg uit ´smal´ pragmatisme? Venmans meent: het koppelen van nut aan geluk, zo breed mogelijk gedefinieerd, zodat alle vormen van zelfrealisatie daaronder kunnen vallen en zo specifiek dat elk individu er iets mee kan. Drie motieven uit de pragmatistische traditie dienen te worden hergewaardeerd: gezond verstand (vgl. census communis van Kant-Arendt), democratie en filosofische reflectie. Praktische wijsheid moet weer ruim baan krijgen. We verwerven haar door levenservaring. De belangrijkste aanbeveling is: heb de moed je van je eigen verstand te bedienen! Dewey leert ons over het belang van een levende democratie en openbaar debat. De mens is en blijft een weifelend dier dat ertoe veroordeeld is over zichzelf na te denken. Als we ons blijven verwonderen (!) zullen we steeds voorlopige antwoorden vinden waar we weer een tijdje mee verder kunnen. ´En morgen kan er altijd iemand komen met een beter idee´, zo besluit Venmans dit interessante en goed geschreven boek met een quote van Rorty.
* Wat een schitterend boek schreef Nicole Krauss met De geschiedenis van de liefde (2005/2009). Het gaat over de zoektocht van een meisje, Alma, die haar moeder wil helpen bij het vinden van de gelijknamige hoofdpersoon uit een boek dat zij aan het vertalen is. Maar het is niet zo duidelijk wie dat boek oorspronkelijk heeft geschreven. Dat brengt de tweede hoofdpersoon in het spel, Leon Gursky wiens zoon, een gevierd schrijver, uit zijn leven is verdwenen. En dan is er Vogel, het nogal godsdienstig ingestelde broertje van Alma. Gursky is de ‘ik’ in het verhaal dat verder gelardeerd is met dagboekfragmenten van Alma en van Vogel. Het boek speelt zich af in het Amerikaanse jodendom en ademt dezelfde sfeer als de boeken van Jonathan Safran Foer (Alles is verlicht en Extreem luid & ongelofelijk dichtbij, die ik verderop besproken heb en waarin ook het ‘zoeken’ centraal staat). Niet vreemd als je weet dat Krauss en Foer met elkaar zijn getrouwd. Het boek kent een aantal schitterende wendingen, een prachtige plot en heeft een hechte, meeslepende structuur. Een van de beste boeken, hier en daar emotionerend die ik de laatste tijd las.
* In 2000 publiceerde de classicist, dichter en romancier Ilja Leonard Pfeijffer een handzaam en toegankelijk boekje over de ‘klassieke’ Griekse en Romeinse literatuur: De Antieken. Het is een mooi beknopt overzicht van de enorme rijkdom die ons meer dan 2,5 millennium is overgeleverd (alhoewel: ILP begint zijn introductie met de opmerking: ‘We hebben geen enkele autograaf’). Alles wat we hebben zijn gekopieerde fragmenten van boeken die soms wel meer dan 40 delen beslaan. Alle grote namen passeren de revue, denk aan Plato, Cicero, Sophokles, Seneca, Ovidius, Xenophon en Homerus (hier niet in chronologische volgorde!) en nog een paar honderd anderen. Van elk worden de bekende en onbekende werken kort besproken, soms met flink wat tongue-in-cheek humor. Elk hoofdstuk wordt vooraf gegaan door een historische schets. ILP laat mooi zien dat letteren, filosofie, retoriek, strategisch schrijven (denk aan hagiografieën van keizers) enz. allemaal en plek kregen in de werken.
* Afgelopen week begonnen aan het posthume boek van een van mijn lievelingsschrijvers: J.J. Voskuil, Binnen de huid, verschenen op 3 april 2009. Het is de verbindende schakel tussen Bij nader inzien en Voskuils magnum opus Het bureau. Anders dan deze twee werken is Binnen de huid geschreven in de ik-vorm waardoor het wel heel dicht bij de lezer komt. Het beschrijft in essentie de teloorgang van de vriendschap met het (bijna) enige stel vrienden dat de ‘Konings’ (Maarten en Nicolien) nog hadden overgehouden uit hun studententijd: Paul en Rosalie. Met Rosalie knoopt Maarten een onmogelijk soort verhouding aan die uiteindelijk, door zijn falen, niet wordt ‘geconsummeerd’ om het maar zo even te noemen. Ondertussen wordt er wat afgekust, over hoofden geaaid en gesproken, heel veel gesproken en ook heel veel gezwegen. Tussen Maarten en Nicolien gaat het niet bepaald soepel. Het boek, vooral de tweede helft, maakt de indruk dat de ‘ik’ geheel en al de weg kwijt is. Voskuils weduwe (‘Nicolien’ in alle boeken) heeft het vrijgegeven voor publicatie (het was al in 1968 voltooid) omdat zij het een oprecht en moedig boek vond. Terecht en ik kan me voorstellen dat het haar moeite heeft gekost. Het boek laat zich makkelijk parallel lezen met de reisboeken die Voskuil later schreef (zie hieronder), vooral omdat ook die in de ik-vorm zijn geschreven. Het altijd onderhuidse, ongemakkelijke levensgevoel van de Voskuils komt ook hierin naar voren.
* Polarisatie. Bedreigend en verrijkend (SWP, 2009) is een bundel beschouwingen onder redactie van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO). Het boek (ruim 250 pp) bestaat uit 13 hoofdstukken die alle op de een of andere manier ingaan op vragen als: polarisatie, wat is het, wat is het niet, wat is de zin of de onzin ervan en wat zijn de oorzaken en gevolgen en hoe dienen wij ermee om te gaan? Door de veelheid is het nogal een tombola geworden van meningen en opvattingen, al dan niet gefundeerd op (empirisch of filosofisch) onderzoek. Aan het woord komen ondermeer Afshin Ellian (die als enige naar het werk van Arendt verwijst), Evelien Tonkens, Jan Willem Duyvendak, Willem Schinkel en Marguerite van den Berg (met een mooi polemisch stuk over burgerschap) en Carsten de Dreu, die polarisatie vanuit de psychologie bekijkt. Zoals gezegd is Arendt nagenoeg afwezig in deze bundel. Ik vraag me af waar dit nu een signaal van is: van haar irrelevantie in dit discours of van de onwetendheid binnen deze uitsnede uit wetenschappelijk en filosofisch Nederland? Merkwaardig genoeg wordt ook maar een enkele maal gerefereerd aan Chantal Mouffe, terwijl die toch met haar boek On the political (Over het politieke) trendsettend is voor een ‘agonistische’ visie op de politiek. Hoe dat ook zij, het is een veelzijdige bundel die de RMO gaat betrekken bij haar aanstaande (mei 2009) advies over polarisatie. Wouter Bos, een beetje de ‘aanstichter’ van deze verkenning vanwege zijn ‘oproep’ tot polarisatie vorig jaar, nam het boek op 3 maart 2009 in Nieuwspoort in ontvangst.
* De Belgische schrijver Paul Lebeau (1908-1982) publiceerde in 1959 Xanthippe. Xanthippe was de naam van de vrouw van de Griekse wijsgeer Socrates en in het boek worden diens leven en sterven verteld vanuit haar perspectief. Een originele invalshoek; zie ook mijn bespreking van het boek van Emily Wilson, The death of Socrates op de Arendt-sectie van deze website. Xanthippe wordt doorgaans voor een helleveeg, een snibbige vrouw gehouden maar vanuit haar gezichtspunt – op haar tijdgenoten, Socrates zelf incluis – was er ook alle reden voor haar nog mysantrope levensvisie. Socrates stelt zich eigenlijk onmogelijk op, hecht geen enkel belang aan aardse zaken, is blind en doof voor de verlangens en inzichten van zijn vrouw, maar verwekt wel drie zonen bij haar. Haar visie op Socrates’ dood luidt, aldus Lebeau: ‘ … Socrates hoefde niet te sterven. Vrijwillig is hij uit dit leven gescheiden’ (p. 8). Om daaraan toe te voegen: ‘Ik [Xanthippe] zal hetzelfde doen. Dan heb ik de meeste kans hem terug te vinden’ (ibid.). En aan het eind van het boek wordt inderdaad met zoveel woorden verteld dat ook zij de gifbeker ledigt. Het verhaal is geschreven als een brief van Xanthippe aan haar zoons, als een verantwoording en een presentatie van haar kijk op de zaak. Deze zoons worden overigens ook sprekend opgevoerd, waardoor meerdere vertelposities door elkaar lopen. (De zoons worden sprekend opgevoerd door de moeder, dus het één-verteller perspectief blijft wel gehandhaafd. Toch werkt het verwarrend.) De stijl is, zelfs voor een boek uit 1959, archaïsch. Vreemd genoeg of ondanks dat, is het (nog) goed leesbaar. In Inkt! van september 2009 staat een bespreking van mijn hand van beide boeken.
* De filosoof Alain de Botton is erg productief. Zijn nieuwste boek over de zegeningen van werken las ik nog niet, wel twee wat oudere boeken: Status Anxiety (2004) en The Architecture of Happiness (2006). In het eerste boek gaat De Botton na waarom we ons eigenlijk zoveel aan anderen gelegen laten liggen, waarom ‘status’ belangrijk voor ons is. Hij wijst vijf oorzaken aan: liefdeloosheid, verwachtingen; meritocratie, snobbisme en afhankelijkheid. Aan de hand van een stoet filosofen en sociologen maar ook aan de hand van historische en actuele bronnen, advertenties, tentoonstellingen etc schetst hij ons het beeld van afhankelijke mensen die zich voortdurend afvragen of ze het wel goed doen, in d ogen van anderen. De Botton geeft vijf bronnen voor de aanpak hiervan: filosofie (!), kunst, politiek, religie en ‘bohemia’. De Bottons conclusie is dat we uit deze bronnen kunnen kiezen om ons van onze statusangst te verlossen. Ook veel kunst in het tweede boek. Hoe draagt kunst, architectuur bij aan ons geluk? Aan de hand van talrijke voorbeelden uit heden en verleden laat De Botton zien wat kunst met ons ‘doet’ (of kan doen, als we er oog voor hebben). Kan er een architectuur worden ontwikkeld die (meer) tot ons geluk bijdraagt?
* De Hongaars-Engelse socioloog Frank Furedi hield kort geleden de Kohnstamm-lezing in Amsterdam, ik las de gedrukte tekst onder de titel Socialisation as behaviour management and the ascendancy of expert authority (2009). De pointe van zijn betoog is dat ‘experts’ (al dan niet zelfbenoemde) de rol van de ouders in het socialisatieproces van kinderen hebben overgenomen, dat deze socialisatie anno nu de vorm heeft van ‘gedragsmanagement’ op scholen en dat in veel gevallen er ook ‘omgekeerde’ socialisatie is: ouders die door hun kinderen worden gesocialiseerd daarin aangemoedigd door de experts. Een mooi sluitende redenering dus. Maar klopt hij ook? Het valt op dat Furedi het grootste deel van zijn betoog aan historische excursies naar de 19e en de 20ste eeuw besteedt. Hierin zou een voortgaande afkalving van ouderlijk gezag te zien zijn, richting met name het onderwijs. In de analyse van de hedendaagse problematiek stelt hij dat er sprake is van wantrouwen van experts ten opzichte van ouders en dat zij (de experts) voornamelijk bezig zijn zaken te compliceren om hun eigen legitimiteit (lees: boterham) veilig te stellen. Wat ik mis in het betoog is een analyse van hoe de overheid deze beweging heeft angejaagd en daarbij zowel ouders als experts met een fudamenteel wantrouwen tegemoet is gaan treden. Willem Trommel schreef daar in de Polarisatiebundel van de RMO (2009) een prikkelend artikel over. Verder vraag ik me of en hoeveel ‘gezag’ die experts dan wel hebben. Is het niet méér zo dat dit gezag juist is weggevallen met dank aan de egalitaire tendenties van de jaren 70. En wie zijn eigenlijk die experts die het zo graag overnemen van ouders? De hoogleraar pedagogiek? De psycholoog met zijn testbatterij? De arts die adhd contstateert? De internbegeleider op een basisschool? Furedi gaat er te gemakkelijk overheen. Ook is te zien dat Furedi geen vakpedagoog is, want de manier waarop hij Dewey wegzet als kampioen van ‘parent-bashing’ is nogal disproportioneel. Bovendien negeert hij volledig de pedagogische context waarin Dewey werkte (rond 1900), het dominante Fröbelianisme en Herbartianisme. Grappig is wel dat hij op p. 12 beweert dat ‘de instrumentele oriëntatie (lees: Dewey, JWAB) op kennis een significante invloed op mainstream-opvoedingstheorie en –praktijk had’, terwijl de invloed van Dewey in de VS zeer wisselend is geweest en in Europa ronduit marginaal. Furedi verwijst ook naar Arendts essay over de ‘crisis in de opvoeding’ en dat doet hij wel adequaat, zij het wat oppervlakkig. De conclusie dat socialisatie tegenwoordig geheel in individualistische termen wordt gegoten (mijn welzijn, mijn competenties) en dat scholen zich tegenwoordig meer bezig (lijken te) houden met sociale en emotionele opvoeding ten koste van hun kerntaak (dixit Furedi) schoolvakken onderwijzen, snijdt hout. Maar Furedi legt onvoldoende bloot welke (politieke, maatschappelijke, filosofische) mechanismen daarachter zitten en dat is een gemiste kans.
* Met Nachttrein naar Lissabon schreef Pascal Mercier een miljoenen-bestseller. Ik las het boek en loop eerlijk gezegd niet over van enthousiasme. Het boek begint goed: een leraar op een gymnasium in Bern heeft een korte ontmoeting met een Portugees-sprekende vrouw en komt daarna in bezit van een boek van de hem onbekende Portugese schrijver. Vervolgens besluit hij tijdens een les dat hij naar Lissabon wil gaan om daar achter het verhaal van het boek en zijn schrijver te komen. Een veelbelovend begin maar dan verloopt het boek in onwaarschijnlijkheden. Ten eerste dat niemand na zijn plotse verdwijning even de moeite neemt te gaan kijken bij zijn flat en ten tweede dat hij erin slaagt om binnen no time het Portugees onder de knie te krijgen (hetgeen blijkt uit de vele passages die uit het boek van de onbekende auteur zijn overgenomen en die onze hoofdpersoon vloeiend blijkt te kunnen lezen en begrijpen). Een ander minder geloofwaardig iets is dat een van zijn onderkomens in Lissabon een oude school is, een ruïne eigenlijk en dat daar helemaal niemand eens komt kijken als er licht brandt. Het is een echt ‘geconstrueerd’ boek, de ‘logica’ van het hele verhaal is er door de auteur zelf ingelegd en daardoor ‘klopt’ het net allemaal even te mooi. Met ruim 400 pp (in de Engelse paperbackuitgave die ik las) is het boek ook gewoon te dik voor de pointe. Niet helemaal bevredigend dus ondanks enkele prachtige passages richting het eind van het boek, in een terugblik op de periode van de dictatuur onder Salazar.
* Een aantal jaren na zijn magnum opus Sources of the Self schreef de Canadese filosoof Charles Taylor een boek van een wat kleinere omvang: De malaise van de moderniteit (1991/19962). Deels bestrijkt dit dezelfde thematiek als het grote werk, namelijk de vraag hoe het individu zich staande zal weten te houden in een versplinterende wereld. Taylor bestrijdt degenen die menen dat het ‘individualisme’ en zijn ontplooiingsideologie alleen maar hebben geleid tot instrumentalistische intermenselijke verhoudingen. Er ís namelijk daadwerkelijk sprake van de mogelijkheid dat individuen authentiek en ‘zichzelf’ zijn. Taylor betoogt dat het niet gaat om ‘atomistische’ authenticiteit maar om ‘zichzelf worden in menselijke relaties’, om de in maart 2009 overleden Nederlandse psycholoog Toine Vossen te citeren. Taylor benadrukt de dialogische bron van identiteit (en hier bevindt hij zich in goed gezelschap van denkers als Arendt, Dewey, Vygotsky, Bruner). Net als Putnam (Bowling Alone) een aantal jaren na hem, ziet Taylor het grootste gevaar in maatschappelijke fragmentatie en zoekt hij naar nieuwe mogelijkheden voor het vormen van gemeenschappen. Alleen dan kan de macht van de staat en de bureaucratie worden gekeerd of in elk geval gemitigeerd. Net als in Sources schrijft Taylor zoekend en tastend en probeert hij de grote lijn vast te houden. Dat maakt enerzijds dat de lezer als het ware met hem ‘mee-denkt’. maar geeft hem ook weleens het gevoel dat Taylor (te) grote stappen neemt. Zijn thematiek heeft in de laatste 15 jaar alleen maar aan urgentie gewonnen.
* Wat een schitterend debuut schreef de jonge Italiaanse schrijver (*1982) Paolo Giordano met De eenzaamheid van de priemgetallen. Het vertelt het verhaal van twee kinderen, Alice en Mattia, wier levens elkaar op een gegeven moment kruisen. Beiden hebben traumatische ervaringen achter de rug, ze hebben, letterlijk, littekens aan hun kindertijd overgehouden. Het verhaal is gestructureerd in gebeurtenissen in opeenvolgende jaren, met soms veel tussenruimte (net als de priemgetallen). Enkele dramatische gebeurtenissen op school en op het werk van beide jonge mensen worden beschreven waarbij de afloop vaak in het ongewisse blijft; dit geeft het hele boek een bijzondere spanning. Indrukwekkend.
* Begin maart 2009 overleed Patricia De Martelaere op 51-jarige leeftijd. Ik herlas van haar de bundel beschouwingen Wat blijft uit 2002 (in het kader van de Maand van de filosofie). Een viertal zeer persoonlijke en indringende essays over mens en dier (hoe toepasselijk nu in deze Boekenweek!), over iets, niets en niet-iets in de filosofie en in het boeddhisme, over natuur en religie. Een scherp stuk is het laatste ‘Scheiding en troost’ waarin ze zich keert tegen het positivisme en zijn kennisclaims en aandacht vraagt voor het mysterie van het leven. Tenslotte een citaat: ‘Al wat bestaat moet … onvermijdelijk vergaan. Al wat is, moet worden. Wat blijft, kan dus niet iets zijn dat is. Het absolute tegendeel van worden is niet zijn, maar niet-zijn: Niets, dat blijft’ (p. 51).
* Ruim 800 pagina’s had Ivan Gontsjarow nodig voor zijn roman Het Ravijn (1869), maar dan heb je als lezer ook wat. Het draait om enkele hoofdpersonen: een nogal mislukte schilder/schrijver, diens (achter)nichtje en haar, in Rusland onvermijdelijke, baboesjka (omaatje). Het speelt zich op het landgoed van eerstgenoemde dat aan een ravijn grenst. Het is hoogromantiek op zijn allerbest: elke zucht wordt breed uitgemeten, er is voortdurend sprake van niet-vervulde amoureuze verlangens en van liefde die maar niet wordt ‘geconsumeerd’. De personen belichamen zoals vaker in Russische romans (denk aan De gebroeders Karamazov en Vaders en zonen) de tegenstelling tussen het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ denken. De schrijver probeert zijn nicht, en ook andere geliefden, los te weken uit hun traditionele milieu; dat lukt maar half en leidt tot veel innerlijke strijd en soms prachtige, scherpe dialogen. Het ravijn lijkt symbool te staan voor deze tweedeling. Alhoewel de toon en de stijl gedateerd zijn, heeft de inhoud, het geworstel met ‘relaties’, nog niets aan actualiteit ingeboet. Het boek is prachtig uitgegeven, in cassette en kostte in februari 2009 in de ramsj nog maar een fractie van de oorspronkelijke prijs.
* Norman Mailer schreef met The Castle in the Forest (2007) een van de merkwaardigste boeken die ik de laatste tijd las. De verteller, ‘ik’ moeten we opvatten als een soort duivelfiguur die op enkele gebeurtenissen van de 20ste eeuw diepgaande invloed had. Met name op de jeugd en adolescentie van Adolf Hitler die i dit boek, naar het schijnt, wetenschappelijk gefundeerd, worden gereconstrueerd. (Ik schrijf ‘chijnt’ want alhoewel achterin het boek zeven pagina’s met referenties aan wetenschappelijke literatuur staan, is niet helemaal duidelijk wat Mailer hiermee heeft gedaan.) Hoe dat ook zij, deze reconstructie draait vooral om twee punten, de incestueuze verhouding van vader Hitler met z’n nicht en de liefde van dezelfde man voor de bijenhouderij. Het in deze roman ontwikkelde idee is nu vooral dat deze twee zaken een blijvende en misvormende invloed op de jonge Adolf hebben gehad. Ik vond het niet erg overtuigend, alhoewel Mailer wel een bijzondere toon in het boek heeft gebracht. Maar er zitten ook merkwaardige wendingen in. Zo stelt de ‘duivel’ dat hij ‘even een ander klusje moest doen’, namelijk in 1917 in Rusland ervoor zorgen dat de tsaar werd afgezet. Mailer zegt dan dat je dit hoofdstuk best kunt overslaan en op pagina 261 kan verdergaan met het ‘eigenlijke’ verhaal van dit boek. Tsja.
* De beroemde schrijver Hermann Hesse won vooral dankzij zijn boek Siddhartha (1922) de Nobelprijs voor literatuur (1946). Het is het levensverhaal van een jongeman, Siddhartha, die zijn familie verlaat om ‘zichzelf’ te vinden. In de loop van het verhaal sluit hij zich aan bij een religieuze sekte, verlaat die weer, ontmoet predikers, wordt koopman en rijk, raakt weer verarmd, vindt een geliefde bij wie hij een zoon verwekt en zo kent zijn leven verschillende ‘golven’. Tot hij troost en inzicht vindt bij de rivier – waar hij het volmaakte geluid van ‘OM’ hoort - en kennis maakt met de veerman Vasudeva. Aan het eind van het verhaal ontmoet hij opnieuw een oude vriend, Govinda. Maar dan is al duidelijk dat het verhaal in feite gaat om de Boeddha. Een schitterend en ontroerend verhaal.
* Met The White Tiger won Aravind Adiga in 2008 de Man Booker Prize. Het verhaal speelt in India anno 2008, met zijn enorme tegenstellingen tussen het platteland en de miljoenensteden, met de invasie van westerse maatschappijen, met name de call-centers, de alomvattende corruptie en met de pogingen van mensen om daarin overeind te blijven. Verteller is een man die het plattelandsleven weet te ontvluchten, chauffeur wordt van een crimineel en diens vrouw en familie en zich langzaam omhoog weet te werken. Maar die ‘opwaartse mobiliteit’ om het zo even te noemen, heeft wel een prijs. Het boek bestaat uit fictieve brieven waarin dit levensverhaal wordt verteld. Een geweldig meeslepend boek met prachtige dialogen en een inkijkje in deze samenleving.
* Nu dacht ik alles van Saul Bellow te hebben gelezen, bleek dat toch een vergissing. In mijn boekenkast stonden nog twee ongelezen werken, namelijk To Jerusalem and Back en Henderson the Rain King. Het eerste is een indringend verslag van een bezoek aan Jerusalem begin jaren 70 en een onverbloemde keuze voor Israel en tegen de omringende (Arabische) wereld. Zou Bellow dit ‘na Gaza’ dit nog hebben durven verdedigen? Ik vraag het me af. Het tweede boek is binnen het oeuvre van Bellow een buitenbeentje: het speelt in ‘donker’ Afrika waar de hoofdpersoon, Henderson, een steenrijke Amerikaan, heenvlucht uit een onbevredigend huwelijk. Na wat omzwervingen wordt hij door een stam opgenomen en tot regenkoning uitgeroepen. Daarna moet hij de koning assisteren bij het bedwingen van een leeuw. Het boek eindigt met een anticlimax. Wel vintage-Bellow zijn de vele innerlijke beschouwingen van de hoofdpersoon, de ideosyncratische dialogen, de vervreemdingseffecten. Ik heb het gevoel dat het Bellow niet exuberant genoeg kon zijn en dat hij in dit boek een zeer ‘losse’ schrijfstijl uitprobeerde.
* In 1967 schreef de schrijver/filosoof Michel Tournier zijn debuutroman Vrijdag of het andere eiland. Het is een briljante hevertelling van het beroemde Robinson Crusoë-verhaal. Na een schipbreuk belandt ‘Robinson’ op een onbewoond eiland. In de loop van het verhaal zet hij het leven op het eiland steeds meer naar zijn hand, zelfs door middel van wetten en regels (die alleen voor hem gelden). Hij gaat het eiland als een groot, levend organisme beschouwen. Dan op een dag ontmoet hij Vrijdag en nu neemt zijn verblijf een andere wending. Er gebeurt het nodige aan ongelukken en rampen maar dan worden beiden uiteindelijk opgepikt door een voorbij varend schip.
* Paul Theroux is zeer productief, ik heb op één na nu al zijn boeken (40). Maar hij doet er ook wat voor, zoals zijn intercontinentale treinreis uit 1973 nog ’n keer doen. Het resultaat is beschreven in Ghost Train to the Eastern Star (2008). Een reis overdoen, kan dat eigenlijk wel? Die (filosofische) vraag ligt ten grondslag aan het boek. Uiteindelijk is het meer een reis naar het ‘zelf’ geworden, Theroux beschouwt zichzelf nu ook als een soort ‘ghost’. Tijdens deze reis schreef hij een bundel met drie novelles, onder de titel The Elephanta Suite (2007). In alle drie botsen de westerse en de oosterse (Indiase) waarden, waarbij het gaat om resp. een echtpaar op vakantie, een zakenman wiens werk een dramatische wending neemt en tenslotte een backpacker die op een dubbelzinnige manier de aanbidding van dieren in India weet te gebruiken. Met name dit laatste verhaal heeft een vintage-Theroux plot. In mei 2009 verscheen een bespreking van mijn hand van de reisboeken in het eerste nummer van het nieuwe literaire tijdschrift Inkt!
* Binnenkort Paul Theroux's nieuwste Ghost Train to the Eastern
Star, waarin hij na 30 jaar de 28.000 km treinreis uit begin jaren 70 overdoet
.... Maar eerst las ik een oudje uit 1974 (na lange tijd weer eens een Theroux
gevonden op een boekenmarkt!), namelijk The Black House. Een soort
gothic novel, met een expat-echtpaar dat uit Uganda terugkeert naar Engeland en
in de South Downs een nogal spookachtig huis huurt. Ze vallen niet helemaal
lekker bij de plaatselijke gemeenschap. De verscheurdheid tussen meerdere
culturen wordt door Theroux geweldig verwoord, doorspekt met wat wel zijn
specialiteit is, de aberraties van de menselijke psyche.
* Ik las twee boeken van Zadie Smith: Witte tanden en Over
schoonheid , twee echte 'vertellers'- romans, met lekker veel personen en
verwikkelingen in uiteenlopende milieus. In het tweede boek botsen westerse
subculturen op elkaar, in het eerste de westerse en Indiaas/Pakistaanse
levensopvattingen. Mooie flash-backs ook naar oorlogsherinneringen van de
hoofdpersonen en intergenerationele lijnen.
* Ik las een prachtig historisch-pedagogisch boek, namelijk Het verlangen naar
opvoeden van de Groningse hoogleraar Jeroen Dekker (2006).
Dekker geeft aan de hand van vele schilderijen, dagboekfragmenten, verhalen en
gedichten een beeld van hoe tegen kinderen en tegen opvoeding wordt aangekeken
rond 1650, rond 1800 en rond 1900. Veel bekende namen passeren de revue: Jan
Steen, Hieronumys van Alphen, Jacob Cats en de mij welbekende Jacob de Vos, aan
wiens getekende dagboekjes van rond 1800 we in Schoolpedagogiek aandacht
besteden. Rond 1900 zijn het de schilders van de Haagse School die veel
kinderscenes schilderen, vooral aan het strand. Kenmerkend voor de periode rond
1650 is de opvoeding tot (christelijke) 'zaligheid', rond 1800 is er de
opvoeding tot burgerlijke deugdzaamheid en rond 1900 staat 'het kind' centraal,
drie verschillende accenten dus die uitvoerig worden belicht en toegelicht.
Tenslotte: wat is er met het 'boekenwezen' in Nederland aan de hand dat dit
schitterende boek, in 2006 uitgebracht voor de prijs van Euro49,50, nog geen
twee jaar later in de ramsj ligt voor slechts Euro15?!
* Een aantal jaren geleden (2001) schreef Chris van der Heijden een
controversieel boek: Grijs verleden. Nederland en de Tweede Wereldoorlog.
Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van Uitgeverij Contact kwam de 9e druk
uit. Na lezing van het boek begrijp ik niet helemaal waarom dat predikaat
'controversieel' er destijds op werd geplakt. Zo radicaal is het nu ook weer om
te betogen, zoals Van der Heijden gedocumenteerd doet, dat er tussen het
absoluut zwarte en het absoluut witte in (en na) de TWo heel wat grijstinten
zitten. Wel redelijk schokkend is het om te lezen dat het, zeker in de eerste
bezettingsjaren, beter dan ooit ging in sommige sectoren van de Nederlandse
samenleving, bv. de economie c.q. industriële productie (p. 154). Van der
Heijden betoogt dat 'ons' beeld van de bezetting vooral bepaald is door het
laatste 1,5 à 2 jaar, met de jodenvervolging, hongerwinter etc. Hij stelt dat
het in de eerste jaren zo slecht nog niet ging, d.w.z. het leven ging min of
meer zijn dagelijkse gang zoals het in de jaren daarvoor ging. Object van Van
der Heijdens kritiek is vooral Loe de Jong die met diens 'Het Koninkrijk der
Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' (waarvan ik in de jaren 70 en 80 alle
delen heb gelezen en die op mij een diepe indruk hebben achtergelaten) het
beeld zou hebben gecreëerd van goed en fout, wit en zwart. De Jong zou
weliswaar aandacht hebben geschonken aan 'gewone' mensen maar de hoofdlijn in
zijn verhaal is militair en politiek met een grote P.
Van der Heijden maakt (deels)
gebruik van andere bronnen om zijn these van 'grijsheid' te onderbouwen, maar
overtuigt daarin naar mijn smaak niet helemaal. Aan één persoonlijk verhaal
knoopt hij soms te algemene conclusies vast.
Een interessante observatie is dat er in de eerste 10, 15 jaar na de TWo
nauwelijks aandacht was voor 'goed' of 'fout', voor 'het verzet' e.d. De omslag
komt in 1960-61 toen Adolf Eichmann werd ontvoerd in Argentinië, naar Israel
werd gebracht en daar berecht, veroordeeld en ter dood gebracht. Volgens Van der
Heijden was het aan journalisten/schrijvers als Mulisch, Arendt en Herzberg te
danken dat de 'gewoonheid' van Eichmann prominent naar voren kwam. Niet lang
daarna kwam 'Ondergang' van J. Presser uit dat insloeg als een bom. Vanaf dat
moment, stelt Van der Heijden (p. 379) werd "de tweede wereldoorlog'
geassocieerd met het joodse drama. En niet lang daarna verscheen het eerste
deel van De Jongs monumentale werk. Dat Hannah Arendt een beslissende rol
speelde bij de (late) verwerking van de TWo heb ik ook uit andere literatuur
kunnen opmaken. Van der Heijden onderschrijft kennelijk deze stelling. En zo
raakt dit boek, alhoewel handelend over de Nederlandse situatie toch weer mijn
eigen studieobject: Arendt.
* Op 1 mei 2008 overleed een van de belangrijkste na-oorlogse Nederlandstalige
auteurs, J.J. Voskuil (*1926), auteur van Bij nader inzien
en Het Bureau. Ik heb beide (samen 7000 pagina's) destijds ademloos
gelezen. Ik herlas nu enkele commentaren op beide werken, o.a. het boek Tussen
lam en leeuw van J. Heijmans uit 2000, waarin deze in een zevental
interviews uitvoerig samen met Voskuil ingaat op diens oeuvre - en overigens
ook dat van Frida Vogels (van De harde kern) en Bert Weijde (van Onder
het ijs), twee auteurs/vrienden die in Voskuils boeken een (prominente) rol
spelen, zoals hij dat op zijn beurt doet in hún boeken. Daarna las ik de drie
grote ‘vakantieboeken’: Terloops, Buiten schot en Gaandeweg.
Hierin doet Voskuil verslag van de wandeltochten die hij en zijn vrouw ondernamen,
vooral in Frankrijk, een enkele keer in Engeland en Ierland (tijdens deze
laatste vakantie werd er ook gefietst, hetgeen enige hilarische scenes
oplevert). De beschrijvingen van lanschappen, dorpjes en stadjes en mensen in
alle soorten en maten worden gekenmerkt door een vage nostalgie naar ‘vroeger’:
toen was er nog geen sprake van massatoerisme, van ‘pretenties’ en was alles
simpel en overzichtelijk. Weer of geen weer (dit laatste is meestal het geval):
het echtpaar loopt (of rent) maar door. Elk dood dier of bijna-dood wordt
verzorgd en liefdevol in de berm gelegd. De mysantropie waar Het Bureau ook vol
mee zit, komt ook in deze boeken naar voren, net als de stijl, meest kort,
zakelijk, beschrijvend. Voskuil is scherp als altijd in zijn zelfobservaties.
Op verschillende momenten refereert hij aan zijn werk bij ‘Het bureau’ dat hij
maar niet kan loslaten.
* Al enkele jaren geleden schreef Patricia Duncker, een mij
verder onbekende schrijfster, het boek Hallucinating Foucault. Het is
een roman waarin een student een (fictieve) beroemde Franse auteur op het spoor
tracht te komen, die met de (niet-fictieve) Michel Foucault heeft
gecorrespondeerd. Daartussen door zit een liefdesverhaal verweven met een jonge
vrouw die aan het eind van het boek in een bepaalde relatie tot genoemde auteur
blijkt te staan. Dit 'plot' is verrassend. Ook de verhouding tussen student,
auteur en Foucault is intrigerend, niet in het minst omdat de tweede al geruime
tijd zit weggeborgen in een krankzinnigengesticht, en het opbergen van
'krankzinnigen' is zoals bekend een van de centrale thema's bij Foucault.
* Ter gelegenheid van de maand van de filosofie (april 2008) gaf Lemniscaat een
aardig boek van Joep Dohmen uit: Het leven als kunstwerk.
De vraag die Dohmen centraal stelt is: hoe komen we voorbij het doorgeschoten
'liberale' individualisme van het 'dikke-ik' (term van Harry Kunneman) ? Kunnen
we anno 2008 zoiets als 'levenskunst' ontwikkelen die niet zelfzuchtig maar
juist sociaal is? Dohmen gaat te rade bij denkers/filosofen als Nietsche,
Foucault, Taylor en pleit uiteindelijk voor een cultuur van authenticiteit die
voorbij de terreur van het 'gelukkig moeten zijn' gaat. Dohmen schreef een
inspirerend boekje waarin hij dit 'persoonlijke' onderwerp behandelt zonder 'klef'
te worden. Jammer dat hij met geen woord aan Hannah Arendt refereert. Haar
opvattingen over de (niet)maakbaarheid van het leven en over vriendschap als
belangrijke factor in het gelukkig-zijn hadden zijn betoog nog meer kunnen
onderbouwen en bekrachtigen.
* Ik heb de lezing van Paustovskij's herinneringen even onderbroken voor een
grote vondst die ik 29 april 2008 deed in het Friese dorpje Heeg, bij
'Floortjes boekenhoekje': De Gouden Roos van .... Paustovskij!!
Al zeker vier jaar was ik op zoek naar dit zevende deel van diens herinneringen
dat vooral gaat over zijn literaire ervaringen (zowel de manier waarop zijn
eigen romans en verhalen tot stand kwamen als herinneringen aan andere
Russische schrijvers). In genoemd boekenhoekje, in een doos met wat andere
'Russen', lag dus dit felbegeerde boek! Wat 'n prachtige dag! En dat voor maar
20 gulden (alle boeken waren nog in guldens geprijsd ..). Prins Serendip deed
weer eens van zich spreken ...
* Een jaar of drie geleden las ik de herinneringen in zes delen van de
Russische schrijver Konstantin Paustovskij (zie onderaan deze pagina).
Ik ben er opnieuw aan begonnen en las inmiddels de eerste twee delen: Verre
jaren en Onrustige jeugd en ben opnieuw onder de indruk van het
fabuleuze taalgebruik. Paustovskij's palet in het schilderen van mensen,
gebeurtenissen en niet te vergeten het Russische landschap lijkt geen
beperkingen te kennen, hij spreekt als het ware alle zintuigen aan. In deel 1
vielen me nu nog meer de liefdevolle portretten van zijn leraren aan het
gymnasium van Kiev op en in deel 2 zijn eerste liefde, temidden van het geweld
van de eerste wereldoorlog. Inmiddels heb ik deel 3 Begin van een onbekend
tijdperk waarin Paustovskij's journalisten- en schrijverstalent zich gaat
ontplooien in de tijden van de Russische revolutie(s) ook uit.
* Dünya, van Tomas Lieske (2007), las ik en ik was er niet
helemaal content mee. het verhaal van twee Hollandse jongens die ergens begin
20ste eeuw in Turkije in de oorlogshandelingen van de eerste wereldoorlog terecht
komen, daar een meisje adopteren, vervolgens van kamp naar kamp zwerven en
uiteindelijk een bijdrage leveren aan de productie van een luchtschip - en daar
doorheen nog het levensverhaal van de Turkse Dünya, verlaten door haar man, die
probeert haar 'grandeur' te bewaren en via via in contact komt met beide
jongemannen en 'hun' dochter: het is mooi bij elkaar verzonnen en hier &
daar schitterend opgeschreven, maar het overtuigt niet helemaal. Wel knap is de
constructie van het verhaal waar steeds in elk hoofdstuk een andere verteller
aan het woord is.
* Op 19 december 2007 verscheen bij Uitgeverij SWP te Amsterdam de bundel Grote
pedagogen in klein bestek, onder redactie van Tom Kroon en Bas Levering.
Wie zit er anno 2007 nog te wachten op een overzicht van maar liefst 46
pedagogen uit vervlogen dagen, waarbij ieder niet meer dan zo'n vier à vijf
pagina's tekst in beslag mag nemen? Ik denk dat dit boek méér dan welkom is.
Niet alleen omdat het een kaleidoscopisch beeld geeft van wat we met recht
'klassieke' opvoeders en daarmee opvoedingstheorie en -praktijk kunnen noemen,
hetgeen ons toegang geeft tot een schat aan opvattingen en inzichten, maar ook
omdat het op de kaart zetten van pedagogen en pedagogiek 'überhaupt' anno 2007
broodnodig is. Opvoeden bezorgt 'ons' kop- en andere zorgen, maar de pedagogiek
is zo goed als verdwenen uit Nederland. Het zijn anno 2007 meer de politici en
beleidsmakers, de economen en de sociologen die zich met hun
maakbaarheidsclaims met opvoeding - en onderwijs - bezighouden. Dit boek biedt
met zijn concentratie op waar het echt om gaat in de opvoeding een mooi, divers
als even noodzakelijk tegenwicht. Comenius, Pestalozzi, Herbart, Fröbel, Dewey,
Korczak, Thijssen, Boeke, Freinet, Bowlby en Freire en nog vele anderen passeren
zo de revue. Niet toevallig komen veel zgn. reformpedagogen aan de orde. Zij,
evenals wij, leven in een overgangstijd.
* Marjolijn Februari is, in de zaterdagse Volkskrant, een van mijn
favoriete columnisten die altijd weet te boeien met thema's op het snijvlak van
politiek en ethiek. Maar ze is ook romancier (-cière) en wat voor één! Met De
literaire kring (2007) levert ze een prestatie van formaat, terecht
genomineerd voor de Libris prijs. Het intrigerende van het boek is, naast de
manier waarop personages worden neergezet en de manier waarop de intrige wordt
beschreven - en die alles te maken heeft met een "geheim"- dat het
zich afspeelt in een milieu waarover in Nederland nauwelijks wordt geschreven,
namelijk het "gegoede", professionele milieu van advocaten,
top-executives en "old boys" (en een enkele girl). Het verhaal maakt
regelmatig uitstapjes naar "het moderne leven" inclusief het milieu,
de literatuur, de politiek en de wetenschap. En dat in een kraakheldere stijl.
* Een mooi boek vond ik De wandelaar (2007) van Adriaan van Dis.
Het speelt in het turbulente Parijs en de hoofdpersoon komt door omstandigheden
in contact - als je dat zo kunt zeggen - met een hond en hierdoor met een
schare van uiteenlopende mensen: een priester, een aantal zwervers, een
politiek vluchteling. Het levert in een zeer directe stijl mooie beelden en
prikkelende dialogen op. Op pagina 164-165 trof ik een passage aan waarin wordt
gerefereerd aan [het boek] Job [8:13-15], over de fragiliteit van het menselijk
handelen. Hannah Arendt zou zich hier zeer in hebben herkend!
* Saul Bellow, zie ook hieronder en hierboven, blijft me mateloos
boeien. Ik herlas zijn Humboldts nalatenschap uit 1975, de Amerikaanse
titel Humboldt's Gift, is niet helemaal adequaat vertaald, 'gift' is
immers een geschenk en daar draait de hele 'plot' van het boek om. 'Humboldt'
was een verknipte dichter die aan de 'ik' van de roman, (toneel)schrijver
Charlie Citrine van alles heeft achtergelaten: schulden, schuldgevoel en het
geschenk uit de titel. De romanpersonages zijn vrijwel allemaal gebaseerd op
vrienden/familie van Bellow, de hoofdfiguur op de dichter Delmore Schwarz. En
natuurlijk speelt ook Chicago als decor een hoofdrol. Veel info over dit boek
haalde ik uit de meesterlijke Bellow-biografie van James Atlas.
* De Volkskrant geeft een mooie reeks 'stadsboeken' uit. Ik las een klassieker:
Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin uit 1930. Een
fel-realistisch zedendrama over Franz Biberkopf, los handwerksman en man met
losse handjes (na een onenigheidje met een kompaan-in-het-kwade houdt hij er
overigens maar één over). Los-vast werk en werkloosheid, prostitutie (Franz'
meisje moet wel op tijd aan 'haar meneer' denken), drankmisbruik, smerige
'zaakjes' en nog veel meer en dat alles op en rond dat enorme plein in Berlijn:
de Alexanderplatz. Hierna las ik een andere stadsromen uit deze reeks: Droomnummernegen
van David Mitchell, het boek dat hij schreef vóór het onvolprezen
Wolkenatlas (zie hieronder). Het is een fascinerend verhaal over een jongeman die
zijn vader gaat zoeken in Tokio en geconfronteerd wordt met zowel de harde
realiteit van het Japanse yakuza-geweld, de wat zachtere realiteit van het
'gamen' en de insnijdende ervaring van het verlies van een zusje.
* Op het randje van vakantie en werk herlas ik wat boeken van een van mijn
lievelingsschrijvers, Saul Bellow (zie ook boven en beneden), namelijk De
decaan en diens december (een fraaie vertaling gezien de originele titel The
Dean's December), uit 1982, over het reilen-en-zeilen van een tot het
'hogere' geroepen journalist (hij heeft het tot decaan van een niet nader
genoemde universiteit in Chicago geschopt) die na een aantal geruchtmakende
artikelen veel vijanden heeft gemaakt, maar daar niet veel tegenin kan brengen
omdat hij samen met zijn vrouw in Roemenië is waar zijn schoonmoeder op sterven
ligt. Op z'n Bellows schitterende sfeerbeschrijvingen, van Chicago en
Boekarest, én monologues interieurs en exterieurs. Daarna de bundel Mosby's
herinneringen, met verhalen uit de jaren 1951 tot '68, met een aantal
uiteenlopende karakters in voor- en (meestal) tegenspoed, die al dan niet
vrijwillig nadenken over de (on)zin van het leven. Tenslotte een van Bellows
andere 'grote' boeken, Herzog, een begin vijftiger die zich probeert te
manoevreren tussen diverse exx'en en minaressen, twee kinderen en een hoop
juridisch gewoel. Om dit allemaal te beteugelen, schrijft hij denkbeeldige
brieven, niet alleen aan die exx'en maar ook aan bekende politici, filosofen en
wetenschappers. Het boek balanceert voortdurend tussen hoop en wanhoop, ironie,
zelfspot en regelrechte haat.
* Drie heel verschillende boeken gelezen: het onthutsende Het leven van Pi,
van Yann Martell, over het ongelooflijke-maar-ware verhaal van een
jongen van 16 die negen maanden op een vlot op de oceaan weet te overleven, dit
ondanks dat hij gezelschap wordt gehouden door een tijger. Verder het laatste
boek van Joseph Heller, Portret van een kunstenaar als een oude man (1999),
een aardige pastiche over zijn eigen aftakeling en tenslotte een echte
klassieker: de Kinderjaren van Tolstoj, in een nieuwe vertaling
(2006). Ontroerende jeugdherinneringen, maar je hebt op vele momenten niet het
idee dat het kind 'Ljev Tolstoj' zijn jeugd ooit zo beleefd heeft op de manier
waarop hij deze beschrijft.
* Wolkenatlas van David Mitchell (2005) is een werkelijk
overrompelend boek dat terecht is bejubeld. Het bestaat uit drie delen. In het
eerste worden vijf zeer verschillende verhalen tot de helft verteld. het gaat
om onder andere de avonturen van een ontdekkingsreiziger, een thriller over
geheim kernenergieonderzoek en de perikelen van een oplichter-musicus. Dan het
tweede, middendeel, waarin, in een kennelijk toekomstige tijd een man
terugblikt op zijn tumultueuze jeugd en dan deel 3 waarin van alle verhalen het
tweede deel wordt verteld. Een fantastische prestatie, want het geheel zit vol
met doorgaande en kruisende verhaallijnen, terwijl elk op zich volkomen
geloofwaardig is en overtuigend in het gekozen genre. Een van de beste boeken
die ik de laatste jaren las.
* De boekenweek stond in het teken van de zotheid. Daarom herlas ik de Lof
der zotheid van Erasmus. Blijft een bron van vermaak. Erasmus neemt
geen blad voor de mond: geleerden in allerlei soorten en maten, van theologen
en priesters, koningen en schoolmeesters tot juristen en handelaren ontkomen
niet aan zijn scherpzinnige kritiek. Over de schoolmeesters zegt Erasmus
bijvoorbeeld: "... dit zou zonder meer het meest rampzalige, meest
ellendige, meest door de goden gehate soort mensen zijn, als ik de ellende van
hun intrieste beroep niet een beetje zou verzoeten met een prettig soort
dwaasheid".
* Ter voorbereiding op een bezoek aan Barcelona begin april las ik De
schaduw van de wind, de bestseller van Carlos Ruiz Safon. In deze
fantasievolle roman staan de belevenissen van een teruggevonden boek en zijn
schrijver centraal. Het geheel bestaat uit intriges en subintriges met veel
hoofd- en bijpersonages, gesitueerd in het Barcelona van vlak na de Tweede
wereldoorlog. Het is tevens op te vatten als een Bildungsroman want de
hoofdpersoon gaat door nogal wat emotionele stormen.
* 'Deugden' mogen weer! Niet alleen pedagogen maar ook filosofen, sociologen,
historici en rechtsgeleerden zijn bezig met een her- ontdekking van deugden.
Bij de omni-auteur Kees Schuyt vinden we elementen uit al deze
disciplines terug. In november 2006 hield hij aan de Leidse Universiteit zijn
oratie als bijzonder hoogleraar op de Cleveringa-leerstoel 2006-2007. Deze leerstoel
is ingesteld als eerbewijs aan de hoogleraar Cleveringa die op 26 november 1940
een rede hield tegen de uitstoting door de nazi-bezetters van joodse
medewerkers van de Universiteit. Schuyt houdt een pleidooi voor 'democratische
deugden' (LUP, 2006). Als goed socioloog preseneert hij niet alleen een mening
of een theorie maar ook feiten, met name uit onderzoek naar
groepstegenstellingen. Zijn stelling is dat allerlei sterk waardengeladen
(potentiële) conflicten met name die met een wereldbeschouwelijke of
godsdienstige achtergrond zouden moeten worden omgebogen naar
belangenconflicten. Daarmee is er volgens Schuyt nog steeds sprake van een
conflict, maar het is dan van een type dat veel beter 'beheersbaar' is. Kennis
en democratische deugden zijn van belang als middelen tegen té grote
groepsdruk, zij zijn meer persoonsgebonden. Bovendien lijden deugden niet onder
(economische) schaarste: je kunt ze elke dag in praktijk brengen, net als
liefde en muziek maken.
* Van John Dewey herlezen twee werken op het gebied van politieke
theorie uit de jaren 20 van de vorige eeuw: The Public and its Problems
en Individualism Old and New. En twee pedagogische artikelen: How
much freedom in new schools? en Construction and Criticism. Dit
vooral om Dewey met Arendt te kunnen vergelijken.
* Nog lang niet uitgelezen: Sources of the Self, de monumentale (601
pagina's) studie naar het ontstaan van de moderne identiteit van de Amerikaanse
filosoof Charles Taylor. Oorspronkelijk verschenen in 1989, 6e druk
2006). Taylor reconstrueert de wordingsgeschiedenis van moderne opvattingen
over identiteit aan de hand van filosofische reuzen als Plato, Augustinus,
Descartes, Locke en vele anderen, en dan ben ik nog niet eens halverwege. Drie
ideeën schragen de moderne identiteit: de mens kan zichzelf met een zekere
afstandelijke redelijkheid onderzoeken, hij heeft het vermogen in zich tot het
aangaan van een persoonlijke verbondenheid en inzet (commitment) en hij wijdt
zich ('bekent zich') tot het gewone, dagelijkse leven. (Op de citatenpagina
staat daar een mooi citaat van John Milton over: 'Wijsheid is te vinden in de
dagelijkse dingen die we voor ons zien'.) Voor met name dat laatste tekent het
(christelijk) Puritanisme, dat de dienstbaarheid aan God in het dagelijks leven
vond -om met Kunneman te spreken: in horizontale transcendentie - en niet
zozeer in de verticale transcendentie, het sacrale. Op naar de resterende 360
bladzijden!
* Het land van haat en nijd, van Margalith Kleijwegt en Max van
Weezel (Balans, 2006) is een onthutsend boek over 'hoe Nederland radicaal
veranderde'. De auteurs laten aan van gesprekken met 'kopstukken' en met
'gewone' mensen zien hoe de politiek zich volkomen verkeek op het
integratievraagstuk. Met name omdat men zich concentreerde op politieke en sociaal-economische
maatregelen en de culturele en religieuze aspecten volkomen negeerde. De titels
van de hoofdstukken spreken boekdelen: 'Een klas vol lege ogen' (de ervaringen
van een leraar), 'Nederland lijkt gek geworden' (de Fortuijn-revolte) en 'Kankerjood',
over 'taalgebruik' in bepaalde groeperingen. Het hoofdstuk 'Boerka's en
naveltruitjes' geeft de dubbelzinnigheid van de huidige situatie goed weer. In
het laatste hoofdstuk doet oud-minister Donner zijn geruchtmakende uitspraak
over de sharia.
* Een intrigerend boek is Zonde van de tijd. Zeven opstellen over opvoeding
van E.A. Godot (Amsterdam, SWP). De auteur (een pseudoniem ontleend aan
het toneelstuk ‘En Attendent Godot’ van Beckett) bespreekt de zeven 'klassieke'
hoofdzonden: gramschap (boosheid), traagheid, ijdelheid, nijd (jaloezie),
gulzigheid, onkuisheid en gierigheid, en legt daarbij de vinger op de wonde van
onze tijd. We zijn bozer dan ooit (het 'korte lontje'), gulziger dan ooit (onze
welvaart en ik-cultuur van 'het kan niet op') en onkuiser dan ooit (aldus
Godot). Deze hoofdzonden worden vooral beschreven, dat wil zeggen, aan
de hand van vooral krantenberichten en media-verschijnselen en -events wordt
steeds een beeld neergezet hoe het er in onze tijd voor staat. Soms wordt een
intrigerende 'omnkering' aangebracht: gulzigheid is een zonde, maar hoe zit het
met de 'gulzigheid' naar kennis en ontwikkeling? Dat is eerder een deugd.
Hetzelfde geldt voor traagheid: een zonde of ondeugd, maar in onze overstresste
tijden wellicht een deugd. Niet elk hoofdstuk is even geslaagd; hier en daar
worden beschrijvingen wel erg gestoeld op berichten uit de 'populaire' media.
Berichten uit de leefwereld zijn uiteraard relevant, maar veel 'echt'
pedagogische literatuur heeft de auteur niet tot zich genomen (althans niet in
het kader van dit boek). Erg opbeurend is het ook niet allemaal voor opvoeders.
Zo wordt een project waarin kinderen aan de hand van leermateriaal hun
gevoelens leren benoemen weggezet met de mededeling: 'iets is beter dan niets'.
Daar help je opvoeders die in de praktijk worstelen met normatieve vragen
natuurlijk niet mee. Maar een 'positieve' ethiek, met adviezen of tips hoe te
handelen, wenst de auteur niet te leveren. Er zou over particuliere situaties
geen algemeen advies kunnen worden gegeven. Echter: in tegenstelling tot deze
bewering staat het boek bol van de adviezen. Op pagina 32 staat een concreet
advies hoe om te gaan met pestgedrag, op pagina 40 gaat het over het omgaan met
woede, op pagina 126 treffen we een uitgebreid advies over speelgoed
enzovoorts. Kortom: met de terughoudendheid inzake een positieve ethiek valt
het binnen het zondendiscours dus nog wel mee. De onopgeloste vraag is: wat
baat het opvoeding en onderwijs nu de beschikking te hebben over deze
'zondenethiek'?
*Eindelijk uitgelezen: Until I find you, van John Irving. 'Ooit'
een van mijn favoriete schrijvers, maar ik moet zeggen, dit viel niet mee. Het
is een erg dik boek, maar het is niet allemaal even boeiend. Het gegeven is
interessant: een jongen die alleen door zijn moeder, een tatoe-eerster, wordt
opgevoed en met haar van stad naar stad in Europa (ook Amsterdam wordt bezocht)
en de VS trekt om zijn vader, een kerkorganist, op te sporen. Het tatoëren
neemt een belangrijk aandeel in het verhaal, Irving heeft zich (weer) goed
geïnformeerd, maar er zitten zoveel onwaarschijnlijkheden in de ensceneringen
en zoveel is 'over the top' (wat in eerdere boeken als 'Garp' en 'Owen
Meany' wél werkte) dat het allemaal een beetje teveel van het goede is. Wel
schitterend vond ik een aantal passages die op de school spelen waar de jongen
op zit, een meisjesschool overigens. 'Owen Meany' blijft vooralsnog het
hoogtepunt in Irvings oeuvre, daar wordt in de laatste alinea de betekenis van
de voorgaande 400 pagina's in een keer duidelijk. In Until I find you
wilde Irving téveel.
* Ik las Pluralisme, integratie en sociale cohesie van Henk Woldring
(Uitgeverij Damon). Een intrigerend boek omdat het zich nogal hard afzet tegen
het neo-liberalisme zoals zich dat in Woldrings eigen CDA (hij is senator voor
deze partij) tot dominante ideologie heeft ontwikkeld. Woldring gaat zoals hij
zegt terug naar een beperkt aantal 'klassieke' auteurs, zoals Maritain,
Parsons, Merton en De Tocqueville en pleit met hen voor 'sociaal-morele cohesie'
of maatschappelijk 'ethos' binnen maatschappelijke verbanden. Integratie ziet
hij meer als een organisatorisch vraagstuk waarvoor de overheid
verantwoordelijk is. Het boek is in nogal abstracte termen gevat. Opvallend
genoeg zet Woldring zich heftig af tegen 'valse profeten' zoals 'krakers,
dierenactivisten en religieuze extremisten', deze 'wijden zich helemaal aan
pseudo-morele ideeën en idealen' (p. 42). Hij rekent deze bepaald niet tot de
'profetische groepen' die wel de menselijke waardigheid en vrijheid hoog i het
vaandel hebben. Op de momenten dat maatschappelijke desintegratie in concreto
wordt besproken (namelijk drie keer), verwijst Woldring daarbij direct naar
moslim- (of islamitisch) extremisme. Verzet, actie, protest, het mag van
Woldring, maar wel binnen gevestigde instituties. Daar klinkt de stem
van de bange kleinburger door ...
* De Amerikaanse filosoof en pedagoog John Dewey (1859-1952) is weer
helemaal terug op de 'agenda', ook in Nederland. Dat laten verschillende recent
verschenen artikelen zien en sinds begin oktober 2005 ook het boek John
Dewey. Een inleiding tot zijn filosofie, onder redactie van Louis Logister,
verschenen bij uitgeverij Damon in Budel. In zeven hoofdstukken beschrijven
verschillende auteurs de kentheorie, de godsdienstfilosofie, de ethiek, de
politieke filosofie, de opvoedingsfilosofie (Berding & Miedema) en de
esthetica van Dewey. Daarmee biedt het boek in 150 blz. een caleidoscoop van
Deweys brede benadering van de filosofie. Kijk op de site van Uitgeverij Damon voor meer informatie.
* Een prachtig boek vond ik Sonny Boy van Annejet van der Zijl,
een biografie van een Surinaamse jongeman die in de jaren dertig in het
Haags-Scheveningse milieu verzeild raakt en een relatie krijgt met een
getrouwde Nederlandse vrouw. Hun kind noemen ze Sonny. De geschiedenis loopt
door tot in de tweede wereldoorlog. Voor mij als Hagenaar bijzonder vanwege de
beschrijvingen en foto's van straten hier vlakbij zoals de Azaleastraat en
natuurlijk Scheveningen en het strand.
* Het is niet alleen Mozart-jaar, maar ook Sjostakovitsj-jaar (Dmitri
Sjostakovitsj, 1906-1975). Ter gelegenheid daarvan verscheen de eerste
oorspronkelijke Nederlandse biografie, van Theodore van Houten, getiteld
Een leven in angst (Uitgeverij Van Gruting). Een treffende titel, want DS
leefde inderdaad vanaf zijn vroegste jaren in angst, in zijn jeugd door de
steeds dreigende armoede en in de jaren dertig door de precaire en
dubbelzinnige situatie voor (modernistische) kunstenaars onder het
Stalin-regime. Het boek laat ook goed zien dat DS meer was dan de componist van
15 symfonieën, waaronder overigens enkele van de mooiste/beste/aangrijpendste
uit de 20ste eeuwse literatuur, m.n. de 4e, de 13e en de 14e. Maar DS was ook
de componist van tientallen filmscores, van 15 strijkkwartetten (voor deze
alleen al verdient hij een plaats in de canon van de moderne muziek), van
pianosonates en enkele prachtige concerten. De verhouding tussen het politieke
en het persoonlijke in het werk van DS blijft een bron van studie en dispuut.
* Voor 50 cent (!) op de kop getikt in een antiquariaat, het beroemde Mierenboekje
van Chr. G. Salzmann, voor het eerst gepubliceerd in 1806, dus zeg maar
precies twee eeuwen voor Schoolpedagogiek. Mijn exemplaar dateert uit
1933, uitgegeven in de onvolprezen Wereldbibliotheek. Salzmann beschrijft zijn
ideale school waarin de leerlingen voortdurend in aanraking zijn met de natuur
en geeft de opvoeders/leraren veel aanwijzingen zoals: "Wanneer ge
werkelijk een goed opvoeder wilt worden, volg dan mijn raad en matig u in het
lezen" (tsja ...) en ook: "In plaats van veel over de opvoeding te
lezen en colleges over paedagogiek te volgen, moet ge liever het gezelschap van
kinderen opzoeken en dagelijks daarin een paar uur verwijlen" (sic). En zo
nog het een en ander. Salzmanns belangrijkste advies is echter: opvoeder, voed
uzelf op!
* Voor de onderwijzers/onderwijzeressen onder ons (toen ze nog geen 'leraar
basisonderwijs' heetten) is het boek Kwekeling tussen akte en ideaal van
Mineke van Essen een absolute aanrader (uitgeverij SUN, na een maand al
de 2e druk). Van Essen beschrijft de geschiedenis van de kwekeling en hun
opleiding vanaf 1800 en geeft daarbij aandacht aan de sekse-bepaaldheid, de
maatschappelijke herkomst van de kwekelingen en de organisatie en
opleidingsinhoud van de verschillende richtingen. Voor mij werd deze
geschiedenis, naarmate de jaren zeventig van de 20ste eeuw naderden, steeds
meer herkenbaar. Ik was weliswaar nét geen 'kwekeling' meer, maar 'PA-student'
(1971-74), maar veel was nog op de oude leest geschoeid: veel aandacht voor de
eigen vorming (wat ik weleens 'de HAVO nog 'n keer' heb genoemd) en een
redelijk gemoedelijke sfeer: de bezetting van de RK PA Beverwijk (1970) ging
'Mariahoeve' voorbij, tot grote opluchting van de directie. Ik besprak dit
rijke boek voor het blad Kleio, voor docenten geschiedenis.
* Een boek waar ik erg van genoten heb is A Short History of Nearly
Everything van de Amerikaanse (reisboeken)schrijver Bill Bryson.
Bryson slaagt erin om de geschiedenis van heelal, aarde, mens en 'leven'
zodanig te presenteren dat zijn boek bijna een 'page-turner' is. Het boek
duizelt van de geleerdheid, maar Bryson legt er regelmatig een mooie
licht-ironische toon in zodat het geen moment zwaarwichtig wordt.
* En dan kom ik eindelijk toe aan de jongste roman van mijn favoriete
(Amerikaanse) schrijver Paul Theroux, Blinding Light.
"Echt" weer Theroux, een trefzekere combi van verknipte
persoonlijkheden in een exotisch decor, Ecuador deze keer. Ik heb Theroux nu
bijna ingehaald, dit is míjn 28ste ... Maar het gaat snel want ik tikte op een
tweede- handsboekenmarkt nummer 29 en 30 op de kop: The Consul's File,
een aantal hilarische verhalen die zich op de Amerikaanse diplomatieke post in
Maleisië afspelen, en Picture Palace, een roman over de nadagen van een
beroemde fotografe. Nummer 31 en 32 zijn er inmiddels ook: Sunrise with
seamonsters, een colllectie verhalen en essays uit de periode 1964 tot 1984
en de verhalenbundel Sinning with Annie, die zich net als The
Consul's File, Girls at Play en Fong and the Indians (deels)
afspelen in het expatriate milieu in het Verre Oosten en Afrika.
* Dat Frank Westerman kan schrijven wist ik al: ik heb zijn Ingenieurs
van de ziel, over de relatie tussen Sovjet-politiek en schrijvers in de
eerste helft van de twintigste eeuw, inmiddels drie keer gelezen, en er komt
vast ook een vierde keer. Wat dat betreft stelt ook zijn boek El Negro en ik
niet teleur. Het verhaal van de omzwervingen door Afrika en Europa van de
opgezette (!) Bosjesman, uit Botswana, verweven met de politieke bewustwording
van de ontwikkelingswerker Westerman levert een boeiend geheel op. Westerman
heeft zijn verontwaardiging gelukkig goed onder controle en stelt de goede
vragen zonder de ene of de andere kant te verabsoluteren.
* Het was een hele zit, maar dan heb je ook wat: in de voorjaarsvakantie
eindelijk gelezen: In Europa van Geert Mak. Ik waag me maar niet
aan een oordeel over de vraag in hoeverre Mak een eeuw Europese geschiedenis
tot in alle details adequaat beschreven heeft. Maar één ding moet gezegd:
schrijven kan hij! in elk geval had hij mij regelmatig zogezegd op het puntje
van mijn (lees)stoel. Wat een eeuw heeft dit continent achter zijn kiezen, een
ontstellend aantal doden in bijna ontelbare oorlogen, conflicten en
grensgeschillen. Het is geen vrolijk-stemmende lectuur, maar wel mede
"onze" geschiedenis.
* Herlezen: twee klassiekers uit de kinder(wereld)literatuur: Koning
Matthijsje de Eerste en Koning Matthijsje op het onbewoonde eiland,
van Janusz Korczak. Twee 'fantastische' boeken over de jonge prins
Matthijsje die van de ene op de andere dag zijn vader moet opvolgen en
verstrikt raakt in intriges met ministers en oorlogen met andere koningen en
uiteindelijk zijn droom, dat kinderen evenveel rechten hebben als en
gelijkwaardig zijn aan volwassenen, in rook ziet opgaan. Het door de kinderen
in deze romans meegevoerde groene vaandel werd het symbool van het weeshuis en
van de internationale Korczak-beweging.
* Een intrigerend boek is To the Hermitage van Malcolm Bradbury
(The Overlook Press, 2001). Het beschrijft parallel de avonturen van de
beroemde Franse filosoof Denis Diderot, de man van de Encyclopédie, die
in de jaren 1760 enige tijd als 'philosophe' verbonden was aan het hof van
Tsarina Catherina II (die geen boeken kocht, maar hele bibliotheken, waaronder
die van Diderot) en de gebeurtenissen anno 1993, wanneer een groep
wetenschappers en kunstenaars op 'Diderot Project' gaat, dat wil zeggen van
Stockholm naar St. Petersburg vaart om daar naar sporen van Diderot te zoeken.
Uiteindelijk lukt dat alleen de 'ik' van het verhaal, want de rest is of meer
in elkaar geïnteresseerd of in andere zaken. De hoofdstukken spelen afwisselend
in het verleden en in het nu. Verhalen en wetenschappelijke beschouwingen
wisselen elkaar af. Intrigerend, vanwege de Russische historische context, de
filosofische historische context, maar ook vanwege het spel met verhaal en beschouwing
en de dunne lijn daartussen. En dat is niet (alleen) een historisch, maar ook
zeer actueel onderwerp. De vraag is: wat is eigenlijk (de betekenis van) een
tekst? In november-december 2009 besprak ik dit boek in Inkt! (zie
bovenaan deze pagina)
* In de afgelopen tijd verschillende boeken over Engeland gelezen. Bill
Bryson: Notes from a small island (1995), een hilarisch en ironisch,
maar ook liefdevol verslag van een rondwandeling door Engeland in 1994. Doet
denken aan Het drijvend koninkrijk van Paul Theroux (1991/1983),
maar beschrijft nog scherper de deplorabele toestand van de openbare ruimte in
veel Engelse steden en dorpen en van het openbaar vervoer onder Thatcher. En
als derde boek Coasting van Jonathan Raban (1986), dat zich deels
afspeelt ten tijde van de Falkland-oorlog in 1982. Het bijzondere van dit boek
is dat het Engeland beschrijft vanaf de zee. Met een opgelapte boot vaart Raban
als het ware 'om' Engeland heen. Zo nu en dan gaat hij aan land. Bij één
gelegenheid, in Brighton, ontmoet hij dan ... Paul Theroux! Op p. 196 e.v. van Coasting
beschrijft Raban deze wat ongemakkelijke ontmoeting. In 1983 publiceert Paul
Theroux zijn Drijvend koninkrijk en daarin staat de onmoeting ook
beschreven (p. 65-67 in de Nederlandse editie). Raban schrijft: 'There wasn't
a single start of recognition for me in his two pages: what he described was
not at all what I remembered' (p. 199). Tsja,
zo gaat dat met reizen en reisherinneringen ...
* Een aangrijpend boek is Extreem luid & ongelooflijk dichtbij van
de jonge Amerikaanse schrijver Jonathan Safran Foer. Hierin beschrijft
hij de zoektocht van de negenjarige Oskar Schell die in de nalatenschap van
zijn vader een sleutel vindt en vervolgens erachter probeert te komen op welk
van de miljoenen sloten in New York deze zou kunnen passen. Oskars vader is
omgekomen bij de aanvallen op de Twin Towers. Door Oskars zoektocht heen
geweven is de geschiedenis van zijn familie van vaderszijde. Een emotionerend
en wonderlijk boek niet in het minst door de vele bijgevoegde foto's en de hier
en daar bijzondere typografie. Ik had bij de naam 'Oskar' de associatie met de
Oskar uit Günter Grass' Die Blechtrommel, die uit protest tegen
de nazi's weigert groot te worden. De leesclub van NRC Handelsblad
wijdde in februari 2006 aandacht aan dit boek.
* Het 'nieuwe leren' is in. Een fantastisch boek in dat opzicht is De
voetreis naar Sneek (uitgeverij Ad. Donker, Rotterdam) van de befaamde
schrijver en schoolmeester Cor Bruijn. Deze bereikte de gezegende
leeftijd van 95 jaar (1883-1978). In zijn jonge jaren werkte hij op een van de
Nederlandse 'nieuwe-scholen' (of 'reformscholen'), namelijk De Humanitaire
School in Laren. Daar werkte hij geheel in de geest van de veel bekendere Jan
Ligthart aan onderwijs in 'het volle leven'. In de zomer van 1908 (!) ondernam
Bruijn met zijn jonge vrouw en acht leerlingen een voetreis van Laren naar
Sneek. De tocht, te voet, per tram, trein en boot, is één groot feest van
aanschouwelijk, levensecht, concreet, ervarings- en persoonsgericht leren. Een
aanrader, ook om het 'nieuwe' leren even in historisch perspectief te plaatsen!
* Umberto Eco: De mysterieuze vlam van koningin Loana. Een
semi-autobiografie verluchtigd met tientallen illustraties uit de jeugd van de
schrijver die voor een deel samenviel met de fascistische tijd in Italië.
* Theo Thijssen: Het taaie ongerief. Eindelijk gelezen deze ook
weer semi-autobiografische roman over kleding- en schoeiselleed én een aardig
inkijkje in het 'studentenleven' op de Kweekschool te Haarlem.
* Ik heb de afgelopen maanden de zesdelige autobiografie gelezen van de
Russische schrijver Konstantin Paustovskij (Arbeiderspers,
Privé-domein): Verre jaren; Onrustige jeugd; Begin van een onbekend
tijdperk; De tijd van de grote verwachtingen; De sprong naar het Zuiden en
het Boek der omzwervingen. Tezamen een uiterst boeiend levensverhaal van
voor, tijdens en na de Russische revolutie, met prachtige natuur- en
stadsbeschrijvingen maar ook zeer indringende portretten van revolutionaire schrijvers
en andere mede-Russen. Ook het verhaal over de Baai van Kara-Bogaz komt aan de
orde. Over de zich in dit meer in het zuiden van Rusland voltrekkende
milieuramp, veroorzaakt door een ongekende maar ook blinde productiedrift (van
steenzout) schreef Paustovskij een roman. Frank Westerman gaat op zijn beurt in
zijn fascinerende boek Ingenieurs van de ziel (Amsterdam: Atlas)
uitvoerig hierop in.
* Een boek waar ik erg van heb genoten is: Ter Navolging van Kees 't Hart (Amsterdam: Querido, 2004). Een goed
gedocumenteerde, maar verder zeer fantasievolle "roman" (in brieven
en e-mails) over een nog steeds geheimzinnige episode in het leven van de
schrijfsters Betje Wolff en Aagje Deken. Meerdere verhalen zijn dooreen
geweven: het (mislukte) schrijverschap van de vader van van de hoofdpersonen,
een ambitieuze promovendus die er geen probleem in ziet de geschiedenis wat
naar zijn hand te zetten; de avonturen van Wolff en Deken in Friesland en
Frankrijk en de herdenking van de tweehonderdste sterfdagen van beide dames op
resp. 5 en 14 november 204 op de begraafplaats 'Ter Navolging' in Scheveningen.
Op die begraafplaats, schuin tegenover het Appeltheater, is in een muur een
gedenksteen aangebracht. De schrijfsters zijn onder andere bekend van Sara
Burgerhart, de eerste roman in brieven (1782) en het pedagogische hoofdwerk
Proeve over de opvoeding (1779).
Schrijvers (een zéér onvolledige keuze)
Enkele favoriete schrijvers, van wie ik dan ook letterlijk alles heb (en gelezen!), zijn:
Saul Bellow (1915-2005)
overleed op 5 april 2005. Hij is een van
de prominentste vertegenwoordigers van de Amerikaans-joodse (of:
joods-Amerikaanse) literatuur. Veel van zijn boeken spelen zich af in Chicago,
de stad waar hij zijn leven lang woonde.
Het eerste boek dat ik van hem las was De avonturen van Augie March
(1953). Er gebeurt, zoals in veel boeken van Bellow, vrijwel niets in dit boek,
het merendeel van de tekst wordt gevormd door persoonlijke bespiegelingen en
monologues interieurs van de hoofdpersoon.
Een veel 'spannender' boek in dat opzicht is De decaan en diens december,
een mooie parafrasering overigens van de oorspronkelijke titel The dean's
december (1982), waarin de hoofdpersoon, een vooraanstaand intellectueel
uit Chicago, decaan van een universiteit, heen en weer geschud wordt tussen
enerzijds een vervelend raciaal getint incident op zijn universiteit en
anderszijds het wachten, samen met zijn vrouw, in Boekarest, op een
uitreisvisum voor zijn zieke schoonmoeder. Maar ook in dit boek veel ruimte
voor bespiegelingen en messcherpe dialogen.
Enkele andere boeken die me zeer aanspreken zijn: Humboldt's Gift,
(1964) een schokkend, niets ontziend portret van zijn vriend/collega-schrijver
Delmore Schwartz; Herzog (1964) speelt na de tweede wereldoorlog en gaat
over een man die twee mislukte huwelijken achter de rug heeft. Veel 'gedenk' op
de vierkante mm. Om de tijd te doden schrijft hij denkbeeldige brieven. Een
hele vroege Bellow, zijn eerste roman zelfs, is Dangling Man uit 1944
over een man die wacht tot hij wordt opgroepen voor de militaire dienst. Bellow
laatste (grote) werk is Ravelstein (2000), waarin het leven van Bellows
vriend, de filosoof Allan Bloom kan worden herkend.
In 1976 ontving Bellow de Nobelprijs voor literatuur (en ga eens na wat er
daarna nog allemaal verscheen ..!).
Een heel goede biografie is Bellow uit 2002 van James Atlas (inmiddels
verramsjt voor een paar Euro). Bellow was geen aardige man, hij versleet vier
echtgenotes en kreeg op zijn 85ste van zijn vijfde echtgenote nog een dochter
...
Theo Thijssen (1879-1943), onderwijzer, sociaal-democraat, schrijver.
Hij schreef een aantal van de mooiste (semi-autobiografische) romans uit de
Nederlandse literatuur: uiteraard Kees de Jongen (1923) maar ook de
onderwijstrilogie Barend Wels (1908), De gelukkige klas en Schoolland
(beide 1925). Jeugdherinneringen in In de ochtend van het leven (1941).
En dan zijn meest cynische roman Het grijze kind (1927), een
'surrealistisch, hallucinerend' portret van een milieu (Kees Fens). In vele
passages in dit boek vallen mij parallellen op met die andere
opvoeder-pur-sang: https://homedrive.ziggo.nl/jwa.berding@ziggo.nl/publiek/Janusz
Korczak.html. (Tijd voor een artikel hierover?)
Op de boekenmarkt in Dordrecht op de kop getikt: Jongensdagen,
eerste druk uit 1909! Voor een koude herfst- of winteravond een hartverwarmend
jongensboek! In het studieboek Schoolpedagogiek. Opvoeding en onderwijs in
de basisschool (Groningen: Wolters-Noordhoff, 2006) besteden Wouter Pols en
ik ook uitvoerig aandacht aan het semi-autobiografische en pedagogische werk
van Theo Thijssen, onder andere Schoolland en De gelukkige klas.
Oktober-november 2007: Nederland leest .... De gelukkige klas
van Theo Thijssen, voor het eerst gepubliceerd in 1926. Eigenlijk is het het
derde deel van een trilogie over het onderwijzersschap, bestaand uit Barend
Wels (1908), Schoolland (1925) en De gelukkige klas (1926).
De (deels autobiografische) bespiegelingen van 'Meester Staal' over 'zijn' klas
zijn nog altijd springlevend, al is diens didactiek verouderd en behandelen we
zo'n groep kinderen niet meer zo als eenheid. Wat wel gebleven is: interesse en
échte aandacht voor kinderen, verwondering over het leven dat ze leiden,
verbijstering soms over waar ze buiten school mee bezig zijn. In ons boek Schoolpedagogiek
(2006) laten Wouter Pols en ik zien hoe aan het begin van de 20ste eeuw het
arbeiderskind wordt ontdekt en hoe schoolmeester-pedagogen als Thijssen dat
arbeiderskind de school binnenhalen. En daar tot de ontdekking komen dat ook
dat kind een 'innerlijk' leven heeft. De gelukkige klas kan zeker
'Bildungsroman' in dubbele betekenis worden genoemd: het gaat over de
ontwikkeling van 'ukkies' tot schoolkinderen én over de ontwikkeling van de
auteur zelf, meester Staal alias Thijssen. In het boek staan enkele
onvergetelijke kinderportretten, zoals van Fok (ook wel 'Fokkie') die zich
ontwikkelt tot zijn trouwste klassenhulp, maar ook de onnozelste fouten maakt.
Blijvend is ook Thijssens aandacht voor het belang van 'sociale cohesie' in de
schoolklas, je zou kunnen zeggen dat hij avant la lettre de (te) ver
doorgezette differentiatie in het onderwijs kritiseert.
Boekhandels
Op 29 december 2004 is
heropend in de oer-Haagse Passage: boekhandel Verwijs. Doe eens iets anders dan Donner ..! In de
feestweek (25-29 januari) kocht ik de superaanbieding (15 Euro i.p.v. 24,95
Euro) de hardcover van Philip Roth, The Plot Against America. Alom
bejubeld in de pers. Het fictieve verhaal over de vraag wat er gebeurd zou zijn
als niet Rooseveldt, maar Charles Lindbergh (de beroemde vliegenier) de
Amerikaanse presidentsverkiezingen in 1940 had gewonnen.
Twee 'ramsj'-boekhandels waar ik graag en regelmatig mijn slag sla zijn: De boekenmarkt in
de Korte Molenstraat 17a in Den Haag en Nayler en Co (twee
vestigingen in Den Haag).
Een fijne internetboekhandel met een gespecialiseerd aanbod op het gebied van
geschiedenis is Vincent Anthony Books.
Top