| Eind mei / begin juni 2001 zond Hub Jennekens in de nieuwsgroep nl.muziek.klassiek besprekingen in van de uitvoeringen door diverse pianisten/s van de pianosonates van Schubert, zoals die zijn uitgebracht door Brilliant Classics. Een door hem aangepaste versie van deze besprekingen vindt u hieronder. |
| Franz Schubert: 21 Pianosonates, Impromptu's D. 899, 935 & 946, Moments musicaux, Wanderer-Fantasie, Allegro à quatre mains, Ungarische Melodie, Deutsche Tänze - Brilliant Classics 99678 (11 CD's) | ![]() |
Dit is zover ik weet pas de tweede volstrekt complete serie van 21
sonates; de eerste is de EMI-doos van Martino Tirimo, die ik muzikaal vaak niet zo
interessant vind. Ook de opnamen van EMI uit 1996 en 1997 zijn geluidstechnisch minder. Ik
zal straks horen hoe Alwin Bär (hij overleed in november 2000) in de laatste maanden van
zijn leven te werk is gegaan bij het completeren en uitvoeringsrijp maken van de
sonate-fragmenten, en hoe het resultaat zich verhoudt tot het werk van Tirimo. |
|
|
Klára Würtz speelt het eerste deel van D. 960 nogal traag, was mijn eerste reactie. Nadat ik mijn andere opnames erbij had gehaald bleek maar weer eens dat 'traag' en 'snel' heel subjectieve begrippen zijn - de tijdsduur van D. 960/I is voor de volgende interpretaties als volgt: |
| Uchida | 21'53'' | ||
| Würtz | 21'39'' | ||
| Kempff | 21'09'' | ||
| Zacharias | 20'47'' | ||
| Tirimo | 20'11'' | ||
| Schiff | 19'54'' |
||
Absolute tijdsduur is in de muziek vaak een onbelangrijk detail,
want bij Uchida, die er nog wat langer over doet, zijn er zoveel details te bewonderen dat
de gedachte 'wat speelt ze traag' geen moment bij me opkomt. Würtz' interpretatie van D.
960 is dus wat bedachtzamer, maar geeft wel blijk van een consistente visie, en heeft
zeker kwaliteit. In het adante sostenuto neemt ze, interessanterwijze, een iets sneller
tempo voor het majeur-gedeelte, waardoor de terugkeer van het mineur-thema in tempo primo
des te tragischer werkt. Wel vind ik haar toucher, net als dat van Martino Tirimo, vaak
een hard kerntje hebben, ook waar dat minder geslaagd lijkt. Tirimo heeft echter in ieder
geval in D.960 een veel kleiner kleurenpalet dan Würtz. In het verdere verloop vind ik
haar hier en daar wat prozaïsch: ik mis wat van de mystiek die voor mij om een ideale
uitvoering van deze wellicht mooiste van alle pianosonates hoort te hangen. |
|
|
In de Moments musicals (zoals Schubert de titel zelf aandoenlijk spelde), gespeeld door Folke Nauta, hoor ik details in de linkerhand die ik zo nog nooit heb gehoord, zoals een compleet nieuw lijkende tegenstem in de recapitulatie van nummer vier. Ik ben verder nogal verrukt van bijvoorbeeld het prachtig volgehouden statige tempo dat Nauta nummer drie meegeeft, en van zijn uiterst smaakvolle want heel lichte rubato. Ik vind hem echter ietwat tegenvallen in de sonate in c D. 958: het lijkt alsof hij hier te veel pedaal gebruikt, waardoor de vleugel met name in de snelle passages wat bonkerig gaat klinken. Ik heb niets tegen zijn opvatting, trouwens - die lijkt me heel legitiem, en mooi gerealiseerd. Ik weet ook niet zeker of mijn diagnose wel de juiste is, want de klank loopt niet dicht - en Nauta heeft het pedaal ook beslist niet nodig om gebrek aan vingervlugheid te maskeren. Het zou de 'achterste microfoon' kunnen zijn, die net te veel ruimte oppikt. |
|
|
Martijn van de Hoek speelt de impromptu's D. 899 en 935
uitstekend. Hij benadrukt het non-legato in bijvoorbeeld D. 899,2, hetgeen een bijzonder
parelend resultaat oplevert. Je moet er natuurlijk wel de techniek voor in huis hebben -
en dat zit bij Van den Hoek wel goed. De opnamen lijken vaak per werk in één take
gemaakt te zijn, en zijn derhalve niet stuk-geëditeerd ter wille van het laatste gram aan
nootperfectie: zo verdwijnen er bijvoorbeeld aan het eind van de berucht moeilijke D.
899,4 (vermoeidheid?) enkele nootjes in de rechterhand. Van den Hoek laat het bij tijd en
wijle onrustige, geïrriteerde karakter van deze stukken naar voren komen: vrijwel elke
notengroep in de waterval waarmee D. 899, 4 begint krijgt een eigen agogische lading mee,
terwijl er toch geen indruk van 'duwen-en-trekken' ontstaat doordat de linkerhand voor een
constante basispuls zorgt. De voor Schubert zo kenmerkende tussen mineur en majeur
pendelende melancholie in D. 935,1 wordt heel mooi getroffen. D.935,2 is voor mij een
voorbeeld van mooi fraseren: de korte frasen binnen een langere zin worden fraai geduid,
terwijl het middendeel uit grote bogen wordt opgetrokken. In de variaties van D. 935,3
werkt Van den Hoek met kortere frasen dan ik elders hoor (Jandó bijvoorbeeld vind ik hier
heel fraai), maar elk nadeel hep se voordeel: we krijgen op deze manier zicht op
onverwachte details. |
|
|
De schrijnende Leiermann-tragiek die het tweede deel van D. 959
uitstraalt treft een mens recht in z'n ziel. Frank van de Laar realiseert met name
dit voor mij centrale deel van D. 959 heel mooi. Zijn spel heeft nèt niet de onaardse
schoonheid van Uchida (ook hier mijn favoriet), maar komt er toch heel dicht bij. Beide
pianisten nemen de tijd om uitgebreid bij alle emoties stil te staan: Uchida 8'48'', Van
de Laar 8"43'', maar terwijl Uchida de puls van de muziek bijna tot stilstand durft
te laten komen gaat Van de Laar net niet zo gevaarlijk ver. |
|
|
Tamara Rumiantsevs prestaties in dit gezelschap beoordelen
op grond van wat ze hier te spelen krijgt zou niet eerlijk zijn: de sonates D. 157, 279
en 568 (uit respectievelijk 1815 en 1817) zijn typische jeugdwerken die je hier en
daar 'Mozartiaans' hoort noemen, maar die natuurlijk gewoon zijn geschreven naar de mode
van die tijd: al die tweedeplans-componisten van het eerste kwart van de negentiende eeuw
schreven op vergelijkbare wijze, en in dat gezelschap slaat de jonge Schubert bepaald geen
slecht figuur. Alleen: het is de Schubert van de grote late pianowerken niet, en als ik
blind zou moeten raden zou het me bepaald zwaar vallen aanknopingspunten te vinden met
Schubert zoals de meesten van ons hem kennen. Rumiantsev speelt verdienstelijk, fris en
ongecompliceerd, zoals deze muziek gespeeld dient te worden. |
|
|
De CD van Alwin Bär is gewijd aan onvoltooide sonates en
sonate-delen, die alle door hem gecompleteerd werden. Martino Tirimo ging hem daarin voor,
en beiden slaagden erin geloofwaardige muziek neer te zetten. Bär is echter een
interessanter pianist, en daarom levert zijn opname het meest muzikale resultaat op - ook
al omdat EMI, dat Tirimo eveneens in een kerk opnam, niet heeft kunnen voorkomen dat te
veel kerkgalm de microfoons bereikte. Tirimo voegt in de sonate D. 570/571 een
langzaam deel (het andante D. 604) toe, met als argumentatie dat het waarschijnlijk uit
dezelfde maand (juli 1817) stamt als het openings-allegro, en dat Schubert vrijwel nooit
een geïsoleerd andante voor piano schreef. Ook in de sonate D. 625 is iets
dergelijks aan de hand: daar kiest Tirimo voor het andante D. 505 als tweede deel (het
booklet van de Brilliant-CD doet in beide gevallen dezelfde suggestie). In Bärs
driedelige uitvoering kennen beide werken alleen |
|
|
David Kuyken nam D. 784 en 894 op, twee sonates die
me bijzonder aan het hart gebakken zijn. Hij manifesteert zich als een pianist van het
kaliber Uchida, die beide sonates in de late jaren negentig voor Philips inspeelde - een
stel CD's waarvoor ik onlangs onmiddellijk viel, ook al vanwege de schitterende
pianoklank. Ook hier is opnametechnisch alles op beste orde, op een hoorbare bandlas in
D.894/I na, op 14'23'' van het begin. In D. 894/II echter gebeurt iets waar ik nog even op
moet kauwen voordat ik het snap. Twee minuten na het begin wordt het rustig wiegende thema
gevolgd door een korte passage van hevige emotie, waarna (2'20'') de rust weerkeert - om
na weer twintig seconden (2'43'') zo plotsklaps verjaagd te worden dat ik even dacht:
opnieuw zo'n lelijke bandlas, maar het gebeurt verderop nog een keer. Het lijkt binnen
Kuijkens visie te moeten passen - een rauwe confrontatie met de werkelijkheid van
Schuberts levensomstandigheden in 1826? - maar daar ben ik dus nog niet uit. |
|
|
Ik heb de CD met de twee sonates die Bart van Oort voor
Brilliant opnam bewust tot het laatst bewaard. Ik vind ze erg moeilijk te vergelijken met
de andere opnamen, die op een moderne vleugel werden gespeeld. Van Oort bespeelt een
pianoforte uit 1825 van de hand van Zierer, een bouwer van wie ik nog niet hoorde. Zoals
ik eerder al schreef betreft het een prachtig klinkend instrument, in zo te horen
uitstekende toestand, dat in de Deventer kerk een sympathieke opnameruimte vond. De
directe opname maakt allerlei geluiden van het mechaniek hoorbaar, hetgeen een deel van de
charme van deze CD uitmaakt. De betrokkenheid van de luisteraar is op deze manier
maximaal; je mag bijna letterlijk over Van Oorts schouder meekijken, zeker indien je,
zoals ik, via hoofdtelefoon luistert. Dat levert een veel intiemere ervaring op dan bij de
Steinway-opnamen. Die intimiteit wordt nog sterker doordat het ook hier weer lijkt alsof
er in grote takes werd opgenomen, zonder veel knip- en plakwerk. De suggestie dat het
onder Schuberts handen precies zo geklonken zou kunnen hebben dringt zich onweerstaanbaar
op. |
|
|
Laat ik me gelukkig prijzen deze opnamen nu op elk moment van de
plank te kunnen pakken. En dat dit niet zelden zal gebeuren staat voor mij vast. Na de
Chopin-doos uit 1999 en deze Schubert-reeks uit 2000 moet me van het hart dat we in
Nederland over een aantal pianisten blijken te beschikken van wie men internationaal vaak
nauwelijks iets hoort, maar die zich in niets van de pianisten onderscheiden die door de
Grote Labels in de markt gezet worden. Ik juich het initiatief van Brilliant
Classics/Kruidvat dus zeer toe, en wacht met spanning op de toegezegde dozen met de
pianowerken van Schumann en Brahms. |