Schubert: sonates (Brilliant, Kruidvat)
recensie door Hub Jennekens

Eind mei / begin juni 2001 zond Hub Jennekens in de nieuwsgroep nl.muziek.klassiek besprekingen in van de uitvoeringen door diverse pianisten/s van de pianosonates van Schubert, zoals die zijn uitgebracht door Brilliant Classics. Een door hem aangepaste versie van deze besprekingen vindt u hieronder.
Franz Schubert: 21 Pianosonates, Impromptu's D. 899, 935 & 946, Moments musicaux, Wanderer-Fantasie, Allegro à quatre mains, Ungarische Melodie, Deutsche Tänze - Brilliant Classics 99678 (11 CD's)

Dit is zover ik weet pas de tweede volstrekt complete serie van 21 sonates; de eerste is de EMI-doos van Martino Tirimo, die ik muzikaal vaak niet zo interessant vind. Ook de opnamen van EMI uit 1996 en 1997 zijn geluidstechnisch minder. Ik zal straks horen hoe Alwin Bär (hij overleed in november 2000) in de laatste maanden van zijn leven te werk is gegaan bij het completeren en uitvoeringsrijp maken van de sonate-fragmenten, en hoe het resultaat zich verhoudt tot het werk van Tirimo.

De EMI-set (8 CD's) lag verleden jaar voor ruim zestig gulden bij V&D. De drie extra CD's in de nieuwe doos van het Kruidvat (die minder dan de helft kost) bevatten alleszins interessante aanvullingen: de impromptu's (ook de posthume), het allegro à quatre mains, de Wanderer-Fantasie plus een halve CD Duitse Dansen. De nieuwe opnamen zal ik vergelijken met die van Tirimo, en de (alle minder complete) opnamen van Kempff (DG), Haebler (Philips), Zacharias (EMI), Schiff (Philips) en Uchida (Philips).

De voor de nieuwe opnamen (op één CD na) gebruikte piano is een moderne, fraai geïntoneerde Steinway met ronkende bassen, die wel erg afsteekt bij de lichte en 'tijdgerechte' Zierer uit 1825 waarop Bas van Oort de sonates D. 459 en 845 speelt: een heel klankrijk pianoforte, dat zo te horen een wat directere microfoonopstelling kreeg. Alle werkelijk schitterend gerealiseerde opnamen werden tussen maart en december 2000 gemaakt in de Remonstrantse Gemeente te Deventer, een locatie die we al kennen van de ook zo mooi klinkende Brilliant Classics-dozen van Aleksandr Warenberg (Moessorgski) en Haakon Austbö (Satie).

De doosjes bevatten elk een welkome cv-met-foto van de solist en twee bladzijden algemeen gehouden toelichting van de hand van David Doughty, die ook de hoestekst bij Moessorgski's Schilderijententoonstelling schreef. Dat ik heel blij ben met de prachtige pianoklank die Peter Arts ook nu weer wist te realiseren schreef ik al; die doet zeker niet onder voor de opnamen van Mitsuko Uchida (de meest recente in bovenstaand rijtje) in een veel beroemdere Weense zaal. Aardig detail: Uchida's banden werden geëditeerd door Jean van Vugt, die door Van Winkel werd ingehuurd voor het Bachcantates-project van Kruidvat.


Klára Würtz speelt het eerste deel van D. 960 nogal traag, was mijn eerste reactie. Nadat ik mijn andere opnames erbij had gehaald bleek maar weer eens dat 'traag' en 'snel' heel subjectieve begrippen zijn - de tijdsduur van D. 960/I is voor de volgende interpretaties als volgt:

  Uchida 21'53''  
  Würtz 21'39''  
  Kempff 21'09''  
  Zacharias 20'47''  
  Tirimo 20'11''  
  Schiff 19'54''
 
 

Absolute tijdsduur is in de muziek vaak een onbelangrijk detail, want bij Uchida, die er nog wat langer over doet, zijn er zoveel details te bewonderen dat de gedachte 'wat speelt ze traag' geen moment bij me opkomt. Würtz' interpretatie van D. 960 is dus wat bedachtzamer, maar geeft wel blijk van een consistente visie, en heeft zeker kwaliteit. In het adante sostenuto neemt ze, interessanterwijze, een iets sneller tempo voor het majeur-gedeelte, waardoor de terugkeer van het mineur-thema in tempo primo des te tragischer werkt. Wel vind ik haar toucher, net als dat van Martino Tirimo, vaak een hard kerntje hebben, ook waar dat minder geslaagd lijkt. Tirimo heeft echter in ieder geval in D.960 een veel kleiner kleurenpalet dan Würtz. In het verdere verloop vind ik haar hier en daar wat prozaïsch: ik mis wat van de mystiek die voor mij om een ideale uitvoering van deze wellicht mooiste van alle pianosonates hoort te hangen.

In D. 575 revancheert ze zich voorbeeldig: licht waar het licht moet zijn, ernstig waar ernst hoort. Het eerste plaatje wordt besloten met de vierhandige Lebensstürme, die op de hoes het Deutsch-nummer 968 meekrijgen; dat moet volgens mij 947 zijn. Würtz wordt hier bijgestaan door Pieter van Winkel; laatstgenoemde speelt verderop ook de Drei Klavierstücke D. 946, en maakt daarin veel meer indruk (mooie agogiek, net voldoende onrust) dan in bijvoorbeeld de ballades uit de Chopin-doos van het Kruidvat, die ik nogal vlak vond. De weemoed en bij vlagen opstandigheid die deze muziek uit de laatste maanden van Schuberts leven karakteriseren worden mooi getroffen.

Würtz nam ook de sonates D. 537 en 664 voor haar rekening. Deze werken, die de uitstraling van die fenomenale laatste pianosonates missen, krijgen een uitvoering die ik als 'goed gemiddelde' zou willen karakteriseren: weinig eigenzinnigheden, de muziek mag voor zichzelf spreken, maar soms ontbreekt daardoor het laatste greintje interesse, zoals bijvoorbeeld Uchida die wel weet op te roepen. De CD is echter een genadeloos medium: je went aan Uchida's geciseleerde betoog en haar hoogst persoonlijke accenten, waardoor ze gauw als 'maniertjes' kunnen overkomen. Wat ik bij de Mozart-doos van Klára Würtz heb geschreven geldt ook hier: Uchida voor 's zondags, Würtz voor door de week.


In de Moments musicals (zoals Schubert de titel zelf aandoenlijk spelde), gespeeld door Folke Nauta, hoor ik details in de linkerhand die ik zo nog nooit heb gehoord, zoals een compleet nieuw lijkende tegenstem in de recapitulatie van nummer vier. Ik ben verder nogal verrukt van bijvoorbeeld het prachtig volgehouden statige tempo dat Nauta nummer drie meegeeft, en van zijn uiterst smaakvolle want heel lichte rubato. Ik vind hem echter ietwat tegenvallen in de sonate in c D. 958: het lijkt alsof hij hier te veel pedaal gebruikt, waardoor de vleugel met name in de snelle passages wat bonkerig gaat klinken. Ik heb niets tegen zijn opvatting, trouwens - die lijkt me heel legitiem, en mooi gerealiseerd. Ik weet ook niet zeker of mijn diagnose wel de juiste is, want de klank loopt niet dicht - en Nauta heeft het pedaal ook beslist niet nodig om gebrek aan vingervlugheid te maskeren. Het zou de 'achterste microfoon' kunnen zijn, die net te veel ruimte oppikt.


Martijn van de Hoek speelt de impromptu's D. 899 en 935 uitstekend. Hij benadrukt het non-legato in bijvoorbeeld D. 899,2, hetgeen een bijzonder parelend resultaat oplevert. Je moet er natuurlijk wel de techniek voor in huis hebben - en dat zit bij Van den Hoek wel goed. De opnamen lijken vaak per werk in één take gemaakt te zijn, en zijn derhalve niet stuk-geëditeerd ter wille van het laatste gram aan nootperfectie: zo verdwijnen er bijvoorbeeld aan het eind van de berucht moeilijke D. 899,4 (vermoeidheid?) enkele nootjes in de rechterhand. Van den Hoek laat het bij tijd en wijle onrustige, geïrriteerde karakter van deze stukken naar voren komen: vrijwel elke notengroep in de waterval waarmee D. 899, 4 begint krijgt een eigen agogische lading mee, terwijl er toch geen indruk van 'duwen-en-trekken' ontstaat doordat de linkerhand voor een constante basispuls zorgt. De voor Schubert zo kenmerkende tussen mineur en majeur pendelende melancholie in D. 935,1 wordt heel mooi getroffen. D.935,2 is voor mij een voorbeeld van mooi fraseren: de korte frasen binnen een langere zin worden fraai geduid, terwijl het middendeel uit grote bogen wordt opgetrokken. In de variaties van D. 935,3 werkt Van den Hoek met kortere frasen dan ik elders hoor (Jandó bijvoorbeeld vind ik hier heel fraai), maar elk nadeel hep se voordeel: we krijgen op deze manier zicht op onverwachte details.


Van den Hoek is de meest 'forse' pianist in deze doos. De andere CD die hij voor zijn rekening nam begint dan ook met een stevige uitvoering van de Wanderer-Fantasie - zo stevig dat ik menigmaal dacht 'op een pianoforte sla je op deze manier onmiddellijk minstens door de toon heen'. Maar Van den Hoek is geen pianoforte-speler, en als je besluit om Schubert op een moderne vleugel uit te voeren mag je van mij daar de consequenties uit trekken, en de vleugel ook als vleugel laten klinken. Uiteraard heeft Schubert z'n Wanderer niet voor een dergelijk instrument geschreven, maar het enige waar ik in het onderhavige geval een vraagteken bij plaats zijn de donderende bassen, waarvoor de ruimte van de Remonstrantse Gemeente bijna te klein lijkt (zie mijn opmerking bij D. 958). Het tweede en derde deel worden waar nodig mooi ingehouden gespeeld, terwijl Van den Hoek in het afsluitende allegro weer alle stoppen trekt; het geheel levert een spannende Wanderer op, die eens te meer duidelijk maakt waar Franz Liszt de inspiratie voor zijn bewerking vandaan haalde.


De Deutsche Tänze zijn veelal te fragiel voor een dergelijke aanpak, en dat realiseert Van den Hoek (of de opnametechnicus) zich mijns inziens niet genoeg: de dansjes klinken meestal te groot. Ik geef hier de voorkeur aan een uitvoering op pianoforte: deze muziekjes lijken veel meer tijdgebonden dan de grote werken, en profiteren derhalve van een uitvoering op een authentiek instrument, zoals bijvoorbeeld de Graf die Peter Serkin bespeelt op Pro Arte CDD 358. Ik vergeef het Berté (de 'componist' van de Dreimäderlnhaus-operette, op thema's van Schubert, die ik te vroeg in mijn leven te vaak moest horen) overigens niet dat zijn teksten (van het niveau 'was schöner kann sein als ein Wiener Lied' ) onwillekeurig door mijn hoofd gaan als ik een snoepje als de zesde Duitse Dans uit D. 783 hoor langskomen...


De schrijnende Leiermann-tragiek die het tweede deel van D. 959 uitstraalt treft een mens recht in z'n ziel. Frank van de Laar realiseert met name dit voor mij centrale deel van D. 959 heel mooi. Zijn spel heeft nèt niet de onaardse schoonheid van Uchida (ook hier mijn favoriet), maar komt er toch heel dicht bij. Beide pianisten nemen de tijd om uitgebreid bij alle emoties stil te staan: Uchida 8'48'', Van de Laar 8"43'', maar terwijl Uchida de puls van de muziek bijna tot stilstand durft te laten komen gaat Van de Laar net niet zo gevaarlijk ver.

Haebler doet er in haar opname uit november 1968 ook 8'33'' over, maar haalt het qua zeggingskracht niet bij Uchida en Van de Laar: de muziek klinkt bij haar te onschuldig. Zacharias, Schiff en Kempff nemen alle een sneller tempo, en vallen daardoor voor mij af, ondanks ontegenzeggelijke kwaliteiten. Hoewel ik me realiseer dat Schubert 'andantino' boven dit deel schreef vind ik een doorgaande beweging hier minder op z'n plaats dan de ritmische vrijheden die Uchida en Van de Laar zich in dienst van de muziek permitteren.

In de hoekdelen is Van de Laar langzamer dan Uchida: hij neemt een minuut meer voor het rondo, en twee minuten voor het openings-allegro. Daardoor hebben beide delen wat minder spanning dan bij mijn uiteindelijke favoriet - hetgeen niet wegneemt dat we hier met een grote interpretatie te maken hebben.


De sonate in e D. 566 is van geheel ander portuur: Schubert was pas twintig toen hij dit werk schreef, en de zeggingskracht ervan is beduidend minder dan van de late sonates. We moeten zelfs betwijfelen of deze sonate wel als 'drieëenheid' is opgezet: de ontstaansgeschiedenis ervan is nogal warrig, en de nieuwe opname maakt de zaken voor de argeloze luisteraar alleen nog maar warriger. Het werk bestond lange tijd uit twee delen (Kempff en Schiff spelen er ook maar twee, Haebler en Zacharias laten het helemaal weg), volgens het booklet is er later een derde deel aan toegevoegd (volgens andere bronnen verkocht Franz' broer Ferdinand de sonate in 1842 als driedelig werk aan een uitgever in Leipzig), maar Van de Laar maakt er een vierdelige sonate van door er, net als Martino Tirimo, het rondo D. 506 aan vast te koppelen, hetgeen de schrijver van de hoestekst kennelijk is ontgaan. Tirimo beargumenteert zijn keuze door te wijzen op overeenkomsten in toonsoort en stijl, maar voor mij hangt dit rondo er op deze plek maar zo'n beetje bij. Van de Laar speelt het werk voor wat het waard is, maar kan het immense verschil in kwaliteit tussen de D. 959 en D. 566 toch niet verhullen. Misschien is deze koppeling ook wel erg wreed voor het onschuldige en vrij structuurloze werkje dat D. 566 nu eenmaal is. EMI deed het bij de opnamen van Tirimo al niet veel beter: daar wordt D. 566 voorafgegaan door D. 960...


Het tweede plaatje waarmee Frank van de Laar in deze doos vertegenwoordigd is begint met de qua omvang meest indrukwekkende sonate die Schubert schreef, en wellicht ook de meest virtuoze: de ruim veertig minuten durende 'Gasteiner' D. 850 in D majeur, ontstaan in de badplaats die Schubert ook al inspireerde tot de 'himmlische Länge' van de Negende symfonie. Hier is geen plaats voor tragedie en donkere wolken: een onstuimig allegro vivace wordt gevolgd door een zonnig langzaam deel, terwijl het joie de vivre dat maar zo mondjesmaat Schuberts deel moet zijn geworden zich manifesteert in het Ländlerachtige scherzo (met een toch wat peinzend middendeel), gevolgd door een afsluitend rondo van een vaak ontwapenende eenvoud. Van de Laar volgt ook hier Mitsiko Uchida weer op de voet als het om mijn voorkeur gaat, hoewel andere pianisten uit mijn verzameling niet echt achterblijven: het lijkt alsof je de noten hier wat meer voor zichzelf kunt laten spreken.


Het volgende werk op deze CD is de sonate D. 840, waarvan het booklet beweert dat ze in de tijd van de Zesde symfonie ontstond, maar die volgens mij toch echt in 1825 werd geschreven; verderop glijdt de schrijver opnieuw uit door te stellen dat de Negende uit 1828 slechts een paar maanden later gereed kwam. Het gaat hier om een torso in twee delen; Martino Tirimo (evenals eerder Paul Badura-Skoda en anderen) voltooide de fragmenten van het menuet en de finale, maar Van de Laar speelt het in zijn tweedelige vorm, en die overtuigt volkomen, net als de Achtste symfonie. Als afsluiting horen we de sonate in A, D. 557 - een jeugdwerk zonder veel Schubert-gezicht, dat van Van de Laar de bijpassende frisse uitvoering krijgt.


Tamara Rumiantsevs prestaties in dit gezelschap beoordelen op grond van wat ze hier te spelen krijgt zou niet eerlijk zijn: de sonates D. 157, 279 en 568 (uit respectievelijk 1815 en 1817) zijn typische jeugdwerken die je hier en daar 'Mozartiaans' hoort noemen, maar die natuurlijk gewoon zijn geschreven naar de mode van die tijd: al die tweedeplans-componisten van het eerste kwart van de negentiende eeuw schreven op vergelijkbare wijze, en in dat gezelschap slaat de jonge Schubert bepaald geen slecht figuur. Alleen: het is de Schubert van de grote late pianowerken niet, en als ik blind zou moeten raden zou het me bepaald zwaar vallen aanknopingspunten te vinden met Schubert zoals de meesten van ons hem kennen. Rumiantsev speelt verdienstelijk, fris en ongecompliceerd, zoals deze muziek gespeeld dient te worden.

Over de kruimels die op de sonates volgen zwijgt het booklet. Welnu: de Fantasie in c is een nog vroeger werk; het stamt uit 1813. Ik heb er twee andere opnamen van, de ene gespeeld door Jörg Demus op een niet nader gespecificeerde maar heel licht klinkende piano, de andere door Rosario Marciano op een Bösendorfer uit 1828. Beiden geven het werk een lichte toets mee. Demus zet gelijk al forte in, terwijl Rumiantsev kiest voor een pianissimo-opening in een zeer teruggehouden tempo. Ook in het verdere verloop geeft ze het werk meer allure en ernst dan het van zichzelf heeft; het booklet duidt het aan met D 2 e (waarschijnlijk volgens de nieuwste Deutsch-catalagus, die ik niet bij de hand heb), terwijl ik het alleen kende als D. 993. Mogelijk heeft dat hoge D-nummer Rumiantsev verleid tot deze wat te 'volwassen' interpretatie.

Het allegretto D. 915 draagt een 'correct' Deutsch-nummer: het werk ontstond op 27 april 1827. Het is een onschuldig gelegenheidswerkje, 'seinem lieben Freund Ferdinand Walcher zum Abschied' gewijd, en Rumiantsev geeft het de juiste sfeer mee. Het afsluitende Scherzo D. 593 is een guitig stuk dat niet misstaan had tussen Beethovens Bagatellen; het komt ook voor op de CD die aan Alwin Bär is gewijd. De laatste kiest voor een iets sneller tempo - en dat werkt inderdaad beter. Kortom: mijn eerste kennismaking met Tamara Rumiantsev valt beslist niet tegen, maar het repertoire dat haar toegewezen werd is te lichtgewicht om een steekhoudende uitspraak over haar kwaliteiten als Schubert-interpreet te doen.


De CD van Alwin Bär is gewijd aan onvoltooide sonates en sonate-delen, die alle door hem gecompleteerd werden. Martino Tirimo ging hem daarin voor, en beiden slaagden erin geloofwaardige muziek neer te zetten. Bär is echter een interessanter pianist, en daarom levert zijn opname het meest muzikale resultaat op - ook al omdat EMI, dat Tirimo eveneens in een kerk opnam, niet heeft kunnen voorkomen dat te veel kerkgalm de microfoons bereikte. Tirimo voegt in de sonate D. 570/571 een langzaam deel (het andante D. 604) toe, met als argumentatie dat het waarschijnlijk uit dezelfde maand (juli 1817) stamt als het openings-allegro, en dat Schubert vrijwel nooit een geïsoleerd andante voor piano schreef. Ook in de sonate D. 625 is iets dergelijks aan de hand: daar kiest Tirimo voor het andante D. 505 als tweede deel (het booklet van de Brilliant-CD doet in beide gevallen dezelfde suggestie). In Bärs driedelige uitvoering kennen beide werken alleen allegr(ett)o-delen, en de toegevoegde andantes werken als welkome momenten van rust, zeker in D. 625, na een eerste deel met onwaarschijnlijk veel trillers, dat ook daardoor een onrustige indruk maakt.

D. 625 ontstond in 1818 in Hongarije, op het landgoed van de familie Esterházy, waar Schubert in dienst was als pianoleraar van de twee jonge dochters van de graaf, en waar hij volgens sommige bronnen de geslachtsziekte opliep waaraan hij zou komen te overlijden. Er zijn suggesties dat hij de eerste ideeën voor het quatre-mains Divertissement à l'hongroise D. 818 (waarvan de Ungarische Melodie D. 817 een arrangement voor twee handen is) opdeed tijdens de pianolessen aldaar. Bär speelt met het juiste gevoel voor rubato, en de mineur-majeur-modulaties worden fraai geduid. Liszt maakte er een arrangement van: hij liet een aantal maten uit het origineel weg, en maakte er een paar omspelingen bij. Ik vind het origineel smaakvoller. Aardig detail: de tekstschrijver van het booklet bij de Liszt-CD (Pro Arte CDD 380) weet stellig dat het hier om een origineel werk van Liszt gaat, en dat Liszt een van de eerste componisten na Haydn was die Hongaarse muziek in zijn composities gebruikte. Over het eerste van de twee scherzi D. 593 heb ik hierboven al iets geschreven; het zijn charmante niemendalletjes die zo van een van de Schubertiades weggelopen lijken.

Alwin Bär was een uitstekend pianist, met veel gevoel voor Schuberts muziek; ook hem zou ik graag in substantiëler werk hebben gehoord. Gelukkig legde Peter Arts hem eerder voor het Kruidvat vast: in de Chopin-doos doet Bär de fantasie, de barcarolle, de berceuse en de vier scherzi.


David Kuyken nam D. 784 en 894 op, twee sonates die me bijzonder aan het hart gebakken zijn. Hij manifesteert zich als een pianist van het kaliber Uchida, die beide sonates in de late jaren negentig voor Philips inspeelde - een stel CD's waarvoor ik onlangs onmiddellijk viel, ook al vanwege de schitterende pianoklank. Ook hier is opnametechnisch alles op beste orde, op een hoorbare bandlas in D.894/I na, op 14'23'' van het begin. In D. 894/II echter gebeurt iets waar ik nog even op moet kauwen voordat ik het snap. Twee minuten na het begin wordt het rustig wiegende thema gevolgd door een korte passage van hevige emotie, waarna (2'20'') de rust weerkeert - om na weer twintig seconden (2'43'') zo plotsklaps verjaagd te worden dat ik even dacht: opnieuw zo'n lelijke bandlas, maar het gebeurt verderop nog een keer. Het lijkt binnen Kuijkens visie te moeten passen - een rauwe confrontatie met de werkelijkheid van Schuberts levensomstandigheden in 1826? - maar daar ben ik dus nog niet uit.

Het tweede thema van het eerste deel van D. 784 is wellicht het meest kwetsbare stuk muziek ooit geschreven, en Kuyken koestert het met evenveel zorg als Uchida. Alleen: David Kuyken speelt in de Remonstrantse Kerk te Deventer, en Mitsuko Uchida in de Gouden Zaal van de Weense Musikgesellschaft. Echt eerlijk is het niet, maar ik neig er toe mega-sterren soms aan anderen over te laten, en grote musici met een kleine naam voor mezelf te houden. Kuyken is een geboren Schubert-interpreet - alles klopt: toucher, agogiek, tempo, dynamiek (Uchida is hooguit wat extremer in die dingen), fraaie rubati... en uiteraard is de techniek tot in de puntjes verzorgd: de snelle loopjes in D. 784/III demonstreren dat op overtuigende wijze.


Ik heb de CD met de twee sonates die Bart van Oort voor Brilliant opnam bewust tot het laatst bewaard. Ik vind ze erg moeilijk te vergelijken met de andere opnamen, die op een moderne vleugel werden gespeeld. Van Oort bespeelt een pianoforte uit 1825 van de hand van Zierer, een bouwer van wie ik nog niet hoorde. Zoals ik eerder al schreef betreft het een prachtig klinkend instrument, in zo te horen uitstekende toestand, dat in de Deventer kerk een sympathieke opnameruimte vond. De directe opname maakt allerlei geluiden van het mechaniek hoorbaar, hetgeen een deel van de charme van deze CD uitmaakt. De betrokkenheid van de luisteraar is op deze manier maximaal; je mag bijna letterlijk over Van Oorts schouder meekijken, zeker indien je, zoals ik, via hoofdtelefoon luistert. Dat levert een veel intiemere ervaring op dan bij de Steinway-opnamen. Die intimiteit wordt nog sterker doordat het ook hier weer lijkt alsof er in grote takes werd opgenomen, zonder veel knip- en plakwerk. De suggestie dat het onder Schuberts handen precies zo geklonken zou kunnen hebben dringt zich onweerstaanbaar op.

Van Oort opent met de sonate D. 845; daarvan wil ik met name het trio uit het scherzo memoreren, waar de liggende bas op dit instrument voor een soort doedelzak-effect zorgt dat heel bijzonder is. De 'pianosonate' D. 459 was lang bekend als Fünf Klavierstücke, en zo klinken ze in mijn oren eerlijk gezegd ook vrijwel steeds: een handvol charmante, maar losstaande pianostukken, vier allegro's gescheiden door een fraai adagio.

Een heel bijzondere CD dus, die het me moeilijk maakt te beslissen: moet ik blij zijn dat me deze ervaring werd geboden, of moet ik mopperen dat de eenheid van de onderhavige doos op deze manier doorbroken werd? Ik kies zonder aarzelen voor het eerste, maar het zou nog mooier zijn geweest als Bart van Oort de hele doos had volgespeeld. Maar dan hadden we David Kuijken gemist. En Folke Nauta. En Frank van de Laar. En...


Laat ik me gelukkig prijzen deze opnamen nu op elk moment van de plank te kunnen pakken. En dat dit niet zelden zal gebeuren staat voor mij vast. Na de Chopin-doos uit 1999 en deze Schubert-reeks uit 2000 moet me van het hart dat we in Nederland over een aantal pianisten blijken te beschikken van wie men internationaal vaak nauwelijks iets hoort, maar die zich in niets van de pianisten onderscheiden die door de Grote Labels in de markt gezet worden. Ik juich het initiatief van Brilliant Classics/Kruidvat dus zeer toe, en wacht met spanning op de toegezegde dozen met de pianowerken van Schumann en Brahms.



Hub Jennekens
3 juni 2001