Bach: Cantates door Leusink (Brilliant, Kruidvat)
recensie door Lucas As

Op 29 oktober 2000 zond Lucas As in de nieuwgroep nl.muziek.klassiek onderstaande bespreking in van de uitvoeringen door Pieter Jan Leusink van de cantates van Bach, zoals die zijn uitgebracht in de Bach serie van Brilliant Classics. Met zijn toestemming neem ik deze bespreking hier over.

 




Inmiddels zijn de laatste CD-boxen met Bachcantates uitgebracht. Ik heb al die cantates met veel plezier beluisterd. In het onderstaande zal ik proberen een beoordeling te geven van deze reeks opnamen.

Als je een volledige reeks met Bachcantates wilt vergelijken met andere projecten, dan rijst meteen de vraag: met welk project ga je het vergelijken. Er zijn twee andere volledige reeksen Bachcantates, n.l. Rilling en Harnoncourt/Leonhardt. Bovendien zijn er een aantal projecten in wording: Ton Koopman en Suzuki hebben beide het voornemen om de volledige reeks cantates op te nemen. Gardiner had dat voornemen ook, maar in het belang van de mensheid heeft Deutsche Grammophon besloten om het plan te annuleren. Natuurlijk is er ook nog Herreweghe: hij heeft geen intentie om alle Bachcantates op te nemen, maar zijn opnamen golden de afgelopen jaren wel als referentiepunt voor andere uitvoeringen.

Van Suzuki is het nog maar de vraag of hij ooit alle cantates opneemt. Er zijn nu twaalf of dertien delen verschenen in een periode van een kleine tien jaar. Als de CD's in hetzelfde tempo elkaar blijven opvolgen, heeft hij nog een jaar of dertig nodig om alle geestelijke cantates bij elkaar te sprokkelen. Ton Koopman is ongeveer halverwege en heeft ruim 30 CD's met Bach cantates opgenomen. Herreweghe heeft een stuk of twaalf  CD's met Bach cantates opgenomen. Zijn aandacht lijkt te verschuiven naar het klassieke en romantische repertoire.

Ik heb besloten om Leusinks uitvoeringen te vergelijken met Herreweghe enerzijds en Harnoncourt/Leonhardt anderzijds.

Mijn keuze voor Herreweghe vindt zijn grond in het feit dat de aanpak van Herrewegehe, Suzuki en Koopman in grote lijnen overeenkomt, waarbij naar mijn gevoel Herreweghe het meest overtuigt. Bovendien ken ik zijn opnamen het best. Alle drie de dirigenten maken gebruik van soortgelijk orkest, beschikken over een professioneel koor en maken gebruik van solisten uit de "Oude Muziek" -wereld. Dit gaat zelfs zover dat de solisten bij de verschillende dirigenten meezingen en -spelen.  Peter Kooij zingt zowel bij Herreweghe als Suzuki; de hoboïst Marc Ponseele speelt bij alle drie. Er zijn zonder enige twijfel andere voorbeelden te vinden. Het wereldje is wel erg klein...

De opnamen van Harnoncourt/Leonhardt vormen een verhaal apart. Hun opnamen zijn legendarisch. Jammer dat ze zijn gemaakt in de jaren zeventig en tachtig. De orkestklank is vaak hard, violen en hobo's zijn niet zuiver, etc.. Op dit gebied is er de afgelopen twintig jaar veel verbeterd. De "interpretatie" - ik verafschuw dat woord! -  zou echter een voorbeeld voor de anderen moeten zijn!

De solisten zijn een sterk punt aan deze opnamen. Ik ken geen betere Bach-bas dan Max van Egmond, hoewel  Nikolaus Harnoncourt daar helaas anders over dacht. Bij hem gebeuren daar hele rare dingen! Kurt Equiluz is de beste tenor voor Bach, naar mijn opvatting zelfs beter dan Christoph Prégardien. Natuurlijk zijn er dan nog de jongenssopraantjes, niet altijd zuiver, maar met een uniek timbre.

De opnamen van Leusink zitten ergens tussen Herreweghe en Harnoncourt/Leonhardt in: wel een jongenskoor, geen jongetjes als solist. Bovendien zijn zijn alten in het koor bij Leusink counter-tenors, terwijl Harnocourt/Leonhardt gebruik maken van jongens-alten en dat klinkt echt anders!

Leusink houdt van een enthousiaste Bach. In veel cantates is dat een prima aanpak. Bij cantate 197: "Gott is unsere Zuversicht" krijg je bij Leusink een koor dat bruist van het enthousiasme. Dat enthousiasme hoor je soms wel terug bij Harnoncourt/Leonhardt, maar veel te weinig bij de anderen. Minder geslaagd bij Leusink zijn die koorfragmenten die om een ingetogen karakter vragen. Het openingskoor uit cantate 21: "Ich habe viel Bekümmernis" heeft echt geen dans-tempo nodig. Herreweghe heeft dat uitstekend door.

In de wat moelijker koren verliest Leusink het zonder meer van het koor van Herreweghe. Desalniettemin levert Leusink een prima resultaat, ondanks het feit dat het koor in bijv. cantate 198, de Trauerode, er een beetje tegenaan zingt. Kijken we bijv. naar BWV 31: "Der Himmel lacht, die Erde jubiliert": Harnoncourt besluit om in dit lastige koor de sopraanpartij te laten zingen door de sopraan-solist. In Leusinks koor zingen alle jongetjes gewoon mee: het resultaat mag er zijn!

Over het orkest valt veel positiefs te melden. Met name ben ik onder de indruk van Peter Frankenberg op hobo. De hobo vervult in de muziek van Bach vaak de rol van de ziel die zoekt naar verlossing; Frankenberg geeft prachtige vertolkingen, bijv. in cantate 56: "Der Kreuzstab" en BWV 82: "Ich habe genug". Op de eerste opnamen van Leonhardt speelde Frans Brüggen op de traverso. Het resultaat dat in 1971(!) werd neergezet van BWV 8: "Liebster Gott, wann werd' ich sterben" wordt niet geëvenaard. Dat zegt vooral iets over de kwaliteit van de barokspecialisten van het eerste uur. Marion Moonen is beslist een goede traverso-speler. Ook Frank Wakelkamp verdient een eervolle vermelding voor zijn bijdrage aan het project.

De opnametechniek is meestal in orde. Op sommige cantates lijkt het koor teveel op de achtergrond te staan, in enkele gevallen is nauwelijks het koper hoorbaar. Het zijn uitzonderingen. Soortgelijke situaties komen ook bij de concurrentie voor. Al helemaal bij Harnoncourt/Leonhardt, maar net zo goed bij Herreweghe. Er lijkt bij Leusink weinig of niet geknipt te worden in de takes. Persoonlijk ervaar ik dat als positief: de opnamen behouden hun levendigheid. Met name bij Koopman ervaar ik de perfectie wel eens als dodelijk voor een opname. De consequentie is wel dat een bepaalde aria of koraal enige ongerechtigheid bevat, die er eigenlijk niet in thuishoort. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat Leusinks opnamen, inclusief de tekortkomingen, het meest de historische werkelijkheid benaderen.

Over de solisten is al uitgebreid gediscussieerd. Ruth Holton (sopraan) beschikt over een fraaie techniek, maar haar Duits is niet perfect. Persoonlijk vind ik het laatste geen groot bezwaar. Haar inleving in de tekst schiet soms tekort. In BWV 199: "Meine Herze schwimmt im Blut" zingt ze de verschrikkelijkste dingen, zonder dat het haar ook maar enigszins lijkt te beroeren. In andere cantates zoals bijv. het duet in BWV 140: "Wachet auf ruft uns die Stimme" zingt ze daarentegen prachtig. Al met al ben ik haar bijdrage aan het project wel gaan waarderen.

Sytse Buwalde wordt in de Bach-mailinglist nogal bekritiseerd, in de recensie in Gramophone wordt hij niet genoemd, en in de Nederlandse nieuwsgroep wordt hij meestal wel gewaardeerd. Ik houd wel van zijn stem. Zijn bijdrage, met name in de duetten, werkt aanstekelijk.

De grootste zwakte ligt bij de tenoren. Wat valt er over te zeggen? Knut Schoch, Marcel Beekman, Nico van der Meel weten eigenlijk geen van allen ècht te overtuigen. Gramophone's eerste keuze was Marcel Beekman. De mijne zou zijn: Nico van der Meel. Bas Ramselaar heeft zich een hele goed bas getoond. Hij is geen tweede Max van Egmond, maar die is er überhaupt niet te vinden.

Leusinks opnamen zijn niet DE standaard. Die zal er voorlopig ook niet komen. De manier waarop het project tot stand is gekomen bevat zo zijn eigenaardigheden, waardoor de voorbereiding niet altijd optimaal was. Toch denk ik dat een marathon-opname als die van Leusink wellicht de juiste methode is om aan zo'n project te beginnen.

De recente Herreweghe-opnamen hebben een heel ander karakter dan zijn opnamen van tien jaar geleden. De solisten bij Koopman wisselen nogal, etc.. Al met al vind ik Leusinks Bach project een aanwinst voor de Bach-discografie, al is het alleen al vanwege het feit dat zijn opnamen zo verschillen van de andere opnamen die verschijnen.

Lucas As
29 oktober 2000

 

  2009