Shostakovitch: simfonieën

Barshai (Brilliant Classics)


Dmitri Shostakovitch:
simfonieën 1 t/m 15
WDR Sinfonieorchester
o.l.v. Rudof Barshai
Rundfunkchor (simfonie 2 en 3)
Sergei Aleksashin, bas; The Choral Academy Moscow (simfonie 13)
Alla Simoni, sopraan; Vladimir Vaneev, bas (simfonie 14)
opnamen van de Westdeutsche Rundfunk Köln, 1992 - 2000
Brilliant Classics (11 CD's, EUR 16,80)



impressie door Jan Depondt

Deze serie opnamen van de simfonieën van Shostakovitch neemt een weinig typische plaats in binnen de catalogus van Brilliant Classics: er is hier absoluut geen sprake van een 'mixed bag', er is niet geput uit oude en onverkoopbaar ergens op een plank liggende opnamen, er is een vertolking door een gerenommeerd dirigent, die bovendien als weinig anderen het werk van Shostakovitch als zijn broekzak kent, en er is zowel qua klank als qua interpretatie sprake van grote eenheid, van een 'totaalconcept'.

Bij elke cd is een korte beschrijving van de opgenomen werken toegevoegd, en bij de eerste cd een wat langer verhaal over Barshai. Bij de simfonieën 13 en 14 is echter geen letter opgenomen van de gezongen teksten, hetgeen aan de presentatie ernstig afbreuk doet *). De cd's bevatten ook geen aanvullingen, hetgeen in twee gevallen (simfonie 12 en 15) tot een cd leidt met minder dan 38 minuten muziek (die hadden dus samen op één cd gekund). In enkele gevallen komen de vermelde tijden niet goed overeen met de werkelijke tijdsduur van de betreffende tracks, waarschijnlijk veroorzaakt door een niet steeds juiste track-indeling van in elkaar overgaande delen. Van een der cd's moest een kopie gebrand worden om de laatste track te kunnen beluisteren (een vaker optredend Brilliant-euvel).

Barshai is geen dirigent die met veel publiciteit aan de weg timmert. Maar wel een musicus die al tientallen jaren bekendheid geniet. Als leider van het Moskous Kamerorkest (door hem in 1955 opgericht), en als altviolist die in 1944 een der leden en mede-oprichters van het Borodin Kwartet was. Wat Shostakovitch betreft berust zijn bekendheid onder andere op de bewerkingen die hij maakte voor kamerorkest van enkele strijkkwartetten, en op het dirigeren van de première van de veertiende simfonie in 1969. Onlangs werden er verschillende jubelrecensies geschreven over Barshai's recente live-opname van de vijfde simfonie van Mahler met een jeugdorkest (Junge Deutsche Philharmonie - "It is the finest recording of the Fifth Symphony currently available" - Tony Duggan), waardoor zijn activiteit op dirigeer-terrein weer eens helder in het daglicht kwam te staan. "Op papier" is de onderhavige set in ieder geval dus een veelbelovende, en niet bepaald behorend tot de vaak met Brilliant Classics geassociëerde categorie "best aardig, voor deze prijs".

In hoeverre met deze set een nieuwe weg is ingeslagen wat betreft het op de markt brengen van nieuwe opnamen van klassieke muziek, is nog even koffiedikkijken; maar het zou op een echt opnieuw schudden van de kaarten kunnen uitdraaien. Het is natuurlijk een onuitputtelijke bron die hier - met succes - is aangeboord. Er waren al eerder maatschappijen die met series verschenen waarbij werd geput uit de schatten van de radio (BBC met name); maar daar lag de nadruk meer op de historische waarde van uitvoeringen uit een verder verleden. Er zijn ook enkele orkesten (opnieuw met name in Engeland) die eigen opnamen uitbrengen op budget labels, en voorbeelden van grote maatschappijen die in samenwerking met een omroeporkest voor dergelijke uitgaven zorgen, zoals dit zelfde Keulse orkest met simfonieën van Mahler met Gary Bertini op EMI. In het geval van de hier besproken set waren de oorspronkelijke plannen anders. Er was al langer sprake van een cyclus Shostakovitch simfonieën door Barshai, maar het oorspronkelijke label zag ervan af omdat Barshai er te lang over deed, en Brilliant was Naxos voor door een beter bod te doen.

Dat deze serie een eenheid vormt, is al direct te horen in de opnamen, die zich kenmerken door een fraaie sonoriteit. Het "laag" komt mooi tot zijn recht, maar er is niets opdringerigs, ook niet in de andere orkestgroepen. Geen spotlights (af en toe ook wel jammer), maar een goede totaalweergave, zij het in een wat droge akoestiek, al is dit laatste per opname iets verschillend. Niet zo'n geweldige klank als bij Haitink dus; maar toch beter dan het te veel aan ruimte bij Järvi. Het orkest lijkt me voortreffelijk op deze taak berekend, zoals we gewend zijn van meerdere, ook Nederlandse, top-omroeporkesten. De rijkdom van een Concertgebouw Orkest of Berliner Philharmoniker ontbreekt echter, hetgeen met name in de strijkersklank wel eens tot minder bedwelming aanleiding geeft.

Wat de uitvoeringen betreft moet ik me erg terughoudend in mijn oordeel opstellen, en eigenlijk kenners in dit repertoire aan het woord laten. Het onderstaande is mijn persoonlijke indruk na een eenmalige beluistering en een vergelijking van korte fragmenten van andere uitvoeringen waarover ik beschik; en meer weet ik er op dit moment ook niet over te vertellen. Zeven van deze simfonieën had ik niet eerder echt beluisterd, en de overige behoorden ook al niet tot de werken die ik door en door "ken"; een bewonderaar van of ingewijde in het werk van deze componist was ik zeker niet; ik had nooit gedacht dat het ooit nog zo ver met me zou komen dat ik een hele cyclus simfonieën zou uitluisteren; en ik geloof ook niet dat het gezond is zoiets binnen een week te doen.

De andere uitvoeringen waarmee ik die van Barshai kon vergelijken, betreffen opnamen door Ashkenazy (5 en 10), Haitink (5, 7, 8 en 9), Jansons (6 en 9), Järvi (5, 9 en 10), Karajan (10), Mackerras (5), Mravinsky (6 en 10), Previn (4 en 5 - RCA en EMI) en Shipway (10). In dit gezelschap hoort Barshai beslist thuis. De "verplichte Shost-kost" van Kondrashin en Rozhdestvensky ken ik niet, en dat zwakt het onderstaande natuurlijk wel af.

De eerste vergelijking betrof de vijfde simfonie, en aan de hand daarvan zou ik Barshai dicht bij Haitink willen plaatsen, en boven Ashkenazy, Järvi en Mackerras (Tring). Barshai pakt niet uit met de soms overrompelende brutaliteit van Previn (RCA) - evenmin als de anderen in dit gezelschap, Previn op EMI inbegrepen - en legt zich meer toe op evenwichtigheid. Hij lijkt zich wat in te houden, maar niet tè; de effecten in de muziek worden wel duidelijk tot klinken gebracht, maar niet aangedikt. Het Largo speelt hij een stuk vlotter, of anders gezegd: minder uitgesponnen.

Bij de tweede vergelijking kreeg dit beeld, dat me niet meer los zou laten en eigenlijk al gebaseerd was op indrukken van het beluisteren van enkele simfonieën die ik niet kon vergelijken, duidelijker gestalte. Dit betrof de tiende simfonie, waarvan ik meer opnamen had dan ik dacht: Ashkenazy, Järvi, Karajan (1967), Mravinsky (live opname 1976, klinkend alsof opgenomen in 1946) en Shipway. Karajans uitvoering is die van een echte klankmagiër, en een klasse apart; alsof deze simfonie hem op het lijf geschreven is. Barshai heeft hier wel mijn voorkeur boven Ashkenazy, Järvi en Shipway.

In de zesde simfonie vind ik Barshai iets te preferen boven Jansons, die wat onderkoelder en minder betrokken overkomt; iets "gladder" zou ook kunnen. Het ietsje meer aan warmte doet bij Barshai direct wat minder nuchter aan. Mravinsky is nergens ontspannen, en voortdurend messcherp en op een hoog niveau (zulke dirigenten worden natuurlijk niet meer in een vliegtuig toegelaten).

Wat betreft simfonie 9 - een verademing temidden van zoveel muziek die voortdurend heel erg over iets gaat - is het lastiger een voorkeur uit te spreken. De drogere akoestiek werkt hier in het voordeel van Barshai en Jansons (die misschien nèt even sprankelender is, terwijl Barshai als enige het tweede deel, Moderato, tamelijk vlot doet), al is Haitink op zich niet minder. Het omgekeerde geldt voor Järvi, op wiens opname in de snelle delen details in de ruimte verdwijnen; en hij is ook wat minder spontaan.

In simfonie 4 - niet direct een werk waar je Shostakovitch-liefhebber van wordt - liggen de vertolkingen van Barshai en Previn vaak niet ver uit elkaar, ook qua klankbeeld (opname) niet, maar je vraagt je wel af hoe Previn het gedaan zou hebben als hij dit werk had opgenomen ten tijde van zijn eerste opname van de vijfde. Barshai is aan de ene kant standvastiger in zijn tempo, en aan de andere kant beeldt hij toch de verscheurdheid en grilligheid schrijnender uit. Previn relaxet af en toe, of laat de spanning iets vieren (of zelfs inzakken) - heel even maar - waardoor er de ene keer iets comfortabels en de andere keer iets brijerigs in de muziek aanwezig lijkt te zijn; maar volgens Barshai is dat een 'vergissing' en moet dat toch echt meer iets sinisters zijn.

In simfonie 7 is Barshai wat grimmiger, feller, directer, duidelijker en vlotter dan Haitink, die hier het London Philharmonic Orchestra leidt, dat iets waziger is opgenomen (dan het Concertgebouw Orkest). Ik vind het echter moeilijk om in deze muziek, die toch al niet tot m'n favorieten behoort, een voorkeur te bepalen bij deze beperkte keuze.

Een tweede versie van simfonie 8 was eigenlijk het enige op m'n verlanglijstje (wat deze simfonieën betreft dan), en daar ben ik dus nog niet helemaal uit. Wie een "mooie" 8e zoekt, koopt gewoon die van Haitink (die hier een stuk mooier is opgenomen dan Barshai, en die ook haast niets kost). Barshai is nogal afgemeten; ik vermoed terecht, en dat de muziek hier om vraagt. Dat kan dus een 'nadeel' zijn van authenticiteit. Bij Haitink is dit meer "simfonie"; bij Barshai meer "drama".

In de overige simfonieën ontbrak me elke mogelijkheid tot vergelijking, evenals bekendheid met de werken zelf. Van de simfonieën die ik niet kende, maakte de dertiende de meeste indruk op me: "Babi Yar", voor bas (Sergei Aleksashin), koor (The Choral Academy Moscow) en orkest. In de veertiende simfonie zijn de solisten Alla Simoni, sopraan, en Vladimir Vaneev, bas. Ik kreeg niet de indruk dat de vocalisten een zwakke schakel in het geheel vormen.

Barshai vertelt het Shostakovitch-verhaal van begin tot eind - en hij kènt het verhaal van begin tot eind ook echt - met waardigheid, warmte, waar nodig ook vuur, gepassioneerde trots en zelfverzekerdheid, een rotsvast vertrouwen en geloof in deze muziek, en met een goed verstaanbare, niet van emotie overslaande stem. Hij gebruikt hierbij steeds dezelfde taal, hetzelfde idioom; waar hij zijn stem moet verheffen, verheft hij zijn stem zonder direct te schreeuwen; waar hij moet fluisteren, fluistert hij zonder onverstaanbaar te lispelen. Wel opwinding, geen hysterie; geen alsmaar voortdurende bestorming van de hemel, maar met beide blote voeten op de barre grond, de juiste grond wellicht. Barshai haalt niet voortdurend al het mogelijke uit de kast, maar waar hij dat wel doet is hij genuanceerder en minder rauw of opgejut dan de vaak verbeten en agressieve Mravinsky, en weer feller dan bij voorbeeld Ashkenazy en soms ook Järvi. Nergens heeft hij zich er op een gemakkelijke manier doorheen gehaast, en overal gaat hij met dezelfde precisie te werk. Mede daardoor komt dit alles over alsof het ook werkelijk maar één verhaal is, in plaats van 15 onsamenhangende vertellingen. Misschien ligt hier ook Barshai's grootste kracht, en prestatie. Een consistent geheel; Shostakovitch uit één stuk, met de puntjes op de i.

Ik kan me voorstellen dat kenners van deze werken, die vertrouwd zijn met de vertolkingen van andere grote Russische dirigenten, in eerste instantie geneigd zouden kunnen zijn deze vertolkingen door Barshai als "vlees noch vis" af te doen; het zijn geen puur "westerse" vertolkingen, maar ook geen ongeremd emoties spuiende, wit-heet Russische à la Mravinsky; en wie aan deze laatste gewend is, loopt het 'gevaar' al het andere te tam te vinden. Het werkelijke 'minpunt' aan deze serie is iets dat aan alle complete sets kleeft: van enkele - maar wellicht niet alle - afzonderlijke simfonieën zijn - met enig of veel zoeken misschien - 'betere' uitvoeringen te vinden, die in sommige gevallen een grotere directe 'impact' op de luisteraar hebben. Wie zich door de muziek van Shostakovitch perse de strot geheel wil laten dichtknijpen, of wie anderszins meer dan tamelijk verpletterd en in ademnood achtergelaten wil worden door deze muziek, zal bij sommige andere dirigenten meer van zijn/haar gading vinden.

Dit geheel komt naar mijn indruk qua kwaliteit ergens tussen (a) een uitmuntende gids in het simfonisch oeuvre van Shostakovitch die geen enkele belangstellende zich zal laten ontgaan, en (b) een topprestatie die geen enkele kenner of liefhebber zich màg laten ontgaan. Hetgeen zo'n beetje neerkomt op een "positie" in de buurt van Haitink, wiens serie natuurlijk in een geheel andere prijsklasse valt. Gezien de prijs hebben alleen Shostakovitch-haters een geldig argument om deze serie van Barshai te laten liggen. Het is goed mogelijk dat Brilliant minder grote hoeveelheden van deze set verwacht te verkopen; het kan zaak zijn om snel toe te slaan (de pianosonates van Shostakovitch, Prokofiev en Scriabin zijn al niet meer op de Kruidvat-site te vinden). Deze doos is bij Zweitausendeins te bestellen, en zal vanaf begin december 2001 bij Kruidvat te koop zijn.


Jan Depondt
6 november 2001


Na de beschikking te hebben gekregen over de opnamen door Rozhdestvensky van de simfonieën 1, 5, 6, 9, 10 en 11, en deze met de opnamen van Barshai vergeleken te hebben, kan ik mijn impressie een steviger basis geven. De uitvoeringen van Rozhdestvensky gelden - naast die van Kondrashin - als zeer gezaghebbend, zo niet "maatgevend"; zij vormen in ieder geval een algemeen bekende maatstaf.

Qua opname is Barshai zonder meer te prefereren. De technische kwaliteit bij Rozhdestvensky is wisselvallig, nergens echt goed, maar ook niet ongenietbaar. Vergeleken met de "spotlights" bij Rozhdestvensky valt bij Barshai de prachtige homogeniteit van het orkest op (alsof Barshai één instrument bespeelt), waarbij speciaal die van de houtblazers genoemd mag worden; hier geen individuele uitschieters zoals bij Rozhdestvensky. Bij Haitink klinkt het orkest veel diverser door een zeer gedetailleerde opname in een schitterende akoestiek, maar ook veel minder samengebald; heel mooi, maar ook een beetje alsof je door een vergrootglas alle klankdetails bekijkt.

De relatieve rauwheid van Rozhdestvensky wordt door de techniek benadrukt. Hij lijkt over het algemeen wat bijtender, met name door het scherper aanzetten van dynamische accenten, en vooral ook grilliger. Hij is wat extroverter, gaat iets verder in de "uitersten" in deze muziek, maar toch zonder teveel te overdrijven of grotesk te doen. Barshai heeft een duidelijker totaalbeeld, gaat bewuster op zijn doel af, laat zich niet afleiden en laat de aandacht nergens verslappen. Hij heeft de muziek iets steviger in de hand, is strakker en standvastiger dan Rozhdestvensky, die sommige contrasten scherper aandikt en wat soepeler en ruiger is, eigenlijk ruiger lijkt door min of meer onverwachte tempowisselingen - waardoor sommige fragmenten ineens worden opgejut, terwijl andere gewoon "in elkaar zakken" - en veranderingen van dynamiek, die overigens mede een opnamekwestie zijn; de orkestbalans is bij Rozhdestvensky op veel plaatsen volkomen kunstmatig en weinig natuurlijk, hetgeen direct naast Barshai extra opvalt.

De voorlopige conclusie - op basis van de genoemde simfonieën - is dat Barshai zich niet alleen naast Haitink maar ook ("zelfs") naast Rozhdestvensky volledig handhaaft, met per saldo een evenwichtiger resultaat, dat hier en daar een tikje "saaier" lijkt, maar op andere plaatsen penetranter, subtieler en minder gekunsteld is en zeker niet minder spannend; ook van "understatement" is geen sprake bij Barshai. Eigenlijk zou ik een voorkeur voor Barshai moeten uitspreken. Dat doe ik dan ook.


30 november 2001

_____________________________

*) Teksten van de simfonieën 2, 13 en 14
     kunnen hier worden gevonden:
        simfonie 2
        simfonie 13
        simfonie 14


Zie ook de recensies op MusicWeb van
   Dave Billinge
   Christopher Howell en
   Paul Serotsky
en de recensie op ClassicsToday van
   Victor Carr Jr.

_____________________________

Deze uitgave kreeg in januari 2003 op de "international music convention" in Cannes (MIDEM) de eerste prijs in de categorie "Orchestral 20 Century" en de prijs "Record of the Year" (zie ClassicsToday).