de dirigent Otto Klemperer
(1885 - 1973)


Begonnen als pianist (hij speelde Mahler nog eens diens tweede simfonie voor in een zelf gemaakte piano-transcriptie), en ook componist zijnde, heeft Klemperer vooral naam gemaakt als dirigent. Als een soort tegen­pool van tijd­genoten als Furtwängler, Walter en Von Karajan, streefde hij absoluut niet naar klank­schoon­heid, maar meer naar het haast onverbid­delijk weer­geven van de structuur van een compositie, een helder betoog en een strak tempo; wars van senti­ment, en eigenlijk ook van "sfeer". Ken­merkend is ook zijn orkest-opstelling (tweede violen rechts) en duidelijk in beeld geplaatste houtblazers.

Klemperer maakte zijn beste opnamen rond 1960; hoe ouder de opnamen, hoe beter de uitvoeringen. Veel van wat hij in mono had opgenomen, werd later in stereo over­gedaan. Vooral in latere jaren werd zijn tempo trager (soms echt te traag), en werden zijn vertolkingen als in graniet gehakte, indruk­wekkende, maar hier en daar ook onwrikbare of grimmige gestalten.

Niet bij alle composities van alle componisten (bij voorbeeld Haydn of Tchaikovsky) "valt alles precies op zijn plaats" als Klemperer zich hiermee bezighoudt. Maar bij de eerste simfonie van Brahms, of de negende van Mahler, ligt dat wel anders; ook simfonieën van Beethoven (de derde bij voorbeeld) krijgen een ongewone grandeur. Klemperers opname van de zesde simfonie van Bruckner is nog altijd dè toetssteen voor elke nieuwe opname, en zijn opnamen van de vierde en vijfde zijn niet minder. Ook kon hij onverwacht "zonnig" uit de hoek komen, zoals bij Mendelssohn en Schumann. Enkele andere hoogte­punten: Fidelio van Beethoven en diens piano­concerten (met Daniel Barenboim), Deutsches Requiem van Brahms, Lied von der Erde en simfonie 2 van Mahler, simfonieën van Mozart, orkest­werken van Wagner en Richard Strauss. Het is kortom het Duits-Oostenrijkse orkest­repertoire waarin Klemperer uitblonk, en waarin hij mijlpalen heeft bereikt en hoge normen gesteld.