Begonnen als pianist (hij speelde Mahler nog eens diens tweede simfonie voor in een
zelf gemaakte piano-transcriptie), en ook componist zijnde, heeft Klemperer vooral naam
gemaakt als dirigent. Als een soort tegenpool van tijdgenoten als Furtwängler, Walter en
Von Karajan, streefde hij absoluut niet naar klankschoonheid, maar meer naar het haast
onverbiddelijk weergeven van de structuur van een compositie, een helder betoog en een
strak tempo; wars van sentiment, en eigenlijk ook van "sfeer". Kenmerkend is ook
zijn orkest-opstelling (tweede violen rechts) en duidelijk in beeld geplaatste
houtblazers.
Klemperer maakte zijn beste opnamen rond 1960; hoe ouder de opnamen, hoe beter de
uitvoeringen. Veel van wat hij in mono had opgenomen, werd later in stereo overgedaan.
Vooral in latere jaren werd zijn tempo trager (soms echt te traag), en werden zijn
vertolkingen als in graniet gehakte, indrukwekkende, maar hier en daar ook onwrikbare of
grimmige gestalten.
Niet bij alle composities van alle componisten (bij voorbeeld Haydn of Tchaikovsky)
"valt alles precies op zijn plaats" als Klemperer zich hiermee bezighoudt. Maar
bij de eerste simfonie van Brahms, of de negende van Mahler, ligt dat wel anders; ook
simfonieën van Beethoven (de derde bij voorbeeld) krijgen een ongewone grandeur.
Klemperers opname van de zesde simfonie van Bruckner is nog altijd dè toetssteen voor
elke nieuwe opname, en zijn opnamen van de vierde en vijfde zijn niet minder. Ook kon hij
onverwacht "zonnig" uit de hoek komen, zoals bij Mendelssohn en Schumann. Enkele
andere hoogtepunten: Fidelio van Beethoven en diens pianoconcerten (met Daniel Barenboim),
Deutsches Requiem van Brahms, Lied von der Erde en simfonie 2 van Mahler, simfonieën van
Mozart, orkestwerken van Wagner en Richard Strauss. Het is kortom het Duits-Oostenrijkse
orkestrepertoire waarin Klemperer uitblonk, en waarin hij mijlpalen heeft bereikt en hoge
normen gesteld.