de dirigent Herbert von Karajan
(1908 - 1989)


Karajan heeft een groot stempel op het dirigeren in de 20e eeuw gedrukt, en is waarschijnlijkst de bekendste van allen, ondanks namen als Toscanini en Furtwängler (die het nadeel hadden te leven in een tijd dat de opname­techniek nog niet aan "hifi" toe was). Zijn uiterst bedenkelijke opstelling gedurende de tweede wereld­oorlog heeft hem uiteindelijk niet verhinderd een schit­terende carrière op te bouwen en een immense muzikale erfenis achter te laten.

Van Karajan kon alles, en deed alles; met een uiterst verzorgde perfectie. Van Adam tot Wagner, van Haydn tot Hindemith, van Johann Strausz tot Schönberg, van Don Giovanni tot Don Carlos.  Zelfs kon hij een meer bescheiden rol als begeleider spelen (maar dat deed hij niet altijd) en wist hij solisten en vooral zangers te inspireren tot hun beste prestaties.

Het is lange tijd mode geweest om Karajan's verrichtingen te minachten, of als 'not done' te beschouwen. Dat is weer zo'n beetje over. Wat had men dan tegen hem? Het was tè mooi; gepolitoerde, chroomstalen, volledig "berekende", glossy jet-set uitvoeringen, waar de scherpe kantjes van afgeslepen waren. Ondanks dat Van Karajan een duidelijke vertegen­woordiger was van de nieuwe zakelijk­heid die zo'n beetje bij Toscanini was begonnen (anderen waren bij voorbeeld Klemperer en Szell; NIET tot deze richting behoorden dirigenten als Furtwängler, Walter en Mengelberg), stelde hij toch iets zeer persoon­lijks tussen de compositie en de luisteraar, in de vorm van een eigen klank (de Karajan sound), die hij met name wist te bereiken in zijn lange samen­werking met de Berliner Philharmoniker, die hem tot dirigent voor het leven hadden gekozen.

Waar de uitgangspunten van Szell en Klemperer lagen bij de structuur van een compositie, lagen die van Van Karajan bij het geluids­beeld. Overigens zònder de structuur ook maar één moment uit het oog te verliezen. Karajan bepaalde vooraf eerst zijn "palet": de kleuren waarmee hij het onderhavige werk zou gaan schilderen. Het effect was dat veel van wat hij ten gehore bracht mooier klonk dan bij andere dirigenten, en dat hij daarmee ook veel van het populairdere repertoire op een "hoger plan" bracht, en een extra glans gaf door deze stukken serieus te nemen en ze bepaald niet als niemen­dalletjes op te vatten. Dat kan wel eens tè veel worden, of tè serieus, en het licht­voetige of ruige of ironische karakter van een werk geweld aandoen, en natuurlijk past een dergelijke aanpak beter bij de muziek van Richard Strauss en Jean Sibelius (welke componist Van Karajan eens "de enige dirigent die zijn muziek begreep" noemde) dan bij die van Mozart of Strawinsky.

Karajan heeft niet alleen ontzettend veel opnamen gemaakt, hij heeft ook erg veel muziek vaak opgenomen. En in bijna alle gevallen wordt de voorkeur gegeven aan zijn oudste opnamen. Vier maal alle simfonieën van Beethoven en de laatste drie van Tchaikovsky, drie maal die van Brahms, sommige simfonieën van Sibelius wel vier maal. Zijn interesse in de opname­techniek zelf speelde hierin een rol (en ook zijn activiteiten met een eigen film­bedrijf, dat alleen hemzelf filmde).

Niet alles kan hier worden genoemd. Ook niet alles wat goedkoop te krijgen is. Maar die Sibelius-opnamen verdienen wel een plaatsje, zeker die DG-opnamen uit de zestiger jaren, die o.a. in de Galleria serie te koop zijn. Ook twee series met Beethoven simfonieën op DG. De oudste daarvan (rond 1963 verschenen) en de daarop­volgende (rond 1976) behoren nog steeds tot het beste op dit gebied. De 1963 set is voor rond de 90 gulden te koop (5 cd's); de 1976 set zit als 6 los verkrijgbare cd's in de Galleria serie en is dus ongeveer even "duur", en er zitten dan wat oevertures bij. Meningen over welke van de twee sets de beste is, zijn verdeeld. De 1963 set is goed opgenomen en wat het geluid betreft niet "minder"; de 1976 set bevat een uitvoering van de 9e simfonie die door sommigen wordt beschouwd als de beste die er te koop is, en deze is dus los te koop. Karajan's derde opname voor DG (rond 1984, digitaal) wordt niet als enige "verbetering" gezien; de opnamen kwamen tot stand als "bijproduct" van de film-opnamen. De Bruckner simfonieën die hij in die periode weer eens opnam (7 en 8, in Wenen) zijn daaren­tegen geweldig fraai, maar heel duur.

Karajan begon zijn opnamen-carrière echter niet bij DG, maar bij EMI, en hij is voor dat merk blijven opnemen, zij het met enige onderbreking. EMI heeft daar aparte series aan gewijd ("Karajan Edition"; daar zitten ook mono-opnamen bij). Ook daar weer Sibelius simfonieën (uit verschillende decennia), en veel Richard Strauss. Hier en daar (Bijenkorf met name) is dit af en toe voor rond 20 gulden per cd te koop.