Karajan heeft een groot stempel op het dirigeren in de 20e eeuw gedrukt, en is
waarschijnlijkst de bekendste van allen, ondanks namen als Toscanini en Furtwängler (die
het nadeel hadden te leven in een tijd dat de opnametechniek nog niet aan "hifi"
toe was). Zijn uiterst bedenkelijke opstelling gedurende de tweede wereldoorlog heeft hem
uiteindelijk niet verhinderd een schitterende carrière op te bouwen en een immense
muzikale erfenis achter te laten.
Van Karajan kon alles, en deed alles; met een uiterst verzorgde perfectie. Van Adam tot
Wagner, van Haydn tot Hindemith, van Johann Strausz tot Schönberg, van Don Giovanni tot
Don Carlos. Zelfs kon hij een meer bescheiden rol als begeleider spelen (maar dat
deed hij niet altijd) en wist hij solisten en vooral zangers te inspireren tot hun beste
prestaties.
Het is lange tijd mode geweest om Karajan's verrichtingen te minachten, of als 'not done'
te beschouwen. Dat is weer zo'n beetje over. Wat had men dan tegen hem? Het was tè mooi;
gepolitoerde, chroomstalen, volledig "berekende", glossy jet-set uitvoeringen,
waar de scherpe kantjes van afgeslepen waren. Ondanks dat Van Karajan een duidelijke
vertegenwoordiger was van de nieuwe zakelijkheid die zo'n beetje bij Toscanini was
begonnen (anderen waren bij voorbeeld Klemperer en Szell; NIET tot deze richting behoorden
dirigenten als Furtwängler, Walter en Mengelberg), stelde hij toch iets zeer persoonlijks
tussen de compositie en de luisteraar, in de vorm van een eigen klank (de Karajan sound),
die hij met name wist te bereiken in zijn lange samenwerking met de Berliner
Philharmoniker, die hem tot dirigent voor het leven hadden gekozen.
Waar de uitgangspunten van Szell en Klemperer lagen bij de structuur van een compositie,
lagen die van Van Karajan bij het geluidsbeeld. Overigens zònder de structuur ook maar
één moment uit het oog te verliezen. Karajan bepaalde vooraf eerst zijn
"palet": de kleuren waarmee hij het onderhavige werk zou gaan schilderen. Het
effect was dat veel van wat hij ten gehore bracht mooier klonk dan bij andere dirigenten,
en dat hij daarmee ook veel van het populairdere repertoire op een "hoger plan"
bracht, en een extra glans gaf door deze stukken serieus te nemen en ze bepaald niet als
niemendalletjes op te vatten. Dat kan wel eens tè veel worden, of tè serieus, en het
lichtvoetige of ruige of ironische karakter van een werk geweld aandoen, en natuurlijk
past een dergelijke aanpak beter bij de muziek van Richard Strauss en Jean Sibelius (welke
componist Van Karajan eens "de enige dirigent die zijn muziek begreep" noemde)
dan bij die van Mozart of Strawinsky.
Karajan heeft niet alleen ontzettend veel opnamen gemaakt, hij heeft ook erg veel muziek
vaak opgenomen. En in bijna alle gevallen wordt de voorkeur gegeven aan zijn oudste
opnamen. Vier maal alle simfonieën van Beethoven en de laatste drie van Tchaikovsky, drie
maal die van Brahms, sommige simfonieën van Sibelius wel vier maal. Zijn interesse in de
opnametechniek zelf speelde hierin een rol (en ook zijn activiteiten met een eigen
filmbedrijf, dat alleen hemzelf filmde).
Niet alles kan hier worden genoemd. Ook niet alles wat goedkoop te krijgen is. Maar die
Sibelius-opnamen verdienen wel een plaatsje, zeker die DG-opnamen uit de zestiger jaren,
die o.a. in de Galleria serie te koop zijn. Ook twee series met Beethoven simfonieën op DG. De
oudste daarvan (rond 1963 verschenen) en de daaropvolgende (rond 1976) behoren nog steeds
tot het beste op dit gebied. De 1963 set is voor rond de 90 gulden te koop (5 cd's); de
1976 set zit als 6 los verkrijgbare cd's in de Galleria serie en is dus ongeveer even
"duur", en er zitten dan wat oevertures bij. Meningen over welke van de twee
sets de beste is, zijn verdeeld. De 1963 set is goed opgenomen en wat het geluid betreft
niet "minder"; de 1976 set bevat een uitvoering van de 9e simfonie die door
sommigen wordt beschouwd als de beste die er te koop is, en deze is dus los te koop.
Karajan's derde opname voor DG (rond 1984, digitaal) wordt niet als enige
"verbetering" gezien; de opnamen kwamen tot stand als "bijproduct" van
de film-opnamen. De Bruckner simfonieën die hij in die periode weer eens opnam (7 en 8,
in Wenen) zijn daarentegen geweldig fraai, maar heel duur.
Karajan begon zijn opnamen-carrière echter niet bij DG, maar bij EMI, en hij is voor dat
merk blijven opnemen, zij het met enige onderbreking. EMI heeft daar aparte series aan
gewijd ("Karajan Edition"; daar zitten ook mono-opnamen bij). Ook daar weer
Sibelius simfonieën (uit verschillende decennia), en veel Richard Strauss. Hier en daar
(Bijenkorf met name) is dit af en toe voor rond 20 gulden per cd te koop.