|
Dvorák: Serenade voor strijkers, opus 22 Serenade voor blazers, opus 44 Academy of St. Martin in the Fields o.l.v. Neville Marriner Philips 400 020-2 |
|
|
Dvorák: Serenade voor strijkers, opus 22 Serenade voor blazers, opus 44 aangevuld met: Tchaikovsky: Andante cantabile; Chant sans paroles op. 2,3 Tsjechisch Kamerorkest o.l.v. Josef Vlach Tsjechisch Filharmonisch Blazers Ensemble Supraphon SU 3776-2 011 |
|
Prachtig prachtig.
Dit is zulke feestelijke muziek dat geen enkel ensemble er totnutoe in geslaagd is om daar een mislukte opname van te maken. Het is altijd weer prachtig. Maar er zijn behoorlijke verschillen. Zoals tussen gewoon prachtig en buitengewoon prachtig. Er is matig prachtig, middelmatig prachtig, en overmatig of overdreven prachtig. En dan heb je nog betoverend prachtig en spetterend prachtig. Over dat laatste verschil gaat deze bespreking.
Is er zonniger muziek dan de twee Serenades van Dvorak? Dit is echt muziek zonder één vuiltje aan de lucht. Niets zwaarmoedigs. Licht, diverterend, sprankelend, hartverwarmend, vermakelijk, vrolijk. Gebrek aan "diepgang"? Liever wel, in dit geval. Het gaat om licht klassiek in optima forma.
Van beide serenades bestaan "voldoende" opnamen, en er zijn diverse uitgaven waarop beide serenades op één cd worden gecombineerd. Bij dergelijke "makkelijke" (makkelijk goed klinkende) muziek doet zich in veel gevallen niet zo snel een grote spreiding aan kwaliteit voor, maar tegenvallende opnamen zijn er hier zeker (ook onder de dirigenten met "grote" namen), met name wanneer er vergeleken wordt met echt goede uitvoeringen, met echte uitschieters, en die zijn er wel degelijk. Ik doe het niet graag, maar ik vind toch dat voor mij de opnamen van enkele grootheden wat betreft Tsjechische muziek als Belohlavek, Kubelik (althans wat betreft de blazerserenade) en Mackerras afvallen. Soms klinkt de muziek bij hen zwaar of log, stroef, slepend of sloom, tragisch of dramatisch, waar het licht, soepel, dansant, opgewekt of lieflijk zou moeten zijn. Als men erin slaagt om deze muziek droevig te doen klinken, is het droevig gesteld met zo'n vertolking. Als deze muziek niet vederlicht of gewichtsloos klinkt, is er iets niet goed gegaan.
Onder de min of meer tegenvallende opnamen bevinden zich opvallend veel opnamen met symfonieorkesten; de betere opnamen zijn uitsluitend te vinden bij opnamen door kamerorkesten, die er beter in slagen lenigheid, charme en speelplezier te combineren. Maar het inzetten van een kamerorkest is geen garantie voor een flitsende vertoning; ook bij de opnamen met een kamerorkest komen gevallen van oppervlakkig, slepend, traag en lusteloos spel voor. Dat komt de ware spirit van vrolijke muziek natuurlijk niet ten goede.
Misschien zien sommige groten onder de dirigenten deze vermakelijkheidsmuziek te gemakkelijk als een luchtig niemendalletje dat men simpel even tussendoor wegspeelt, waarbij zij niet het raffinement van geroutineerde vertolkers van het "lichte genre" kunnen opbrengen. Of waarbij zij de muziek een zwaarte verlenen die er nu juist niet bij past. Als er iets is dat dat deze muziek kenmerkt, is het wel een gebrek aan zwaarte. Om een mop sprankelend te vertellen kun je ook beter geen Shakespearezwaargewicht inhuren. (Dit is min of meer vergelijkbaar met de opname van Bernstein van zijn West Side Story, waar een paar zware sterren uit de opera alle flonkering uit de sterren van de hemel zingen.)
Het mag dan ontspanningsmuziek zijn, maar dat houdt niet in dat een orkest zich niet hoeft in te spannen of zich kan veroorloven om met iets spanningsloos te komen. Naar mijn idee maakt men zich er namelijk in het algemeen toch te gemakkelijk van af en ontbreekt het aan een volle inzet om het maximale (in dit geval: het maximale plezier) uit deze werken te halen.
Het zou overigens heel goed kunnen dat dit voor de meeste opnamen van wat-dan-ook geldt, en dat het merendeel van alle opnamen in het algemeen overbodig is geweest - er wordt natuurlijk van alles opgenomen en uitgebracht zonder dat men zich daarbij beperkt tot het uitzonderlijk goede.
Onder vermelding van een eervolle vermelding voor het Orpheus Chamber Orchestra (beide serenades op DG) beperk ik me tot twee werkelijke uitschieters, die voor mij de enige top-aanbevelingen voor beide Serenades vormen; twee opnamen die - hoe verschillend ze ook zijn - er met kop en schouders bovenuit steken; twee opnamen die worden gekenmerkt door raffinement en spitsheid, een juist getroffen mengeling van charme, lichtvoetigheid en zorgvuldigheid. De echte bonbons temidden van de vlakker smakende chocolaatjes. Beide opnamen sprankelen en flonkeren van begin tot eind:
Direct aan het begin van de serenade voor blazers is het duidelijk dat de vertolking het Tsjechische ensemble veel pittiger gekruid en veel spetterender bereid is dan die van Marriner. Of andersom beschouwd: dat Marriner ons een veel romiger substantie voorschotelt. De Tsjechen leveren een pikante paprika-versie, en Marriner klinkt meer geolied en gestroomlijnd, maar zňnder alléén maar goed geolied te klinken.
Vlach is ritmisch heel sterk, springerig, levendig; hij laat je op het puntje van je stoel zitten en meewiebelen en "dansen" onder het genieten. Marriner laat je languit in je fauteuil onderuit zakken om je te bedwelmen met de schoonheid van zijn klanken. De blazers van het Tsjechisch Filharmonisch Orkest zijn geestig waar Marriner een tikje plechtig is.
Enigszins overdreven gesteld gaat het hier om blaffende klarinetten en knorrende fagotten en huilende hobo's versus beschaafde en verfijnde blazers, over het bijwonen van een feest in de lentezon versus je laten masseren door zalvende klanken.
Wie niet gediend is van een "romige" versie, zal die van Marriner eerder - en ten onrechte - verslijten voor een "vette" vertolking. Maar waar Marriner wat logger overkomt tegenover de levendiger Vlach c.s., klinkt Marriner weer als de geanimeerde spitsvondigheid en luchtige lichtvoetigheid zelve indien zijn uitvoering vergeleken wordt met de breed uitgesponnen en hier en daar echt zwaar aangezette, traag voortploegende en soms zelfs naar het dramatische neigende benadering van bij voorbeeld Chung (DG), die in zijn genre weliswaar erg mooi is, maar in werken als deze toch een "genre te ver" vormt. Bij Marriner zijn het nog volop onbekommerde Serenades - bij Chung worden het Serieunades.
Voor wie zich wil beperken tot één opname, wil ik de opname op Supraphon aanbevelen. Die gaat over puur speelplezier.
|
Een echt aparte vertolking van deze serenades is te vinden op een opname van het Tsjechisch Nonet op het label Praga Digitals. De strijkerserenade wordt hier gespeeld in zijn "oerversie" voor octet, een strijkerserenade voor voornamelijk blazers dus; en de blazerserenade wordt gespeeld in een bewerking (van Hertl) voor nonet.
Het terugbrengen tot kamermuzikale proporties werkt heel verfrissend in deze muziek. |
|
De opnamen van de Supraphon uitgave werden gemaakt in 1964, 1966 en 1977. Van enige geluidstechnische "ouderdom" of "armoede" is evenwel niets te bespeuren.
De opname van Marriner - gemaakt in 1981 - behoort tot de zogeheten vroeg-digitale opnamen. Philips verwees hiermee allerlei geruchten en spookbeelden dat digitale opnamen per definitie koud, schril en slecht klinken eigenlijk al direct naar het land der fabeltjes, want dit is een prachtig warm en rijk klinkende opname, op het weelderige af, een weldadig "luxe" geluid dat de vertolking van Marriner in al z'n glorie laat horen. (Hetgeen uiteraard niet wegneemt dat er in die tijd ook zeer matige opnamen werden gemaakt; maar dat lag in ieder geval niet aan het medium zelf.)
Jan Depondt
juni 2010
De opname van Marriner valt eigenlijk buiten het 'bestek' van deze site, omdat het hier om een full price uitgave gaat (die, voor zover bekend, niet is heruitgegeven).
Recensies hiervan zijn te vinden op:
Amazon
De Supraphon uitgave is waarschijnlijk niet direct in winkels te vinden (maar wel te bestellen). Op internet komen prijzen van 9 tot 30 dollar voor.
Recensies hiervan zijn te vinden op:
ClassicsToday
en
Amazon