Meer over gierzwaluwen:  Bescherming   Camerabewaking   Fenologie   Filmpjes     GIERZWALUWEN

 Gierzwaluw Friesland    Gierzwaluw Woudsend   Nacht- en klimvliegen Nestkasten Woudsend   Nieuws 2018  

 Kunstnesten   Lokgeluiden Nesten zoeken  Opvang    98 Soorten    Tellingen    Trekroute/geo-locators  

   Verstoring     Webcams     Weblinks     Werkgroepen      GBN

Ontwikkeling broedbestand

 

 

 

 

Ontwikkeling broedbestand NL stabiliserend ?

 

(update 28-04-2018)

De MUS-telling (Meetnet Urbane Soorten) van Sovon is sinds 2007 de enige jaarlijkse landelijke telling van gierzwaluwen. Het is een vijf minuten punttelling, drie maal per jaar (alleen de 3e, de avondtelling, is van belang voor de gierzwaluw) waarbij alle vogelsoorten geteld moeten worden. Het is de enige telling die iets zou kunnen zeggen over het verloop van het voorkomen en de verspreiding van de gierzwaluw in Nederland. Na elf jaar bereikte de index (van het aantal getelde rondvliegende vogels) in 2017 een stand van 97% (t.o.v. 2007=100).

 

Enige Europese Gierzwaluwindexen,

(op basis van telling van vliegende vogels)

 

 

De NL-cijfers zijn die van de MUS-index, zie de Nieuwsbrieven MUS van Sovon. (2017 voorlopig, zie Nieuwsbrief najaar 2017)

Bronnen: Netwerk Ecologische Monitoring, SOVON & CBS, www.sovon.nl, NABU, DOF, BTO en EBCC. Allen omgerekend naar 2007=100.

De Duitse index is gebaseerd op de tuinvogeltelling, zie Duitse tuinvogeltelling 2006-2017, gierzwaluw.

 

 

Aantaltellingen Noord-Holland

Noord-Hollands Landschap heeft van 2012 t/m 2016 aantalstellingen van vliegende vogels vanaf hoge punten in steden georganiseerd. 67 vrijwilligers hebben op 15 tellocaties drie keer per jaar in de avond aantallen geteld tussen 15 juni en 15 juli. In een dagbladartikel (IJmuider Courant 23 juni) meldt organisator Peter Mol dat de aantallen in Noord-Holland gelijk zijn gebleven en in West-Friesland zelfs iets toenamen. Op een aantal locaties worden de tellingen voortgezet.

Twitterbericht 23-7 met krantenartikel.

Het onderzoeksverslag

Mijn reactie op het onderzoek op nieuwspagina 2017

 

De grote vraag is nu of de trends van aantallen rondvliegende vogels ook geldt voor de broedvogelstand. Rondvliegende vogels tellen is lastig, vooral bij hoge aantallen (in Woudsend bleek mij het aantal uit foto's ongeveer dubbel zo groot als uit de visuele telling). De aantallen variëren sterk met het tijdstip op de dag, in het seizoen en met het weer. Maar zelfs als er goed en systematisch aantallen geteld zouden kunnen worden, is er nog de problematische relatie met de omvang van het broedbestand. Die is nog nooit  systematisch onderzocht. Ze varieert o.a. sterk in de loop van het seizoen en met de staat van de kolonie (gesloopt, stabiel of in ontwikkeling).

Lees hier alles over het zoeken van broedplaatsen.

 

De lijnen in de grafiek tonen grote jaarlijkse fluctuaties. Tien jaar is (veel ?) te kort om iets zinnigs aan te ontlenen. Sovon vindt het "nog wat kort om duidelijke trends te ontdekken" maar is er "van overtuigd dat ze de soort steeds beter in de vinger krijgt" (Sovon Vogelbalans 2016, dec. 2016).

Op deze korte termijn lijkt alleen de Duitse trend helder maar deze kan ook gevolgd worden door een opgaande lijn van zeven jaar zoals in Denemarken van '88-'94. Alleen bij de veel langere Engelse reeks wordt een structureel dalende trend zichtbaar.

 

 

Geen achteruitgang in Europa ?

 

De Europese vogeltelorganisatie EBCC heeft de trends van 163 vogelpopulaties met indexen over 1980-2012 gepubliceerd. De waarden voor de Gierzwaluw zijn samengesteld uit gegevens van 21 landen (verschillende perioden). Ze suggereren samengesteld dat de stand (de "populatie") in ieder geval sinds ca. 1990 niet achteruit gaat.

 

Europese index Gierzwaluw van EBCC

 

 

De trend wordt als "stabiel" aangeduid. We nemen aan dat de landengegevens allemaal zijn verkregen door het op de een of andere manier tellen van rondvliegende vogels.  Het is zeer de vraag of deze trend iets zegt over de broedvogelstand.

EBCC-soortenlijst. Vink een soort in de lijst aan en klik onderaan op "show graph".

 

 

Tellingen in het land

 

1. Landelijk

 

- Stadsvogeltelling MUS van Sovon

- MUS: Tijdstip van telling bepaalt aantal

- Sovon vogelatlas NL '13-'15, voorlopige stand Gierzwaluw

- Sovon, landelijke stand en trend

- Waarnemingen zomer 1919 - Ardea

- Komt de Gierzwaluw steeds eerder in het land aan?

- Diverse artikelen over achteruitgang in Europa

 

2. Regionaal

- Delfland tellingen 1990-2010

- Delfland, telling 2012

- Fryslân, details van 160 nestadressen

- Fryslân, verslag 388 punttellingen 2011.pdf

- Fryslân, kunstnestbezetting 2003 - 2011.pdf

- Noord-Holland:

oproep tellingen 2012-2016

tellingen-NH-Instructie.doc

tellingen-NH-formulier.xls

Bericht en link naar eindrapport bij Landschapsbeheer

 

 

3. Lokaal

 

- Amsterdam, kaart met broedplaatsen

en : bericht met links naar rapport inventarisatie 2013-2017

- Amersfoort, tellingenverslag 2014-2017

- Amstelveen, telllingen 2016

- Apeldoorn, 2 jaar tellingen en: Start van 11 jaar monitoring 2018-2030

- Arnhem e.o. , broedplaatstelling 2003

Bennekom, nestkastentelling

- Boxtel, broedpaatsen zoeken 2015 en 2016

- Deventer populatie gehalveerd

 - Enschede nestkastkolonie. Kies: "algemeen - jaarverslagen"

- Gouda 2011 t/m 2014

- Groningen, filmpje over stadstelling 2014

- Leiden, broedplaatsentelling 2011

- Lochem, aantaltelling 1992-2014

- Maarssen, nestadressen en kaart 2016

- Oisterwijk - IVN-gierzwaluwen

- Tilburg, 9 jaar nestkastkolonie

- Noordwijk-Binnen - 1993-2005 (pdf)

- Noordwijk-20jaar tellen- '93 - '16-Hein Verkade.pdf  

- Utrecht, jaarlijkse tellingen door Utrecht Natuurlijk

- Utrecht-nestkastbezetting Voordorp-2006-2011.pdf

- Utrecht, bezetting van 63 nestkasten in wijk Voordorp

(in 2014 vier bezet)

- Velp, ontwikkeling neststeenkolonie sinds 1996

- Waardenburg, kasteel. Nestkastbezetting  2011

- Wijhe, kaartje met nestlocaties 2013

- Woudsend, broedplaatstellingen 2008 - 2013

- Zoetermeer, nestlocaties in GoogleMaps (Meer op vwgzoetermeer )

- Zutphen 2003-2013

- Zwolle, kolonies zoeken, broedplaatsen tellen

 

4. Buitenland

- Europa

- EU-vogeltrends 1980-2011 (info-pdf)

- Europese EBCC-soortentrendlijst '80-'11. Vink een soort in de lijst aan en klik onderaan op "show graph".

- Duitsland, 7 jaar tuinvogeltelling

- UK - Ierland en meer info

- Denemarken, 1975-heden

- NW-Ierland-Mayo, nesten en voorkomen

 

De RSPB organiseert sinds 2009 een landelijke telling van "screaming partys".  Zie: UK- tellingen 2009-2014. (met link naar verslag.pdf)

 

 

Telhandleidingen, systemen en oproepen

 

- "Zo tel je gierzwaluwen", Sovon-nieuws 2015-1 p. 10 (.pdf)

-  Tellingen-Noord-Holland-Instructie.doc

Tellingen-Noord-Holland-formulier.xls

-  Amsterdam-centrum-atlas gierzwaluw

-  UK- Bristol, telling aantal in "screaming party's" 2015

-  U.K.: Opzet en oproep telling 2013

-  U.K. Opzet en oproep proeftelling in Cambridge, UK

Utrecht-stad, tellingen 2016 : Utrecht Natuurlijk.

 

9 augustus 1978 werd door Aart Vink het hoogste aantal foeragerende gierzwaluwen in Nederland waargenomen, ca. 40.000 boven Flevoland.

 

 

 

 

Denemarken

 

De Deense index is ook gebaseerd op een soort MUS-telling (punttelling van 5 minuten), ook eenmaal per jaar. In 2013 waren er 377 telroutes.

 

De trend t/m 2015

 

De gewijzigde trend t/m 2016

 

De nieuwe grafiek t/m 2016 wijkt nogal af van de vorige t/m 2015. De dalende trend is nagenoeg verdwenen, afgezien van record dieptepunt in 2016.

- Deense Gierzwaluwtrend 1978-2016.

 

Spanje

In een onderzoek in Spanje houdt men het op een verlies van 33% sinds 1996, overeenkomend met een verlies van meer dan 11 miljoen vogels. Zie: SEO - birdlife.

 

Verenigd Koninkrijk

 

In het Verenigd Koninkrijk is de trend (op basis van 2-jaarlijkse telling van rondvliegende vogels) spectaculair dalend met - 53% over '95-'17 en - 39% 0over '06-'17. De soort is daarmee op de oranje lijst (amber) beland.

 

UK-trend, 1994 = 100%

 

In 2014 ging de index maar liefst 17% achteruit , in 2015 met 3%, in 2016 met nog eens 7% en in 2017 met +1%. Zie overzicht alle jaarverslagen BBS en hier jaarverslag 2017.

De 1e telling is in april-mei en de 2e in mei/juni. Gemiddeld over '95 - '17 waren er per jaar 1.052 telpunten.

Trend UK - 1994 - 2016.

 

Zie ook de resultaten voor de gierzwaluw volgens de nieuwe UK-atlas 2007-2011 bij Action for Swifts. Daarin wordt de dalende trend over de laatste 40 jaar bevestigd.

 

De RSPB organiseert sinds 2009 een landelijke telling van "screaming partys".  Zie: UK- tellingen 2009-2014. (met link naar pdf-verslag over 2014.)

 

 

Is de gierzwaluw telbaar ?

 

Sovon stelt dat de NL-indexen "nog niet zo robuust" zijn. In de "Stadsvogelbalans 2013" van Vogelbescherming (gebaseerd op de MUS-telling) staat dat "zes jaar, zeker voor een soort als de Gierzwaluw, kort is voor het bepalen van een trend". In de vogelbalans 2014 en later van Sovon komt de Gierzwaluw niet meer voor omdat "de trendgegevens niet betrouwbaar genoeg zijn".

 

Wat is het nut van een index die geen informatie geeft. Is de MUS-telling voor de gierzwaluw wel voldoende specifiek? Wat is er eigenlijk geteld? En wat betekent een eventueel gevonden significante trend van aantallen rondvliegende vogels voor de broedvogelstand?

Hieronder kom ik na bespreking van een aantal mogelijke factoren die van invloed zijn op het telresultaat tot de conclusie dat de index vooral door de gemiddelde weerssituatie en het tijdstip van de telling in de avond wordt bepaald en dat het verband tussen aantal getelde vogels en aantal broedvogels niet bekend is. De index informeert waarschijnlijk nergens over, zelfs niet over het aantal rondvliegende vogels. Publicatie suggereert ten onrechte  dat we er iets van weten en ze kan dus beter niet gepubliceerd worden.

 

   

Het weer

 

Sovon schreef in de nieuwsbrief van maart 2012 over 5 jaar MUS en de Gierzwaluw: "Opvallend is dat de huizenbroeders Gierzwaluw en Huismus in de groep van lichte toename zitten. Met name voor de Gierzwaluw is de toename verrassend omdat de derde telperiode in 2011 zo regenrijk was. Blijkbaar wachten veel MUS-tellers de gunstige omstandigheden af om de telling te doen". En in het begeleidend schrijven bij de  MUS-nieuwsbrief van augustus 2012 over de voorlopige resultaten in 2012 (met minder gierzwaluwen dan in 2011) wordt gesteld dat nadere analyse van het weer tijdens de tellingen meer duidelijkheid moet geven over de oorzaak van de daling in 2012.

Inderdaad, hoe beter weer hoe meer gierzwaluwen, dat weet iedereen die er naar omkijkt. In 2011 en 2015 heb ik dat in Woudsend onderzocht met een dagelijkse telling. De relatie van het aantal vogels met de maximum dagtemperatuur was bijna 1 : 1. Zie grafieken hiernaast.

 

Een analyse van het weer tijdens de tellingen is dus een eerste vereiste om de indexen in een realistischer perspectief te kunnen plaatsen. Maar in Sovon-Nieuws 2013-1 met de definitieve cijfers, wordt hier niet op terug gekomen. Er is en wordt geen analyse van de invloed gemaakt. In de Stadsvogelbalans 2012 wordt gesteld dat "het weer van grote invloed is op het voedsel en dus het voorkomen van deze soort". Toch wordt aangenomen dat de berekende trend van betekenis is en er wordt onder andere uit opgemaakt dat de afname  zich manifesteert in de vooroorlogse wijken en dat deze niet opweegt tegen de vooruitgang in sommige naoorlogse wijken. (onduidelijk is of men hier met "afname" uitsluitend het aantal getelde rondvliegende vogels bedoelt of ook de broedvogelstand, zie hieronder)

 

 

Fig. 1 Gemiddelde dagtemperatuur en aantal Gierzwaluwen

Woudsend 2015

 

 

Fig. 1 Gemiddelde dagtemperatuur en aantal Gierzwaluwen

Woudsend 2011

 

 

Het aantal vogels werd in 2011 bepaald als een maximum aantal tegelijkertijd aanwezige gierzwaluwen rond 21 h., gedurende 3-5 minuten boven mijn woonhuis, steeds vanaf hetzelfde punt geteld. In 2015 werd het maximum van een flink aantal (5-10) 3-5 minuten-tellingen tussen 20 en 21 h. genomen. Tijdens honderden tellingen voor de Friese provinciale telling in 2011 en 2012 is dit een betrouwbare manier van tellen gebleken. Dat wil zeggen dat het aantal vogels vrij objectief bepaald kan worden. (Zie Friese gierzwaluwtellingen)

Voor de temperatuur (daggemiddelde van 24 uur) werd het gemiddelde genomen van de stations Stavoren en Leeuwarden.

Eind mei - begin juni nemen de aantallen extra toe door de aankomst van de niet broedvogels. Na half juni nemen de aantallen geleidelijk toe doordat beide broedvogels onegveer een week na het uitkomen van de jongen gaan vliegen. Half juli nemen de aantallen ook extra toe, maar daarvan is de oorzaak onduidelijk (uitgevlogen jongen? concentraties van meerdere kolonies ?)

 

 

Is er wel een significante trend?

 

De gegevens t/m 2011 zijn ook door Rick Wortelboer van GBN (Gierzwaluwbescherming Nederland) geanalyseerd. Het blijkt dat van de 5.695 telpunten, die van 2007 t/m 2001 geteld zijn, er maar 1.665 (28%) in alle jaren zijn geteld. Sovon heeft met behulp van het programma TRIM (van CBS) de overige ontbrekende punten geďnterpoleerd en daarmee de trend berekend. Maar als er alleen naar die 5-jaars-punten wordt gekeken, blijkt dat er daarvan 32 een significante negatieve trend (afname) hadden en nagenoeg evenveel (29) een positieve trend (toename). 93% van de telpunten hebben geen significante toe- of afname ! Bovendien is er een zeer grote variatie in de aantallen per telpunt. Wortelboer vermoedt ook dat dit met het weer te maken heeft en hij concludeert "dat er met de beschikbare cijfers geen toe- of afname in de aantallen vastgesteld kan worden ". (Zie Gierzwaluwbulletin 2012 nr. 2 voor zijn verslag: Gierzwaluw in MUS.)

 

Telsysteem niet helder

 

Ook de voorgeschreven telmethode roept vraagtekens op bij de duiding van de telresultaten.

Elke MUS-plot bestaat uit 12 telpunten binnen een postcodegebied (1e 4 cijfers). De eerste twee MUS-tellingen vinden 's morgens vroeg plaats, de 3e in de avond tussen 15 juni en 15 juli. Bij elke telling heeft men een periode van een maand om een teldag te kiezen.

Op elk telpunt worden gedurende 5 minuten van alle soorten "alle waargenomen (gehoor of zicht) individuele vogels met terreinbinding geregistreerd". Aanwijzingen voor een verrekijker ontbreken. Voor de Gierzwaluw geldt verder nog de volgende aanwijzing: "Zowel laag als hoog vliegende groepen moeten geteld worden. Maar als een hoogvliegende groep op meerdere punten wordt gezien, moet deze maar op 1 punt vermeld worden". 

 

Gierzwaluwen vliegen erg onregelmatig (hoog, laag, afwezig, aanwezig, weinig, veel), ook binnen die 5 minuten. Bij de index-berekening werden groepen van meer dan 50 niet meegeteld, maar na overleg met GBN worden die weer wel meegeteld sinds 2012 "omdat het bij de Gierzwaluw niet nodig is om te voorkomen dat grote groepen de trend bepalen". Toch wat vreemd want verzamelvluchten kunnen enorme aantallen omvatten, zijn erg wisselend  aanwezig en eigenlijk niet te tellen. Maar de herziene berekening had geen wijziging van de indexen tot gevolg.

 

En wat is de grens tussen een wat lager vliegende groep die op meerdere punten genoteerd mag worden en een wat hoger vliegende groep die op 1 telpunt genoteerd moet worden ? En wat moet genoteerd worden bij drie groepjes van 3, 5 en 7 vogels die in die vijf minuten met tussenpozen, waarin ze onzichtbaar zijn, drie maal in verschillende lage routes langs komen. Het gemiddelde van 5, het maximum van 7 of het totaal van 15 ?

Om een beetje relevante indruk te krijgen zijn 5 minuten alleen al voor de gierzwaluw hard nodig, maar in die 5 MUS-minuten moeten alle soorten geteld worden.

 

In een Spaanse studie wordt aannemelijk gemaakt dat voor de gierzwaluw twee tellingen in het voorjaar (transecttellingen over 2 km) i.v.m. de sterk wisselende aanwezigheid volstrekt onvoldoende zijn om een indruk van het werkelijke aantal te krijgen. Minimaal een wekelijkse telling zou noodzakelijk zijn. Zie samenvatting: Telsysteem voor huiszwaluw en gierzwaluw, Madrid .

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Teltijdstip heeft grote invloed

 

In de MUS-nieuwsbrief 2013 - 2 presenteerde Sovon een grafiekje met de gemiddelde aantallen per telpunt (12 per telling, ruim 500 tellingen per jaar) over de avondtelling van de eerste 5 MUS-jaren, afhankelijk van het begintijdstip van de telling (die ongeveer 5 kwartier kost). Het blijkt dat de aantallen bij tellingen die rond 20.30 beginnen bijna dubbel zo hoog zijn als om 19 u. (men mag tellen tussen 19 en 22 uur). In elk jaar is dit patroon "grofweg hetzelfde", aldus Sovon. Hoe de teltijdstippen verdeeld waren over de avond en in welke mate dit van invloed is geweest op de index, wordt niet vermeld. Als de tellingtijdstippen niet representatief waren zou de index daarvoor gecorrigeerd moeten worden. Om de invloed beperkt te houden wordt men nu alsnog opgeroepen om "op hetzelfde tijdstip te beginnen als altijd". Als dat verschillende tijdstippen waren wordt niet aangegeven welk tijdstip men dan moet nemen.

 

Aantallen vogels en broedgevallen

 

Tenslotte moet (zeker bij de Gierzwaluw) altijd de vraag gesteld worden of het aantal rond vliegende vogels een maat is voor het aantal broedgevallen.

In Drenthe bleek het aantal broedplaatsen echter vier tot vijf maal groter dan geschat op basis van rondvliegende vogels. En in Noordwijk bleek het broedbestand twee tot drie maal groter.

VBN en Sovon nemen een 1 op 1 relatie aan tussen vliegnde en broedende vogels in de Stadsvogelbalans 2013 als zij stellen dat "het tempo van kolonisatie (van nieuwbouwwijken) niet opweegt tegen de snelheid waarmee de oude wijken als broedgebied ongeschikt raken".

Bij de Gierzwaluw wordt in de regel aangenomen (onderzoek mij onbekend) dat 60 tot 80% van de rondvliegende vogels (nog) geen broedvogel is maar nestzoeker. Maar die verhouding varieert sterk van jaar tot jaar en vooral binnen de drie maanden broedseizoen. En meer vliegende vogels zou zelfs kunnen wijzen op minder broedvogels in plaats van meer omdat er veel dakloos geworden zijn. Dat is geen flauwe grap; een dakloos geworden gierzwaluw van een gesloopte wijk blijft nog 1-3 jaar zoeken naar zijn oude plek en ook de bijbehorende nestzoekers blijven dan bij die gesloopte kolonie hangen. De tellers lopen dan mooi achter de feiten aan.

 

Rond 21 u. worden de meeste gierzwaluwen geteld

 

Gemiddeld aantal Gierzwaluwen per telpunt,

naar begintijdstip van de telling (12 telpunten per telling). (bron: Sovon)

 

 

Zie: MUS-nieuwsbrief 2013-2 met o.a. aantal naar teltijdstip.

 

Conclusies

 

Een en ander moet tot de conclusie leiden dat er een erg grote kans is dat het getelde aantal rondvliegende vogels (zoals in de MUS-tellingen) tamelijk willekeurig is. En het is twijfelachtig of dat getelde aantal een maat is voor de stand als broedvogel. Vooral het weer en het teltijdstip speelt een doorslaggevende rol bij de getelde aantallen. Maar ook de manier van tellen en de persoonlijke invulling daarvan kan een deel van de grote variaties verklaren. En wat betekent een eventueel gevonden trend ? Mocht na vele jaren tellen (beter en systematischer) en grondige analyse blijken dat er toch een trend is dan weten we nog niet of dat ook het aantal broedvogels betreft.

 

Ik denk niet dat er een oplossing is (voor het aantonen van de voor- of achteruitgang van het broedbestand).

De Gierzwaluw is erg interessant maar de benodigde menskracht om goed te tellen krijg je er niet voor op de been. Alleen al om een goede telmethode te ontwerpen (als die al te vinden is) en te testen is een jaar of vijf nodig. Lokaal nesten zoeken, beschermen en zorgen voor meer nestgelegenheid is nuttiger werk.

 

Het is beter om de Gierzwaluw in de MUS-tabel te schrappen want de index informeert nergens over en de Gierzwaluw zal er niet onder lijden. Beschermers van broedplaatsen kunnen op grond van hun ervaringen blijven beweren dat het o.a. door sloop, renovatie en de nieuwe pesticiden niet goed gaat. En bouwers en slopers kunnen met de index in de hand beweren dat het wel meevalt. We gaan beter maar gewoon door met bescherming.

 

Wat en hoe te tellen ?

 

Wie gierzwaluwen wil tellen of inventariseren en een hekel heeft aan zinloos werk moet zich goed afvragen wat het doel van de tellingen is. Dat bepaalt veel van de zoek- en telmethode en voorkomt onnodig / zinloos werk. Steek vooral je licht op bij eerdere tellingen. De volgende doelen, middelen en methodes zijn te bedenken. (in bewerking)

 

1. Doel: Bescherming van bestaande nesten

(handhaving of vervanging)

 

Middel: broedplaatsen zoeken

Methode: zoeken van groepen vogels boven stad en dorp (de broedkolonies), volgen van giervluchten en speuren naar aanhakende "bangers" om zo de invliegende broedvogels te vinden. Meeste kans van eind mei tot half juli in de avonduren bij mooi weer tot ca. 45 minuten na zonsondergang (als de vleermuizen gaan vliegen). Alleen een invliegende vogel die minstens een minuut binnen blijft (of uitvliegend, maar die tref je veel minder vaak) telt als bezet nest. Aanhaken van bangers en giervluchten op zichzelf zijn nog geen nestplaatsbewijs. Dat zijn alleen (belangrijke) aanwijzingen voor nesten in de nabijheid.

 

Nestadressen noteren, bewoners/eigenaren informeren, invoeren op waarneming.nl of telmee.nl en de adressenlijst bezorgen bij lokale natuurorganisaties en gemeente en/of woningbouwvereniging.

 

Bedenk dat de meeste broedplaatsen verloren gaan door kleine ingrepen waar geen vergunning voor nodig is en waar de gemeente of zelfs woningbouwcoöperatie geen rol speelt. Bewoners informeren is dus erg belangrijk. Bij (grotere) sloopprojecten wordt ecologisch onderzoek meestal wel gedaan. Belangrijk is dat er niet alleen formeel wordt voldaan aan vervangende nestgelegenheid (kasten ophangen) maar dat die vervangingen ook gebruikt gaan worden. Dus juiste type kasten of stenen, op de juiste plaatsen ophangen en voorzien van lokgeluideninstallatie (is helaas nog niet verplicht)

 

- Informatie over kunstnesten

- Tips en trucs voor nesten zoeken

 

2. Doel: (landelijke) trend ontdekken in broedbestand

Middel: tel- en zoekmethoden bedenken, testen en valideren. Uitwisseling van ervaringen/resultaten tot nu toe organiseren en landelijk overleg en coördinatie opstarten. Bekijk tellingen elders, zie rechter kolom.

 

Vijf minuten punttelling

Een mogelijkheid is wellicht een detaillering/uitbreiding van de landelijke MUS-telling, dus via een telling van rondvliegende vogels op een vast punt, maar dan gerichter op de gierzwaluw dan MUS.

Deze methode is in 2011 in Friesland uitgebreid getest en lijkt in ieder geval de mogelijkheid te bieden om het aantal vliegende vogels betrouwbaar te tellen (als de aantallen niet te groot zijn). De relatie met het aantal broedparen is dan echter nog steeds een vraagteken. Het gaat om een telling van 5 minuten op een vast punt waarbij in die vijf minuten niet een momentopname wordt geteld maar het maximum aantal vogels dat tegelijkertijd in die vijf minuten gezien kan worden. Het bleek dat je tijdens die vijf minuten wel 10 - 20 keer de telling kunt doen en dat er meestal vrij snel (al na 1-3 minuten) een duidelijk maximum uitrolt.  Kies een punt met redelijk maar niet te ver uitzicht en tel dat ieder jaar (alleen vogels die vrij dichtbij vliegen, verzamelvluchten en giervluchten). Belangrijk is dat de telling simultaan en steeds op dezelfde datum (of binnen een paar dagen) en op hetzelfde tijdstip op de dag wordt gedaan (voorkeur zo dicht mogelijk bij 21 u.).

Ook hier moeten we het voor trendbepaling natuurlijk hebben van zoveel mogelijk telpunten en een lange reeks van jaren.  Zie de resultaten en jaarverslag van 388 Friese punttelingen.

 

3.  Doel: trendbepaling van lokaal broedbestand

Methode 1: broedplaatsen zoeken, jaarlijks of minder frequent. Tijdrovend, ervaring vereist, veel menskracht nodig. Lees het onderzoek in Noordwijk, 20 jaar tellen 1993 - 2016.pdf . Zie voor tips en trucs de pagina Broedplaatsen zoeken en beschermen .

Methode 2: rondvliegende vogels tellen, zie onder 2.

 

 

Links voor tellen en inventariseren

 

Tips en trucs voor nesten zoeken

 

"Zo tel je gierzwaluwen", Sovon-nieuws 2015-1 p. 10 (.pdf)

 

Broedvogels in Nederland 2012, p. 79 Gierzwaluw

 

Alles over MUS van Sovon

 

20 jaar gierzwaluwbroedplaatsen inventariseren in Noordwijk. Limosa 2015-4

 

MUS-nieuwsbrief 2013-2 over o.a. aantal naar teltijdstip

 

"De Gierzwaluw in MUS van Sovon", Gierzwaluwbulletin 2012 nr. 2: Gierzwaluw in MUS

 

388 punttelingen  in Friesland

  Begin pagina

 

 

 

Jaap Langenbach