Home
Horjus & Partners
Onderzoek & Advisering


Afgesloten projecten
  • In het voorjaar van 2018 waren we betrokken bij het project De Stadsschool dat een poging doet al in een vroeg stadium segregatie tegen te gaan. Dit is nodig omdat in Nederland in toenemende mate sprake is van segregatie: mensen met verschillende achtergronden en identiteiten leven steeds meer naast elkaar in plaats van met elkaar. Hierdoor groeien kinderen vaker op in eigen ‘bubbels’ en van gescheiden werelden en wij-zij denken. Ook op basisscholen zien we dergelijke processen. In het oog lopend is vaak het onderscheid tussen scholen met vooral etnisch Nederlandse leerlingen, of met vooral leerlingen met een migranten achtergrond. Deze vorm van schoolsegregatie heeft zijn oorsprong in de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw, waarin grote groepen migranten naar West-Europa zijn gehaald. Voor het overgrote deel kwamen deze migranten, en later ook hun gezinnen, vanwege hun zwakke sociaaleconomische positie in achterstandswijken van steden terecht. De scholen in deze wijken dragen hier nog steeds de sporen van. Door deze schoolsegregatie hebben kinderen met een migratieachtergrond en kinderen met een Nederlandse achtergrond steeds minder onderling contact. Maar niet alleen etnische achtergrond kan een basis van scheiding zijn. Ook kinderen op scholen in de provincie kunnen zich moeilijk een beeld vormen van hoe kinderen in grote steden leven en andersom. Als de verschillende culturen elkaar niet meer ontmoeten en elkaars manier van leven alleen nog kennen van horen zeggen, kan dat een voedingsbodem voor vooroordelen. Het kunnen omgaan met diversiteit en het positief kunnen waarderen van diversiteit wordt dan ook beschouwd als een essentiële kwaliteit van het leven in de moderne samenleving.
    De urgentie is van het ontwikkelen van verbindende kaders die segregatie kunnen tegengaan zijn groot. Een segregerende dynamiek zien we terug bij het zich vestigen in buurten. Mensen die de middelen hebben kunnen vaak kiezen waar ze wonen en kiezen dan meestal voor attractiever buurten. Mensen zonder veel middelen zijn aangewezen op sociale woningbouw die vaak geconcentreerd is in bepaalde buurten. Concentratie van sociale woningbouw kan gevolgen hebben voor het buurtimago, terwijl het belang dat het buurtimago positief blijft voor de samenleving als geheel groot is. Bij een negatief buurtimago kunnen bewoners besluiten zich niet of minder in te zetten voor een buurt, wat kan leiden tot leefbaarheidsproblemen als verloedering van de straten, parken en pleinen. Ook is het in deze buurten vaak lastiger om sociale structuren op te bouwen die de hoeder kunnen zijn van het gemeenschappelijk welzijn. Buurtbewoners die in wijken wonen met een negatief imago kunnen door buitenstaanders gestigmatiseerd worden of door zelfetikettering minder positief over zichzelf denken. Uiteindelijk kan het wonen in een wijk met een negatief imago leiden tot ongelijkheid in scholingskansen en kansen op werk.
    Andersom is het voor opvoeders van belang dat segregatie doorbroken wordt. Vrijwel alle ouders willen het beste voor hun kind en ze zullen willen dat hun kind opgroeit in een samenleving die geen vooroordelen heeft bij hun kind noch dat hun kind de ander beschouwt als een ander die mogelijk een bedreiging is voor de eigen identiteit en levenswijze. Iedere ouder heeft er belang bij dat kinderen opgroeien in een samenleving waar er een zekere sociale vertrouwdheid bestaat tussen groepen die er verschillende levenswijzen op na houden. Iedere ouder zal er belang bij hebben dat hun kinderen interculturele vaardigheden opdoen die hen in staat stelt adequaat te communiceren en om te gaan met mensen die andere achtergronden hebben.

  • Vanaf de zomer 2009 tot 2013 was Bob in een dienstverband bij de Universiteit van Utrecht betrokken bij Allemaal Opvoeders. Het project ‘Allemaal Opvoeders’ verkende hoe jeugd, ouders, buurtbewoners, vrijwilligers en andere betrokkenen rondom het gezin meer voor elkaar kunnen betekenen. Opvoeden wordt makkelijker als het gezin omringt wordt door een gemeenschap waarin zich men thuis voelt, die kinderen en de ouders 'ziet staan' en aandacht geeft. Dit was een samenwerkingsproject van de Universiteit Utrecht, het programmaministerie Jeugd en Gezin en het Nederlands Jeugdinstituut. Collega Marije Kesselring is hier in 2017 op gepromoveerd. (Zie hier de samenvatting van Samenvatting Eindrapportage Allemaal Opvoeders.)

  • Van september 2004 tot de zomer van 2008 is voor de gemeente Zwolle twee jeugdhulpwijknetwerken voor jongeren van 12-23 gecoördineerd. Het Zwolle Noord overleg en het Zwolle Zuid overleg. Van mei 2005 tot de zomer 2006 zijn we bezig met een upgrade van deze overleggen. Er moet een handboek komen en allerlei procedures worden gestroomlijnd en verbeterd. Zie voor meer informatie over netwerken: Netwerk 12+

  • Van december 2007 hebben we in opdracht van het Project Intergale Veiligheid (Politie IJsselland) een onderdeel van een project alcoholmatiging in 11 gemeenten in de de regio IJsselland uitgevoerd. Bedoeld om jeugdhulp casusoverleggen die overal in die gemeenten functioneren passender met signalen van overmatig alcoholgebruik te leren omgaan. Al met al om het alcoholmisbruik terug te dringen. Het project liep tot half 2008. Contactpersoon was dr. Chris Baerveldt.

  • Vanaf december 2007 is Voor de Hogeschool van Amsterdam (CNA) een evaluatie uitgevoerd van een nascholingscursus voor zij-instromende leerkrachten in het beroepsonderwijs. De nadruk lag bij de impact op de loopbaanontwikkeling van de docent/ex-cursist. Contactpersoon was Jeroen Pattipeilohy.

  • Vanaf het voorjaar van 2007 deden we de coordinatie van twee projecten in de provincie Overijssel. De projecten hebben te maken met de organisatie en implementatie van projecten voor Bemoeizorg jeugd. Project 1 betreft het S.O.S. een joint venture van Gemeente, GGD, Bureau Jeugdzorg, Jeugdgezondheidszorg en Maatschappelijk werk. Geen logge nieuwe organisatie, maar een beweging van partners op het lokale erf waar we proberen de onderlinge belangen ondergeschikt te laten zijn aan de belangen van de client. Belangrijkste taak van het project is het voorzien in gezinscoaching. Enigzins analoog hieraan is het 2e project. Implementatie van een functie Gezinscoaching in de 12 gemeenten in de regio IJssel-Vecht.

  • Bij de Hoenderloo groep is van januari 2007 tot april 2007 inhoud gegeven aan een interrim behandelcoördinatie functie.
    De Hoenderloogroep neemt landelijk jongeren op die voor een belangrijk deel tot de zwaarste categorie behoren die nog in het vrijwillige circuit opgenomen kunnen worden. Hieronder velen met een (oppositionele) gedragsstoornis, reactieve hechtingsstoornissen en jongeren met een autisme verwante problematieken. Ik heb deze instelling ervaren als een bijzonder professionele instelling.

    Wat er wat mij betreft positief uitsprong:
    - Ik was er behandelingcoördinator voor twee groepen waar een bijzonder consequent beleid werd gevoerd. Zo strikt had ik het nog niet eerder ergens meegemaakt. Het was zonneklaar dat jongeren die het elders 'slecht' deden binnen deze helderheid tot rust kwamen. Het was overduidelijk dat vrijheid die hen elders werd geboden 'een maatje te groot voor hen was' waardoor ze allerhande deviant gedrag gingen vertonen. Het was niet zo dat de jongesn daar graag verbleven, maar bijna iedereen kwam na verloop van tijd tot de concusie dat dit goed voor hen was. Groot aandachtspunt is natuurlijk >>> Hoe gaat men het doen als men in een minder gestructureerde omgeving komt.
    - Structureel werden ouders betrokken in de ontwikkeling van de behandelplannen. De ontwikkeling van het persoonlijke behandelplan (het voorbereiden en het gesprek zelf) was al een therapeutische interventie van grote waarde. Meerder malen maakte ik mee hoe dwarse pubers zich schikten als (vaak gescheiden en dus voorheen makkelijker manipuleerbare) ouders en groepsleiding op een lijn kwamen. Geen enkele keer gooide jongeren bij een dergelijk tribunaal de kont tegen de krib. Dit was in mijn optiek volledig 'Gezin Centraal' zoals Arjan Bolt het zou noemen. Bovendien was er altijd ruimte om af te wijken van procedures en regels als dat in het belang was van de processen in het gezin. Ik heb niets gemerkt van verwijzen naar budgetten of 'past niet bij wat wij mogen bieden'.
    - Binnen de instelling werd echt het pedagogisch beleid echt goed en structureel gemonitord met onderzoek. Dat maak je niet vaak mee.
    - De Hoenderloogroep maakt echt werk van innovatie. Loverboyslachtoffers naar India? Doen we. Prostituees huisvesten in de bush op de Veluwe? Doen we. Of het werkt is niet bekend en er waren ook allerlei operationele problemen, maar men gaat het experiment niet uit de weg.
    Overal is wel wat en ook hier waren er problemen, maar niettemin waren deze niet zo op de voorgrond tredend dat het pedagogisch beleid hiervan ernstige belemmering ondervond. Ik ben mogelijk naief of men heeft het goed onder de oppervlakte weten te houden. Ik heb er bijzonder plezierig kunnen werken in een inspirerende omgeving.

  • Vanaf januari 2006 tot oktober 2006 is voor Justitiële Jeugdinrichting de Hartelborgt inhoud gegeven aan een interrim functie gedragsdeskundige voor twee opvanggroepen.
    Jongeren die een delict hebben gepleegd of daarvan verdacht worden en jongeren die wachten op een behandelplaats leven met elkaar in een groep van 10 personen. Vaak zijn deze jongeren tot geen enkele benadering of bejegening bereid en staan vijandig tegenover het personeel en het hele justitiele systeem. Het vraagt veel vaardigheid en doorzettingsvermogen om deze jongeren te overtuigen dat ze de samenleving/overheid aan hun kant hebben in een poging om samen wat van het leven te maken.
    Zoals bekend zijn de resultaten van een dergelijke inrichting bedroevend. Meer dan 80% recidiveert. Daarbij is ook ongeveer 80% in mindere of meerdere mate 'gestoord'. We treffen veel jongeren aan met een laag iq of met een duidelijke verstandelijke beperking. De jeugdinrichtingen maken zich pas sinds halverwege de 90er jaren druk om de effecten. Aanvankelijk waren er wel goede initiatieven, maar met de economische neergang na 2000 moest er weer veel bezuinigd worden zodat er minder bekwaam personeel aangetrokken kon worden. Waar in de jeugdhulpverlening een opleidingsondergrens van MBO gehanteerd wordt, gaan in de inrichtingen met een zeer moeilijke doelgroep ongeschoolde medewerkers 'met het hart op de goede plaats' aan het werk. Niets ten nadele van deze noeste werkers, maarvan een systematische doordenking van een beleid is dan nauwelijks sprake. Juist het laag geschoolde personeel heeft moeite om het eigen werk te kunnen overstijgen en het werk te zien als een deel van een keten. De eer van deze werkers is meer gelegen in het soepel operationeel houden van de afdeling dan te pogen iets bij te dragen aan de effectiviteit op het punt van terugdringen van recidive. Nee, de doelgroep is moeilijk en het werken met/voor deze groep heeft geen status voor hoger opgeleiden. Het is nu eenmaal geen JAVIS cliëntele.
    Een heel belangrijke factor is hierbij mijns inziens dat er te veel van uit wordt gegaan dat een inrichting 'op zichzelf staand' zou moeten streven naar effectiviteit. Een jeugdinrichting zal alleen maar een bijdrage aan recidivevermindering kunnen leveren als het een logische en bescheiden plaats inneemt in de ketenaanpak van delinquente jongeren. Hiervoor moet men samenwerken met de Raad voor de Kinderbescherming die de regie heeft en de jeugdinrichting aangeeft waar in een case aan gewerkt moet worden. Er moet met bureau jeugdzorg samengewerkt worden zodat er aan en met de ouders gewerkt kan worden en ze tot meer regie/supervisie of opvoeding in staat zijn. Er moet voor iedere jongere een natraject ingezet worden. Niet alleen voor de jongeren die een straf gehad hebben, maar ook voor de jongeren die in voorarrest zijn. Deze laatste groep is getalsmatig het grootst. In mijn visie zal de komende jaren de grote verandering in de jeugdinrichtingen plaatsvinden op de opvang en niet bij de behandeling.
    Ondanks alle tegenwind en hindernissen die er zijn zijn de jeugdinrichtingen langzaam op weg naar rationele doordenking van de keten en de plaats daarin van de 'opvang'. Er is nog veel werk te verzetten en heel veel hindernissen te overwinnen. Ik wens de bestuurders in deze sector sterkte en bedank mijn ex-collega's voor goede samenwerking en een heel leerzame periode.

  • Stimuleren van een proces van 'integraliteit' in de stad Utrecht. Op 15 september 2005 organiseerden we in samenwerking met de gemeente Utrecht, het Multicultureel Instituut Utrecht, woningcorporatie Portaal en Groot Consult een conferentie over integraliteit in het jeugdbeleid. Rob Hagens van woningcorporatie Woondrecht heeft een inleiding gehouden over het grote project van de Foyer Woondrecht (meer dan 120 wooneenheden) waar men intensief samenwerkt met Jeugdzorg, het Antillianenproject Direkshon en de GGZ (zie een interview met Rob in Nieuwsbrief 6). Ook het Jongerenteam uit Utrecht stond als good practice centraal. De Politie en Welzijn werken hier intensief samen door met jongeren toezicht te houden op winkelcentra etc. Jongeren beleven hieraan dat ze een nuttig onderdeel zijn van de samenleving en worden meer ontvankelijk voor ondersteuning in het ontwikkelen van perspectieven.
    Meer dan 30 beleidsbepalers op het gebied van jeugdbeleid werden uitgenodigd om te zien waar in Utrecht de kansen liggen voor integrale samenwerking.

    Inmiddels heeft dit geleid tot het volgende:
    Utrecht onderzoekt mogelijkheden voor woon-leer-werkproject voor jongeren.
    Een groot aantal organisaties uit de gemeente en provincie Utrecht heeft eind november 2005 een werkbezoek gebracht aan SSF in Dordrecht. Daar hebben de projectleiders voor het Foyer en het WerkHotel een gezamenlijke presentatie gegeven over "hoe" de projecten werken en op welke wijze deze aanpak ook in Utrecht voor de jongeren effectief kan zijn.
    De manier waarop het vraagstuk van de dreigende uitval van een grote groep jongeren in de samenleving aangepakt wordt via een Foyer of WerkHotel concept, leverde veel interesse bij de deelnemers op. De noodzaak om meer en gezamenlijk preventief te investeren in de risicovole jongeren, werd duidelijk gevoeld. Het bieden van een veilige woonplek voor deze jongeren, als basisonderdeel van het Woon-Leer-Werkconcept, verdient navolging.
    De initiatiefnemer voor dit bezoek, woningcorporatie Portaal, gaat samen met een aantal organisaties de haalbaarheid van een Woon -Leer -Werkproject voor Utrecht verkennen. Begin 2006 wordt hier een start mee gemaakt.

  • Voor de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (inmiddels is de naam gewijzigd in simpele 'SEV') is in 2004 en 2005 een evaluatie worden uitgevoerd naar de effecten en processen van de projecten Foyers des jeunes travailleurs en Werkhotel die samen bekend zijn onder de naam Kamers met Kansen. Kamers met Kansen bieden groeimogelijkheden voor jongeren van 17- 27 jaar. Voor de sprong van gezin naar totale zelfstandigheid is de Foyer of het WerkHotel een mooie tussenstap. Voor studenten vindt iedereen het gezamenlijk wonen normaal, waarom dan niet voor andere jongeren? Jongeren die normaliter tussen wal en schip zouden (kunnen) vallen, kunnen hier actief werken aan hun toekomst doordat ze een contract hebben waarmee ze een kamer huren en zich tegelijk verplichten zich in te zetten voor arbeidsytoeleiding of scholing. Een koppelingscontract dus.
    Foyer betekent letterlijk 'haard': en dat is precies wat Kamers met Kansen zijn. Een plekje bij de haard tot de jongeren hun eigen leven kunnen inrichten. Zie voor meer informatie Kamers met kansen.
    Inmiddels is er een rapportage verschenen waarvan u de samenvatting en een reactie van de SEV hier kunt downloaden. Het totale rapport download u hier.

  • In 2003 en in samenwerking met de provinciale welzijns stichting 3D zijn in Almere Haven en Almere Buiten de StadsDeelnetwerken 12+ vormgegeven.

  • In het kader van Jeugd en Veiligheid is voor de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Utrecht in 2003 de JongerenTeams op hun effecten geëvalueerd (jongeren surveilleren onder leiding van een agent en werken daarmee aan de eigen ontwikkeling en oplossing van hun psycho-sociale problematiek). Dit is in zekere zin een herhaling ofwel verdieping van het onderzoek dat in 1998 is uitgevoerd. Download het rapport via de Publicaties.

  • In de Utrechtse wijken Leidsche Rijn en Vleuten de Meern deden we in 2002 in opdracht van Stichting Maatschappelijke Ontwikkeling Leidsche Rijn een straatgroepeninventarisatie aan de hand van het ASE Model. Aan de hand hiervan is gekeken welke kenmerken en behoeften de groepen hebben die zich op het openbare terrein bevinden en wat passende interventies zijn voor overheid en welzijnswerk. Hierbij werd door middel van een vorm van peer-research de jongerengroepen bevraagd. (Peer-research is een betrekkelijk jonge onderzoeksmethode waarbij de doelgroep of mensen met belangrijke kenmerken van de doelgroep worden ingezet als enquèteurs). Download het rapport via de "Publicaties".

  • In samenwerking met bureau Groot Consult werd in 2002 voor de Hogeschool van de Kunsten Utrecht een kenmerkenanalyse gedaan van ongeveer 2500 instromende studenten.

  • Voor de Hogeschool van Amsterdam (CNA) en de Fontys Hogeschool werd in 2002 een evaluatie uitgevoerd van een nascholingscursus voor zij-instromende leerkrachten in het beroepsonderwijs.

  • Tot 2002 is 5 jaar lang in opdracht van Welzijn Utrecht West (tegenwoordig Portes) het coördinatorschap van het Netwerk 12+ in de wijk Utrecht-West uitgevoerd.

  • In 2001 werd een inventarisatie overlastproblematiek van straatgroepen de nieuwe stad Leidsche Rijn uitgevoerd in opdracht van Stichting Maatschappelijke Ontwikkeling Leidsche Rijn. Ook hier werd gebruik gemaakt van het ASE Model om te analyseren wat de problematiek van de straatgroepen was en welke interventies passend zijn.

  • In 2001 is een inventaristie van de maatschappelijke positie jong-volwassen vluchtelingen Ex-ama's uitgevoerd voor bureau OKU in opdracht van de provincie Utrecht en de gemeente Utrecht.

  • Ledenconsultatie NU '91. Uitgevoerd voor bureau OKU in opdracht van de vakbond voor verpleegkundigen NU '91.

  • Effectevaluatie Marco Polo team in 1998. Uitgevoerd voor bureau OKU in opdracht van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling gemeente Utrecht in het kader van het jeugd en veiligheids beleid (JEV).

  • In 1996 en 1997 werd een effectevaluatie van het criminaliteitspreventieproject Keerpunt, tegenwoordig: "Nieuwe Kansen" uitgevoerd voor bureau OKU in opdracht van Stichting Welzijn Zuid-West Utrecht (tegenwoordig Doenja).