Algemene informatie over molens in Nederland

Hoewel molens in meerdere landen voorkomen, hebben zich in Nederland de meeste variaties ontwikkeld en is de grootste perfectie in de constructie bereikt. Molens kunnen worden ingedeeld naar hun uiterlijk, naar hun taak en naar hun bedieningswijze. Zie hiervoor het onderste deel van deze pagina.
Tot de uitvinding van de stoommachine waren molens de belangrijkste energievoorzieners. In de 19e eeuw telde Nederland nog ruim 10.000 molens. Anno 1999 staan er, volgens de gegevens van de Vereniging De Hollandsche Molen te Amsterdam, 1035 windmolens (in 1981 nog maar 973!) en 106 waterradmolens in ons land.
Van de windmolens is meer dan de helft een grondzeiler, zijn er ruim 300 stellingmolens en ruim 120 beltmolens. Voordat de windmolen in Nederland in de 13e eeuw zijn intrede deed, werd de benodigde energie voor het malen van graan vaak opgewekt door beken met stromend water en door paarden in een zogenaamde rosmolen.

Zolang de mensheid graan verbouwt voor voedsel bestaat er behoefte aan dit graan tot meel te verwerken.
Eeuwenlang deed men dat met primitieve hulpmiddelen, door middel van hand- en lichaamskracht, later door rosmolens (met paardekracht dus) of op waterradmolens. In een later stadium ontstond de windmolen, die in ons vlakke, winderige land veel opgang deed. Dit deed de vraag naar deze molens stijgen en hieruit volgde weer een gunstige uitwerking op de technische ontwikkeling van de windmolen. Daardoor werd zij ook voor steeds meer andere zaken, dan graan malen aangewend. Men pelde er gerst mee tot gort; destijds een bijna dagelijks gebruikt volksvoedsel. Men zaagde de boomstammen ermee tot balken, planken en latten. Zij maakten papier, zij sloegen olie uit de oliehoudende zaden zoals lijnzaad en raapzaad. Specerijen werden er gemalen en mosterd gemaakt. De volmolens bewerkten weefsels tot ons beroemde laken. Hennepkloppers bewerkten de stengels van hennep zodanig dat zij gebruikt konden worden voor de fabricage van touw en zeildoek. Het is dus niet onbegrijpelijk dat vele huidige industrieën hun oorsprong in het molenbedrijf vonden. Als voorbeeld hiervan moge de Zaanstreek dienen, waar de vele molens aan de basis stonden van de huidige nijverheid in deze streek. En wat wij vooral niet moeten vergeten is dat het de molens waren die de grote meren, zoals Beemster, Purmer, Schermer e.d. droogmaalden en dat zij nog vrij recent de "waterhuishouding " van Nederland regelden.
Het is nauwelijks voor te stellen dat er een periode was dat er zo'n 9000 molens tegelijk aanwezig waren. Nu zijn er nog maar een kleine duizend windmolens over. De oorzaken van deze teruggang zijn vele, maar de voornaamste is de komst van andere, nieuwe bronnen van drijfkracht: de stoommachine en verbrandings- en electro-motoren.

Blikseminslag gevolgd door brand, zware storm en oorlogshandelingen hebben ook flink onder de molens huisgehouden en van geld en animo voor herbouw was nauwelijks sprake. Molens zijn zonder meer de meest kwetsbare categorie van het Nederlandse monumentenbezit. Het behoort dan ook een belangrijke taak te zijn van de overheid en het Nederlandse volk, dat dat minimum van circa 1000 overgebleven molens een absoluut minimum blijft. Velen begrepen dit inmiddels en verenigden zich tot dat doel in landelijke, provinciale en lokale molenverenigingen. De bekendste hiervan zijn de vereniging "De Hollandsche Molen" (sinds 1923 op de bres voor het molenbehoud) en het "Gilde van Vrijwillige Molenaars". De leden van dit gilde houden de molens gaande, die anders tot stilstand, tot nietsdoen en ondergang veroordeeld zouden zijn. Aan de reeks: Molens, Stilstand, Verval, Restauratie, voegden deze vrijwilligers het woord "Werk" toe. Want molens moeten werken, daarvoor zijn zij gebouwd. Dankzij hen blijft Nederland molenland. Ook dankzij hen zullen wij getuige kunnen blijven van de onmisbare rol, die de molen vervult in het Nederlandse landschap met zijn wijde horizon en boeiende wolkenhemel. Voor U lezer, moge deze website een leerzame kennismaking zijn met ons "nationale handelsmerk" en vanzelfsprekend hopen wij dat U hierdoor de molen voortaan gaat "zien" en bewonderen als monument van vernuft en vakmanschap.
Vele vrijwillig molenaars stellen het zeer prijs als u een werkende molen bezoekt! Wanneer bezoek welkom is, wordt deze blauwe molenwimpel uitgehangen.




Molentypes in Nederland


Standerdmolen
De standerdmolen (of staakmolen) is het oudste houten molentype van Nederland en is veel te zien op prenten uit de Gouden Eeuw (1600 - 1700). Er zijn van dit type nog ca. 40 molens van bewaard gebleven, voornamelijk staan ze nog in Gelderland, Noord-Brabant, Limburg en Zeeland.
In de molenkast zitten de complete aandrijving en de maalstenen. Deze kast steunt en draait om een zware spil of standerd (in Vlaanderen: staak genoemd) die tot beneden doorloopt. Alle standerdmolens zijn korenmolens; aan de achterzijde is vaak een kapje te zien waaronder een door de wind aangedreven luias zit voor het hijsen van zakken graan en meel (het luiwerk). Afhankelijk van de omstandigheden of het ondergedeelte geheel gesloten dan open is, spreekt men van een gesloten of open standerdmolen. De molen op de foto is van het gesloten type. In Limburg heeft het onderstel vaak alleen een dak. Hier spreekt men dan over een half-gesloten standerdmolen.
Wipmolen
De wipmolen is het oudste type poldermolen en ontwikkelde zich begin 15e eeuw uit de standerdmolen.
Bij deze molen is het hele bovenhuis met staart draaibaar om een koker, die in verticale stand wordt gehouden door de piramidevormige constructie van de ondertoren. Grotere wipmolens hebben woonruimte in het onderstuk. Het bovenhuis van de wipmolen is soms in felle kleuren geschilderd (bijvoorbeeld rood-wit in het Rijnland). In het rivierengebied zijn de bovenhuizen vaak donkerbruin geteerd. Het 'wippen' komt van het schudden van de molen als het hard draait. Dit type molen is meestal voorzien van een scheprad aan de buitenzijde; de vijzel kwam pas na 1634 in gebruik.
Spinnenkop
De spinnekop is het kleinste type wipmolen en komt nu nog uitsluitend voor in Friesland. Vroeger stonden er ook exemplaren in Groningen en Overijssel. Het onderstuk is vaak met dakpannen bedekt. De koker, waar het bovengedeelte om kan draaien, is net als bij de wipmolen hol. Door deze holle koker loopt een houten as, die met diverse tandwielen de windkracht overbrengt op de vijzel. Spinnekopmolentjes waren vaak eigendom van boeren, evenals tjaskers. Ze waren wat duurder dan de tjasker, maar het loopwerk was beter beschermd tegen weer en wind.
Noord-Hollandse poldermolen
De Noord-Hollandse poldermolen lijkt veel op de Zuid-Hollandse poldermolen, maar is wat zwaarder van vorm. De onderbouw is hier niet van steen maar van hout. Het is een 'binnenkruier', het verkruien (op de wind stellen van de kap met wiekenkruis) geschiedt boven in de molenkap, waardoor de molen aan de achterzijde van de kap geen staart nodig heeft. Dit molentype, dat in de tweede helft van de 16e eeuw zijn intrede deed, komt vrijwel niet buiten Noord-Holland voor (Noord-Holland betekent in dezen Noord-Holland boven het IJ). De stok met touw aan de achterzijde van de kap (wipstok en vangtouw) heeft als functie om vanaf de grond de vang (rem) in de kap te kunnen bedienen. In de kap, achter de wieken zit het bovenwiel met de vang, dat qua werking doet denken aan een trommelrem. Alle windmolens hebben een soortgelijke constructie.
Droogmakerijen werden meestal door een molengang van drie à vier molens trapsgewijs drooggemalen. In Noord-Holland wordt een molen bij diverse festiviteiten erg mooi versierd [afbeelding].
Zuid-Hollandse poldermolen
De Zuid-Hollandse poldermolen, of 'achtkanter' wordt gezien als de 'klassieke poldermolen'. Deze molen heeft zich ontwikkeld vanuit de binnenkruier, die zich alleen in Noord-Holland heeft weten te handhaven. Het is een 'buitenkruier', bestaande uit een achtkante stenen onderbouw en een mooi gedetailleerd, met riet bekleed achtkantig molenlichaam. De kap van deze molen is beweegbaar en op de wind te kruien met behulp van het staartwerk en het daaraan bevestigde kruirad. Door het wielenkruis recht op de wind te zetten kan de molen zijn maximale kracht ontwikkelen. Net als de Noord-Hollandse poldermolen staat deze molen ook vaak in een molengang. In het noorden van het land komen zogenaamde 'monniksmolentjes' voor. Dit zijn kleine weidemolens die enigszins lijken op de Zuid-Hollandse poldermolen.
Weidemolen
De weidemolen wordt ook wel 'aanbrengertje' genoemd en was net als de spinnekop en de tjasker eigendom van een boer. De molen werd in het algemeen gebruikt voor het onderbemalen van een weiland. Dit type weidemolen had bijna geen bediening nodig, omdat de grote windvaan aan de achterzijde van de draaibare kop ervoor zorgt dat de molen altijd goed op de wind staat. Weidemolens kwamen voor in Noord- en Zuid-Holland, maar alleen in Noord-Holland zijn nu nog enkele exemplaren te zien.
Tjasker
De tjasker is een zeer eenvoudig type poldermolen en kwam vooral voor in het veengebied van Friesland, in West-Groningen en de kop van Overijssel. Het geringe hoogteverschil wordt met behulp van een gesloten tonvijzel overbrugt (de meeste andere poldermolens hebben een open vijzel in plaats van een gesloten vijzel). Deze molen, die meestal eigendom was van een boer, staat op een bok met daaronder rollen of op een paal en is met de hand op de wind te zetten. Een tjasker kan een weiland van maximaal vier hectare bemalen. Als het weiland 's winters blank stond, werd de tjasker veelal gedemonteerd en binnen opgeslagen. Tjaskers werden ook gebruikt bij grote turfgraverijen om de delfputten vrij te houden van grondwater. Er bestaan nog een paar tjaskers.
Klik op de tekening voor een groter formaat.
Stellingmolen
Een molen die binnen de bebouwing staat moet hoog zijn om voldoende wind te vangen. Om in dat geval de molen te kunnen bedienen moet er halverhoogte een stelling (plankier die om het molenlichaam loopt) komen. Men spreekt dan van een 'stellingmolen'. Molens zonder stelling, waarvan de wieken dus bijna de grond kunnen raken, worden 'grondzeilers' genoemd. Beneden beschikt men over een grote ruimte om met paard en wagen of auto naar binnen te kunnen rijden. Dergelijke stellingmolens zijn korenmolens, oliemolens, pelmolens, etc.; hoewel er in Nederland drie stellingpoldermolens zijn (Amsterdam-Sloten, Hoek van Holland en Gouda). De hoogste molen ter wereld is een stellingmolen: één van de vijf stadsmolens van Schiedam is tot aan de bovenste wiek bijna 45 meter hoog. In Noord-Duitsland hebben stellingmolens een windroos waardoor het kruien automatisch gaat. Hiervan is er maar één van in Nederland (De Sterreberg in het Drentse Nijeveen).
Klik op de tekening voor een groter formaat.
Houtzaagmolen
De houtzaagmolen is een industriemolen. De stelling dient om de molenaar in staat te stellen de krui-inrichting te bereiken. Deze molen werd gebruikt voor het wat zwaardere werk; voor het zagen van planken werden vroeger vooral paltrokmolens gebruikt. Dergelijke industriemolens waren vooral talrijk langs de rivier de Zaan.
Paltrokmolen
De paltrokmolen is een ouder type houtzaagmolen. De paltrok kon in zijn geheel kruien, waardoor het een 'onderkruier' is, en was ingericht tot het zagen van boomstammen (die destijds voornamelijk over water werden aangevoerd). In het algemeen werden de paltrokmolens gebruikt voor lichter zaagwerk dan andere houtzaagmolens. De paltrok is genoemd naar de kleding die eertijds in de Duitse Pfalz werd gedragen. Er zijn van de honderden paltrokmolens, waarvan er 230 langs de Zaan stonden, nog vijf exemplaren over: Zaandam, Zaansche Schans, Amsterdam, Haarlem en Arnhem (Openluchtmuseum).
Klik op de tekening voor een groter formaat.
Beltmolen
De beltmolen, die ook wel bergmolen genoemd wordt, is op een natuurlijke of kunstmatige heuvel gebouwd die de functie van de stelling overneemt. In de heuvel is aan twee zijden een doorgang waardoor paard en wagen de molen binnen konden rijden en er aan de andere kant weer uit konden. Beltmolens zijn meestal korenmolens.
Torenmolen
De torenmolen is een binnenkruier die, wat zijn eerste vermelding betreft, ouder is dan de Noord-Hollandse poldermolen. Dit type ronde, stenen graanmolen wordt reeds in 1450 genoemd en is nog aanwezig in Lienden, Zeddam, Zevenaar (Gelderland) en Gronsveld (Limburg). Van deze molen is alleen de kap van binnen uit verkruibaar.
Klik op de tekening voor een groter formaat.
Amerikaanse Windmotor

Als opvolgers van de klassieke typen Nederlandse wind- en watermolens kunnen de Amerikaanse Windmotor (zie foto) en de windturbine genoemd worden. De windmotor, ook wel 'Amerikaan' genoemd, werd rond het jaar 1900 vanuit de VS en Canada voor de kleinere polderbemaling vooral in Friesland geïntroduceerd. Het is een metalen windrad met één of twee metalen staartvinnen om de 'molen' automatisch mee op of uit de wind te zetten. De windturbine is de moderne variant van de molen en wordt gebruikt om electriciteit mee op te wekken.
Waterradmolen
Waterradmolens komen voor in geaccidenteerd terrein in vooral Oost- en Zuid Nederland. Indien de beek waarin de molen gebouwd werd voldoende verval had, werden bovenslagraderen aangebracht. Het water viel dan op de raderen, wat meer energie oplevert [afbeelding]. Andere typen zijn middenslagmolens en onderslagmolens. De molen op de foto heeft een onderslagrad.
Dergelijke watermolens werden al in de 13e eeuw gebouwd voor het malen van graan, slaan van olie uit oliehoudende zaden en papierfabricage. Op het hoogtepunt van de papierfabricage, midden 18e eeuw, stonden er aan de oostelijke Veluwezoom 174 papierfabrieken. Op de Veluwe werden vaak kunstmatige bronnen ('sprengen') gegraven om de watermolens te voeden. Toen de papierfabricage mechaniseerde werden veel waterradmolens omgebouwd tot wasserijen.
In Limburg werd in het begin van de 20e eeuw bij veel waterradmolens het waterrad vervangen door een waterturbine.
Rosmolen

Een minder opvallend en daardoor minder bekend molentype is de rosmolen. Vroeger veelal gebruikt om met paardentractie in windstille periodes toch meel te kunnen produceren en op kleinschalige wijze b.v. olie te slaan of om boekweit te malen (gruttersmolen). Op de foto ziet u een variant waarbij de paarden binnen lopen.


Molenseinen in Nederland

Molenseinen
In de loop der eeuwen is de traditie ontstaan om met de molenwieken bepaalde boodschappen door te geven. Doordat er nog geen telefoon of telegraaf was, was het "praten" met de wiekstanden de enige mogelijkheid om snel een boodschap over te brengen. Ook werden de molenwieken gebruikt om aan te geven wanneer er in de molenaarsfamilie een droeve of heugelijke gebeurtenis heeft plaats gevonden.






1. vreugde 2. rouw 3. korte rust 4. lange rust 5. verzoek om met spoed naar de molen te komen 6. bruiloftstooi (Friesland)

Volgende pagina met algemene moleninfornatie.

Terug begin homepage.

Laatste wijziging: