Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

01o.t.t. slaanDat als een tang op een varken.
02o.v.t. slaanDe journalist de spijker op zijn kop!
03v.t.t. slaanIs de auto bij de kruising rechtsaf ?
04o.v.t. zeggenhij dat zij mooi was.
05v.t.t. zeggenZij hebben niks over de film .
06o.t.t. zeggenDe dieven dat ze niks gestolen hebben.
07o.v.t. zeggenZij de waarheid.
08o.v.t. zijnHij veel te laat.
09o.v.t. zijnDe bezoekers veel te vroeg.
10v.d. zijnBen jij wel eens in China ?
11v.d. stelenGisteren is zijn computer
12o.v.t. wachtenHij op de bus.
13v.d. wachtenZij hebben lang op eten .
14o.t.t. wachtenZij op de tram.