. . .

Publicaties Wetenschapswinkel Geneesmiddelen
Autisme en geneesmiddelen

Natasja van Ditmars

U kunt deze publicatie Bestellen voor f 12,50 inclusief verzendkosten. Het  publicatienummer is: PUG/95-9

 

Samenvatting van deze publicatie

Autisme is een aandoening die gekenmerkt wordt door kwalitatieve beperkingen van wederzijdse sociale interactie, kwalitatieve tekortkomingen in communicatie en een beperkt repertoire van zich herhalende en stereotiepe patronen van gedrag, interesses en bezigheden. De aandoening openbaart zich voor het derde levensjaar. Autisme komt voor bij 4 a 5 mensen per 10.000.
Het stellen van de diagnose autisme is niet altijd even gemakkelijk, daar er enkele aandoeningen zijn die veel overeenkomsten vertonen, bijvoorbeeld ADHD (attention deficit hyperactivity disorder; een stoornis die gepaard gaat met concentratiestoornissen en hyperactiviteit), het syndroom van Rett en doofheid. Het is belangrijk dat de juiste diagnose gesteld wordt omdat iedere aandoening zijn eigen behandelwijze kent.
Over de oorzaak van autisme bestaat geen eenduidige mening. Veel onderzoeken wijzen in de richting van een organisch-neurologische aandoening, waaraan genetische factoren ten grondslag liggen.
Autisme komt regelmatig voor in combinatie met bepaalde andere aandoeningen. Voorbeelden van dergelijke aandoeningen zijn mentale retardatie en epilepsie.

De behandeling van autisme met geneesmiddelen (farmacotherapie) is altijd symptoomgericht. Farmacotherapie hoort niet losstaand gebruikt te worden, maar dient geïntegreerd te worden in een volledig behandelplan, waarvan bijvoorbeeld ook gedragstherapeutische methoden onderdeel uitmaken.

Onderzoek naar de werkzaamheid van geneesmiddelen bij autisme is niet eenvoudig, vooral omdat de patiënten veelal niet zelf kunnen aangeven hoe zij het gebruik van een middel ervaren. Met behulp van bepaalde vragenlijsten die door ouders/verzorgers worden ingevuld, proberen onderzoekers een zo goed mogelijk idee van deze ervaringen te verkrijgen.

Er is een groot aantal geneesmiddelen beschikbaar voor gebruik bij bepaalde symptomen van autisme. Ieder middel of elke groep kent zijn eigen toepassingen en voor- en nadelen.
In deze literatuurstudie worden de volgende geneesmiddelgroepen beschreven: antipsychotica, antidepressiva, psychostimulantia, hypnotica, anxiolytica, fenfluramine, opiaatantagonisten, neuropeptiden, anti-epileptica, alfa-2-agonisten, betablokkers, parkinsonmiddelen, lithium en vitamine B6 in combinatie met magnesium.

De belangrijkste groep geneesmiddelen voor behandeling van symptomen van autisme is de groep van de antipsychotica. Met name het middel haloperidol is uitvoerig onderzocht bij kinderen met autisme. Haldol kan symptomen als hyperactiviteit, agressiviteit, zelfmutilatie, woede en woede-aanvallen, negativisme, teruggetrokken gedrag en stereotiep gedrag beperken. Het belangrijkste nadeel van haloperidol is het feit dat het middel, net als andere antipsychotica, de bewegingsstoornis tardieve dyskinesie kan veroorzaken. Deze bijwerking kan zowel tijdens als na behandeling met haloperidol optreden en wordt gekenmerkt door onvrijwillige bewegingen van onder andere mond, kaken en tong. Meestal verdwijnt de tardieve dyskinesie na verloop van (vaak lange) tijd, maar soms blijft deze bijwerking (in irreversibele vorm) aanwezig. Om de kans te verkleinen dat de tardieve dyskinesie een irreversibele vorm aanneemt, kunnen ouders en behandelend arts ervoor zorgen dat de typische bewegingen goed in de gaten gehouden worden en dat er tijdig wordt ingegrepen wanneer er veranderingen optreden. Dan kan bijvoorbeeld de dosis worden verlaagd of kan met het gebruik van de medicijnen worden gestopt. Er bestaat geen middel dat werkelijk afdoende is tegen tardieve dyskinesie. Huidige therapieën (zoals alfa-2-agonisten en betablokkers) zijn slechts gedeeltelijk werkzaam en/of onvoldoende onderzocht.

Bij de antidepressiva is vooral de groep van de specifieke serotonine-heropname- remmers van belang. 25 - 40 % van de autistische populatie heeft een verhoogde serotonine-bloedspiegel die door deze groep middelen (onder andere clomipramine) kan worden verlaagd. Mogelijk zijn zowel afname van teruggetrokken en stereotiep gedrag, als afname van woede en oncoöperatief gedrag en van agressie een gevolg van de normalisering van de serotonine-bloedspiegel die dan op kan treden. De bijwerkingen van deze groep antidepressiva zijn over het algemeen mild, maar soms vergroten deze middelen de gevoeligheid voor epileptische aanvallen.

Het gebruik van psychostimulantia bij autisme werd aanvankelijk afgeraden omdat deze middelen een verergering van stereotiep gedrag zouden geven. Bij een subgroep patiënten die naast autisme ook symptomen als hyperactiviteit en agressie vertoont, blijkt methylfenidaat wel werkzaam te zijn, zonder ernstige bijwerkingen.

Hypnotica en anxiolytica uit de benzodiazepinengroep (bijvoorbeeld diazepam) worden in het algemeen volgens hun oorspronkelijke indicaties gebruikt bij (in)slaapproblemen en angst. Belangrijk is dat benzodiazepines bij kinderen (en ouderen) "paradoxale reacties" kunnen veroorzaken. Dit wil zeggen dat deze groepen patiënten tegengesteld kunnen reageren op een toegediend middel. Benzodiazepines zouden hen tot rust moeten brengen, maar ze worden juist onrustig. Acute opwinding, toegenomen agressie en vijandigheid, woede-aanval- len, hallucinaties, slapeloosheid en nachtmerries kunnen het gevolg zijn. Er is weinig onderzoek gedaan naar het gebruik van benzodiazepines door kinderen; hoofdzakelijk zijn studies verricht met een open opzet en een zeer heterogene samenstelling, waardoor resultaten elkaar nog al eens tegenspreken.

Fenfluramine (uit de groep van serotonine-verlagende eetlustremmende middelen) werd aanvankelijk met veel verwachting gadegeslagen, maar bleek deze verwachtingen niet geheel waar te kunnen maken. Onderzoek naar eventuele ernstige bijwerkingen op lange termijn is noodzakelijk.

Momenteel is het wachten op grotere, representatieve studies met opiaat-an- tagonisten (naltrexon) en neuropeptiden (ORG 2766). Deze middelen lijken lang niet zulke ernstige bijwerkingen te hebben als de antipsychotica, terwijl hun gewenste effecten veelbelovend zijn.

Anti-epileptica worden regelmatig door autisten gebruikt, daar ongeveer een derde van de autistenpopulatie epilepsie heeft. Anti-epileptica kunnen op diverse manieren in wisselwerking treden met andere middelen die bij autisme worden toegepast. Hierdoor kunnen ongewenste effecten worden veroorzaakt: de werkzaamheid van geneesmiddelen kan afnemen of er kunnen toxische concentraties worden bereikt.

Zowel alfa-2-agonisten (met name clonidine) als betablokkers (bijvoorbeeld propranolol) hebben invloed op de effecten van (nor)adrenaline. Gebruik van deze middelen bij autisme is nog niet uitvoerig onderzocht, maar soms kunnen ze uitkomst bieden. Alfa-2-agonisten kunnen hyperactiviteit, zelfstimulerend gedrag en stereotiepe lichaamsbewegingen laten afnemen. Betablokkers zijn mogelijk werkzaam tegen agressie. Beide middelen kunnen ook gebruikt worden tegen bepaalde bijwerkingen van antipsychotica. Dit laatste is ook de reden voor het gebruik van parkinsonmiddelen uit de parasympathicolyticumgroep zoals dexetimide Tremblex. Deze middelen dienen echter niet gebruikt te worden wanneer tardieve dyskinesie is geconstateerd, daar zij deze bijwerking juist zouden verergeren.

Lithium blijkt soms te werken tegen agressie bij autisme. Een probleem is dat lithium slechts een kleine marge heeft tussen de dosis die werkzaam is en de dosis die toxisch is (en bijwerkingen veroorzaakt).

Grote hoeveelheden vitamine B6 en magnesium bij autisme zijn mogelijk effectief, maar onderzoek naar deze toepassing is niet voldoende representatief geweest om er definitieve conclusies aan te verbinden.

Verschillen tussen de autistische en de "normale" populatie blijken -naast de meer "uiterlijke" verschillen die de aandoening kenmerken- vooral te liggen in de activiteiten en bloedspiegels van bepaalde neurotransmitters. Bloed- en/of cerebrospinale vloeistof-spiegels van dopamine, serotonine, endogene opiaten en noradrenaline zijn bij bepaalde subgroepen uit de autistische populatie onderzocht en afwijkend bevonden. Verschillen in reacties op geneesmiddelen zouden eventueel verklaard kunnen worden aan de hand van deze afwijkingen. Daarnaast is het zo, dat er -in de werking van geneesmiddelen- verschillen kunnen optreden tussen alle mensen, onafhankelijk van het feit of zij gezond, van dezelfde leeftijd of van hetzelfde geslacht zijn. Deze "natuurlijke" verschillen kunnen, in ieder geval voor een deel, worden verklaard aan de hand van verschillen in farmacokinetiek en farmacodynamie.


Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA)
Prof. Bronkhorstlaan 10
3723 MB Bilthoven
Tel: 030-2299800
Fax: 030-2662300
E-mail: info@autisme-nva.nl
Website: www.autisme-nva.nl