IJsland
Snæfellsnes en de Westfjords

De voorbereiding

In juni 1996 besluit ik eindelijk de tocht te maken, waar ik al een paar jaar aan loop te denken, namelijk naar de Westfjords in IJsland. Dit fjordengebied is ook voor IJslanders vrij onbekend, omdat het geïsoleerd, en buiten rondweg nummer 1 ligt. Toeristen komen er weinig, want het gebied is minder spectaculair dan de rest van het land. Geologisch is het ouder, en vulkanische aktiviteit is er nauwelijks Ik verwachtte er vooral rust tegen te komen. Het spectaculaire deel van IJsland had ik al op twee eerdere tochten gezien.

Eerst de vliegticket geregeld. Het is nogal kort dag, en de vliegtuigen richting IJsland zijn meestal al vroeg in het seizoen volgeboekt. Gelukkig weet de medewerkster van de fietsvakantiewinkel nog zowel een heen- als terugvlucht te regelen, al moet ik wel iets langer blijven dan de bedoeling is. Maar wat is er tegen een weekje extra in een prachtig land ? Ik wil deze extra week gebruiken voor een tochtje langs de zuidkust.

Een paar dagen voor de reis m'n fiets nagekeken en een paar nieuwe banden omgelegd. M'n tent heeft bij m'n vorige vakantie in Wales al enige problemen gegeven, maar ik vind op dat moment, dat hij nog wel mee kan. Nog even een verzekering regelen, en ik kan weg. Waarom zou je een vakantie al maanden van te voren regelen, als het ook drie weken van te voren kan

De route

Tourmap

Schiphol - Reykjavik

Het begint al goed. Ik wil met de trein van Delft naar Schiphol, maar juist dit weekend vindt de NS het nodig om aan het spoor te werken. Er rijden daarom tussen Leiden en Schiphol alleen bussen. Daarom ben ik genoodzaakt om een omweg via Haarlem en Amsterdam Sloterdijk te maken. Gelukkig ben ik nog op tijd, maar het is wel een zenuwachtig begin van de vakantie. Het inchecken is nog even een probleem, omdat op m'n ticket staat, dat ik maar 20 kg bagage mee mag nemen. Bij de fietsvakantiewinkel, hebben ze me echter verzekerd, dat ik 30 kg mee mag nemen. Na enig speurwerk in de computer blijkt de dame van de balie het hier mee eens te zijn. Maar goed ook, want met m'n fiets erbij zit ik op ruim 34 kg. Het kleine overgewicht blijkt men gelukkig te tolereren.

De drie uur durende vlucht naar Keflavik (de internationale luchthaven) gaat verder voorspoedig. De twee Hollanders naast me, weten niet wat ze zien, als we uit het wolkendek neerdalen, en kijken op de groen zwarte lavavelden van het schiereiland Reykjanes. Ze zijn op weg naar New York. Vreemd genoeg kostte hun ticket een paar honderd gulden minder dan de mijne.

Het eerste wat ik doe als ik aankom, is op het postkantoor van het vliegveld een girobetaalkaart inwisselen (nu gesloten helaas...). IJslands geld is in Nederland moeilijk te krijgen. Maar girobetaalkaarten zijn makkelijk bij IJslandse postkantoren in te wisselen. Gelukkig is m'n bagage heel aangekomen, en ook m'n fiets heeft de vlucht redelijk doorstaan. Alleen is m'n toch al gammele voorlamp en een bidonhouder afgebroken. Ik heb een plastic zak gebruikt om m'n fiets in te vervoeren. Luchthavenpersoneel kan dan zien, dat er een fiets in zit. Bij een doos komt het soms voor, dat men er koffers op stapelt. Bovendien had ik de zak van m'n vorige tocht toch liggen.

De rit van Keflavik naar Reykjavik valt me niet mee. De vorige keer had ik het in twee uur gereden. Toen was ik blijkbaar goed getraind, en had ik wind mee. Nu, met weinig fietskilometers in de benen, en met tegenwind doe ik ruim 3,5 uur over de 50 kilometer. Maar ik ga er van uit, dat de conditie de komende maand wel zal komen. Ik zet m'n tent op, op de camping van Reykjavik, en moet daarna een uur klooien om m'n benzinebrander aan de praat te krijgen. De eerste symptomen van een niet zo goede voorbereiding.

Reykjavik - Stykkishólmur

De volgende morgen sta ik vroeg op, om de veerboot naar Akranes te halen. Op deze manier voorkom ik, dat ik de "drukke" weg uit Reykjavik moet nemen. Bovendien scheelt het zo'n 90 kilometer richting Snæfellsnes, m'n eerste doel. Tijdens de oversteek zie ik walvissen zwemmen. Ik dacht dat dit intelligente beesten waren, maar in het fjord dat ik oversteek bevindt zich wel de enige walvisverwerkende industrie van IJsland. Het lijkt mij niet verstandig om daar als walvis in de buurt te komen.

In Akranes begint m'n fietstocht. Mijn eerste doel is, om rond de vulkaan Snæfell te rijden, die zich op het einde van het schiereiland Snæfellsnes bevindt. Vanwege de slechte wegen heb ik etappes van 80 tot 100 kilometer gepland. Dit is minder dan op andere vakanties, waar ik 120 tot 140 kilometer per dag doe. Het is gelukkig redelijk weer, zonnig met regenwolken. Heel IJslands. Alleen heb ik een straffe tegenwind. Om één uur bereik ik Borgarnes waar ik inkopen doe. Ik reken uit, dat ik met dit tempo rond half vijf op de plaats ben waar ik m'n eerste tent wil opzetten. Helaas. M'n ongetrainde lichaam en de straffe tegenwind zorgen ervoor, dat ik tegen vieren, en na zo'n 70 kilometer uitgeput verlang naar een campingplaatsje. Hoewel wild kamperen niet verboden is, en vaak zelfs noodzakelijk, is het vinden van een campingplaats niet altijd even makkelijk. Het gebied waar ik doorheen rijd bestaat voor een groot deel uit landbouwgrond en oude lava. Schoon water is niet te vinden. Pas na 20 kilometer ploeteren en drie uur later, vind ik een plaats naast een meertje. Aardig is, dat zich vlakbij een minerale bron bevindt. Spa rood, zoveel als ik wil.

De volgende dag begint prachtig. Een lekker zonnetje, schone lucht, een goede weg met weinig verkeer en uitzicht op de Snæfell vulkaan. Ik was hier 9 jaar eerder geweest, maar toen met een auto. Nu op de fiets kun je pas rustig genieten. Bij het enige benzinestation aan de zuidkant van het schiereiland doe ik nog wat inkopen. Veel benzinestations in IJsland hebben een kleine (en soms uitgebreide) winkel waar ze de eerste levensbehoefte verkopen. Helaas hebben ze geen brood, maar ik verwacht dit bij m'n einddoel, Arnarstapi te kunnen krijgen. De zon begint ondertussen hevig z'n best te doen. Ik smeer me in met zonnebrandcrème. 'S avonds blijkt factor 10 helaas niet genoeg geweest om me afdoende te beschermen. De volgende dagen loop ik rond met donkerrode handen en een opgezet gezicht. Het landschap is niet spectaculair, maar mooier dan ik me kan herinneren. Aan de rechterkant boerderijen langs een rotswand, met soms een waterval. Aan de linkerkant de zee, en soms een ruig lavaveld. Tot vlak voor Arnastapi is de weg goed.

Een teleurstelling is, dat in Arnarstapi weliswaar een winkeltje is, maar dat die alleen Cola en Marsen verkoopt. Ik weet, dat je inkopen moet doen zo gauw je de kans krijgt, tenzij je zeker weet dat je later een andere winkel tegenkomt. Maar toch vertrouwde ik er op, dat ik na Borgarnes nog wat tegen zou komen. Niet dus. Zonder ontbijt zal de tocht rond de Snæfell moeizaam zijn. Het is zeker 35 km over een slechte weg. Omdat het nog steeds prachtig weer is, besluit ik daarom al zo ver mogelijk te rijden, zodat de afstand de volgende ochtend zo kort mogelijk is. Helaas sla ik hierdoor enkele bezienswaardigheden, zoals het strand bij Dritvik (mooie rotsformaties ) over. Ik heb hier nog spijt van. Ik kampeer wild, op de enige plaats waar ik water kan krijgen, aan de westkant van de vulkaan.

De eerste wezens die ik de volgende ochtend tegen kom, zijn enkele pony's die langs de weg lopen. Het zijn geen wilde pony's, ze lopen alleen vrij rond. Ze kunnen op het schiereiland toch geen kant op. Na wat gesnuffel en gebedel sjokken ze verder.

Tegen elf uur kom ik in Hellissandur/Rif aan, waar ik ontbijt. Bij het verlaten van het dorp word ik aangevallen door enkele Noordse sterns, die krijsend proberen de haren uit m'n hoofd te trekken. De weg loopt dwars door hun broedgebied. De rest van de dag rijd ik langs de noordkust van Snæfellsnes. Deze is veel ruiger en hoger dan de zuidkant. Dit levert prachtige gezichten op, zoals de 450 m hoge Kirkjufell (kerkberg), een losstaande berg die als een kathedraal uit zee lijkt te komen. Als ik halfdood op een heuvel uitblaas, en om me heen kijk, weet ik weer, waarom ik IJsland zo mooi vind. Je ziet er landschappen die zo bizar zijn, dat je je afvraagt wat de natuur heeft moeten doen, om het zo te maken. In dit geval betrof het een grillig rood-groen lavaveld met aan de randen kleine kraters, Beserkjahraun genaamd. Tien kilometer voor Stykkishólmur zet ik m'n tent op.

Stykkishólmur - Látrabjarg

Het wordt een vermoeiende nacht. Mijn tent blijkt niet helemaal waterdicht te zijn. Ik wordt regelmatig wakker om met kranten kleine meertjes in de tent te dempen. Ook de volgende ochtend wisselen donkergrijze wolken en blauwe hemel zich af. Het levert enige mooie foto's op. In Stykkishólmur neem ik de boot over het Breidafjordur. Omdat ik wil overnachten op het eiland Flatey, kan m'n fiets niet in het autoruim. Daarom wordt deze met een kraan op het dek gehesen. Gelukkig valt er niets tussen de wal en het schip.

Flatey is één van de oudste gemeenschappen van IJsland. Het bestaat uit een twintigtal huizen met een veertigtal bewoners. Verder is het een vogelparadijs. Omdat ik een nacht vol regen vrees, neem ik intrek in het enige pension. Het blijft droog, maar een goede nachtrust is nooit weg. Het eiland is niet groot. In de avond en de ochtend dat ik er ben, bekijk ik het in z'n geheel. Zolang je uit de buurt van de kolonie Noordse sterns blijft, is het er rustig.

De volgende ochtend wordt m'n fiets weer aan boord van de m.s. Baldur getakeld, en een uur later arriveren we in de Westfjords. M'n doel is Látrabjarg. Dit is een vogelrots op het meest westelijke puntje van IJsland, en daardoor meteen de meest westelijke punt van Europa. Het eerste deel van de tocht is een vlakke gravelweg. Ik passeer enige boerderijen, en bouwvallen die ooit boerderij waren. De ontvolking van dit deel van IJsland is al jaren aan de gang. Na zo'n 40 kilometer heb ik m'n eerste klim om naar een volgend fjord te komen. Na twee meter weet ik al, dat het me fietsend nooit zal lukken, zelfs niet met m'n kleinste verzet (42 x 28). Ik moet dus lopen en duwen. Voor de andere passen in dit gebied zal later hetzelfde gelden. Gelukkig is het mooi weer en een prachtige omgeving. Het grootste deel van m'n tocht gaat langs het fjord. De heuvels zijn hier kaal, zo'n vier tot zeshonderd meter hoog, met steile hellingen en een platte bovenkant. Op een paar boerderijen na is het er onbewoond. Ik zet mijn tent op in een rivierbedding, nadat ik m'n eerste lekke band heb gekregen. Tijdens het koken zie ik tot m'n verrassing twee fietsers langsrijden. In totaal zal ik er tijdens mijn verblijf in de Westfjords vier tegenkomen.

M'n volgende standplaats is Breidavik, een jeugdherberg op twaalf kilometer van Látrabjarg. Hier zet ik m'n tent op om zonder bagage verder te reizen. Het is onhandig om met bagage en al te gaan, omdat ik over dezelfde weg terug moet. Bovendien hoop ik in de jeugdherberg een douche te kunnen nemen, de eerste sinds Reykjavik. Látrabjarg zelf is minder eenzaam dan ik dacht. Zelfs op deze uithoek staan enige auto's, een bus vol Franse toeristen, en een fiets. En niet van één van de fietsers van de vorige dag, want deze was ik op weg naar dit punt al gepasseerd. De eigenaar ontmoet ik echter pas de volgende dag. Hij is een student uit Duitsland, die een tocht van 2 maanden over het eiland maakt. En net als alle alleenfietsende Duitsers wil hij de Sprengisandur (de woestijn in midden IJsland tussen Vatnajökull en Hofsjökull) door. Ik heb die route ooit met een auto gedaan, en vond 'm niet zo interessant. Maar een fietser die ik later tegenkom verzekert me, dat het een onvergetelijke ervaring is. Ieder heeft zo zijn liefhebberijen.

Om de toeristen te ontlopen besluit ik eerst het pad langs de kliffen een stuk te volgen, in de hoop een mooie foto van een papagaaiduiker te maken. Maar hoe hoger ik kom, hoe minder vogels ik zie. Als ik terugkeer zijn de toeristen verdwenen. Alleen drie meisjes maken video-opnames van elkaar terwijl ze op de rand van de klif liggen om papagaaiduikers te aaien. Het lukt ze nog ook. Zelf maak ik met mijn simpele compactcamera een mooie foto van zo'n "IJslandse kip". Ik blijf nog een uur gefascineerd kijken hoe ze rondfladderen, en ga dan terug naar de jeugdherberg.

Látrabjarg - Isafjördur

De volgende dag moet ik me haasten om inkopen te doen. Het is zaterdag, wat in kleinere plaatsen betekent dat de winkels om twee uur dicht gaan. En de dichtstbijzijnde winkel is 50 kilometer verderop. Halverwege de tocht kom ik de eerder genoemde student tegen. We rijden een stukje met elkaar op. Hierbij valt het verschil tussen mijn randonneur-model en zijn mountainbike op. Op het vlak lijkt het weinig uit te maken. Bergop fietst hij een stuk makkelijker al was het alleen maar, omdat hij een veel kleiner verzet kan draaien. Bergafwaarts echter rij ik makkelijk van 'm weg, ook als hij blijft trappen, en ik m'n benen stilhoud. Toch blijft een mountainbike de meest ideale fiets voor IJsland. Al was het maar, omdat je veel minder op het vaak slechte wegdek hoeft te letten. We doen boodschappen, wisselen tips uit over de route, en nemen afscheid.

De rest van de dag fiets ik langs verschillende fjorden totdat ik 's avonds m'n tent bij een zwembadje opsla. Het lijkt raar, maar zwembaden in IJsland liggen soms 30 kilometer van de bewoonde wereld. De reden hiervoor is een praktische. In de buurt van het zwembad zijn warme bronnen. Het enige wat de IJslanders doen, is het water van de bron, eventueel gemengd met een koude bron, in een betonnen bak laten lopen. Een kleedhokje erbij en je hebt een zwembad met zelf-verversend water.

Ik ga rustig slapen. Maar dan om vier uur 's nachts begint het. Mijn tent schudt hevig, en waterstraaltjes druipen over de binnentent, en in m'n tent. Een storm dus. Ik ben meteen wakker, en breng eerst alles wat niet nat mag worden in veiligheid, door het in plastic te verpakken. De staat van mijn tent is veel beroerder dan ik dacht. De regen slaat dwars door de buitentent heen. Elke keer als het doek klappert vliegen de spetters me om de oren. Gelukkig is de tent wel stormvast anders was ik met tent en al het fjord in gewaaid. Maar opnieuw wordt bewezen, dat een uitrusting die op andere vakanties redelijk voldoet, volstrekt onvoldoende is voor IJsland. Moe, koud en klappertandend kruip ik in de plastic fietshoes die ik toevallig bij me heb. Ik was vergeten 'm op het vliegveld achter te laten, waar ik mezelf nu zeer dankbaar voor ben. De storm lijkt tegen twaalven enigszins te gaan liggen. Dan kom ik op het idee de fietshoes tussen buiten- en binnentent te leggen. Het idee pakt goed uit. Het plan om de bus naar Isafjördur te nemen om daar (indien mogelijk) een nieuwe tent te kopen laat ik varen. Omdat de storm nog even voort blijft duren, ga ik mijn achterwiel maar opnieuw spaken. Er blijken twee spaken verdwenen te zijn, terwijl twee andere weliswaar nog vast zitten, maar wel gebroken zijn. Bovendien haal ik een flinke slag uit het wiel. Om zeven uur is de lucht weer stralend blauw. Ik ben deze dag geen meter opgeschoten, maar heb wel het idee, met mijn vakantie verder te kunnen.

In een heerlijke ochtendzon begin ik de volgende dag te fietsen. De Duitse student had me gewaarschuwd voor de hoogvlakte waar ik vandaag overheen moet. Hij had hevige mist en regen getrotseerd, toen hij zich over de modderige weg voort ploegde. Ik zag onder een strak blauwe lucht een hoogvlakte zoals een hoogvlakte hoort te zijn : weidse vergezichten over diepe fjorden, pikzwarte en besneeuwde heuveltoppen, felgroen mos doorsneden door diepblauwe beekjes, en woestijnen van mos en stenen in allerlei kleuren, soorten en maten. En als toetje kom ik nog langs de Dynjandifoss, een prachtige, honderd meter hoge waterval, die vervolgt in vijf kleinere maar mooie watervallen. De dag was perfect geweest, als ik me niet suf had moeten fietsen om voor winkelsluitingstijd in het volgende dorp te zijn.

De laatste etappe naar Isafjördur doe ik rustig aan. Ik hoef nog maar 50 km te rijden, maar hierin zit wel een klim van 610 meter naar Breidadalsheidi. Een stijgingspercentage van 10 % valt met tegenwind niet mee, zelfs lopend niet. Bijna 2,5 uur lang duw ik m'n fiets de berg op. Er is gelukkig weinig verkeer. De top lijkt het nog het meest op een kale komvormige steengroeve. Het enige niet-grauwe zijn de witte sneeuwplaten tegen de hellingen, en een felrode schuilhut. Een ijzige poolwind laat de wolken over de bergtop rollen. In slecht weer moet dit één van de meest mensvijandige plaatsen zijn waar ik ooit geweest bent. De IJslanders vonden dat blijkbaar ook, want de volgende dag werd er een tunnel onder de pas geopend.

Isafjördur en Hornstrandir

Isafjördur is met 3500 inwoners niet groot, maar je krijgt in ieder geval weer het idee in een stadje te zijn, en niet in een arctisch bungalowpark. Belangrijke voorzieningen als hotels, ziekenhuis en vliegveld zijn allemaal aanwezig. Daarnaast kent het wat oude straatjes, een flinke haven, een museum en zelfs een buitensport- en fietsenwinkel. Het word omgeven door hoge steile bergen, die er voor zorgen dat vliegtuigen halsbrekende toeren moeten uithalen om te landen. En dat er in de winter twee maanden geen zonlicht in het dorp verschijnt.

Isafjördur heeft twee campings. De ene midden in de stad, de andere zo'n 4 km erbuiten, mooi gelegen in een dal. Omdat ik van plan ben enige dagen te blijven, neem ik de laatste. Qua voorzieningen maakt het weinig uit.

Het zijn beide gemiddelde IJslandse campings. Er zijn ruimtes met toilet en wastafels, maar geen douches. Hiervoor moet ik naar een nabijgelegen school. Campings met uitgebreide voorzieningen als gezamenlijke ruimte, washok, kookruimte of campingwinkel kom je alleen in de toeristencentra zoals Reykjavik en Mývatn tegen. Het andere uiterste zijn de eenvoudige campings die je b.v. in het binnenland tegenkomt. Deze bestaan vaak uit niet meer dan een waterkraan en een schijthok. Campings met gezamenlijke aktiviteiten als bingoavonden en cursussen kantklossen ben ik hier nooit tegengekomen.

Vanuit Isafjördur maak ik enkele tochten. Één ervan is naar Sudavik, twintig km verder langs het fjord. Dit dorp is begin 1995 getroffen door een lawine. De gevolgen zijn nog zichtbaar. Midden in het dorp staan de resten van enkele huizen, bekalkt met leuzen ("lawines doden" of zo). Op de terugweg kijk ik een tijd naar enkele raven, die daar rondvliegen. Later zie ik er ook enkele in Isafjördur, waar ze de stad onveilig maken door vlak voor rijdende auto's langs te zweven.

Een andere tocht wordt uit noodzaak geboren. Als ik op m'n geplande vertrekdatum uit Isafjördur zou vertrekken, zou ik met "Banka-holiday" (de eerste maandag van augustus, een nationale feestdag) in Husafell aankomen. Op die dag wordt daar (en op andere plaatsen in het land) een festival gehouden waar de IJslandse jeugd de kans aangrijpt om de beest uit te hangen. Het zou betekenen, dat ik tussen honderden luidruchtige, dronken, geile tieners terecht zou komen. Hier heb ik geen zin in. Bij de VVV in Isafjördur stellen ze voor om een paar dagen in Hornstrandir te kamperen. Dit is een onbewoond gebied aan de noordkant van de Westfjords. Er zijn geen wegen en geen huizen. Ik was al van plan, om er een dagtocht heen te maken, maar kamperen vind ik wel een goed idee. Ik heb weliswaar geen uitrusting om een driedaagse zwerftocht in de bergen te maken, maak had wel rekening gehouden met een dagtocht in ruw terrein.

Ik laat mijn fiets en fietstassen achter bij de camping, en scheep me in op de 'Fagranes' voor een 5 uur durende tocht naar Hornstrandir. Hoe dichterbij we komen, hoe hoger en imposanter de kliffen worden, tot we uiteindelijk tegen een 500 meter muur aankijken. Als we er zijn, moeten we vanuit het autodek via de achterklep in een rubberboot stappen, en worden we op het strand afgezet. Ik zet m'n tent op de plaatselijke "camping", die van de eenvoudige soort is : een schijthuis en een pijpje in een beek waar je water kunt tappen. Ik ben niet alleen. De eerste mensen die me aanspreken zijn een groep IJslandse scholieren, die me vragen of ik Cola bij me heb. IJslanders zijn de grootste coladrinkers ter wereld. De standaard hoeveelheid waarin het verkocht wordt is niet een blikje, maar een halve liter. Verder kun je het in twee- en vijf liter flessen kopen. De scholieren hebben pech, ik drink zelden cola.

De volgende dag wil ik een wandeling naar het volgende dal maken. Het regent, maar ik ga er vanuit, dat het, zoals vaker, later op de dag wel opklaart. De tocht begint op een eng smal paadje, dat 20 meter boven een afgrond en de zee loopt. Na een beklimming, en een steile afdaling sta ik in het volgende dal. Ik loop tot het einde van dit dal en eet, verscholen onder een duin, wat meegebrachte boterhammen. Het is bitter koud, en het weer is alleen maar slechter geworden. Het regent niet alleen, het mist nu ook. Ik wilde eerst een andere route terug nemen, maar met dit weer door onbekend terrein lopen lijkt me niet verstandig. Ik heb een kompas bij me, maar door de dichte mist kun je niet zien of een helling sowieso beloopbaar is. Ik keer terug naar het begin van het dal. Althans, naar waar ik denk dat het begin is. Door de mist heb ik geen idee waar het steile pad over de berg begint. Ik ben niet verdwaald, maar opgesloten in een dal en ik weet niet hoe er uit te komen. Na een poos zoeken (ik weet niet precies hoelang want mijn klok is ondertussen verzopen), ga ik op zoek naar een plek waar het er volgens mijn herinneringen uitziet, als de plaats waar het pad begint. Hier klim ik op goed geluk naar boven, tot ik op een rand kom. Mijn idee is, dat het pad over dezelfde rand moet lopen. En inderdaad, na nog geen 25 meter zoeken vind ik een pad. Dit volg ik. Het valt me op, dat het nog veel steiler is, dan ik me kan herinneren. Zonder pad was deze helling me nooit gelukt. Na de top daal ik af, en pas na enige kilometers zie ik herkenningspunten waaruit blijkt, dat ik weer op de goede weg zit. Het smalle pad boven de zee is ondertussen veranderd in een smal, modderig glibberpad, maar ook dit overleef ik. Moe klim ik in mijn tent, met het idee er pas weer uit te komen als het droog wordt, of de boot arriveert. Het wordt het laatste.

De heenreis was een pleziertochtje. Bij de terugreis staat er, schat ik, windkracht zes á zeven. De eerste mensen worden met de rubberboot naar de 'Fagranes' gevaren, maar het inschepen wordt al snel gestaakt. Men wil wachten tot de wind verslapt. Later horen we, dat er bij het overstappen mensen in het water zijn gevallen. Ze zijn er gelukkig wel weer uitgevist. Met een groep van een man of vijftien blijven we kleumend op het strand achter. Vier Zwitsers vermaken ons door met verschillende taktieken een kampvuur te maken. Geen van de taktieken werkt. Na twee uur wordt een volgende poging gewaagd om ons aan boord te krijgen. De tocht naar de 'Fagranes' zou een prima wildwaterattractie zijn, als het niet zo serieus was geweest. Vooral de mensen vòòr in de rubberboot heb het zwaar te verduren als ze golven over zich heen krijgen. De opstap naar de achterklep gaat min of meer goed. Het is wel even timen, het ene moment ben je gelijkvloers, het volgende moment hangt de klep drie meter boven je. Als ik aan boord ben, is het eerste wat ik doe een warme kop koffie drinken. Deze gaat een uur later weer overboord, als we op de volle zee zijn. Maar er zijn gelukkig mensen die er nog veel erger aan toe zijn, gezien het aantal mensen dat met een kotsbakje op de grond ligt. Om twaalf uur 's nachts komen we terug in Isafjördur. Het waren drie leerzame dagen, maar een volgende keer zou ik me toch beter voorbereiden.

Isafjördur - Thingvellir

Het wordt een korte nacht. De volgende ochtend vertrekt de 'Fagranes' om acht uur, om me naar de noordkant van het fjord te brengen. Tot m'n verrassing wordt ik echter tot het einde van het fjord gebracht, wat me 50 kilometer fietsen scheelt. Als ik helemaal geen boot had genomen had ik overigens 180 km moeten fietsen, omdat de zuidkust van het fjord uit diepe inhammen bestaat. Onder een bleek zonnetje begin ik aan de weg terug richting Reykjavik. Het eerste deel bestaat uit een hoogvlakte die echter minder mooi is dan die in de zuidelijke Westfjords. Hierna volg ik de weg die uitzicht over het Breidafjord biedt.

Naarmate de dag vordert krijg ik steeds mee een beukende, ijzige poolwind tegen. Ik verheug me al op het eind van de dag, als ik na het diepste punt van het Gilsfjord de wind zo'n 15 kilometer lang mee zal hebben. Als ik bijna bij dit punt ben slaat de schrik me om het hart. Ik zie iets wat ik tot nu toe had kunnen ontlopen : een sneeuwschuiver.

De onverharde wegen op IJsland wisselen van kwaliteit. Als fietser kun je het best op de één van de twee smalle sporen rijden, die door de auto's worden gemaakt. Kuilen en stenen kun je dan zien en ontwijken. Na verloop van tijd wordt de weg door deze kuilen en wasbordvorming op gegeven moment slecht berijdbaar. Dan schrapen de IJslanders met een sneeuwschuiver de bovenste laag van de weg af, waardoor deze voor auto's weer lekker glad wordt. Voor fietsers betekent het, dat de smalle paden vervangen wordt door een weg met een vijf centimeter dikke zandlaag, en onzichtbaar verstopte keien. En als het gaat regenen een blubberpad, waar niet doorheen te komen is. En dit laatste is precies het geval met mijn 15 kilometer weg-met-wind-mee. Woedend op de IJslandse wegenbouwers, let ik niet op waar ik rij, en knal op een steen. Mijn tweede lekke band is het gevolg. Moedeloos, zet ik meteen mijn tent op. Ik begin de wegen en het weer een beetje zat te worden.

De volgende twee dagen rijd ik door een landschap dat grotendeels uit landbouwgebied bestaat. De enkele bergpassen waar ik overheen moet doen, doen eerder Schots dan IJslands aan. Het weer is over het algemeen somber, met veel donkere wolken en regelmatige buien. Mijn fiets zit dan ook onder de modder. Gelukkig hebben veel benzinestations een gratis auto-wasinstallatie, die ik mooi voor mijn fiets kan gebruiken. Met een beetje olie op de ketting is hij weer als nieuw. Wat helaas wel blijft is de eeuwige tegenwind.

Pas in de buurt van Husafell zie ik weer enige zonnestralen. Husafell, aan de voet van de Langjökull is een bekende vakantieplaats voor bewoners van Reykjavik. In de lavavelden zie je dan ook allerlei vakantiehuisjes staan. Bij Husafell heb je een prachtige waterval, Hraunfoss genaamd. Het water komt hier over een kilometer onder een lavaveld uit (hraun = lava). Ik heb 'm een paar jaar eerder al gezien, en laat 'm daarom links (of beter rechts) liggen. In plaats daarvan bezoek ik twee lavatunnels. Dit zijn tunnels, die ontstaan wanneer een lavastroom plotseling inzakt, terwijl de bovenlaag al gestold is. Ze zien er uit als een groot gat in de grond, waar tunnels op uitkomen. Één ervan, Surtshellir, kun je ook in, maar zonder zaklantaarn is dat niet aan te raden.

Op de camping van Husafell gebeurt, waar ik in Isafjördur al bevreesd voor was. Mijn tent staat net een kwartier, als zes auto's onder muziek van de Beachboys de camping opstuiven. Een stuk of twintig tieners springen er uit, en met veel herrie worden de tenten opgezet. Hierna wordt het wat rustiger, want de jongens gaan voetballen. De meiden zwalken in groepjes, gewapend met wodkaflessen, over de camping. Hun feestje is compleet als ze in de nabijheid een tent met Franse jongens ontwaren. Contact is snel gelegd, waarna ze hun kennis van de Franse taal gaan bijspijkeren. Ik hoor de zin "Voulez-vous coucher avec moi" al snel klinken. Uiteindelijk valt alles mee. Tot één uur 's nachts wordt bij het kampvuur gezongen, maar daarna is het stil.

Om nog een stukje binnenlandse woestijn te ervaren, wil ik de Kaldidalur route rijden. Dit is een 45 km lange bergweg tussen Husafell en Thingvellir. Ik heb 'm eerder met de auto gereden, en toen leek hij me goed befietsbaar. Het eerste deel is echter slecht. Na een steile klim kom ik op een weg die voornamelijk uit stenen bestaat. Ik probeer zelfs in de berm te rijden, maar ga uiteindelijk maar lopen. Gelukkig wordt het na een kilometer of vijf beter, en uiteindelijk goed berijdbaar. Anders dan bij voorgaande hoogvlaktes, kijk je nu vooral tegen een gletsjer, Langjökull (=lange gletsjer) aan. Het landschap zelf wisselt ook tussen helemaal kale vlaktes, kale vlaktes met grote stenen, en vlaktes met alleen maar stenen. Nadat ik het hoogste punt heb bereikt, heb ik een heerlijke afdaling die duurt tot ik weer op de gewone weg ben. Deze is echter een stuk beroerder dan de Kaldidalur route. Moeizaam kom ik vooruit. Als ik vlak voor Thingvellir op een klimmetje uitrust, wordt ik gepasseerd door de kids van de camping, die me vrolijk toeterend voorbijrijden. Onderaan de helling passeer ik hen weer. Ze staan stil omdat één van de wagens op z'n dak in de berm is beland. Pas een uur later hoor ik een ambulance. En dan boffen ze nog, dat het zo dicht bij de bewoonde wereld is gebeurd. Ik bedenk me, hoe het zou zijn, als ik zelf halverwege de Kaldidalur een bochtje had gemist. Of erger, hoe het zou zijn in de Sprengisandur.

Thingvellir - Vik - Reykjavik

Omdat ik een week over heb wil ik langs de zuidkust naar Skaftafell. Dit is een groene oase ingeklemd tussen armen van de Vatnajökull. Het grootste deel van de weg heb ik eerder met een auto gereden, maar nu wil ik de punten waar ik de vorige keer dacht "daar zou ik wel willen fietsen" gaan bekijken. Langs de zuidkust fietsen betekent ook, de rondweg, nr. 1 nemen. Deze pik ik op bij Selfoss. Ik merk meteen dat ik op een hoofdweg zit. Het is een brede, vlakke asfaltweg met veel verkeer. Het betekent ook, dat ik snel vooruit kan, voor zover de wind het me toelaat. Deze heb ik uiteraard weer tegen. Net als ik het idee krijg dat ik lekker opschiet krijg ik een lekke achterband. Bij controle blijkt in het loopvlak een gaatje te zitten waar je, door de keflar-laag heen, de binnenband ziet. De dure Vredestein Perfect heeft het net drie weken uitgehouden. Ik besluit voor- en achterband om te wisselen zodat de zwakke band aan de voorkant komt.

Vanaf Hvolsvöller wordt de weg rustiger. Bij de Seljalandsfoss, een aardige waterval waar je achter langs kan lopen, begint het weer te regenen. Ik schuil even, maar het wordt niet droger. Als ik de weg oprijdt, komt er net een andere fietser langs. Ik blijf achter hem rijden om enige beschutting te hebben tegen de wind en regen. Na enige tijd wisselen we elkaar af. Dat is ook nodig, want het lijkt steeds harder te gaan waaien. Ik ben het IJslandse weer spuugzat, en wil naar huis. Als we na 30 km in Skógar aankomen, schrijf ik me in bij de camping, en neem me voor de volgende dag tot Vik te fietsen en daar de bus naar Reykjavik te nemen. Vik ligt maar 25 km verderop, en is het meest zuidelijke puntje van IJsland.

Mijn medereiziger blijkt een Duitser te zijn, die al 2 maanden op IJsland rijdt. Hij is bijna overal geweest, zelfs op de Westman-eilanden. Ook heeft hij alle wegen door het binnenland gereden. Nu is hij op weg naar Seydisfjördur om de boot terug te nemen. Ondanks dat hij vrijwel het hele land gezien heeft, wil hij ooit terugkomen omdat er in het noorden nog een paar wegen zijn die hij niet gereden heeft. Ik vertel 'm over m'n bandenprobleem. Hij zegt, dat hij twee dagen eerder vanwege een scheur z'n voor- en achtervelg heeft omgewisseld. Elk probleem is relatief.

Skógar is overigens een aardig punt. Het is geen dorp, maar er staan een school, een sporthal en een museum. Ook is er een bekende waterval, de 65 meter hoge Skógafoss. Hij wordt vaak gefotografeerd omdat je bijna tot de voet van de waterval kunt lopen, waardoor je het effect krijgt van mensen met een watergordijn erachter. Verder begint in Skógar het mooie voetpad tussen twee gletsjers door, naar Thórsmörk. Ik heb het 9 jaar geleden zelf gelopen, en kwam toen in totaal 5 mensen tegen. Nu merk ik, dat IJsland toeristischer is geworden. In de avond dat ik op de camping sta, zie ik minstens zestig mensen de berg afkomen.

De volgende ochtend doe ik het rustig aan. Eerst bezoek ik het museum. Ik wordt door de conservator letterlijk aan het handje langs de vitrines geleid. Als een Razende Roeland toont hij me gebruiksvoorwerpen uit het boeren- en vissersleven van de vorige eeuw, zoals spintollen, walvishaken, en schapencondooms.

Hierna fiets ik met rugwind het laatste stukje naar Vik. De Mýrdalsjökull ligt te glimmen in de zon. Even denk ik er over om verder te fietsen. Maar als het een uur later weer licht begint te druppelen, zie ik daar maar vanaf. Vòòr Vik bezoek ik eerst nog het Dyrholaey. Dit schiereilandje is vooral bekend door een rots met een groot gat waar zelfs schepen door kunnen varen. Zelf vind ik het zwarte strand met rare basaltformaties het interessants. Na een laatste keer mijn fiets tegen een helling opgeduwd te hebben, kom ik in Vik aan.

De camping in Vik is naar IJslandse begrippen uitgebreid. Er is zelfs een kookruimte. Voor het eerst sinds Isafjördur neem ik weer een douche. Aangezien mijn bus de volgende dag pas om twee uur gaat, bezoek ik 's ochtend een vogelrots. Helaas zijn de papagaaiduikers minder benaderbaar dan op Látrabjarg, maar je hebt wel een mooi uitzicht. Daarna mijn tent ingepakt, en bij het busstation gewacht. In de bus blijkt er maar een beperkt aantal plaatsen voor fietsen in de bagageruimte te zijn. Maar ik heb geluk, want het is mooi weer. Er zijn maar een stuk of 7 fietsen aan boord. Als ik niet mee had gekund, had ik een dag moeten wachten. De chauffeur vertelt me, dat ze er over denken om fietsen in een aparte aanhanger te gaan vervoeren. Niet alleen om het aantal plaatsen uit te breiden, maar ook omdat andere passagiers klagen over met olie besmeurde koffers. Je moet je fiets gedeeltelijk demonteren om 'm in de bus te krijgen. De terugreis verloopt verder voorspoedig. Voor het grootste deel rijden we dezelfde weg die ik de afgelopen drie dagen had gereden. Om vijf uur komen we in Reykjavik aan.

Reykjavik - Keflavik - Schiphol

In Reykjavik blijf ik twee dagen om de stad en musea eens goed te bekijken. Op de voorlaatste dag fietst ik naar Keflavik, om de laatste nacht in de buurt van het vliegveld door te brengen. M'n vliegtuig vertrekt namelijk om 7.45 uur. Ik rijd niet direkt naar Keflavik, want ik wil de Blue Lagoon nog zien. Dit is geen film, maar een zwembad met lichtblauw, melkachtig water. Dit water is het "afval"product van een nabijgelegen energiecentrale. Het zit vol zouten, en schijnt erg goed voor de huid te zijn. De Blue Lagoon levert in ieder geval mooie plaatjes op van mensen in een stomende poel, met een roestvrijstalen fabriek op de achtergrond. Om de dag vol te maken, rijd ik het schiereiland Reykjanes verder rond. Het is voor een groot deel met lava bedekt. Op de uiterste zuidwestpunt staat een vuurtoren in een vlakte van lava. Ook bevinden zich hier nog wat sputterende modderputten, zwavelbronnen en krijsende vogels. Het is een mooie tocht om mijn vakantie mee te beëindigen.

Op de camping van Keflavik ontmoet ik een Nederlandse fietser, die het heel anders heeft aangepakt. In plaats van één lange tocht heeft hij verschillende korte tochten gemaakt. Hij neemt de bus vanuit Reykjavik, volgt dan een paar dagen een pad door het binnenland, en rijdt daarna met de bus weer terug. Een heel aardig idee lijkt mij.

De laatste avond laat ik mijn brander helemaal leegbranden. Eigenlijk mag je niet met een benzinebrander het vliegtuig in, maar als hij helemaal leeg is, ziet het luchthavenpersoneel dit meestal door de vingers. Van mijn tent is niet veel meer over. Dat hij niet meer waterdicht is, is al bekend. Maar onderweg heb ik diverse scheuren met gaffatape moeten plakken. Een groot aantal haringen is krom. En de laatste dagen gingen de ritsen niet meer dicht, of bij een rukwind vanzelf open. Ik denk er over, om 'm in IJsland achter te laten, maar neem 'm uiteindelijk toch mee terug.

Ik probeer vroeg op het vliegveld te zijn. De meeste vluchten richting Europa vertrekken namelijk rond acht uur. Als de bussen vanuit Reykjavik rond kwart voor zeven aankomen betekent dit een volle vertrekhal, en lange rijen voor de balies. Ik ben op tijd, maar als ik mijn fiets vliegklaar heb gemaakt, staat de hal helaas toch vol. Hierdoor heb ik weinig tijd om me op het vliegveld te vermaken. In de taxfree shop koop ik nog snel een fles IJslands bronwater. Daarna wordt omgeroepen dat het vliegtuig klaar staat. Toevallig kom ik naast de Nederlandse fietser te zitten, zodat de 3 uur durende vliegreis lekker snel voorbijgaat. Maar het mooiste is toch het begin van de vlucht. Ik weet niet of het de standaard- of de toeristische route is, maar door een wolkenloze lucht vliegen we langs de kust, van Keflavik tot Vik, waarbij we een schitterend uitzicht hebben over de gletsjers, rivieren en het IJslandse land.

Tenslotte…

De eerste weken na m'n tocht had ik een tweeslachtig gevoel over de reis. Aan de ene kant had ik een prachtige tocht door een fascinerend land gemaakt. Aan de andere kant had ik te vaak problemen gehad, waardoor mijn humeur behoorlijk werd verpest. De meeste kwamen door een te optimistische kijk op de kwaliteit van m'n uitrusting, met name die van mijn tent. Je moet goed materiaal meenemen (of daar huren) als je naar IJsland gaat. Want weer en wegen kunnen het materiaal tot het uiterste testen. Daarbij was het weer ten opzichte van voorgaande vakanties een stuk slechter, en zelfs voor IJslandse begrippen matig. De eerste keer dat ik ging bijvoorbeeld hadden we in drie weken maar twee mindere dagen.

Met de hoeveelheid tegenwind had ik gewoon pech. Met een betere conditie en genoeg fietskilometers in de benen was dit trouwens minder een probleem geweest !

Uiteindelijk overheersen toch de positieve gevoelens. m'n huiskamer wordt daarom gesierd met een foto van een IJslandse hoogvlakte op een bijna perfecte dag. En ik heb alweer ideeën voor drie volgende tochten.

Michiel Erens 1996

Meer links naar IJsland fietstochten vind je op m'n engelstalige pagina's (well, sort of...). Ook vind je daar een regelmatig wisselende fotogallerij en m'n IJsland top 10. Klik op onderstaande button om er heen te gaan.

Index