Als ik om 7.30 uur aan dek kom zijn de bergen van de IJslandse oostkust al duidelijk zichtbaar. Het is fris, en kouder dan op de Faroer. De bergen zijn nog gedeeltelijk besneeuwt. Nadat de Norröna zich door het smalle fjord heeft gemanouvreert, arriveren we tegen tienen in Seyðisfjördur. Hoewel ik hier nooit eerder ben geweest, voelt het toch een beetje als thuiskomen. Gelukkig staat mijn fiets vrijwel vooraan in het ruim zodat ik als een van de eerste bij de douane sta. Deze vraagt me enigszins onverwacht om mijn retourticket. Gelukkig kan ik een vliegticket laten zien. Een paar medefietsers die tegelijk met mij bij de douane staat moeten echter eerst naar de bank om geld voor een ticket te halen. Zonder retourticket komen ze het land niet in. Nadat de douanier me met de woorden "no free camping" indringend aankijkt, kan ik vertrekken. Ik wil de beklimming die me wacht nemen, zonder dat de stoet auto's uit de buik van de boot me passeert. Gehaast en met weinig oog voor de omgeving start ik de beklimming. Zonde, want het is er mooi. Maar ik kan inderdaad een flink deel van de beklimming rijden, zonder door auto's lastig gevallen te worden. Over Vopnafjördur valt weinig te vertellen. Meest notabel feit is misschien, dat de Miss World van dat jaar er vandaan komt. Ik ben haar niet tegengekomen. Verder is het een kleurloos vissersdorp in een niet al te interessante omgeving. En remblokjes verkopen ze er ook al niet. Helaas ben ik genoodzaakt er het weekend te blijven. Een schroef waarmee mijn bagagedrager vast zit is losgetrild en verloren geraakt. De garage annex werkplaats gaat maandag pas open. Ik gebruik het weekend om een beetje over de heuvels in de omgeving te dwalen. Verder kom ik er achter, dat mijn tent, hoewel hij bijna plat gaat, stormvast is.
Nadat ik maandagochtend bij de lokale garage een nieuwe schroef heb gehaald (gratis, nogmaals takk), vertrek ik voor een tocht over de kustweg. Het is prachtig helder weer en er is weinig wind. Uitstekend fietsweer. Vrijwel de hele dag rijd ik langs de zee, met uitzicht op een overigens niet bijster interessant, zacht glooiend landschap met een enkele boerderij. Mijn richtpunt is de berg Gunnólfsvikurfjall, die het schiereiland Langanes markeert. Zelfs vijf lekke banden en een ontmoeting met een weg-afschraap machine kunnen mijn humeur niet bederven. De laatste zorgt ervoor, dat ik mijn fiets enkele kilometers door een dikke laag zand op de weg moet duwen.
Het hoogtepunt van de dag valt tegen de avond even buiten Þórshöfn. Na een dag van steenslagwegen tref ik daar vier kilometer asfaltweg. De zon staat laag in mijn gezicht en het is windstil. Van genot slinger ik over de weg luisterend naar het gezoef van mijn banden over het asfalt. Helaas eindigt de dag enigszins in mineur. Ik had me voorgenomen tot het kruispunt met weg 867 te rijden. Dit blijkt boven op een heuvel te liggen. Omdat het al bijna donker is, besluit ik ondanks de afwezigheid van water mijn tent hier op te zetten. Koken, wassen en tandenpoetsen is er niet bij. En de Skyr (IJslandse kwark) die ik gekocht had is ook al 2 maanden over zijn houdbaarheidsdatum. (n.b. Meer dan tien jaar later kom ik er achter, dat op nog geen vijftig meter van de kampeerplek een riviertje stroomt.)
De volgende ochtend is het mistig. Wat later dan normaal breek ik mijn tent af, om de weg die het schiereiland afsnijdt te volgen. Mijn eerste zorg is water te vinden want ik stik van de dorst. Na een paar kilometer kan ik mijn bidons vullen bij een sneeuwveld waar een klein stroompje uitdruppelt. De weg zelf lijkt eindeloos lang, maar is in werkelijkheid nog geen 40 kilometer. Een gedeelte is vlak, maar ook moet ik door enkele rivierbeddingen waden, en door een doolhof van bergjes heen slingeren. Hoewel ik niet ver van de bewoonde wereld ben, voel ik me behoorlijk verloren. Het uitzicht over het Óxarfjórdur, dat ik na vijf uur ploeteren bereik, voelt daarom als een bevrijding. In de tussentijd ben ik slechts drie auto's tegengekomen.
Asbyrgi, Hljóðaklettar en de zuidelijker gelegen watervallen maken allemaal deel uit van het Jokulsá nationale park. Vandaag wordt daarom een wandeldag. Eerst ga ik de Hljóðaklettar van dichtbij bekijken. Dit zijn dus grillig gevormde huizenhoge basaltrotsen. Oorspronkelijk is het de kern van een vulkaan, die na een vloedgolf is vrijgekomen. De mooiste is een soort grot waarvan de poort gevormd wordt door een golf van basalt pilaartjes. Het dak bestaat uit allemaal zeshoekige stenen. Iets noordelijker liggen de Raudhólar, grote zwarte bergen met rode strepen van vulkanische as.
Hierna loop ik naar het zuiden. Het pad dat ik volg is een bekend langeafstands wandelpad, langs de rivier Jokulsá á Fjöllum. Langs de rivier staan nog meer rare basaltrotsen, zoals Karl og Kerling (man en heks) en eentje die op een vikingschip lijkt. Verder kom je langs de route groene oases met berkenbosjes en kleine watervalletjes tegen. Als je weet dat er zich verderop bij Dettifoss ook een prachtig stuk bevindt, dat is deze tweedaagse wandeltocht een aanrader.
Ik blijf drie dagen in Mývatn. Dit is een meer dat in een vulkanisch zeer aktief gebied ligt. Op mijn eerste IJsland tocht was ik hier al geweest. Maar vanwege de verscheidenheid aan vulkanische verschijnselen wilde ik het gebied nogmaals en uitgebreider verkennen. Allereerst maak ik een fietstocht rond het meer, om enkele plaatsen te bezoek waar ik nog niet geweest was. Het eerst is Höfdi, een privétuin vol IJslandse planten. Maar het meest bekend is het om het uitzicht op enkele vreemde, kleurige lavapilaren die in het Mývatn staan. Bij Skútustaðir bezoek ik de pseudokraters. Deze zijn zijn niet ontstaan door vulkanisme, maar doordat stoom die in de grond zat plotseling is ontsnapt. Ook aan de oostkant van Mývatn kom ik enkele mooie exemplaren tegen. En bij de brug over de rivier Laxá bespeur ik een paar IJslandse brilduikers (eenden), die als een razende tegen de stroom inzwemmen. Een fantastisch gezicht.
Verder maak ik twee wandelingen, beide naar gebieden die ik eerder bezocht had. Alleen doe ik de afstanden tussen de verschillende plaatsen nu te voet, zodat ik een veel beter idee van de omgeving krijg.
Mijn eerste tocht gaat vanaf het dorp Reykjahlið dwars door een lavaveld naar de krater Hverfjall. Tussendoor moet ik af en toe over prikkeldraad klimmen, vermoedelijk omdat ik geen officieel pad volg, maar gewoon de berg in het oog houdt. De Hverfjall, een explosiekrater van zo'n 200 meter hoog en 800 meter in doorsnee, loop ik half rond. Goed te zien is, hoe de heuvels in de omgeving gekleurde horizontale banen vertonen. Dit komt omdat er verschillende warme stromen dicht onder het oppervlak liggen. Bij nadere inspectie blijkt op sommige plaatsen zelfs rood gras te groeien. Waarschijnlijk door mineralen in de grond. Vanaf de Hverfjall loop ik naar het solfatorengebied bij de berg Námaskard. Op het terrein stomen heetwaterbronnen, borrelen modderputten en dampen zwavelbronnen. Tegenwoordig is het grootste gedeelte met touwen afgezet, maar in 1989 waren daar nog genoeg plaatsen waar toeristen vreselijke brandwonden op konden lopen, omdat ze een foto van iets te dichtbij wilden maken.
Mijn tweede tocht gaat naar Krafla, een gebied waar enkele jaren eerder een vulkaan was uitgebarsten. De eerste keer dat ik hier was, ben ik er met een auto heen gereden. Nu kom ik er door vanaf de camping de oude lavastroom stroomopwaarts te volgen. Onderweg loop ik over oude lavaplaten waar soms nog stoom onder vandaan komt. Na een uur of drie kom ik bij Krafla aan. Het is nog steeds een indrukwekkende gebied. Een zwarte vlakte van grillige gestolde lava, met daarin toch ook rode, gele en grijze gebieden waar blijkbaar andere mineralen uit de grond zijn gekomen. Verder beklim ik de berg Krafla waar het gebied zijn naam aan ontleent, en vanwaar je een mooi overzicht van het gebied te krijgt.
Op de camping loop ik opnieuw tegen de kunstacademie-studente aan, zodat ik 's avonds niet alleen naar dronken feestendvierende IJslanders hoef te luisteren. Fietsen op IJsland lijkt haar de ideale manier om je te verplaatsen. Na meer dan 10 lekke banden heb ik daar mijn twijfels over.
Ik beschouw Akureyri als het einde van mijn fietstocht. De rest zal ik per bus doen. De volgende dag zwerf ik een beetje door het stadje maar het kan me nauwelijks bekoren. In de middag klim daarom op de berg die achter het stadje ligt. De top is te hoog, meer dan 1000 meter. Maar ook vanaf het (aangelegde) uitzichtspunt heb je een mooi overzicht over stad en fjord. Bij terugkomst wordt ik aangesproken door twee fietsers. Eerst herken ik ze niet, maar het blijken twee Zwitsers te zijn die ik bij Mývatn ontmoet heb. Ze waren toen op weg naar Askja, wat ze inderdaad ook bereikt hebben. Hoewel ze op een rantsoen van macaroni en chocola moesten leven hadden ze een uitstekende tocht gehad. Vooral de kermisrit door de lavavelden schijnt spectaculair te zijn. Overigens hadden ze op de terugweg een lift van een vrachtwagenchauffeur aanvaard, omdat de oostelijke weg lang de Jokulsá á Fjöllum te zanderig was om te fietsen.
Voor mijn busreis kies ik een toeristische tocht, die over de Kjöler route (tussen de gletsjers Langjökull en Hófsjökull) gaat. Een gids, lunch en koffietafel zijn bij de prijs inbegrepen. Mijn fiets gaat onder in de bus mee. Vanaf Varmahlið bereiken we na een flinke klim de Kjölur. Echt spannend is het begin van de route niet, al probeert de gids er met verhalen over rampreizen en vogelvrijverklaarden nog iets van te maken. Het land is plat, een vage grasvlakte. In de verte zijn de twee gletsjers te zien. Een aardig moment is een rivierdoorsteek. Tegenwoordig zijn alle belangrijke rivieren overbrugt, maar indertijd moest de bus nog gedeeltelijk door de rivier heen rijden. Om de passagiers de kans te geven hier een foto van te maken, mag iedereen uitstappen, waarna de bus nogmaals de rivier doorsteekt. Uiteraard zwaait de chauffeur hierna naar ons, om te doen alsof hij zonder passagiers verder rijdt.
Tegen de middag bereiken we Hveravellir. Dit is zonder meer één van de mooiste warme bronnen gebieden van IJsland. Vele zijn er omgeven door gelaagde siliconenafzetting in allerlei kleuren, terwijl het water prachtige schakeringen blauw aanneemt. Verder is er een natuurlijk verwarmd stroompje dat als zwembad voor de eenvoudige camping dienst doet.
Na Hveravellir wordt het landschap interessanter. Het wordt heuvelachtiger, en de weg komt dichter bij de gletsjers. Regelmatig maakt de bus een fotostop. Bij één van deze stopt er een fietser vlak achter de bus. Ik besluit een praatje te maken. Tot mijn verrassing is het een Duitse student die ik twee weken eerder op de boot naar de Faroer was tegengekomen. Hij wilde toen de G&aaelig;savatnaleið, de weg van Askja naar de Sprengisandur rijden, wat mij geen goed idee leek. Bij nader inzien vond hij dat ook, en in plaats daarvan rijdt hij met wat mensen die hij onderweg ontmoet heeft de Kjölur. We nemen afscheid als de bus zijn deuren sluit, en zonder mij weg dreigt te rijden. Overigens zal ik later bij Geysir, en op de camping van Reykjavik meer oude bekenden tegenkomen. Het wereldje van IJslandfietsers is klein.
Het laatste deel van de Kjölur, waarbij je uitkijkt over de Bláfell, is het mooist. Wel wordt de weg steeds slechter, waarbij de afdaling richting Gullfoss een dieptepunt lijkt. De drie toeristische attracties Gullfoss, Geysir en Þingvellir had ik eerder gezien. Maar door het prachtige weer ligt met name Þingvellir er heel ontspannen bij. Tegen zeven uur bereikt de bus Reykjavik, waarna ik naar de camping fiets. Mijn laatste twee dagen spendeer ik met slenteren door Reykjavik, en veels te vroeg naar Keflavik Airport fietsen. Al met al een mooi einde van een vakantie die ik nu, dertien jaar later, nog steeds beschouw als de meest bijzondere tocht die ik gemaakt heb.
ME, 2002