De lucht is grijs bewolkt als ik met een fietsdoos de hal van de luchthaven Keflavik uitloop. De doos is niet van mij, maar van een chagerijnige medereiziger die in een discussie verwikkelt is met een nog chagerijnigere douanier. Het heeft misschien iets met het tijdstip te maken, half twaalf 's nachts lokale tijd, half twee Nederlandse tijd. Ik zet de doos bij een afvalcontainer, en stap op de fiets. Het meest logisch is om op dit tijdstip naar de camping van Keflavik te gaan. De weerzin die ik de voorgaande jaren tegen de drukke weg Keflavik - Reykjavik heb ontwikkeld heeft me echter doen besluiten deze 's nachts nog te rijden. Een prettige verrassing is, dat er sinds mijn laatste bezoek een brede uitloopstrook aan beide kanten van de weg ligt. Dit betekent dat je niet hoeft te manouvreren over een 30 cm breed stukje asfalt, met vrachtautos die langs je scheren, maar lekker 1,5 meter voor jezelf hebt. Maar goed ook, want ondanks het late tijdstip is er nog behoorlijk veel verkeer.
Bij Hafnafjördur sla ik rechtsaf in de richting van Kleifarvatn,. Dit is een meer met enkele eigenaardigheden. Er zou zich b.v. een Loch Ness-achtig monster in het water schuilhouden. Veel minder mystiek is dat na aardbevingen twee jaar geleden het waterniveau zo'n vier meter is gedaald, waardoor er aan de zuidkant hete bronnen aan het oppervlak zijn gekomen. Het meer ligt er door het kalme weer prachtig bij met grillige rotsformaties die rood kleuren in de lage zon.
Ondanks dat ik mijn vermoeidheid begin te voelen, laat ik mijn oorspronkelijke plan varen, om bij Kleifarvatn te kamperen. Een bordje verboden te kamperen, maar ook de vele autosporen schrikken me af. Ik geen zin om 's ochtends door een boze landeigenaar of een bus toeristen gewekt te worden. Daarom kies ik voor plan B, doorrijden naar Þórlakshöfn om de boot van 12:00 uur naar de Vestmannaeyjar te nemen. Dit betekent dus de rest van de nacht doorfietsen. Maar omdat het al 5 uur (Nederlandse tijd) is, ben ik toch al over mijn slaap heen.
Een kilometer na Kleifarvatn krijg ik een lekke band. Vreemd. Ik rijd op een asfaltweg, en mijn achterband is nieuw. Dat belooft wat, het stuk weg dat volgt is berucht omdat het oppervlak bestaat uit los gravel en wasborden. Berucht, maar mooi. Aan de rechterkant een grillig groen lavaveld en de zee, links steile hellingen met diepe groeven waar in de lente waarschijnlijk beekjes in stromen. Nu is alles droog. Vervelend, want mijn drinkbussen zijn leeg.
Daarom sla ik af in de richting van Strandar, waar in ieder geval een camping is. Er staat een historisch kerkje, dat ooit is opgericht door schipbreukelingen die hier aan land kwamen. Ik bof, er is ook een cafetaria waar ik koffie kan krijgen. De eigenaresse spreekt nauwelijks Engels, en geeft me boekjes met de historie van het plaatsje (niet meer dan een paar boerderijen). Om bij het kerkje te komen moet je een aanval van Noordse sternen trotseren. Van buiten wijkt het nauwelijks af van andere IJslandse kerkjes met een torentje en drie raampjes aan elke kant. Van binnen is het opvallend kleurig.
Na Strandar gaat de onverharde weg geleidelijk omhoog, zodat ik een mooi uitzicht over de omgeving krijg. Na de afdaling kijk ik uit naar rechts, waar volgens mijn kaart een binnenweg richting Þórlakshöfn zou zijn, die me zo'n 10 km fietsen bespaart. Deze bestaat inderdaad, maar zogauw ik 'm opfiets, heb ik weer een platte band. Ik snap het niet, ook deze binnenband was nieuw. Ik doe mijn laatste binnenband erop. Deze blijkt poreus te zijn, en mijn band loopt langzaam leeg. Omdat er flinke keien op de weg liggen, loop ik de laatste 4 kilometer, waar ik om half twaalf aankom.
In Þórlakshöfn ga ik eerst naar de bank om geld te halen, maar de geldautomaat blijkt zich in het benzinestation te bevinden. Hierna fiets ik naar de haven waar de boot al met open laaddeur wacht. Na een teken van het personeel duw ik mijn fiets het ruim in, sjor hem aan een reling vast, en ga naar boven. Ik hoop op een rustig hoekje waar ik kan slapen, maar de meeste zitplaatsen zijn al bezet, onder andere door een kindercircus dat blijkbaar op de Westmann eilanden gaat optreden. Bovendien zitten er al mensen aan grote borden patat en hamburgers. Daarom zoek ik het dek maar op. We varen een paar kilometer uit de kust. Ik herken wel plaatsen op de wal, maar het landschap is vlak en niet zo interessant. Mijn twee lekke banden blijven me bezig houden. De binnenbanden waren net nieuw, en ik heb de buitenband gecontroleerd op scherpe voorwerpen voor ik ze er om legde. Dan als in een droom herinner ik me de bestelling in de fietsenwinkel, twee binnenbanden 28/622 met lang ventiel. Mijn banden zijn 37/622, ik heb toch niet te smalle banden gevraagd ? Later op de camping controleer ik het, en het blijkt inderdaad het geval te zijn. Stom. Dit betekent dus, dat ik ergens nieuwe binnenbanden vandaan moet halen, in Heimaey of anders in Selfoss.
Na drie uur varen we de haven van Heimaey binnen. De 200 meter hoge kliffen waar we langs varen zijn indrukwekkend. Een deel van de haven is afgezet, als reservoir voor de orka "Keiko", de ster uit de Free Willy films, die hier een training krijgt voor hij weer in vrijheid wordt gesteld. Het beest laat zich niet zien.
Nadat we zijn aangemeerd, loop ik nog even als een zombie door het dorp om inkopen te doen, maar fiets daarna naar de camping waar ik om half vijf 's middags mijn tent op zet, en ga slapen.
Het is prachtig zonnig weer, en ik heb een loom vakantiegevoel. Na mijn ontbijt (rond het middaguur) slof ik het stadje in. Het bevalt me wel. De huisjes die als een arena om de haven heenliggen, en de hoge rotsen aan de overkant ervan, geven het stadje iets intiems. Bij de Tourist Information kennen ze geen fietsenwinkel in Heimaey. Ik verzoen me met de gedachte dat ik terug op het vasteland een omweggetje via Selfoss moet maken.
Bij de haven staat een replica van een Noorse staafkerk. Hoewel de IJslanders oorspronkelijk uit Noorwegen afkomstig zijn, vind ik deze kerk een beetje misplaatst, omdat de IJslandse kerkjes toch een andere stijl hebben. Hierna loop ik verder over het strand langs de havenmond tot ik niet meer verder kan. In plaats van terug te gaan besluit ik het lavaveld in te duiken. Dit lavaveld is in 1973 ontstaan, toen de doodgewaande vulkaan Helgafell plotseling uitbarstte. Een stroom lava dreigde de havenmond af te sluiten. Door er water op te spuiten, stolde de lava, en is de huidige havenmond ontstaan. Het lavaveld is erg ruig, veel hoogteverschil en de steen is ruw en scherp. Ik kom moeilijk vooruit, en moet goed om me heen kijken om een route te bepalen. Dan zie ik enkele meters boven me een blauw paaltje. Ik klauter erheen, en blijk op een wandelpad te zijn beland. Hoewel nog niet eenvoudig, loopt dit toch een stuk makkelijker. Het pad gaat langs de rand van het eiland, rond de ook in 1973 ontstane berg Eldfell. Ik loop dus langs een berg die jonger is dan ikzelf.
Het pad komt uit bij een kleine vuurtoren. Ik loop verder, en kom bij een strandje. Hier klim ik tegen de de heuvel op, en kom op een grote lavavlakte. Midden op de vlakte bevindt zich een grote rechte spleet gevuld met basaltblokken. Dit is de belangrijkste bron van de lavastromen uit 1973. Ik loop tussen de Helgafell en Eldfell, door om terug te keren naar Heimaey. Daar bekijk ik andere gevolgen van de uitbarsting, zoals het grote lavaveld dat een derde deel van het stadje bedekte, en de randen daarvan waar je nog ruines van verwoeste huizen kan zien. Om acht uur keer ik terug naar de camping. Ik heb geen zin om te koken en loop op de terugweg langs de friettent, waar ik voor bijna ISK 800,- (EUR 10,- ) een hamburger met friet koop.
Ook de volgende dag is het schitterend zonnig en helder weer. Ik pak mijn fiets en rij naar de andere kant van het eiland, een kleine twintig minuten fietsen. De meeste zuidelijke punt ligt op een schiereiland, verbonden door een natuurlijke dam. Ik loop naar de achterkant, waar ik een tijd in de zon naar de papagaaienduikers kijk. In de verte is het eiland Surtsey te zien, dat bij een uitbarsting in 1963 is ontstaan. Na rondgelopen te zijn, maak ik ook een korte wandeling over het strand. In het zand zijn door de wind grillige patronen geslepen. Niet spectaculair, wel leuk om naar te kijken. De camping van Heimaey ligt in een dal, een oude vulkaankrater, omgeven door steile hellingen. 's Avonds klim ik er tegenop. Ook hier vliegen papagaaienduikers. Een vissersboot ligt diep onder me op zee. Over de bovenrand loopt een pad richting haven. Na honderd meter wordt het echter smal met losse stenen. Ik voel er niks voor, om 200 meter dieper in zee te glijden. Het lijkt me daarom onverantwoord verder te lopen en keer via dezelfde weg terug.
De boot vertrekt de volgende ochtend om acht uur. Ik sta dus om half zeven op, maar troost me met de gedachte dat het in Nederland het tijdstip is waarop ik normaal opsta. Het weer is anders dan de vorige dagen, grijs. Ondanks de fikse wind is de zee rustig. Gelukkig maar, want ook op dit vroege uur bestellen sommige mensen patat, en van de lucht wordt ik een beetje misselijk. Op het vaste land regent het. Mijn volgende doel is Veiðivötn, een merengebied, zo'n 25 kilometer ten noorden van Landmannalaugar, maar gescheiden door de rivier Tungnaá. Omdat ik via een kleine omweg ga, denk ik er zo'n drie dagen over te doen.
In plaats van de normale weg via Hveragerdi neem ik de kustweg (nr 34) richting Eyrarbakki en Stokkseyri. Vlak nadat ik deze in heb geslagen, krijg ik weer een platte band. Ik wissel hem voor degene die langzaam leegloopt. Op de camping van Heimaey had ik deze gecontroleerd, en niets merkwaardigs ontdekt, maar hij blijkt nog steeds poreus. Voor ik in Selfoss ben moet ik hem regelmatig en met steeds kortere tussenpozen oppompen.
Eerst bezoek ik echter het volksmuseum van Eyrarbakki, in de omgeving ook wel bekend als Het Huis. Het is een oud handelshuis uit 1765, en daarmee van de oudste gebouwen in IJsland. De tentoonstelling is zoals in andere volksmusea in IJsland, kamers met 19e eeuws meubilair en oude foto's. Aardig is een oud monopolyspel, met straten van Reykjavik. Verder bezoek ik de kerk, die twee etages heeft, en daarom uniek voor IJsland is. Hierna fiets ik door naar Stokkseyri om een oude turfhut Þuridar te bekijken. Het is een klein schapenstalachtig gebouwtje zonder raampjes en met gras op het dak. Indrukwekkend is het niet, maar er schijnen vroeger mensen in gewoond te hebben.
Het laatste stuk richting Selfoss is weer opboksen tegen de wind. Gelukkig kan ik daar twee nieuwe binnenbanden kopen. Achter het busstation monteer ik er één. De andere zal ik na later blijkt, deze tocht niet gebruiken. Om 5 uur vertrek ik richting Hella. Het weekend is begonnen, dus het is druk op weg nr 1. Helaas is er geen alternatief. Wel is er nog een flinke afleiding in de vorm van de vrijwel onbekende waterval Urridafoss. Deze ligt in de rivier Þjórsá zo'n 2 km stroomafwaarts van de ringweg, bij de boerderij met dezelfde naam. Het is niet zo'n hoge waterval, wel breed, en hij doet denken aan het bovenste deel van de Gullfoss (maar dan groter). Dat het echt om een joekel gaat valt me pas op, als ik op een schiereiland in de waterval een stipje ontwaar, dat de boer bleek te zijn, die zijn visnetten controleerde. Helaas wordt ook deze waterval, net als andere in de Þjórsá (Dýnkur, Gljúfurleitarfoss), bedreigd door nieuw te bouwen waterkrachtcentrales.
Vanaf Hella volg ik de ringweg eerst nog een stukje, en sla bij weg 264 af richting de museumboerderij Keldur. Na een dikke 10 km fietsen langs velden met blauwe bloemetjes kom ik aan de rand van het bewoonde gebied. Van hieraf overheerst de vulkaan Hekla, die, hoewel nog 25 km ver weg, duidelijk zichtbaar is. Keldur is teleurstellend. Bij de aardbeving twee jaar eerder (2000) is het gebouw beschadigd, en nu is het in renovatie, maar daar lijkt niet veel schot in te zitten. En het bijbehorende kerkje is op slot. Ik fiets verder langs de zuidrand van het Heklagebied. Ook hier nog allemaal boerderijen, en de weg wordt zelfs weer asfalt. Ik ben op zoek naar een ongenummerde weg door de lavavelden, naar het noorden. Maar ik vind hem niet, en beland daarom op weg 268. Deze loopt eerst langs de rivier Hólsó, waar nog wat boerderijen langs liggen, maar na verloop van tijd rijd ik toch in een kaal niemandsland. Opvallend is een rotsformatie die door de wind in de vorm van een oud galleischip is geblazen, althans dat zie ik er in. Op gegeven moment hoor ik gebrom dat steeds luider wordt. Een vliegtuigje vliegt laag over de grond, en verdwijnt over een heuveltje. Ik vrees eerst dat het een noodlanding heeft moeten maken, maar als ik even later de hoek om rijd zie ik hem staan op het "vliegveld", een vlak stuk grond waarop de landingsbaan wordt aangegeven door geel geverfde stenen.
De constante tegenwind begint na verloop van tijd zijn tol te eisen. Als de eerste boerderijen verschijnen stap ik af, en ga lopen om mijn spieren te strekken. Vlak hierna barst er een noodweer los. Na een paar minuten ben ik al doorweekt. Ondanks dat ik maar een paar kilometer van de camping Galtalaekur af ben maak ik daarom geen haast. Ik verwacht ook dat de regen na een kwartiertje op zal houden, maar meer dan een uur later regent het nog. Ik blijf rillend in het wc huisje van de camping wachten. En als de regen ophoudt, wacht me een volgende plaag : kleine vliegjes die het leuk vinden om in mijn ogen, neus en oren te kruipen. Ik heb een hoofdnet bij me, maar omdat ik andere mensen op de camping het ook zonder zie doen, schaam ik me er voor om het te gebruiken. Uiteindelijk worden de beestjes met te machtig, en doe het ding toch op. Het is de eerste keer, dat ik een hoofdnet in IJsland gebruik, zelfs bij Myvatn heb ik hem nooit nodig gehad.
Na het eten maak ik een avondwandeling naar een waterval die op mijn kaart is aangegeven. Deze blijkt bij een viskwekerij te liggen, is zo'n 5 meter hoog, en hooguit twee meter breed. Teleurstellend, en zelfs niet de moeite van een foto waard. Het uitzicht op mount Burfell met ondergaande zon maakt mijn avond weer goed. Camping Galtalaekur is enigzins anders dan andere campings in IJsland. Dat douches en warm water ontbreken is niet ongewoon, maar de aanwezigheid van kinderspeeltuig en een kleine winkel is opvallend. Daarnaast is de camping enorm groot. Op het hoofdveld moet je met gemak enkele duizenden mensen kwijt kunnen. In het eerste weekend van augustus wordt er b.v. een festival gehouden waar zo'n 10.000 man op af komt. Ook worden er gezamenlijke aktiviteiten georganiseerd. Deze avond een kampvuur waarbij gezongen en gedanst wordt. Tot mijn vreugde zie ik, dat ik niet het enige watje ben, er zijn ook IJslanders zijn die een muggennet dragen. Met de melodie van de IJslandse Hokie-pokie op de achtergrond duik ik mijn tent in.
De volgende dag begint met een bezoek aan twee watervallen in de rivier Þjórsá. De eerste (Þjófafoss) ligt aan de zuidkant van de berg Búrfell en is bereikbaar via een enkele kilometers lang stenenpad. Het is een recht-toe recht-aan waterval, hooguit opvallend omdat de Hekla een mooie achtergrond vormt. De tweede waterval genaamd Tröllkonufoss (Trollenvrouw-waterval) is zichtbaar vanaf de weg. Deze is niet zo hoog, maar zeer breed. De naam zou komen van een in de buurt wonende trollenvrouw, die haar buurman wilde opeten. Deze ontsnapte echter door bij de waterval springend van steen tot steen naar de overkant van de rivier te vluchten. Iets verderop kom ik een fietser tegen. Hij is net via de Burfell stuwdam de Þjórsá overgestoken. In principe is dit verboden, maar als je (via weg F225) naar Landmannalaugar wilt, scheelt het zo'n 40km omrijden. Na de dam volgt zo'n 30 km van de saaiste weg die ik op IJsland ben tegengekomen. Aan de ene kant een zandduinen met ver weg een heuvelrug, aan de andere kant een stuwmeer, en later de rivier Kaldakvisl. Drinkwater heb ik ook niet meer, en ik ben daarom blij als ik bij hotel Hrauneyjar aankom. Hier drink ik een kop koffie, en blijf een tijdje zitten. Misschien iets te lang.
Om half zes ga ik verder voor de laatste 40 km naar Veiðivötn waar ik verwacht om acht uur aan te komen. Het eerste deel tot een nieuw te bouwen stuwdam is asfalt. Hierna sla ik een zijweg in. Met enige weemoed kijk ik naar het land dat onder water zal komen te staan. Hierna gaat de weg bergafwaarts naar een meertje, waar de weg verandert in een zandpad. Ik stap af en duw mijn fiets. Ik dacht in Island per Rad gelezen te hebben dat het zand alleen langs het meertje lag, maar het gaat zo'n kleine 20 kilometer door. Moeizaam duw ik mijn fiets vooruit. Af en toe graaft mijn voorwiel zich in het wegdek, en moet ik mijn fiets aan het stuur vooruit trekken. Het wordt later, negen uur, tien uur. Het wordt schemerig. En heel rustig, geen wind en geen andere geluiden.
Rond half elf kom ik bij het eerste riviertje waar ik doorheen moet. Ik doe mijn waadschoenen aan, en til mijn fiets over het water. Hierna volgt een stukje weg waar ik wel weer kan fietsen, tot de volgende rivier. Als ik mijn waadschoenen aandoe, zie ik uit het niets een auto met grote voelsprieten verschijnen. Hij rijdt een heuvel op, en verdwijnt weer in het niets. Even later op een andere heuvel hezelfde, een auto met voelsprieten (hengels) die plotseling opdoemt en weer verdwijnt. Ik ben bij Veiðivötn (=vismeren) aangekomen. Het is half twaalf.
De camping van Veiðivötn is prachtig gelegen aan het Tjaldvatn (tentmeer). De meeste bezoekers huren er een hut, zodat er ruimte genoeg is voor het handvol kampeerders. Toch vind ik het moeilijk om een goede plaats te vinden. De begroeiing bestaat niet uit gras, maar uit mos en kleine struiken. Het staat me tegen om die kleine plantjes, die het in deze omgeving toch al zo moeilijk hebben, te verpletteren onder mijn tent en gewicht. Een ander nadeel is, dat er weinig beschutting tegen de wind is. De tent is een daarom dankbaar schuilobject voor honderden vliegjes (visvoer !) die hier zitten. Desondanks ben je blij als er wind is, want bij windstilte verspreiden de krengen zich in alle richtingen, maar vooral rond je hoofd, in je neus en in je oren.
De wandeling naar Veiðivötn is me niet in de kouwe kleren gaan zitten. De volgende dag ben ik hardstikke stijf. Pas aan het begin van de middag ga ik weer op pad om naar de rivier Tungnaá te lopen. Eerst volg ik de oever van het Tjaldvatn, waarna ik afsteek naar het "vliegveld" (een plat stuk grond met een windzak). Na door een riviertje gewaad te zijn, volg ik een kort jeeptrail, dat me tussen de bergen, door leidt. Aan het einde hiervan staat een basaltzuil van een meter of 3 breed en 15 meter hoog. Merkwaardig is, dat het ding geheel vrij staat. In de nabije omgeving is er helemaal niets wat er vergelijkbaar uitziet, zelfs de dichtsbijzijnde heuvel is meer dan 100 meter weg. Tröllið heet het ding. Waarschijnlijk verklaart men zijn aanwezigheid met een verhaal over een stoute trol die versteend is. Ik houd het zelf op een gestolde lavapijp die is blijven staan, nadat zachter gesteente er om heen is ge-erodeerd.
De Tungnaá is op dit punt niet zomaar een riviertje van enkele meters breed. Het is meer een spoelzandvlakte van enkele kilometers breed, waar tientallen grijsbruine stroompjes kriskras doorheen vloeien. Ik volg de rivier stroomopwaarts tot ik bij een schiereiland uitkom. Van hieraf kan ik de rivier stroomopwaarts tot zijn oorsprong, de Vatnajökull, zien. Het mos op het schiereiland heeft vreemde cirkels gevormd. Deze had ik eerder op andere plaatsen gezien, maar nooit zo duidelijk.
Hierna klim ik weer over de bergrug, en loop langs de rand van een meer terug. Ik groet twee vissers, de enige personen die ik op deze wandeling tegenkom.
Terug op de weg weet ik even niet hoe ik moet lopen. Ik besluit me op een bergrug te concentreren die ik ook op de heenweg kon zien. Dit betekent dat ik van de weg af moet, en af en toe een steile helling moet beklimmen. Toch nog onverwachts zie ik de camping in een dal liggen. Zes uur na vertrek sta ik weer op bekend terrein, een stel pijnlijke voeten door te krappe schoenen rijker.
De volgende dag is weer een fietsdag. Veiðivötn bestaat uit een aaneenschakeling van met water gevulde kraters. De meeste zijn begroeid met mos en soms met grillige gevormde lavarotsen langs de kant. Maar er zijn ook enkele kraters die alleen uit zwarte sintels of lavagruis bestaan. De weg, twee cirkels die met elkaar verbonden zijn tot een achtvorm, slingert zich hier doorheen. Het levert prachtige uitzichten op de meren en omringende bergen op. Aan de zuidkant volg ik nog een aftakking, die me na een paar kilometer uitzicht geeft over het gebied rond Landmannalaugar. Later hoor ik, dat ik deze weg nog iets verder had moeten volgen om bij een heel mooi meer te komen.
's Avonds praat ik nog even met de vrouwelijke terreinbeheerder (warden), die samen met haar Duitse man op het gebied past. Omdat ik een beetje een buitenbeentje (lees : geen IJslander en geen visser) was, waren ze enigszins bezorgd geweest. Ze wist dan ook precies te vertellen waar ik de twee dagen had doorgebracht. Ook vertelt ze me dat ik nog niet eens het eens het mooiste deel van Veiðivötn heb bezocht, een gedeelte ten noorden van de camping aan de oever van het meer Litlisór. Ik besluit dat de volgende morgen te doen. Helemaal verrast ben ik als ze vertelt, dat ze voor de volgende dag een lift terug heeft geregeld, zodat ik niet nogmaals een paar uur door het zand hoef te banjeren.
Na een uurtje fietsen sta ik de volgende ochtend aan de rand van het Liltlisjór. Ik loop een stuk het gebied in tot een meertje. De randen bestaan uit kleurige mossen, en er liggen grillige bemoste lavaeilanden in. Het is omzoomt door grijs met bruine gruisbergen. Is dit wel de aarde ? Ik loop langs de oever tot ik bij een klein zijmeer kom, een kleine krater met glashelder water. Voorzichtig klim ik naar het einde van het kratertje waar ik een half uur lang blijf zitten, alleen maar genietend van het uitzicht. Helaas moet ik om drie uur weer terug zijn op de camping omdat dan mijn lift vertrekt.
Om twee uur ben ik terug, waar ik even eet voordat ik mijn tent afbreek. Dan verschijnt de beheerder. Met Duitse subtiliteit blaft hij : "Waar ben je, ze wachten op je". Ik schrik, het was toch om drie uur ? "Geef me 15 minuten dan ben ik er". Ik prop alles zonder systeem in mijn tassen. Dat zoek ik later wel uit. Als ik het bovendoek van mijn tent haal, vliegen honderden vliegjes die onder het doek een schuilplaats hadden gevonden in mijn gezicht. Bij het afbreken van mijn ondertent breekt een stok. De gevolgen hiervan ontgaan me op dat moment, ik moet mijn lift halen. Met mijn tassen slordig aan mijn fiets bevestigd sprint ik naar de hut van de warden. "Ben ik nog op tijd ?" vraag ik. "Ze komen zo" is het antwoord. Ik praat een tijdje met een Australische fotograaf, die me een tip geeft om vooral rond zonsopgang en zonsondergang foto's te maken. Als ik na anderhalf uur wachten ongerust begin te worden dat mijn lift toch al weg is, komt er een witte Suzuki voorrijden. Mijn lift naar Hrauneyjar. Op de rechterachterbank is nog net een plaatsje vrij tussen het vistuig. Mijn fiets wordt later met de vuilnisophaalwagen gebracht. Aan de ene kant vind ik het jammer om deze weg niet ook bij daglicht te fietslopen, aan de andere kant ontloop ik hiermee de zandstorm die de tocht nog zwaarder dan de heenweg zou maken. We crossen weg. Normaal doet een auto zo'n twintig minuten om van Veiðivötn tot de hoofdweg te komen, mijn chauffeur doet het in vijftien. En wat doet een echte IJslander als een grote vrachtwagen de weg verspert ? Je rijdt het talud af, banjert een stuk door de berm, en rijdt het talud weer op. Op de heenweg deed ik over dit stuk zo'n zes uur, nu sta ik na een half uur weer bij Hrauneyjar.
Omdat ik op mijn fiets moet wachten, bestel ik een hamburger met frites. Aan een andere tafel zie ik het boekje Island per Rad liggen. De eigenaar blijkt een Oostenrijkse fietser met grote plannen te zijn. Hij wil de track ten noorden van de Vatnajökull (Gæsavatnleið) fietsen, en de hoogste berg van IJsland beklimmen. Door tegenwind is hij echter in Hrauneyjar gestrand, nadat de dag ervoor ook al teleurstellend verlopen was. Hij had de Linúvegur gefietst, een track die min of meer loopt van Gullfoss naar Haifoss. Het had hem bijna een dag gekost. Ik probeer zijn enthousiasme voor de Gæsavatnleið ook enigszins te temperen, door te zeggen dat deze toch wel net zo slecht zou kunnen zijn als de weg die hij net gereden heeft. Hij lijkt onzekerder te worden. Maanden later krijg ik een mail van iemand die hem in de Westfjords is tegengekomen. Hij heeft het dus overleeft.
Met wind mee fiets ik naar Árnes. Omdat ik weet, dat ik dezelfde weg twee dagen later terug zal fietsen, gaat mijn grootste versnelling erop. Binnen twee uur fiets ik de 40km. In Árnes heb ik een rustdag. 's Ochtends houd ik me voornamelijk bezig met aardse zaken als kleren wassen, mijn ouders bellen en koffie drinken in het restaurant. 's Middags besluit ik een kleine wandeling te maken. Volgens mijn kaart ligt vlakbij de camping een waterval in de Þjórsá, de Búdafoss. Ik loop naar de rivier, maar deze is op het betreffende punt vooral plat en breed. Helaas heb ik mijn kaart niet bij me zodat ik niet kan controleren welke kant ik op moet lopen. Ik kies stroomopwaarts, waar de rivier wilder lijkt. Er drijven stukjes puimsteen langs de kant. Grappig, drijvende stenen.
Na twee uren lopen is er nog steeds geen waterval. Ik sta voor een weiland met paarden, omspannen door schrikdraad. Ik kruip er onderdoor, in de hoop dat niemand me ziet (ook de paarden niet). De rivier is op dit punt vrij smal, en na een paar honderd meter kom ik op een punt waar er inderdaad een forse stroomversnelling danwel kleine waterval te zien is. Ik weet niet of dit de Búdafoss is, maar het is in ieder geval een mooi punt met aardige basaltformaties en een eilandje met kleine boompjes. Voor mij is de wandeling geslaagd. Vanaf hier loop ik naar de weg waarna het nog bijna anderhalf uur teruglopen is.
Als ik terug ben bij mijn tent staat er een andere tent met twee fietsen vlakbij. Na het eten komt één van de eigenaren langs om wat vragen te stellen over de omgeving. Hij is een Fransman, een leraar uit Parijs die samen met zijn vrouw, beroepsfotograaf op vakantie is. Ze zijn via Geysir hier belandt, en zijn nu op weg naar Landmannalaugar. We praten over de diverse streken en bezienswaardigheden in IJsland. Op gegeven moment vraagt hij : "heb jij misschien een site op Internet, want wat je vertelt komt me zo bekend voor". Hoera een bezoeker van mijn site, de allereerste die ik ooit tegenkom. Ik heb de site dus niet voor niks gemaakt. Helaas is zijn vrouw minder enthousiast over mijn foto's ("vakantiekiekjes"). Nou ja, ik vind ze mooi.
De volgende dag begint het tweede deel van mijn vakantie. Zes jaar eerder had ik van een fietser gehoord dat er een pad langs de Þjórsá loopt, dat bij Kerlingarfjöll uitkomt. Onderweg waren er hutten waar je kon slapen. Behalve dat het erg verlaten was, zou ik onderweg ook enkele watervallen tegenkomen. Met name de Dýnkur, een mooie, gelaagde waterval, vergelijkbaar met de Gullfoss, maar door zijn ligging vrijwel onbekend.
's Ochtends zwaai ik eerst de Fransen uit. Hierna koop ik in de kleine winkel van het benzinestation voor zeven dagen eten, en drink een laatste kop koffie. Mijn bedoeling is vandaag te komen tot de camping die ik twee dagen eerder zag bij de brug over de Þjórsá. Om half twaalf stap ik op. Het fietsen gaat makkelijk, weer heb ik wind mee.
Onderweg zijn er wel wat leuke bezienswaardigheden. Allereerst de aardige waterval Hjálparfoss, met mooie basaltformaties. Vlakbij bevindt zich een replica van een vikingboerderij, Þjóðveldisbaerinn. Deze is gemaakt volgens de afmetingen van een opgegraven boerderij in Stöng die in 1104 door uitbarstingen van de Hekla onder puimsteen bedolven is. Ook deze is te bezichtigen in een vlakbij gelegen zijdal. Onder een roestig golfplaten dak zijn nog wat muurtjes te zien. Was ik niet eerst naar de replica geweest, dan had ik me er niks bij voor kunnen stellen. Veel aardiger is het vlakbij Stöng gelegen Gjaín, een kleine groene vallei met een mooie waterval, grillige rotsen en riviertjes die tussen de bosjes stromen. Vanaf Gjaín fiets ik niet terug naar de hoofdweg, maar neem een mountaintrack dat hieraan evenwijdig loopt. Het begint slecht, maar na een eerste steile klim is het goed te fietsen.
Om half zes sta ik op de camping. Ondertussen is het weer betrokken en is de wind behoorlijk sterk geworden. Ik besluit in het bijbehorende hostel te overnachten. Dit is druk, er overnachten ook twee paardrijgroepen. Vlakbij de hostel begint de Linúvegur, het pad naar de waterval Haifoss. Omdat de keuken toch bezet is, stap ik op de fiets om deze te bekijken. Het deel bergop is zeer stenig, en ondanks dat ik geen bagage heb, moeilijk te rijden. Boven slingert het pad zich langs de hoogspanningsleidingen (vandaar Linúvegur). Na zeven kilometer kom ik bij een kleine parkeerplaats voor touristenbussen. Men is bezig om langs de kloof waarin de Haifoss zich zo'n 120 meter naar beneden stort een geplaveid pad en muurtjes aan te leggen. Touristenvoorzieningen die aantonen dat IJsland druk bezig is om zich hierop in te stellen. De Haifoss (en tweelingbroer Granni die er vrijwel naast ligt), zijn in het echt mooier dan op foto's waar ze er vaak nogal plat en kreupel uitzien.
Als ik terug ben in de hostel is de keuken vrij. Het is vrijdag, wat voor de ruitergroep (en IJslanders in het algemeen) betekent : drinken en zingen. Ik sluit me bij de groep aan, heb een leuk gesprek met diverse aanwezigen, en zing voorzichtig een paar woorden mee. Een meisje geeft me nog een schoudermassage. Om half één lig ik in mijn bed.
Het duurt de volgende ochtend eventjes voor ik op gang ben. Enkele mensen van de paardrijgroep maken kennis met mijn ochtendhumeur. Sorry guys. Gelukkig zwaaien ze nog naar me als ik ze later bij de brug over de Þjórsá weer tegenkom. Mijn eerste doel deze ochtend is een waterval die zich volgens mijn kaart vlak bij het stuwmeer Sultartangi zou bevinden. Tenzij het water dat zich spuitend door de dam perst bedoeld wordt, kan ik hem niet vinden.
Vlak bij de dam begint het pad langs de Þjórsá. Het begint makkelijk, bergafwaarts en daarna langs het stuwmeer. Hierna moet ik een keuze maken, links of rechts langs een rivertje de berg op. Ik kies eerst rechts, het pad ziet er beter uit. Na een paar honder meter is het pad verdwenen, en keer ik terug om alsnog de linkerkant te nemen. Dit gaat in ieder geval verder. Hoewel het geleidelijk omhoog gaat en ik wind in de rug heb, gaat het fietsen moeizaam. Er liggen kleine stenen op het pad waarop mijn banden slippen, en hele grote waar ik omheen moet rijden. Af en toe zijn er gaten, sommige ter breedte van het pad en zo'n halve meter diep. Op gegeven moment ga ik maar lopen, omdat dat minder vermoeiend is. Het landschap in de motregen is troosteloos. Ik vraag me af waar ik aan ben begonnen. De gedachte maakt me vrolijk.
Boven op de heuvel kan ik weer fietsen. Na een tijdje kom ik vier auto's tegen. De bestuurder van de eerste auto opent zijn raam om te vragen waar ik naar toe ga. Hij denkt vermoedelijk dat ik gek ben, een crazy German. Nadat ik mijn plannen uit heb gelegd lijkt hij iets geruster. Alleen zijn opmerking dat er twee grote rivieren onderweg zijn is nieuw, ik dacht dat het er maar één was. Ik vergeet te vragen of er langs de weg aanwijsborden zijn naar de Dýnkur waterval.
Vlak hierna kom ik bij mijn eerste rivierdoorsteek. Het is geen brede of diepe stroom, maar mijn voortassen moeten er wel af. Als ik ze losmaak, merk ik, dat de schroef waarmee mijn rechter voordrager aan de voorvork zit weg is. De drager had af kunnen breken. Met een stuk isolatieband en het verplaatsen van een andere schroef los ik het probleem op.
Tegen half zes kom ik bij een hut. Omdat het te laat is om nog naar de waterval te lopen, besluit ik hier te overnachten. Het is een mooie hut, eigendom van de 4x4 vereniging. Er is zelfs een toilet met stromend water. Vanuit het raam kan ik met mijn verrekijker een waterval zien. Ik denk niet dat het de Dýnkur is, maar de Hvanngiljafoss die verder stroomopwaarts ligt. Ik kook mijn avondmaal en ga slapen.
De volgende morgen blijft het weer grauw, fikse wind met regenvlagen. Tegen half elf vertrek ik. Ik weet niet precies waar de Dýnkur waterval ligt, alleen dat deze zo'n 5 kilometer van de weg afligt, en ook zo'n 5 km van de rivier Dalsá. Deze laatste is één van de twee grote rivieren waar ik doorheen moet. Mijn plan is om te fietsen tot ik deze rivier kan zien, eventueel een stuk terug te fietsen en dan naar de Þjórsá te lopen. Achteraf gezien was mijn tweede plan veel beter. Een riviertje dat ik moet doorsteken (de Geldingaá), komt ongeveer een kilometer oostelijker uit in de Þjórsá vlakbij een andere waterval de Gljúfurleitarfoss. Van daar af zou ik zo'n 5 kilometer stroomopwaarts langs de Þjórsá moeten lopen om bij de Dýnkur te komen.Omdat ik niet weet hoe makkelijk ik langs de rivier kan lopen, kies ik (helaas) voor de eerste optie.
Op gegeven moment zie ik in de verte een grote rivier liggen, ik schat op zo'n 2 km afstand. Omdat het een mooie open plek is, waar mijn fiets goed opvalt (ik wil hem graag terugvinden) besluit ik van daar af te gaan lopen. Van harte gaat het niet. Vanwege het slechte zicht, de regen en de wind, denk ik er over meteen naar de volgende hut te rijden. Omdat ik weet dat ik het later zal betreuren, prent ik de omgeving goed in mijn hoofd, en ga met rugzakje en stuurtas op pad.
De grond is nat. Regelmatig moet ik om vennetjes heenlopen. Na een kwartier geef ik het op, en besluit terug te keren. Helaas ben ik de richting kwijt. Echt verdwalen kan ik gelukkig niet, omdat ik ingeklemd zit tussen de Þjórsá in het oosten, het pad in het westen en de Dalsá in het noorden. Ik klim op een heuveltje. De heuvel die ik als orientatiepunt voor mijn vertrekpunt wilde gebruiken is niet te zien. In de verte kan ik wel de heuvelrug langs de Þjórsá zien. Het heuveltje waar ik op sta is eigenlijk een plateau met platte stenen, droog en makkelijk te lopen. Omdat ik de Dýnkur weer als orientatiepunt kan gebruiken voor de terugweg besluit ik verder te lopen. Het plateau houdt op, en verandert in een vlakte met vennetjes. In sommige zwemmen zwanen of ganzen. Na twee uur kijk ik in de kloof waarin de Þjórsá stroomt. Ik blijk iets te ver naar het zuiden te zijn gelopen. Een kwartiertje later kijk ik neer op de Dýnkur.
De Dýnkur is een mooie waterval, die in de verte aan de Gullfoss doet denken. In het linkerdeel valt het water in twee etappes zo'n 35 meter naar beneden. Karakteristiek is het rechterdeel, een plateau waar het water in drie stroompjes vanaf stroomt op een tweede plateau, dat ook uit plassen en kleine watervallen bestaat. Gelukkig is de regen vrijwel opgehouden. Ik eet wat, en maak foto's, voorzichtig om niet in de afgrond te vallen. Tegen zes uur keer ik terug, nu met wind in de rug. Na een tijd sta ik aan de oever van een brede rivier. Ik ga er van uit dat het de Dalsá is, en besef dat ik te ver noordelijk ben. Ik probeer meer zuidelijk te lopen, maar blijf in zicht van de rivier. Na 1,5 uur kom ik bij een paardenkraal. Ik kan me hem niet herinneren van de heenweg. Ik begin een beetje ongerust te worden. Omdat ik wind mee heb verwachtte ik tegen deze tijd al terug bij mijn fiets te zijn. Heb ik het pad gemist ? Loop ik in cirkels ? Ik overdenk wat ik moet doen als ik mijn fiets niet meer vind. Ik heb brood bij me, en een reddingsdeken, en ik kan teruglopen naar de hut. De gedachte nog lang te moeten zwerven, maakt me ongerust. Vooral omdat het weer is gaan regenen. Ik ben moe, nat en sop in mijn schoenen. Ik houd me vast aan de gedachte dat ik hier bijna niet kan verdwalen, omdat ik in het noorden altijd langs de rivier kan lopen. Dan, na twee uur lopen doemt uit de mist een vreemde rots op. Het is mijn fiets. Snel stap ik op. Ik dacht twee kilometer van de Dalsá te zijn, maar na een paar honderd meter sta ik aan de oever. Dit betekent dat ik geen 8 a 10 km gelopen heb maar minstens vijftien.
De Dalsá is op dit punt breed. Ik schat 75 tot 100 meter. Net als ik mijn waadschoenen aan heb, komt van de andere kant een auto. Ik kijk hoe deze doorsteekt, en het valt me op, dat het water zelden boven zijn wielas komt. Ik praat even met de bestuurder. Hij verzekert me dat niet ver daar vandaan een hut is. De rivier steek ik in twee etappes door, eerst mijn rugzak, stuurtas, en voortassen, daarna mijn fiets met achtertassen. Het water is inderdaad niet diep, en eigenlijk wel lekker. Ik fiets verder. Om negen uur sta ik bij de hut.
Deze hut is veel minder luxe dan de vorige. Onderaan is plaats voor paarden met daarachter een kleine leefruimte. Slapen doe je op een zolder waar enkele oude matrassen liggen. De WC is de bekende driehoekige IJslandse campingwc zonder stromend water, met een bril op een plateautje boven een stinkend gat. Water moet je uit de beek halen, die om de hut stroomt. Nadat ik mijn fiets heb afgeladen, blijf ik kleumend een uur zitten om te overdenken waar ik mee bezig ben.
Als ik wil gaan koken, blijkt ik mijn brander niet meer te kunnen ontsteken. Hij weifelde al een paar dagen, maar heeft het nu helemaal opgegeven. Na een doosje lucifers er doorheen gejaagd te hebben geef ik het op. Ik overdenk mijn situatie. Teruggaan naar Árnes ? Als ik zuinig ben, moet ik het met brood en müsli tot Kerlingarfjöll kunnen redden. Hopelijk kan ik daar eten krijgen. Zoniet dan neem ik vanaf daar de bus. En hopelijk kom ik onderweg geen onneembare barrieres tegen, zodat ik terug moet. Van dorst zal ik niet omkomen, het water klettert tegen de ramen. Om half twaalf ga ik doodmoe slapen.
De constante regenvlagen tegen het raam motiveren niet om de volgende dag enige haast te maken. Maar ik besef ook, dat ik hier niet kan blijven. Pas aan het begin van de middag vertrek ik uit de hut. Na nog geen tien minuten komen bij de eerste rivierdoorgang twee vrachtauto's me tegemoet. Ik praat even met de bijrijder. Het beurt me enigszins op. Want ja, er is aan de rand van Kerlingarfjöll een prachtige en luxe hut. En nee, er komen geen diepe rivieren meer. De rivier Miklilækur is inderdaad niet al te moeilijk. De volgende, Kirá is echter andere koek. Dit is een gletsjerrivier met lichtgrijs, snelstromend, ijskoud water, zo'n 25 meter breed, en met halverwege enkele zandbanken. Als je op twee meter hoogte in een Hanomag truck zit moet het geen probleem zijn. Maar ik besef dat ik heel erg op moet passen. Eerst moet ik een goede plek vinden om over te steken. De autodoorsteekplaats levert me een nat kruis op. Iets meer stroomopwaarts komt het water maar tot iets boven mijn knieen. Maar vanwege de sterke stroming heb ik moeite mijn evenwicht te bewaren. Ik neem het zekere voor het onzekere, en neem daarom maar twee tassen tegelijk de hoofdstroom over. Dit betekent wel, dat ik deze zeven keer door moet steken. Al met al kost deze oversteek me bijna drie kwartier.
Na de Kirá verandert het landschap. De begroeing verdwijnt, en er blijft een zandwoestijn over. Af en toe wisselt deze met een woestijn van platte stenen waar nog wel over te fietsen valt. Soms echter krijg je je ook stukken met grote ronde stenen. De autosporen waaieren breed uit, en het enige waar je aan kunt zien dat het een weg is, zijn de houten wegpaaltjes. Van de omgeving is verder weinig te zien. De Hofsjökull hult zich in een grijze wolkenmassa.
Als de weg naar het westen afbuigt, krijg ik de wind van de zijkant. Ondanks de regen is de weg door het zand nu soms moeilijk berijdbaar. Af en toe slipt mijn achterwiel, en slinger ik gevaarlijk over de weg. Voor auto's hoef ik gelukkig niet bang te zijn. De twee eerder die middag waren de laatste die ik tot Kerlingarfjöll tegenkom. Er is dus ook niemand om de weg aan te vragen. Dit is niet echt nodig, je volgt gewoon de autosporen. Maar als deze op gegeven moment doodlopen bij een meertje, besef ik dat ik fout bij gereden. Ik probeer me een afslag te herinneren, maar kan me niet voor de geest halen er één tegen te zijn gekomen. Enigzins ongerust begin ik aan de weg terug. Ik merk nu ook dat er geen paaltjes staan. Na twee kilometer kom ik toch op een soort kruising. Bovenop een heuveltje in een steenwoestijn staat een paaltje en de autosporen buigen ook deels in de richting. Ik leer hiervan, de paaltjes beter in de gaten te houden. Een uur later kom ik echter het omgekeerde probleem tegen. Komende vanuit een steenwoestijn kom ik op een zandpiste waar naar twee kanten een prachtig spoor loopt. Alleen staan er nu helemaal geen paaltjes. De berg Setur en mijn kaart brengen uitkomst.
Aan de voet van de berg vind ik inderdaad de grote moderne hut van de IJslandse 4x4 vereniging. Er is centrale verwarming, een woonkeuken met magnetron en een apart bijgebouwtje met toilet. Alleen, dit alles is afgesloten voor niet-leden. Zelfs een kraan is er niet. Doodmoe bouw ik op de slaapzolder mijn eigen knusse hoekje en dineer met brood en droge müsli.
Als ik de volgende ochtend opsta is het droog en is er tussen de wolken blauwe lucht te zien. Voor ik vertrek klim ik eerst op het heuveltje achter de hut. Het uitzicht is prachtig. Eindelijk zie ik de Hofsjökull en de woestijn. In de verte is zelfs de Vatnajökull te zien. Gesterkt hierdoor begin ik aan de laatste 30 km naar Kerlingarfjöll. De weg voert langs de rand van het gebergte, en deels door een moeilijk begaanbaar lavaveld. Er zijn zo'n half dozijn rivierdoorsteken en af en toe moet ik over een sneeuwveld. Een groot gedeelte van de route loop ik. Het maakt me niets uit, het weer is uitstekend zodat ik getrakteerd wordt op adembenemende uitzichten op het gebergte en de Hofsjökull.
De volgende ochtend drinken we eerst een tijd koffie in het restaurant. Hartger neemt 's middags de bus naar Geysir om verder te fietsen naar Landmannalaugar en Skaftafell. Zelf volg ik de uitgezette wandelroute in de richting van het bronnendal. Helaas is het weer weer matig: somber, laag hangende bewolking en regenvlagen. De route is gelukkig wel goed te zien, maar niet makkelijk. Op sommige stukken zak ik tot boven mijn enkels in de modder. Toch is ook onder deze omstandigheden het uitzicht adembenemend. Vanaf de hoogte kijk je neer op een dal met aan alle kanten stomende en pruttelende bronnen, omgeven door kleurige bergen en sneeuwmuren. Om in het dal te komen moet ik tussen twee sputterende modderputten door, de helling af. Voorzichtig loop ik er heen. Maar door modder onder mijn schoenen kan ik niet stoppen, en glibber in de richting van één van de putten. Ik laat me vallen, waardoor mijn kleding onder modder komt. Nadat ik mijn schoenen enigzins schoon heb gemaakt, schuivel ik voetje voor voetje verder, de helling af. Omdat het pad aan de andere kant van de rivier verder gaat, moet ik hier overheen. Hartger had vertelt dat je er overheen kon springen, maar zo atletisch ben ik niet. Omdat ik mijn waadschoenen niet bij me heb, en mijn wandelschoenen toch onder de modder zitten besluit ik deze aan te houden. Enkele jaren eerder had ik een IJslander dat ook zien doen, en toen vond ik het wel stoer. Als ik aan de andere oever ben besef ik dat het vooral ongelofelijk dom is. Met ijskoude voeten in soppende schoenen kan de omgeving me niet meer bekoren, hoe mooi het ook is. Bovendien is het ook nog hard gaan regenen, zodat ik kleumend en doornat over de weg terugloop. En later thuis blijken mijn foto's deels mislukt te zijn, omdat er water op mijn lens zat.
Gelukkig heeft mijn cabin een verwarming, zodat ik de volgende ochtend toch met redelijk droge schoenen kan vertrekken. Om 1 uur verlaat ik Kerlingarfjoll om het zuidelijk deel van de Kjölur te rijden. Afhankelijk van de wind denk ik er &eacue;én of twee dagen over te doen. Ik heb in het restaurant een half brood en een pak melk kunnen kopen, zodat ik genoeg voedsel voor onderweg heb. Het eerste deel gaat bergafwaarts. Onderweg moet ik door enkele stroompjes, maar slechts voor &eacue;én moet ik mijn waadschoenen aan. Het stroompje mondt een paar meter verder uit in een bredere rivier die op dezelfde plek een aardige waterval vormt, de Gýgjarfoss.
Vanaf de kruising met de weg 35 (Kjölur) merk ik dat ik wind mee heb. Merkwaardig, elke vakantie lijk ik constant tegenwind te hebben, alleen deze keer zit het altijd mee. Onder een prettig zacht zonnetje zoef ik over de weg. Na 1,5 uur rijd ik al over de brug bij Hvítárvatn, waar ik eventueel had willen kamperen. Hierna klimt de weg weer langs de Bláfell. Ik doe rustig aan, en loop gedeeltes. Een automobilist stopt, en vraagt of alles goed is. Ik kan gerust zeggen dat het goed gaat, ik voel me uitstekend. Zelfs de wegwerkmachines die ik bovenaan aantref, en die een vervolgweg vol stenen beloven, kunnen mijn humeur niet bederven. Na Bláfell volgt een flinke afdaling, en weer een korte steile klim. Ik kom een fietser tegen, en we praten even. Hij is voor een maand in IJsland, en heeft nog geen vast reisschema. Ik raad hem Kerlingarfjöll aan. Omdat ik de eerste fietser ben die hij tegenkomt, maakt hij een foto. Na dit intermezzo volgen nog een kleine 20 km over een weg vol stenen. Het maakt me allemaal niks uit. Ik ben bijna weer in de bewoonde wereld en heb mijn avontuur overleeft.
Bij de Gullfoss houd ik een korte pauze. Dertien jaar eerder was ik hier voor het laatst. Er is nu een grote souveniershop/restaurant, en een bezoekerscentrum. Op een wandkaart staan bezienswaardigheden in de buurt. Enkele ervan ken ik niet, maar twee daarvan het watervalletje Brúarfoss en een plaats die de Bruarhlóð heet liggen min of meer op mijn weg. De dag besluit ik met een pizza in het fast-food restaurant bij Geysir. Op de camping houdt een groep voetballende Fransen me tot half één wakker. Bijna vierentwintig uur daglicht heeft ook zijn nadelen.
Ik heb nog vijf dagen, en wil het rustig aan doen, maar toch elke dag iets bijzonders zien. Eerst maak ik een uitstapje naar Bruarhlóð. Veel mensen die vanaf Geysir richting zuid-oosten gaan, zullen langs deze plek bij de brug over de Hvitá gereden zijn. Maar ik denk dat maar weinig mensen het kennen. Langs de rivier ligt een soort doolhof van grote afgeronde rotsen omzoomd door bosjes en struiken. Heel apart, zeer on-IJslands. In Laugarfell kan ik voor het eerst in bijna 10 dagen weer inkopen doen. Hierna vertrek ik richting Hveragerdi. Het is weer hondenweer, ik zie helemaal niks van de omgeving. Alleen bij de Kerið, een oude krater met een meer op de bodem die langs de weg ligt, is het even droog. Ik loop het ding rond. Bijzonder vind ik het ding niet, bij Veiðivötn liggen er tientallen als deze bij elkaar. Hooguit is de plaats, zo midden op het laagland, wat onverwacht.
De volgende ochtend in Hveragerdi wordt ik om half twaalf gewekt door een lieve stem die me om mijn bijdrage voor de camping vraagt. Ik steek mijn hoofd uit de tent en zie, behalve een vriendelijk lachend meisje, alleen mist en laaghangende bewolking. Mijn plan om in de bergen in de buurt te gaan wandelen geef ik op. Dan maar naar Reykjavik. Wel maak ik een kleine omweg. Ik neem weg 38 richting Þórlakshöfn. Voor het eerst in tijden heb ik weer tegenwind. Enkele fietsers zwaaien me vrolijk tegemoet. Waarschijnlijk zijn ze twee dagen eerder van het vliegveld gekomen, en hebben de weg langs de zuidkust genomen. Zelf sla ik rechtsaf voor weg 39, richting Reykjavik. Deze gaat na zo'n twee kilometer de berg op. Boven ligt aan de rechterkant van de weg een lavagrot, de Raufarhólshellir. Het dak hiervan is op diverse plaatsen open zodat je hem enkele tientallen meters door kunt klauteren. De bekendste lavagrot van IJsland is waarschijnlijk Surtshellir, bij Húsafell, maar als je in de buurt van deze bent, is een bezoekje toch wel aardig.
Het is ondertussen opgehouden met regenen. Diffuus zonlicht schijnt door de mist en zorgt voor een sprookjesachtige omgeving met vage kraters in een lichtgroen lavaveld. Het sprookje houdt op bij de kruising met weg nr 1. Het is zondagavond, en Reykjavik komt terug van de weekendhuisjes. Een constante stroom van auto's maakt het fietsen langs de weg dodelijk vermoeiend. Ik tel er 54 in tien minuten, elke 10 seconden één. Dat het verkeer ook dodelijk kan zijn, wordt duidelijk gemaakt door een "verkeersteken" langs de weg. Op een stellage heeft men twee autowrakken geplaatst met de boodschap "al 19 doden dit jaar". Subtiel zijn IJslanders nooit geweest.
Ik blijf maar kort in Reykjavik. 's Ochtends dwaal ik even door de stad, 's middags pak ik mijn fiets richting Hafnafjördur. Net als drie weken eerder sla ik weer de weg richting Kleifarvatn in. Alleen neem ik nu niet de weg langs het meer, maar weg 428, iets ten westen ervan. Hoewel het deels moeilijk fietsen is, is het een mooie weg die zich door het lavaveld slingert. Onderweg zijn er diverse wandelpaden aangegeven. Druk is het er niet, ik kom maar een handvol auto's tegen. Verrassend dat een gebied dat er vanaf de grote weg zo lelijk uitziet van nabij zo mooi is.
Als ik op de zuidelijke kustweg ben, praat ik nog even met twee Berlijnse fietsers die ik tegenkom. Ze zijn net begonnen met hun trip, en zoeken een plek om hun tent op te zetten. Ik wijs ze richting Kleifarvatn. Hierna volg ik de kustweg die in veel tourverslagen als huiveringwekkend beschreven wordt. Ik vind hem zelf niet zo slecht. Een beetje wasbord, en veel steentjes. De beruchte helling van 16% is een heuveltje van niks. Het zal wel beroepsdeformatie zijn, aan het eind van een vakantie met hopeloos slechte wegen. Vlak voor Grindavik word ik nog aangevallen door Noordse sterns. Leuk, het hoort bij IJsland. Om half negen sta ik op de (gratis) camping.
Vanaf Grindavik is nog zo'n twintig kilometer fietsen tot het vliegveld. Onderweg sla ik af richting Blue Lagoon. Dit populaire zwembad/kuuroord heb ik sinds de heropening in 2000 nog niet gezien. Ik heb de oude vorm nog gekend, een meer in een lavaveld met lichtblauw melkachtig water, met op de achtergrond een roestvrij stalen, stomende energiecentrale. Een heel surrealistisch gezicht. Met uitzondering van het lichtblauwe water lijkt de nieuwe Blue Lagoon er niet op. Twee grote hallen, een souveniershop, een restaurant waar een kop koffie ISK 240 kost, en drommen mensen die in het water poedelen. Ik heb nog nooit zoveel mensen met een fototoestel in een zwembad gezien. De Blue Lagoon voldoet duidelijk in een behoefte, maar niet de mijne.
Aan het einde van de middag kom ik op de camping van Keflavik Hartger weer tegen. Hij heeft een mooie vakantie gehad. Hij is in Landmannalaugar, Eldgjá Skaftafell geweest. Het weer was niet geweldig, maar op de momenten dat het erop aankwam, brak net de zon door. We spreken af de volgende dag samen naar het vliegveld te fietsen.
Het vliegtuig gaat om kwart voor acht. Om vijf uur gaat mijn wekker. Ik was al wakker, want nauwelijks geslapen. Waarom kunnen die vluchten niet 's middags vertrekken ? Om half zes zijn we op weg. De hal staat al vol mensen. Ik wordt zenuwachtig, en denk aan twee jaar eerder, toen ik door de drukte mijn vliegtuig bijna gemist had. Het kost moeite de trappers van mijn fiets te krijgen. Hartger heeft een bagagekar gevonden. Hij draagt de fietsen, ik duw de kar. We checken ruim op tijd in, en ik kom tot rust. Op Schiphol duurt het even voor de fietsen er zijn. Hartger neemt afscheid terwijl ik mijn fiets nog aan het opbouwen ben. Helaas, even later merk ik dat mijn fietspomp onderweg kwijt is geraakt. Met een slappe band moet ik huiswaarts. Jammer, maar terugdenkend hadden me tijdens deze vakantie veel vervelendere dingen kunnen overkomen.
ME, 2006
Meer foto's o.a. van deze tocht kun je vinden op mijn Gallery pagina.