IJsland 2000 : de schiereilanden in het noorden

Maandag 26 juni : Schiphol - Reykjavik

The route Mijn fiets en ik arriveren 26 juni 2000 om half vijf lokale tijd op Keflavik Airport, voor een 24 daagse fietstocht in noord IJsland. Hoewel de overtocht voorgaande twee keren ook goed is gegaan, ben ik opgelucht dat mijn fiets ook deze keer vrijwel onbeschadigd over is gekomen. Als ik de aankomsthal uitkom, staan een hoop mensen te wachten op transport naar Reykjavik, en de parkeerplaats is overvol. De busstaking die IJsland al meer dan een maand teistert eist zijn tol. Ik stap op mijn fiets rit naar Reykjavik. Eigen vervoer heeft zijn voordelen. Een nadeel is, dat deze weg druk, winderig en vervelend is. En iedere keer als ik in IJsland kom, lijkt dit erger te worden.
In Reykjavik heb ik om negen uur een afspraak met Nikki. Een week voor mijn vertrek kreeg ik van haar een E-mail met wat vragen over IJsland. Na wat heen en weer mailen bleken we er in dezelfde periode te zijn. Ze vroeg ze of een paar dagen met me mee mocht fietsen. Enigszins verbaast stemde ik toe. Ik ben teveel einzelganger om een hele vakantie met iemand samen te fietsen, maar een paar dagen lijkt mee wel leuk. Bovendien ben ik wel benieuwd naar deze doortastende tante, waarvan ik niet meer weet dan dat ze een voormalig mountainbikester uit Californie is, en gitaar speelt.
In Hafnafjördur snijd ik een stukje af, en verdwaal enigszins, waardoor ik ook nog een blik op Bessastadir, de woning van de IJslandse president kan werpen. Hierdoor kom ik pas een half uur voor mijn afspraak op de camping aan. Bij de receptie weten ze me te vertellen, dat er inderdaad iemand met de naam Nikki aangekomen is, dus alles loopt volgens plan. Het is nog vroeg in het seizoen dus is het niet zo druk. Ik zet mijn tent op op de plaats waar ik 'm meestal neerzet, en iets voor negen ga ik naar de receptie. Helaas, geen Nikki. Ik blijf een half uur wachten, maar er is nog steeds geen spoor. Ik kijk rond op de camping. Er zijn redelijk wat fietsers, maar geen daarvan ziet er uit als een Amerikaans meisje in haar eentje. Die avond vind ik haar dan ook niet.

Dinsdag 27 juni : Reykjavik - Hvalfjördur

Ik vraag me of ze niet dacht dat de afspraak 's ochtends zou zijn. Dus de volgende morgen om negen uur zit ik weer bij de receptie. Nog steeds geen spoor van Nikki, ook niet na een half uur wachten. Hoe kan zo'n afspraak misgaan ? Het antwoord komt als ik naar mijn tent terugkeer. Een Engels sprekend stelletje is bezig met de voorbereiding op een fietstocht. Hij spreekt met een Frans accent, zij spreekt duidelijk Amerikaans. Ik vraag het meisje of ze Nikki is. Een lach is het antwoord "You must be Michael". Nikki dus, ongeveer 1,5 meter hoog, blond, paardenstaartjes en een BIG smile. Ze had de vorige ochtend een paar uur op me gewacht. Toen ik niet op kwam dagen, is ze met de Franse jongen een tocht in Reykjavik gaan maken. Ze hadden elkaar op de dag van aankomst bij de Blue Lagoon ontmoet, en samen zijn ze naar Reykjavik gefietst. Hij wil de komende drie weken de rondweg rijden.
Eerst moeten we boodschappen doen. Ik wil de komende dagen naar Húsafell fietsen, en er is geen tussentijdse mogelijkheid hiervoor. Nikki koopt een stapel plastic zakken om haar spullen in te stoppen want het weer is beroerd. Het is zelfs zo slecht dat ze er over denkt om naar Mývatn te vliegen. Met de bus is niet mogelijk door de staking. Om twee uur lijkt het echter enigszins op te klaren, en besluiten we te vertrekken. Ons eerste doel is om Reykjavik zonder kleerscheuren uit te komen wat nog niet zo makkelijk is vanwege het drukke verkeer. Maar het lukt ondanks een kleine omweg redelijk vlot, zodat we tegen vieren in Mossfellsbaer aankomen. Bij het plaatselijke benzinestation kopen we enkele versnaperingen, en valt me op dat Nikki erg snel contacten legt. Ze praat echt tegen iedereen die langskomt ('Hi, how are you, where are you from'). Waarschijnlijk haar Californische achtergrond, die nogal contrasteert met de IJslandse (en mijn eigen) gereserveerdheid. In de vijf dagen dat we samen fietsen ontmoet ik meer mensen dan in de drie weken erna.
We gaan verder in de richting Thingvellir. Ik herinnerde me deze weg als een rustig rivierdal, maar het blijkt een moerassig stuk IJslandse hoogvlakte te zijn. De regen en wind maken het rijden niet echt prettig. Nikki vraagt me een paar keer te stoppen. Ze heeft het koud, en is bang voor onderkoeling. Kamperen op de vlakte lijkt me nauwelijks aantrekkelijk. Ik beloof dat we zullen stoppen op de eerste redelijke plek na de afslag naar Hvalfjördur. Als we op een zompig maar vlak veld aankomen, haal ik de bagage van mijn fiets. Nikki is geïrriteerd omdat ik niet naar haar luister, en klaagt nogmaals over onderkoeling. Ze toont haar slaapzak, een dun zomergeval, dat voor een vakantie in een zonnig land wel voldoet, maar volstrekt onvoldoende is voor IJsland. Een warmere had ze thuis gelaten, omdat die te zwaar was.
We besluiten een boerderij of andere warme plaats op te zoeken. Dus fietsen we naar het eerste huis dat we zien. Ik klop op de deur, en een man doet open. "Tala Ensku ?" (spreekt u Engels) is een enkel zinnetje dat ik ken. "Nei" antwoordt hij. Ik wijs op Nikki. "Kalt". De man doet de deur dicht, maar enkele ogenblikken later komt zijn vrouw naar buiten. Ze kijkt naar Nikki, trekt haar de hal in, doet haar jas uit, en trekt haar daarna het huis in. Ik weet even niet wat ik doen moet en blijf buiten staan. De man komt weer naar buiten, en wenkt me naar binnen. Daar zit Nikki, kleumend naast een radiator in de keuken. Ik ga zitten. We krijgen koffie, en later sandwiches. Als ik naar een 'gisthusid' informeer, overleggen ze even, waarna ons een leegstaande kamer wordt aangeboden. IJslandse gastvrijheid. Communiceren is natuurlijk een probleem. Zij spreken geen Engels, wij geen IJslands. Maar met handen en voeten, pen en papier, een Lonely Planet gids, en Nikki's talent om conversatie te maken wordt het een leuke avond. Het eindigt met een video over de uitbarsting van de Loki vulkaan in 1996.

Woensdag 28 juni : Hvalfjördur - Thóristadavatn

Als we 's ochtends aan het ontbijt zitten komt er een landbouw inspecteur langs. Hij spreekt Engels, zodat we nog eventjes echt met onze gastvrouw en heer kunnen praten. Nikki maakt nog wat foto's (smile!), en tegen elf uur nemen we afscheid. Hiermee eindigt deze ervaring met de IJslandse gastvrijheid. Nikki zou hem later beschrijven als "a most humbling experience". Ik denk zelf dat het voor IJslanders geen ongewone situatie is, en dat het vaker voorkomt dat slecht weer voor onprettige verrassingen voor reizigers zorgt. En voor Nikki, komend uit het zonnige California moet een dag vol kou, wind en regen toch anders zijn dan voor mij uit het niet zo koude, maar wel winderige en regenachtige Nederland.
De eerste kilometers bergaf en met de wind in de rug vliegen voorbij, zodat we al snel langs Hvalfjördur fietsen. Ons doel is de Glymur waterval, de hoogste van IJsland. Deze bevindt zich aan het einde van de fjord in een klein natuurgebied. Vanaf de weg is het nog ongeveer een uur lopen en klauteren. De waterval is ongeveer 200 meter hoog, en valt in een mooie diepe kloof. Helaas is hij vanaf de kant waar wij staan nauwelijks zichtbaar. Om 'm goed te kunnen zien zouden we eigenlijk de rivier moeten doorwaden. Vanwege de sterk wind durf ik dit niet aan, bang dat we in de kloof geblazen worden. We keren daarom terug. De rest van Hvalfjördur gaan we met de wind in de rug. Hvalfjördur is een mooi fjord, al is het niet zo ruig als b.v. de oostelijke fjorden. Ik had zelf gedacht dat we langs een oud walvisstation zouden rijden, maar het enige wat me opvalt is een Nato basis.
Op het einde van het fjord drinken we koffie in het restaurant van het benzinestation. Nikki is al snel in gesprek met de mensen van het tafeltje naast de onze. Het is een stel uit Litouwen. Hij werkt in Reykjavik in een stripclub, en zij helpt hem daarbij. Ik vermoed dat het andersom is. Stripclubs schoten tot voor kort als paddestoelen uit de grond, totdat de IJslandse regering enige regulerende maatregelen nam.
Tegen negenen vertrekken we naar de camping, een paar kilometer verderop. Helaas net op het verkeerde moment want als we een paar minuten onderweg zijn, gaat het stortregenen. En net op een weg met kort steile hellingen. Ik schakel naar een lagere versnelling, maar iets gaat er verkeerd. Mijn ketting breekt. Damned. Tien jaar lang sleep ik een kettingpons mee, en net deze keer niet omdat ik 'm niet kon vinden. Ik bedenk wat ik nu moet doen. Naar Borgarnes lopen?
Waarschijnlijk moet ik zelfs terug naar Reykjavik om er één te kopen. En dat terwijl er nauwelijks bussen rijden. Nikki staat ondertussen boven op de heuvel te wachten, en begrijpt niet waar ik blijf. "Ketting gebroken" zeg ik. "I have a chaintool" zegt ze opgewekt. Dit was een mogelijkheid waar ik geen rekening mee had gehouden. Handig om een reddende engel bij je te hebben. We kamperen op een kleine camping bij een vismeertje. Ik kook een maaltijd, Nikki droogt haar spullen onder de blow dryer in de WC's en gaat daarna op visite bij de andere gasten op de camping.

Donderdag 29 juni : Thóristadavatn - Húsafell

Nadat we koffie hebben gedronken bij enkele Duitse kampeerders waarmee Nikki aan de praat is geraakt, vertrekken we om 11.30 richting Húsafell. De eerste paar kilometer fietsen we langs een meer. Daarna stijgt de weg, tot we een mooi uitzicht op de berg Skardsheidi hebben. Hierna daalt de weg af naar het meer Skorradalsvatn. Het is heerlijk fietsweer. Weinig wind en een lekker zonnetje. De weg wordt hierna helaas wat minder interessant. Je kijkt over een rivervlakte met aan de horizon een bergrug, waar de rondweg nummer 1 zich onder moet bevinden. Wel heb je af en toe mooi uitzicht op de meanderende rivier de Reykjadalsá. Hier bevinden zich enkele kassen die verwarmt worden door hete bronnen die zich in de grond bevinden. Je ziet dan ook her en der stoom in het landschap verschijnen.
Tegen vier uur komen we in Reykholt aan. Deze historische plaats was vroeger de woonplaats van schrijver Snorri Sturluson, schrijver van o.a. de Edda.. Je kunt zijn zwembad zien, en er zijn archeologische opgravingen bezig. Ook is er een aardige tentoonstelling over 13e eeuws IJsland.
Een paar weken nadat wij er waren, werd bekend, dat er een tunnel ontdekt was van het zwembad naar zijn voormalige woonhuis. Vlak voor Húsafell komen we langs twee watervallen, de Hraunfoss en de Barnarfoss. De eerste is het meest spectaculair. Over enkele honderden meters komt het water hier onder een lavaveld uit. De Barnarfoss perst zich iets verder stroomopwaarts door een kleine kloof. Ik had beide watervallen eerder gezien. Het meest opvallend voor mij zijn daarom de afzettingen, en het nieuwe houten uitzichtplateau, een teken dat IJsland zich steeds meer op toeristen aan het instellen is.
Tegen 19.00 uur komen we bij Húsafell aan. Ik ga in de camping shop inkopen doen voor het avondeten. Onderwijl gaat Nikki op onderzoek uit wie de Engels sprekende mensen zijn die voor de shop staan te praten. Als ik terugkom, zegt ze opgewekt dat we uitgenodigd zijn voor een barbecue. 's Avonds eten we daarom lamskotelleten bij Arnar en Margaret, een echtpaar uit Reykjavik, die samen met een bevriend Engels echtpaar vakantie vieren. Vanwege de verjaardag van Arnar zijn ze wezen sneeuwscooteren op de Langjökull. Nikki is direct geïnteresseerd en vraagt of we dat ook kunnen gaan doen. Ik betwijfel of het een goed idee is, gezien mijn totaal gebrek aan ervaring met de besturing van gemotoriseerde voertuigen. Maar het lijkt me wel leuk om weer een stukje van de prachtige Kaldidalur route te fietsen.

Vrijdag 30 juni : Húsafell

Het is een schitterende dag. Bijna wolkenloos, en on-IJslands warm. Nikki gaat 's ochtends in het zwembad dobberen. Ik ben geen zwembad type, en beperk me tot een douche, waarna ik de camping verken. Húsafell is een bekend vakantieoord voor IJslanders. Behalve een camping zijn er ook tientallen huisjes tussen de lava en berkenboompjes neergezet. Het is die ochtend nog rustig, maar als ik bij de receptie ben om onze plaatsen een dag te verlengen, waarschuwt het meisje met dat er die avond zo'n 5000 mensen zullen komen. In het eerste weekend van juli blijkt Reykjavik massaal naar Húsafell te komen om de zomer te vieren. Ik heb altijd geprobeerd deze situatie te ontlopen, maar vrees het nu mee te gaan maken.
's Middags vertrekken we richting Langjökull. Het eerste deel gaat langs de rivier door een soort maanlandschap. Hierna volgt een flinke klim. Nikki gaat in mountainbike kadans naar boven. Ik verkies mijn eigen stijl van moeizaam met een kleine versnelling en veel hijgen omhoog fietsen, en lopen. Bovenaan gekomen hebben we een schitterend uitzicht over de omgeving. Omdat we zo vroeg in het seizoen zijn liggen er op plaatsen nog sneeuwvelden in de vertrouwde steenwoestijn te blinken.
De sneeuwscooter basis ligt boven op de Langjökull. Vanaf de afslag van de Kaldidalur gaat er een 6 km lange, ongelofelijk slechte weg heen. Na een uur ploeteren zijn we boven. Als we aankomen is het station eigenlijk al gesloten, maar vanwege het fantastische weer kunnen we nog een rit maken. We mogen onszelf in een thermisch pak hijsen, en krijgen een helm op. Hierna krijgen we kort instructie hoe een sneeuwscooter werkt. Het is heel simpel, een gashendel, en een rem. Geen versnellingen, of koppeling, zelfs ik moet het kunnen. Dan gaan we met z'n vieren op pad: Nikki, ik, de gids, en het meisje van de kaartverkoop, die door Nikki was overgehaald om mee te gaan. Eerst steken we de gletsjer in noordoostelijke richting over. Het gaat snel, zo'n 60 km per uur. Ik probeer in de sporen van de gids te blijven, maar kan ook niet te dicht in de buurt komen, want dan vliegen de ijsspetters me om de oren. Na een kwartiertje hebben we de overkant van de gletsjer bereikt, en hebben we een waanzinnig overzicht over de Kjölur. Door de heldere lucht kunnen we kilometers ver kijken. Als we iets naar het zuiden gaan, kunnen we de Hekla en de Myrdallsjökull, meer dan 100 km verderop, zien liggen.
Dat aan een gletsjer ook gevaren kleven, merken we iets verderop. Onze gids die iets vooruit rijdt begint driftig met zijn armen te zwaaien. Ik rij naar hem toe om te vragen wat er aan de hand is. Glimlachend zegt hij ons te hebben willen waarschuwen voor een grote spleet waar we onbewust overheen gereden zijn. Bij nadere inspectie blijkt deze zo'n halve meter breed en vermoedelijk een tiental meter diep te zijn. Omdat het te gevaarlijk is om er nogmaals overheen te gaan, rijdt de gids onze scooters over de kloof. Een maand later zal een vrouw tijdens het skidoo-en in een spleet vallen. Ondanks het gevaar, en mijn twijfels over de milieuvriendelijkheid, moet ik toegeven, dat sneeuwscooteren op een gletsjer een waanzinnig leuke ervaring is. Om zeven uur gaan we terug. Het is bergafwaarts, dus zou het nu een stuk sneller moeten gaan. Als ik opstap zie ik Nikki al in de verte verdwijnen. Ik probeer enige vaart te maken, maar mijn voorwiel zakt weg in het zand, en ik vlieg over mijn stuur, tegen de grond. IJslandse woestijn smaakt niet lekker. Ik sta op. Mijn kin, armen en benen zijn geschaafd en bloeden. Mijn fiets lijkt nog heel. Ik zet mijn stuur recht en stap weer op. Na vijftig meter zakt mijn voorwiel weer weg, en lig ik weer op de grond. Dit is Nikkies terrein, niet het mijne. De rest bergafwaarts loop ik.
Beneden aan de helling gaat het wel weer, en na iets meer dan een uur zijn we terug op de camping. Deze heeft een metamorfose ondergaan. Alle mogelijke plekken zijn dichtgebouwd met tenten. Die van Nikki staat onder de luifel van een grote bungalowtent. Overal lopen, staan en hangen jongeren met bierblikjes, en klinkt er harde muziek. Kleine kinderen lopen tot laat over de camping. Mijn eigen tent staat tot middernacht redelijk vrij. Ik slaap al bijna, als er een gettoblaster naast mijn hoofd wordt neergezet. Uit de andere geluiden kan ik opmaken dat er een tent wordt opgezet en dat er wordt gezongen. Tot 3 uur 's nachts is het rumoerig daarna val ik vermoeid in slaap.

Zaterdag 1 juli : Húsafell - Varmaland

De volgende ochtend als ik naar de WC ga overzie ik het slagveld. Het valt me mee, de schoonmaakploeg is al vroeg begonnen. Een vuilcontainer, zo groot als een bestelwagen ligt vol blikjes. Ook her en der liggen er nog blikjes verspreid. Maar de WC's zijn b.v. nog heel, iets wat in Nederland bijna onmogelijk lijkt als er 'gefeest' is.
Nikki wil met de bus naar Mývatn. Mijn plan is om naar de Grábrók krater te fietsen waar ze dan de volgende dag de bus naar Varmahlíd kan pakken. Van daar af zou ze naar Akureyri en Mývatn moeten fietsen. Door de busstaking is er geen directe verbinding. Tegen tweeën vertrekken we langs de noordkant van de rivier de Reykjadalsá. De weg is aan deze kant welliswaar niet geasfalteerd, maar daardoor is er ook weinig verkeer. Het is weer prachtig, helder zonnig weer. Nikki zet haar walkman met turbomuziek en lijkt hierdoor twee versnellingen hoger dan voorheen te kunnen rijden.
Bij het benzinestation Baulan aan de ringweg doen we inkopen en blijven we een tijd in de zon zitten. Tot onze verrassing arriveren er twee andere fietsers. Ze zijn op de terugweg van een tocht in de Westfjords. Hun oorspronkelijke plan was de Kaldidalur te fietsen, maar door pech met de versnelling van een van de fietsen, moeten ze met de bus terug naar Reykjavik. Naar goed fietsgebruik komen de koekjes op tafel, en van een passerende IJslander krijgen we nog wat gedroogde visbrokken. Deze zien er uit als karton met een visgeur, maar het smaakt minder beroerd dan ik dacht.
Tegen negenen, als de wind opsteekt, en de zon verdwijnt, besluiten we met zijn vieren naar de camping van Varmaland te gaan. Hier aangekomen blijkt ook deze vol feestvierende IJslanders te staan. Dit zorgt voor een splitsing in ons groepje. Ik ben moe en hongerig en wil niet verder. De anderen willen hier niet blijven. Dit betekent dat Nikki en ik op de winderige camping afscheid nemen. Ik geef haar een aai over haar bol en we zeggen gedag. Ik kook eten en om half twaalf, als de feestvierende IJslanders weg zijn, kruip ik in mijn tent. Ik val in slaap, met de gedachte dat mijn afscheid met Nikki iets beters had verdient dan een paar woorden op een koude winderige camping.
Later schrijft Nikki me dat ze nooit naar Mývatn is gegaan. Ze zijn diezelfde avond naar Borgafjördur gereden, vanwaar Nikki naar Snaefellsnes is gereden. Eerst naar Arnarstapi, daarna naar Stykkishóolmur. Vandaar met de bus terug naar Reykjavik waar ze Margaret en Arnar heeft opgezocht. Met hen heeft ze Geysir en Gullfoss bekeken. Hierna heeft ze het pad van Landmannalaugar naar Thorsmörk gelopen. Alles bij elkaar heeft ze een fantastische tijd gehad. Gelukkig maar.

Zondag 2 juli : Varmaland - Brú

Deze ochtend lukt het niet om op tijd op te staan. Het weer is bewolkt. Erger is, dat de wind die gisteren al opstak nu recht uit het noorden komt. Dit betekent vandaag 60 km tegenwind. Ik zie hier niet naar uit, en ben blij dat Nikki dit niet mee hoeft te maken. Het eerste gedeelte tot de Grábrók is bekend terrein, een ouder lavaveld. De weg gaat met kleine heuveltjes op en af. Hierna volgen we het rivierdal stroomopwaarts. Op het eerste deel kom je nog wat boerderijen tegen, maar als dit ophoudt, fiets je tussen de heuvels door in niemandsland. Halverwege de klim zwaai ik naar twee fietsers die me tegemoetkomen. Pas drie dagen later zal ik er weer een tegenkomen. Hoe hoger ik kom, hoe wijder het landschap wordt. Het verandert in een soort Schots hoogvlakte inclusief de eeuwige schapen. Vanwege de zondag is er ook veel autoverkeer. Als ik het idee hebben vrijwel op de top te zijn (de rivier is verdwenen en vervangen door kleine meertjes), maakt de weg een rare bocht en verdwijnt in de mist. Hierna heb ik geen idee meer van mijn omgeving. Het enige wat afwijkt van een rit in een mistige polder is de feloranje schuilhut die op gegeven moment uit de mist opduikt. Bij de afdaling naar Brú veranderd de mist in miezer regen. Kleumend kom ik in Brú aan. Het café bij het benzinestation is barstensvol en rokerig, zodat ik afzie van een kop koffie. Ik zie nog net dat Italie met 1-0 voorstaat in de EK voetbal finale.
Vijf kilometer verder zet ik mijn tent op, op de primitieve camping achter het benzinestation van Stadarskali. Een WC huisje en een kraan, meer krijg ik niet, maar heb ik vandaag ook niet nodig.

Maandag 3 juli : Brú - Ósar

Een mooie dag om het eerste schiereiland Vatsnes te bekijken. Het weer is opgeklaard. De wind is enigszins gaan liggen, en er is een lekker zonnetje. De top van de berg op het schiereiland is zichtbaar. Het enige dorp, Hvammstangi, is nauwelijks de moeite waard. Zelfs als ik daar twee weken later met de bus terugkom, herken ik nauwelijks iets.
De rest van het schiereiland is een stuk aantrekkelijker. Aan de rechterkant een hoge heuvelrug, die zich over de volle lengte van het schiereiland uitstrekt. Aan de linkerkant het fjord met uitzicht op de weg naar Hólmavik en de WestFjords. Verdere ingredienten zijn een enkele boerderij, kerk of schaapskooi, en heel weinig verkeer.
Op de kop van het schiereiland, bij de verlaten boerderij Hindisvik zouden er zeehonden langs de kust zitten. Noordse sterns zitten er in ieder geval. Met mijn rugzak boven mijn hoofd loop ik naar de zee, waar ik op een steen ga zitten. Met een verrekijker speur ik de zee af op zoek naar de zeehonden. Na twintig minuten ben ik nog niet verder gekomen dan enkele eenden, maar dan steekt er toch een zeehond zijn kop boven het water uit. Zo'n tien seconden lang kan ik hem bekijken, dan verdwijnt hij weer onder water, om niet weer te keren. Niet helemaal tevreden besluit ik ook verder te trekken.
Mijn volgende stop is een vreemd gevormde rots in zee met de naam Hvítserkur. Met enige fantasie lijkt het op een prehistorische monster. De weg bevindt zich enige honderden meters van de zee af, zodat ik mijn fiets boven aan de weg laat staan, en naar beneden loop. Het is inderdaad een raar geval, dat enige tientallen meters van het strand staat. Ik overnacht vlakbij, in de jeugdherberg Ósar.

Dinsdag 4 juli : Ósar - Blönduós

In de jeugdherberg ontmoet ik een luchtmacht officier van de basis Keflavik die met vrouw en twee dochters rondtrekt. Hij blijkt vroeger in Nederland gelegerd te zijn geweest, en kent mijn geboorteplaats goed, omdat hij er vroeger ging stappen. Het zijn voor hem mooie herinneringen, uit de tijd dat hij nog alleen met zijn vrouw was. Want een leven met tienerdochters schijnt niet makkelijk te zijn. De Amerikaan vertelt me ook dat er vlakbij stapels zeehonden te bezichtigen zijn. 's Ochtends loop ik daarom nogmaals naar de zee. En jawel, op een zandplaat liggen een honderdtal zeehonden te zonnen. De afstand is helaas te ver weg om er een goede foto van te maken, maar met mijn verrekijker kan ik ze duidelijk zien.
Een stuk minder duidelijk is een middeleeuws fort genaamd Borgarvirki waar ik langs kom. Het ligt boven op een heuvel, en ziet er uit als een ronde stenen muur met een doorsnede van een meter of 30, met een smalle opening om binnen te komen. Eigenlijk is het een nogal vaag bouwsel, en gezien de steile klim er naar toe enigszins teleurstellend. Maar je hebt er wel een aardig uitzicht over de omgeving.
Elke vakantie sla ik een bezienswaardigheid over waar ik als ik thuis ben spijt van krijg. Deze keer is het de Kolugil, een kloof met waterval. Het zou 15 km extra tegenwind zijn. Maar in diverse reisverslagen lees ik hier later enthousiaste verhalen over. Wel bezoek ik de Vatsdalshólar. Dit zijn een heleboel heuveltjes (ontelbaar veel volgens de IJslanders). Ze zijn daar door een overstroming neergelegd. Ik loop er een tijdje tussen en kan inderdaad concluderen dat het veel heuveltjes zijn. Tegenover Vatsndalhólar bevindt zich overigens de plaats waar de laatste ter dood veroordeelde IJslanders, een man en een vrouw zijn terechtgesteld. Uit het begeleidende gedenkteken kan ik niet opmaken of het hier om een crime passionel of gewoon een roofmoord ging.
Het laatste stuk naar Blönduós gaat weer zwaar. Het grootste deel van de dag fietste ik naar het zuiden, en had ik tegenwind. Op dit deel fiets ik naar het noorden, en heb weer tegenwind. Ik snap niets van de wind in IJsland.

Woensdag 5 juli : Blönduós - Saudárkrókur

Vandaag staat het schiereiland Skaganes op het programma. Omdat de volledige afstand meer dan 120 km is, verwacht ik niet dat het me in één dag lukt. Daarom haast ik me die ochtend niet. Als ik op het punt sta om te vertrekken, arriveert er net een fietser op de camping. Uiteraard praten we wat bij. Hij komt uit Duitsland, en heeft net rond Snaefellsnes gefietst. Al is fietsen niet helemaal juist. Omdat zijn kaart van een onbekend merk enkele bergtracks als begaanbare weg aanduidde, moest hij zijn fiets deels door de sneeuw ploegen en duwen. Het is niet voor niks dat ik de kaarten van Landmaelingar Islands prefereer. Het eerste deel van de weg is nog asfalt. Maar na het dorp Skagaströnd wordt het een vlakke gravelroad. Spannend is de weg niet, maar omdat je op een plateau boven de zee rijdt ook niet echt saai. De landkant bestaat voornamelijk uit vlak land, soms met paarden. Tekenen van beschaving zoals boerderijen zijn er weinig.
In het noorden verandert het landschap. Het weiland verdwijnt, en je fietst in een landschap van steenheuvels en meertjes. Een grote vogel zweeft voorbij. Ik denk dat het een arend is. Maar met mijn kennis van vogels zou het net zo goed een grote meeuw kunnen zijn. Noordse sterns zijn hier ook nadrukkelijk aanwezig. Zonder hun zou het hier heel rustig zijn. Aan de oostkant van Skaganes verandert het landschap in een kaal heuvellandschap. In de baai kan je het eiland Drangey, een 200 meter hoge steenklomp met loodrechte wanden, zien liggen. Een donkere wolkpartij lijkt aan een berg te zijn geplakt. Alles bij elkaar een weinig mensvriendelijk landschap dat ik zo dicht bij de zee niet zou verwachten..
Bij één van de schaarse boerderijen staat een bord dat daar de IJslandse specialiteit Hákal te krijgen is. Dit is haaienvlees, dat ze een tijd in de grond stoppen, zodat het gaat rotten waardoor het vlees malser wordt. In diverse documentaires over IJsland heb ik de reporter spontaan zien kokhalzen toen ze een hap namen. Voer voor de fijnproever dus, en daar reken ik mezelf niet onder. Al moet ik toegeven, ik heb het nooit gegeten.
Hoewel ik vooraf niet van plan was het schiereiland in één keer rond te fietsen, doe ik dit toch. De wind is 's avonds enigszins gaan liggen. De laatste 25 km vallen me niet mee. Mijn leidraad, het boek 'Island per Rad' van Ulf Hofmann, heeft het over pas met een lichte stijging en afdaling. Ik vermoed dat hij deze weg met hellingen van meer dan 10% niet zelf heeft gefietst. Rond 11 uur kom ik via de achteringang Saudárkrókur binnen. Het dorp valt me alleszins mee. Uit de beschrijving maakte ik op, dat de grootste attractie bestond uit het uitzicht op het eiland Drangey. Maar het is toch een dorp met een aardige kerk, en iets wat je een dorpskern kan noemen. Ik zoek de camping op (naast het zwembad), en val in slaap, tevreden dat het me nog steeds lukt om meer dan 120 km op een dag te fietsen.

Donderdag 6 juli : Saudárkrókur - Siglufjördur

Ik sta laat op. Het voelt als 'de dag erna'. Ik ben niet meer gewend om lange afstanden te fietsen is mijn conclusie. De lucht is grijs, en ik heb weinig zin om te fietsen. Maar een langer verblijf in Saudárkrókur is ook niet aantrekkelijk. Dus rond twaalf uur stap ik op mijn fiets voor de tocht rond Skagafjord. De eerste kilometers moet ik de delta van de rivier Heradsvotn oversteken. Met wind tegen is het een stuk moeilijker om de kolonie Noordse sterns die even buiten Saudárkrókur broedt te ontvluchten. Het is niet de eerste keer dat ik word aangevallen, maar hier zitten toch wel erg agressieve exemplaren tussen. Diverse keren proberen ze het haar uit mijn hoofd te trekken.
De wolken hangen laag, en bedekken de toppen van de bergen. Ik passeer Hólar, een belangrijk historisch en religieus centrum en denk er even aan om de rest van de dag in vlakbij gelegen zwembad te gaan dobberen. Maar ik moet nog inkopen doen, en het meest dichtbijzijnde dorp Hofsós is 15 km verderop. Bovendien haat ik zwembaden. Enkele kilometers voor Hofsós bezoek ik het kerkje van Gröf. Het is een replica van een 17de eeuwse kerk, met gras op het dak, en ruimte voor ongeveer 30 personen. In het gastenboek ontwaar ik de naam van reisgidsenschrijver Willem van Blijderveen. De Duitse fietser die ik in Blönduós vertelde dat hij op Snaefellsnes de schrijver Ulf Hoffman had ontmoet. Het jaar na mijn tocht (2001) wordt een goed jaar voor nieuwe uitgaven van reisgidsen.
Vlak buiten Hofsós ontmoet ik een eenzame fietser die voorovergebogen tegen de wind rijdt. Hij verblijft drie maanden in IJsland, waarbij hij voornamelijk de kustwegen wil rijden, inclusief de Westfjords. We wisselen tips uit, en gaan ieder een andere kant op. Meer fietsers zal ik deze week niet meer zien. Een kwartiertje later rijd ik in de mist en miezerregen. Het ergste vind ik, dat ik mijn bril af moet zetten, zodat ik niets zie van de omgeving.
Mijn einddoel voor vandaag is Siglufjördur, waar ik een dag wil blijven, om een bergwandeling te maken. Het ligt aan het einde van een kustweg, die ik ook terug zal moeten nemen, want het is tevens de enige weg. In het benzinestation op de kruising waar hij begint, neem ik een koffie, en probeer wat op te drogen. Als ik vertrek voelt mijn achterband nogal slap aan. Hij loopt langzaam leeg. Onderweg moet ik 'm diverse keren, en met steeds kortere tussentijd oppompen. Later blijkt het de enige lekke band van deze vakantie te zijn. Een andere tegenvaller is de weg. Ik had een vlakke kustweg verwacht. Maar hij klimt naar onbekende hoogten, met korte steile klimmetjes en afdalingen. Door de mist zie ik maar 100 meter voorruit wat de tocht vermoeiend maakt. Aan de andere kant vind ik de stilte, het beperkte zicht en het idee dat een verkeerde bocht me honderd meter lager in de onzichtbare zee doet storten toch rustgevend.
Rond half negen arriveer ik in Siglufjördur. De camping is nog in aanbouw. Het is een veld in het midden van het dorp naast de haven, met uitzicht op de huisjes die tegen de helling zijn gebouwd. Ik kan het gevoel niet onderdrukken, dat het hele dorp naar me kijkt, als ik mijn tent opzet, kook en ga slapen.

Vrijdag 7 juli : Siglufjördur - Dalvik

Siglufjördur is een vriendelijk dorp omgeven door 800 meter hoge bergen. Hierdoor is het nog een klein beetje aardiger dan al die andere vriendelijke vissersdorpjes met een haven, een kerk en wat gekleurde huisjes. Trots van het dorp is het museum in een oud vishuis. Buiten liggen twee oude vissersboten, en een oude vrachtwagen. De binnenkant bekijk ik niet. Ik ga er van uit, dat die niet verschilt van andere visserijmuseumpjes zoals die van Eskifjördur : oud visgerei en veel foto's van overleden dorpelingen, met naam en toenaam. Bovendien is mijn plan veranderd, om deze dag hier te blijven. De lage bewolking maakt lopen in de heuvels nauwelijks aantrekkelijk. 's Ochtends wandel ik daarom door de straten van het dorp, maar rond het middaguur vertrek ik, via dezelfde weg als de dag ervoor. Het weer is iets beter, nog steeds lage bewolking, maar de weg is nu zichtbaar. Onderweg vraag ik me af hoe ik de vorige dag sommige van die korte klimmen heb kunnen fietsen.
Anderhalf uur later ben ik weer terug in het benzinestation, weer voor een kop koffie. De volgende kilometers gaan geleidelijk bergop, door een aardig rivierdal. Ik weet dat er een steile klim (16%) wacht, maar tot die tijd geniet ik van het landschap, waarvan door de wegtrekkende bewolking steeds meer te zien is. Het zonnetje maakt me lui, daarom loop ik het steilste stuk. Boven op de pas heb je een mooi uitzicht over Olafsfjördur. Alleen waait er een koude poolwind me tegemoet, zodat ik de afdaling met kleumende handen beeindig. Ik wil Dalvik bereiken, zodat ik niet te lang in Olafsvik, een modern, ruim opgezet vissersdorp, blijf.
Iets buiten het dorp gaat de weg door een tunnel. Deze is 3,5 km lang, en is zoals de meeste IJslandse tunnels verlicht. Als er niet te veel verkeer is, zijn tunnels wel grappig. En dit is een goede. Er zijn om de vijftig meter lampen, zodat je constant afwisselend licht en donker hebt. In combinatie met de auto geluiden, en de knipperlichten, gepiep en gegrom van vrachtwagens, geeft het een hypnotiserend effect. Vergelijk het met een discotheek. Al vind ik tunnels leuker.

Zaterdag 8 juli : Dalvik

Dalvik heeft een uitstekend kampeerterrein. Het is rustig, er zijn douches en zelfs een wasmachine, en het is gratis. Verrassend genoeg zijn er maar twee gasten als ik arriveer. En als ik de volgende ochtend laat uit mijn tent kom, ben ik alleen. Vandaag is mijn rustdag, dus heb ik geen haast. Ik was wat kleren, doe boodschappen en slenter door het dorp. Dalvik is een modern lokaal centrum met veel ruimte, rond een centraal terrein met daarop de kerk en de school. Voor toeristen niet interessant, maar wel prettig als je hier woont.
'S Middags stap ik op mijn fiets voor een tocht in de nabij gelegen bergen. Het is weer een prachtige dag. Zonnig, een beetje wind en geen wolken. De weg loopt langs een rivier, en splitst zich na 10 kilometer in twee richtingen. Eerst neem ik de rechtertak, en neem een kijkje in Svarfadardalur. Een stel paarden kijkt me nieuwsgierig aan. Ik denk niet dat ze veel fietsers zien. Mijn hoofddoel is de linkertak, Skidadalur. Ik fiets zo ver mogelijk het dal in, en parkeer mijn fiets tegen een bord dat de wandelroutes in de buurt aangeeft. Er zijn verschillende mogelijkheden, waaronder een twee daagse tocht naar Hólar, aan de andere kant van de bergen. Twee uur lang loop ik daarna langs de rivier. Het is een prachtig dal, met mooie groene hellingen met kleine gletsjers bovenop. Er lopen paarden rond, die me nieuwsgierig benaderen, en aan me snuffelen en aan mijn rugzak knabbelen. Ik betreur het een beetje dat ik die dag niet eerder gestart ben. Aan de andere kant, het IS mijn rustdag. Ik keer via de andere kant van de rivier terug naar de camping. Alles bij elkaar een prettige dag.

Zondag 9 juli : Dalvik - Skogur

Als je vanuit Dalvik naar de overkant van het fjord kijkt, zie je Laufás, mijn bestemming voor die dag. Dit betekent echter 80 kilometer fietsen waarvan de helft met wind tegen, tenzij deze rond het middaguur draait. Ik reken daar maar niet op. Het eerste deel van Dalvik naar Akureyri is makkelijk en prettig rijden. Nadat ik op weg nr 1 aankom, wordt het een stuk drukker. Het is zondag, zodat er gelukkig weinig zwaar verkeer is. Maar het blijft een drukke weg. Ik fiets door Akureyri, waarna de moeilijke tocht noordwaarts begint. Wind tegen, en een smalle drukke weg, waaraan door wegwerkers gebouwd wordt. Auto's rijden te hard langs me heen, me achterlatend in een regen van stof en stenen. Bij deze verklaar ik deze weg de één na beroerdste van IJsland, na dat kl*te stuk asfalt tussen Reykjavik en Keflavik. Het enige positieve is het aardige uitzicht op de overkant van het fjord. Als de weg een bocht naar rechts maakt om via een pas over de heuvel te gaan, kan ik via de oude weg een stuk langs het fjord blijven rijden. Dit is een zeer prettige omweg, met weinig verkeer. Bij het eerder genoemde Laufás staat een oude turfboerderij die het bezoek zonder meer waard is. Er zijn verschillende van deze boerderijen, zoals Burstafell en Glaumbaer, die goed aantonen hoe rijke boeren hier vroeger leefden. Als je wilt zien hoe een gewone boerenfamilie vroeger leefde kun je beter naar de museumboerderij Saenautasel, op de vlakte bij Mödrudalur (oost IJsland) gaan. Na Laufás gaat de weg landinwaarts door een mooi dal met een IJslands bos. Ik kampeer die nacht in Skogar, een bos ten zuiden van weg nr 1.

Maandag 10 juli : Skogur - Húsavik

De rit naar Húsavik had een makkie moeten worden. Slechts 65 kilometer vlak terrein. En de eerste 15 kilometer was bekend terrein, want die had ik 11 jaar eerder al gereden. De wind komt nog uit het noorden, dus tegen. Veel eten en drinken heb ik niet bij me, alleen wat water. Ik denk me hiermee wel te kunnen redden. Een plaats om onderweg iets te kopen is er niet, tenzij ik omrij via Godafoss. Gezien de dagafstand lijkt me dat niet nodig. Helaas bestaat het gebied voornamelijk uit landbouwgrond, en lavaveld met kleine boompjes. Veel zon, maar geen water te vinden. Tien kilometer voor Húsavik kan ik daarom geen trap meer verzetten. Uitgeput moet ik bij een raar monument (voor een dominee of het eeuwige schaap o.i.d.) rusten. Ik had (weer eens) tegen de belangrijke fietsregel gezondigd : blijven eten en drinken. Pas anderhalf uur later bereik ik na een laatste en onverwachte klim Húsavik, waar ik de lokale supermarkt plunder.
Húsavik staat bekend om zijn walvis safaries. Ik dacht dat je 95% kans had er één te zien. Het is ook een aardig stadje met een vriendelijke camping. De bewaarder vertelt me enkele aardige feiten over het stadje, en waarschuwt me voor trollen en elven in de omringende bosjes. Het weer is nog prachtig, zodat ik 's avonds een wandeling maak langs de haven en in het plaatselijke park.

Dinsdag 11 juli : Húsavik - Lundur

Het belooft weer een makkelijke dag te worden. Slechts 70 km, tot Ásbyrgi. Maar eerst moet ik een telefoontje naar Nederland maken. Vroeger waren er in postkantoren altijd kleine kabines in postkantoren. Maar nu IJslanders met een GSM aan hun oor geboren worden, zijn de meeste verdwenen. Ik heb twee keuzen, een telefoonkaart van ISK 1000, of de munttelefoon in de hal van het hotel. Ik kies de laatste. Helaas eet deze de munten in een razend tempo op, zodat ik uiteindelijk net zoveel kwijt ben als met een kaart.
Van het landschap op het Tjörnes schiereiland is me niet veel bijgebleven. Het was niet lelijk, maar nog minder indrukwekkend. Vanaf de kustweg kon je in de verte het eiland Grímsey zien, de enige IJslandse plaats op de poolcirkel. De weg was enigszins heuvelachtig, totdat deze naar het zuiden afboog waar hij weer omhoog ging. Vlak voor een prettige afdaling heb je een uitzichtpunt over de delta van de Jökulsá á Fjöllum. Ik laat Ásbyrgi even links liggen, en overnacht op de camping van Lundur.

Woensdag 12 juli : Lundur - Raufarhöfn

De volgende twee dagen rijd ik rond het laatste schiereiland, Melrakkasletta genaamd, de noordoostelijke hoek van IJsland. Toeristen slaan dit deel van het land vaak over, want het heeft weinig te bieden. Voor mij is het deels een tocht terug in de tijd. Meer dan 10 jaar daarvoor had ik weg 867 die het schiereiland afsnijdt gereden, nadat ik de nacht daarvoor zonder water boven op een heuvel had gekampeerd. Het kostte me toen 5,5 uur om de 38 km te rijden en ik heb me altijd afgevraagd waarom. Het weer is min of meer gelijk als toen, donkere wolken en af en toe een bui. Het eerste deel van de weg, met veel losse stenen gaat omhoog. Daarna volgen enkele kilometers in een doolhof van kleine heuvels. Nadat je door een droog rivierbed bent gereden, kom je op een vlakte. Halverwege is een oranje schuilhut. Deze vind je vaak op bergpassen, en zijn er voor het geval dat een reiziger in zwaar weer terechtkomt. Uit nieuwsgierigheid ga ik naar binnen. Veel is er niet te zien. De begane grond is opgedeeld in een kamer en een opslagruimte. In de kamer staan twee bedden, en via een ladder kun je naar een zoldertje waar nog twee bedden staan. Verder is er een tafel, een stoel. Enkele kaarsen en een bijbel completeren de nooduitrusting. Een radiozender zou er ook moeten zijn, al zie ik hem op het eerste gezicht niet.
Na de vlakte moet ik weer een paar honderd meter klimmen. Er dwalen mistflarden rond, waardoor het stenenrijke heuvellandschap, een spookachtig gezicht krijgt. Misschien dat hier elven en dwaallichten wonen ? Enkele kilometers later, en na een uur minder fietsen dan de vorige keer, ben ik terug bij de kustweg. Ik zoek naar de plaats waar ik denk indertijd gekampeerd te hebben. Toen kon ik in de duisternis geen water vinden. Nu zie ik dat er op vijftig meter afstand een beekje stroomt. Ik sla af naar het noorden, heb de wind weer van voren. Er is niet veel te zien. Een enkele boerderij, wat meertjes, heuvels, stenen, schapen en de weg. Mijn reisgids schrijft dat ik een mooi uitzicht over het halve schiereiland moet hebben. Ik zie alleen mist.
Tegen zeven uur bereik ik mijn eindbestemming, het dorp Raufarhöfn. Mijn top drie van meest beroerde dorpen krijgt meteen een nieuwe nummer 1. De meeste huizen, waarvan enkele behoorlijk bouwvallig, liggen langs de weg die door het dorp loopt. De kerk is in een hoek van het dorp achter een berg schroot verstopt. Koffie kan ik er ook niet krijgen, zowel de winkel als het benzinestation zijn al gesloten. Maar het meest opvallend is de dominante rookbrakende schoorsteen van de visfabriek die midden in het dorp staat. De camping is wel aangenaam, met een halfronde aarden wal die bescherming biedt tegen wind vanuit het noorden.

Donderdag 13 juli : Raufarhöfn - Ásbyrgi

Het Melrakkasletta schiereiland is plat. Veel is er niet te zien. Een enkele boerderij, wat meertjes, nat grasland met stenen, een paar schapen, strandjes met drijfhout, een vlucht ganzen, agressieve noordse sterns, regen, mist, stilte. En wind in de rug zodat ik dit deel van het land met een aangename snelheid weer verlaat. Er zijn deze dag weinig hoogtepunten. Twee raven zitten op een rots ruzie te maken. Kopasker is een vriendelijk maar niet bijzonder dorp. Wel mooi is het landschap waar de rivierdelta van de Jökulsá de zee bereikt. Zwarte stranden met langwerpige meren, waarschijnlijk een paradijs voor zeevogels. De weg maakt op gegeven moment een merkwaardige bocht rond een fabriek (?) die midden in de deltavlakte staat. En heel nat wordt het, bij mijn laatste kilometers naar Ásbyrgi, wanneer het gaat stortregenen.

Vrijdag 14 juli : Ásbyrgi - Mývatn

Ásbyrgi is een hoefijzervormige kloof, met daarin een bos. Het is daarom één van de belangrijke attracties van het Jökulsárgljúfur National Park. Er zijn twee campings in de kloof. Ik kies de grote, naar IJslandse maatstaven luxe, bij de ingang. Er is een wasmachine, en zelfs kasten met hete lucht om kleren in te drogen. De kloof zelf interesseert me niet zo. Bij een eerder bezoek heb ik 'm uitgebreid bekeken. Ik beklim alleen het 'eiland' in het midden van de kloof. Maar mijn hoofddoel vandaag is de Dettifoss, de grootste waterval van IJsland. Ook deze zag ik eerder, maar toe van de oostelijke oever. Nu wil ik hem van de andere oever bekijken. De weg er naar toe heeft echter de naam slecht te zijn. Het gedeelte naar Hljóodaklettar, dat ik ook ooit gereden had valt me alleszins mee, en is beter dan in mijn herinnering. En het waarschuwingsbord over de slechte weg dat daar indertijd stond, is ook verdwenen. Tot vlak bij Dettifoss is de weg daarom gewoon goed te noemen (voor een mountaintrack dan).
Omdat het grijze regenweer ondertussen ook door een lekker zonnetje vervangen is, kom ik vol goede moed bij Dettifoss aan. Daar praat ik kort met een Duitse fietser. Hij heeft het 'lastige' zuidelijke deel van de weg al gedaan, en beschrijft het als 'ein autobahn'. Maar dit moet je wel zien in het licht, dat hij beginnend in Egilsstadir, door het binnenland naar Askja is gereden. Hij hoopt in Mývatn een reserveband te kunnen krijgen, zodat hij zijn tocht door de Sprengisandur richting Reykjavik kan vervolgen.
Ik bezoek eerst de 10 meter hoge Selfoss. Deze waterval ligt een stukje stroomopwaarts van Dettifoss. Een aardige waterval, maar vanaf de andere oever waarschijnlijk een stuk mooier. Toch is het de omweg wel waard, en ik snap niet waarom iedereen alleen naar Dettifoss rent. Deze is vanaf deze kant echt indrukwekkend. Je kijkt recht tegen een groot grijs watergordijn, dat zich met veel geraas in de diepte stort. De derde, minst bekende waterval Hafragilsfoss ligt drie kilometer stroomafwaarts. Er is een gemarkeerd maar moeilijk begaanbaar pad. Eerst loop je door een steenwoestijn. Langs een touw daal je hierna af in de kloof, waar het beste stuk begint. Het gezicht in de kloof is prachtig. De Hafragilsfoss is maar een beetje kleiner dan de Dettifoss, en je hebt een goed uitzicht zowel de voor- als zijkant. Na een hachelijke passage met losse stenen kun je bij de Hafragil weer uit de kloof klimmen, en teruglopen naar de parkeerplaats. De wandeling kostte me ongeveer vier uur, maar was onvergetelijk. Het gevreesde stuk mountaintrack is inderdaad veel beter dan verwacht. Alleen de laatste paar kilometer (bij de rondweg) zijn nogal zanderig. Maar alles bij elkaar is de weg misschien wel beter dan de officiële op de oostoever. Dit, gecombineerd met het mooiere uitzicht op Dettifoss, en de mogelijkheid Hljodatklettar te bezoeken maakt de keuze tussen deze wegen niet moeilijk als je Dettifoss wilt zien.
Tegen tienen kom ik bij de grens van het Mývatn park aan. Aan de voet van de berg Námaskard bevindt zich een terrein met kokende modderputten en stomende bronnen. Ik wil eigenlijk alleen even kijken of er de afgelopen jaren iets veranderd is (jawel, er zijn hekjes, vlonders en afscheidingen). De prachtige zonsondergang noopt me echter een nieuwe film in de camera te duwen en nog wat foto's te maken. Pas tegen elf uur arriveer ik op de camping.

Zaterdag 15 juli : Mývatn

Ik heb deze dag de keuze uit twee opties, een 6 uur durende wandeling naar een kloof, of uitslapen en het rustig aan doen. Als ik om half negen wakker word, en de regen en wind tegen het tentdoek hoor kies ik voor het laatste. Het is vreselijk weer. De lucht is donkergrijs en zit helemaal dicht. Pas tegen vieren klaart het iets op. Ik doe boodschappen, en ga naar het informatiecentrum om te vragen hoe het met de busstaking is. Deze is nog steeds bezig, zonder uitzocht op een oplossing. Ik ga er nu maar van uit dat mijn bus terug vanuit Varmahlíd vertrekt. Ook deze avond is er weer een prachtige zonsondergang.

Zondag 16 juli : Mývatn - Akureyri

Mijn doel voor vandaag is Akureyri. Ik heb deze tocht eerder gemaakt dus zie ik geen probleem. Alleen neem ik nu niet de gebruikelijke weg (nr 1), maar fiets naar het noordwesten, de weg naar Húsavik. Als snel rij ik in een maanlandschap. Vreemd, bij Mývatn kreeg je het idee in de bewoonde wereld te zijn, maar hier is het weer van God verlaten. Hoewel, als ik een foto van de omgeving wil maken, moet ik eerst een grote sliert toiletpapier weghalen, die hinderlijk in beeld wappert. Weer een voorbeeld van de natuur die door de grotere stroom toeristen het zwaarder heeft. En voor mij één van de redenen waarom ik met name in bewoonde gebieden zoveel mogelijk op campings blijf.
Ongeveer 20 km voor Húsavik, zie ik vanaf een heuvelrug een van mijn doelen van vandaag, de museumboerderij Grenjadarstadur, liggen. Via een slingerpad daal ik de helling af de rivierdelta in. Grenjadarstadur is heel erg vergelijkbaar met Laufás . In beide gevallen gaat het om vijf huisjes naast elkaar met daarachter een door graszoden overdekt woonkomplex. De indeling is ook vergelijkbaar met een centrale gang, met daaraan kamertjes. Beide zijn vroeger ook bewoond geweest door een pastoor, en er staat dan ook een kerkje vlakbij. Verschillen zijn er ook. Laufás heeft wanden van Turf, Grenjadarstadur van hout. Misschien zijn om die reden de plafonds van de laatste ook iets hoger zodat je rechtop kan staan. Toch vind ik Laufás mooier.
Na Grenjadarstadur heb ik een tiental kilometers tegenwind. Hierna ben ik weer op bekend terrein, al valt het bord "Akureyri 60 km" me behoorlijk tegen. Ook het klimmetje dat daarop volgt is steiler en langer dan in mijn herinnering. In de afdeling naar Godafoss moet ik door de tegenwind zelfs trappen om nog vooruit te komen. Ik denk er daarom over de laatste 45 km, waaronder het drukke stuk langs Eyjafjördur met de bus te doen. Uiteindelijk fiets ik toch maar. Om 19.30 kom ik in Akureyri aan.

Maandag 17 juli : Akureyri - Reykjavik

's Ochtends loop ik nog even langs de VVV. Tot mijn verrassing vertellen ze me dat de busstaking voorbij is. De bus van die dag is al weg, maar 's avonds gaat er nog één. Mijn idee is om de weg naar Varmahlíd over Öxnadalsheidi te fietsen, en daar deze bus op te pikken. Deze weg had ik al twee keer eerder met een bus gedaan. Maar het leek me een goede gelegenheid om dit landschap met zijn hoge bergen en puntige rotsen te fietsen.
Optimistisch ga ik op weg. Het eerste deel wordt ik vooral gehinderd door vrachtverkeer. Maar na de afslag naar Dalvik maakt de weg een bocht, en rijd ik pal tegen de wind in. Ik probeer het enkele kilometers. In de verte zie ik donkere wolken en regenbuien. Bij een school staat een bord met de wegcondities : zuidwester wind van 11 m/s . Met andere woorden, 60 km lang windkracht 6 pal tegen, inclusief een klim naar 550 meter. Hier heb ik geen zin in. Öxnadalsheidi wil ik zeker een keer fietsen maar dit jaar eindigt mijn vakantie in Akureyri. Ik keer terug.
In Akureyri was ik twee keer eerder geweest, en het had tot nu toe nauwelijks indruk gemaakt. Een klein centrum, eigenlijk maar één winkelstraat. Een snelweg die vlak langs dit centrum loopt, met flink wat betonbouw erlangs. Veel verveloze huizen en geen sfeer. Nu ontdek ik een andere kant van Akureyri. De benedenstad langs de haven bestaat uit allemaal verschillende gekleurde huisjes. En de botanische tuin is vele malen mooier dan die van Reykjavik. Bij de haven staat een circustent. Verder heb ik voornamelijk lekker in het zonnetje vanaf de heuvel bij de kerk naar een cruise schip gekeken dat onduidelijke dingen in de fjord doet.
Om vijf uur vertrekt mijn bus. Mijn fiets wordt samen met twee andere op beugels voor op de bus gehangen. Met twee fietsen in de buik komt het aantal hiermee op 5. Gedurende de reis groeit dit aantal gestaag, zodat we uiteindelijk met 11 fietsen in Reykjavik aankomen. Allemaal mensen die de strijd met de wind op hebben gegeven. Ook enkele bekenden, zoals twee Spaanse broers die ik bij Ásbyrgi ontmoet had en me toen vertelden dat ze de Kjöler wilden fietsen. "The wind" is het enige wat ze kunnen uitbrengen als ik vraag waarom ze de bus nemen. De intonatie waarmee hij dit zegt doet me denken aan het einde van de film "Apocalypse Now" waar de hoofdpersoon de woorden "the horror" uitspreekt.
De terugreis is niet vervelend. Een flink deel volgen we de weg die ik de afgelopen drie weken gefietst heb. Maar twee Nieuw-Zeelandse meisjes, op fietstocht in IJsland, zorgen voor wat aanspraak. Ook het landschap ziet er vanuit de bus anders uit. Sommige delen die door de mist onzichtbaar waren, zijn nu wel redelijk te zien. Bij de schuilhut op Holtavorduheidi stuiven tot onze verrassing twee fietsers luid gebarend de weg op. Ook zij willen mee. Bij gebrek aan ruimte in de bagageruimte worden hun fietsen in het gangpad gezet. Hoe dichter we Reykjavik naderen hoe slechter het weer wordt. Als we de tunnel onder Hvalfjördur ingaan slaat de regen tegen de ramen. Gezien de hellingen in de tunnel is het overigens begrijpelijk dat hier geen fietsen in mogen. In Reykjavik is het verrassend genoeg droog. Om half één sta ik op de camping.

Dinsdag 18 juli : Reykjavik

Bijna alle keren dat ik in IJsland was spendeerde ik de laatste dag in Reykjavik. Deze keer bezoek ik Árbaer, het openluchtmuseum. Dit zeer bezienswaardige museum ligt een paar kilometer ten zuidoosten van de camping, in hetzelfde dal waar zich ook de eerste elektriciteits centrale met bijbehorend museum bevindt. Het Árbaer museum bestaat uit een vijfentwintig tal oude huisjes en huizen die gered zijn van de slopershamer. In elk huisje worden voorwerpen behorend bij een oud ambacht tentoongesteld. Daarnaast was er een interessante diavoorstelling over de geschiedenis van Reykjavik te bezichtigen. Overigens zijn er plannen om dit museum naar het centrum bij het meer Tjörnin te verhuizen.
Na het museum fiets ik naar het nieuwe stadhuis dat aan het Tjörnin ligt. In de kelder hiervan bevind zich een 30 bij 20 meter grote reliefkaart van IJsland. Als liefhebber van kaarten blijf ik hier een half uur lang staren, steeds weer nieuwe plaatsen opzoekend, om te kijken hoe ze in de structuur van het land passen.
Verder slenter ik wat door de stad. Bij de haven is een kermis. Mijn medelijden met de IJslanders omdat ik dacht dat zij geen kermissen en circussen kennen is dus onterecht. Alleen een dierentuin met leeuwen en olifanten ontbreekt.

Woensdag 19 juli : Reykjavik - Keflavik

Alweer een dag dat ik moet kiezen tussen lui zijn of fietsen. Ik zou op weg naar Keflavik de nieuwe Blue Lagoon kunnen gaan bekijken. Nog langer zou een tocht langs Kleifarvatn en de zuidkust duren. Ik heb er geen zin meer in. Om de vreselijke weg naar Keflavik te vermijden neem ik de bus. Omdat deze net weg is, en de volgende pas anderhalf uur later gaat, maak ik nog een tochtje naar de vuurtoren van Seltjarnes, een dorp ten westen van Reykjavik. Van hier af loopt er een fietspad langs de zee dat uiteindelijk weer in de buurt van het busstation uitkomt.
In Keflavik loop ik nog even door het dorp maar het is net zo zielloos als b.v. Egilsstadir of Selfoss. Op de camping maak ik nog kennis met een Nederlands echtpaar die met een eigen landrover door het land zijn gecrosst. Ze maken me nieuwsgierig naar enkele plaatsen waar ik nog niet geweest ben, zoals het schiereiland Langanes. Ik bereid me vast voor op een vroeg vertrek, omdat mijn vlucht om kwart voor acht vertrekt.

Donderdag 20 juli : Keflavik - Schiphol

Slapen lukt niet goed, omdat ik bang ben me te verslapen. Om kwart over vijf sta ik op, en om kwart voor zes zit ik op de fiets. Het giet. Drijfnat kom ik op het vliegveld aan, waar de hal reeds vol met mensen staat. De rijen staan zelfs tot bijna buiten het gebouw. Ook is er is een ernstig tekort aan bagagekarretjes, zodat het me een half uur kost voor ik er één vind. Met mijn 7 stuks bagage plus een fiets heb ik er echt een nodig. Ook het prepareren van mijn fiets voor de vlucht kost nog enige tijd. Uiteindelijk sta ik om vijf voor zeven in de rij. Drie kwartier later sta ik daar nog. Gelukkig werd een half uur daarvoor al omgeroepen dat mijn vlucht vertraging had. Anders was de tijd wel heel erg penibel geweest. Nu heb ik nog enige momenten om in de taxfree shop rond te neuzen, en daar de CD van de IJslandse band Sigur Rós te kopen. Een tastbare herinnering aan deze vakantie. Maar terugkijkend zijn de echte herinneringen natuurlijk het mooist. Top

© Michiel Erens, 2001