Verhalen ©
In 1976 kreeg ik de eigenaardige behoefte allerlei dingen van vroeger op te schrijven, niet omdat die dingen ook maar in het minst belangrijk zijn; er zijn echt onbenullige voorvalletjes bij. Ik schreef ze op omdat ik het leuk en prettig vond ze op te schrijven, maar waarom ik dat prettig vond, weet ik niet. [± 1943] Het roggebrood Jammer dat ik helemaal niet meer weet hoe we aan een grote zak rogge gekomen zijn, die bij een bakker in de Horst, bij Groesbeek, stond. Deze bakker bakte iedere dinsdag, voor de prijs van een dubbeltje, van deze rogge een groot brood voor ons. Dat brood moest wel gehaald worden en dat was niet zo eenvoudig, want bussen reden er niet en de fietsen waren in beslag genomen op een enkele na, die onder de kamer verborgen was. Het brood moest dus te voet gehaald worden en dat was geen kleinigheid. Weer was het vader die dat iedere week opknapte. Het was uren lopen naar de Horst, maar het lange en zware brood lag op die dag altijd klaar. Hij rustte er even en ondernam dan weer de urenlange terugtocht, en we weten allemaal hoe een zwaar brood dan steeds zwaarder wordt! Dolblij waren we met die extra aanvulling van ons broodrantsoen, maar heden ten dage zou niemand van zo’n brood willen eten. Het was bikkel- en bikkelhard en er was met een mes bijna niet doorheen te komen. Een flinke slag met dat brood op je hoofd, en je zou ‘wijlen’ geweest zijn. Als ik nu hoor dat er per jaar meer dan een miljoen broden worden weggegooid, dan kan ik dat maar niet begrijpen. Ik zie dan die harde broodstaaf weer voor me, en nog een ander tafereel wat ik nooit vergeten ben: Frits en Ton in de voorkamer, verwoed vechtend om een halve korst brood.
[± 1943] Erwten en bonen Van Nel Damen uit Beuningen kregen we een tip dat ze iets voor ons had kunnen bemachtigen. Wat een fijne tijding!!! Wat zou het zijn? We hadden toen nog een gammele fiets en zo gauw het donker werd vertrok vader daarop: richting Beuningen. Het was slecht weer en het werd nog steeds slechter: wat je noemt een weer waarin je geen hond naar buiten stuurt. Het was haast geen doen om in zulk weer van Beuningen terug naar huis te fietsen, dat was twaalf kilometer. Maar er was een voordeel: met dit barre weer zou er wel geen controle zijn op de brug over het Maas-Waalkanaal. We mochten van onze ‘bevrijders’ nu eenmaal geen extra voedsel, waar ook vandaan, halen, dat werd direct in beslag genomen. Ik leefde in gedachten intens met vader mee en vond dat hij veel te lang wegbleef. De storm gierde en de regen viel met bakken uit de hemel. Arme Jan, dacht ik maar steeds, dat je nu zo’n weer moet hebben. Eindelijk, eindelijk kwam hij thuis, doodmoe en drijfnat, maar zo trots als een pauw dat hij zoveel meebracht en dat hij dat nog had. Wat was er op de terugweg gebeurd? Terwijl hij moeizaam tegen de wind intrapte zag hij op de brug twee controleurs staan. De schrik sloeg hem om het hart, zou hij nu nog alles af moeten geven? Toen hij de mannen passeerde hoorde hij roepen: ‘Afstappen’. Ik doe alsof ik door de wind niets hoor, dacht vader, maar nu veel dringender en dreigender klonk het weer: ‘Direct afstappen’. Toen stapte hij, radeloos, maar af. ‘Maak het koffertje achterop Uw fiets open,’ commandeerde de ene controleur. Dat deed hij toen maar, en daar lagen in dat kleine blauwe en versleten koffertje de schatten: erwten en bonen. ‘Ik heb thuis vijf kinderen die honger hebben,’ zei hij. En toen gebeurde iets wonderlijks en onverwachts. Deze mannen, deze ‘verkeerde Nederlanders’, werden blijkbaar getroffen door het feit dat deze drijfnatte en vermoeide vader zo’n tocht ondernam voor zijn gezin. ‘Rij maar door, we hebben U niet gezien,’ zeiden ze. Wat ze ook niet gezien hadden waren de pakjes boter die met een touw om zijn lichaam gebonden waren! Dat deze twee mannen zo goed voor vader waren terwijl het hun plicht was alles af te nemen, bewijst weer eens temeer mijn stelling waarom zo vaak gelachen wordt: Ieder mens heeft zijn goeie dingen. [± 1943] De koffer Nog een bewijs dat ieder mens toch zijn goede kanten heeft. In een van de oorlogswinters reisde ik ’s avonds in de trein Roermond–Nijmegen. De trein was natuurlijk niet verwarmd en, volgens voorschrift, ook niet verlicht. Een ver van prettige reis dus in zo’n koude, donkere wagon met meest zwijgzame mensen. De stationnetjes waar de trein nu en dan moest stoppen waren schaars verlicht, je kon er net genoeg zien om bij het in- en uitstappen je nek niet te breken. Plotseling verscheen in de wagon een ‘verkeerde Nederlander’ die met een grote zaklantaarn de bagage van de reizigers kwam controleren. Grote en kleine tassen moesten geopend worden en werden nagekeken of er geen eten meegesmokkeld werd. Nu stond er in een bagagenet een grote koffer en toen de controleur die zag, vroeg hij: ‘Van wie is deze koffer?’ Geen antwoord. ‘Zeg op, van wie is deze koffer, die moet toch van iemand zijn?’ Geen antwoord. Er heerste een doodse stilte in de wagon. ‘Is die niet van U?’ vroeg hij aan de man die op de bank onder de koffer zat. ‘Nee, niet van mij.’ ‘Of van U? of van U?’ vroeg hij nog aan diverse mensen, maar iedereen antwoordde: ‘Nee, niet van mij.’ ‘We zullen eens zien wat erin zit,’ zei hij nijdig. De koffer werd uit het net getild en geopend, en bleek gevuld te zijn met meel. Wat een kostbaar bezit en wat erg voor de man die ermee gezwoegd heeft, dacht ik. ‘Nou, dan weet ik het ook niet,’ zei de controleur, tilde de koffer weer in het net en verdween. Na zijn vertrek heerste er een gespannen stilte. Wie zou de eigenaar toch zijn? Toen de trein Nijmegen naderde, liep de controleur door de wagon en zei, als terloops: ‘De eigenaar van de koffer kan deze ongestraft meenemen.’ Er klonk een zucht van verlichting. Het was toch de man die er onder zat! Hij was dolblij! [Tijdens 1e Wereldoorlog: l914 – 1918] De trommel en de ondankbaren Slechts twee gebeurtenissen zijn me bijgebleven uit het jaar 1914, toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, die, tegen ieders verwachting in niet vier maanden, maar vier jaar zou duren. Antwerpen stond in brand! En iets van die enorme vuurgloed was te zien vanuit het zolderraam van ons huis in Roosendaal. Die brand was er de oorzaak van dat duizenden en duizenden vluchtelingen ons stadje binnen stroomden, bepakt en bezakt met het dierbaarste wat ze bezaten. Ze vonden een slaapplaats op de banken in de kerken, op een deken die ze op straat uitspreidden en natuurlijk ook veel bij particulieren. Ook mijn vader en moeder stelden zo veel mogelijk ruimte beschikbaar. De drie zusjes moesten samen op een kamer gaan slapen en mijn niet grote bed werd op de ouderlijke slaapkamer geplaatst, zodoende konden we meer mensen een onderdak verschaffen. Ik was acht jaar, te jong om iets van die oorlog te begrijpen en ook te jong om er veel van te onthouden, alleen de twee volgende gebeurtenissen. Bij de vluchtelingen die bij ons voor een of meerdere nachten onderdak vonden (velen reisden spoedig verder) waren twee dames. Zeulend met een groot Verkadeblik kwamen ze, oververmoeid, bij ons binnen vallen. Toen ze wat uitgerust waren werd de grote trommel op tafel gezet en geopend. Bij het zien van de inhoud slaakten beiden een kreet van schrik. ‘We hebben de verkeerde trommel meegenomen,’ riepen ze ontzet, ‘we dachten dat hierin onze juwelen zaten!’ Wat zat er in deze trommel? Chocolade! Ja, chocolade in de vorm van tabletten en dikke crèmerepen. De trommel werd in de gang, tegenover de trap gezet en iedere keer als ik de trap afkwam keek ik op al die heerlijkheden. Nooit heb ik er iets van gekregen; jammer, want die Belgische chocola is heerlijk. De tweede gebeurtenis handelt over twee heren die voor een nacht om onderdak kwamen vragen. Er was nog maar een kamer beschikbaar, maar dat vonden ze geen bezwaar: beter samen een kamer delen dan op straat slapen. Op de gang boven waren drie slaapkamers naast elkaar, daarvan kregen ze de middelste. Aan het eind van de gang liep je tegen de deur van het ouderlijk slaapvertrek aan en die deur bestond grotendeels uit matglas. Alleen een heel lang iemand kon over dat matte gedeelte in de kamer kijken. Vanuit mijn kinderbed keek ik op die deur en zag daarachter het licht op de gang branden; voor ieder kind is het fijn een lichtschijnsel te zien en niet in het pikdonker te slapen. Op de avond dat die twee mannen bij ons logeerden werd ik, zoals gewoonlijk, bijtijds naar bed gebracht, maar de slaap wilde niet zo vlot komen en zeker niet toen een van de mannen op de gang op en neer ging lopen en nu en dan over het matglas heen naar binnen keek. Waarom deed hij dat nou? Ik vond het griezelig. Natuurlijk viel ik toch in slaap, maar werd plotseling met een schok wakker en keek zo in een mannengezicht aan het voeteneind van mijn bed. ‘Ze wordt wakker, laten we maar weggaan,’ zei hij tegen de andere man die bij een kastje stond waarin mijn moeder haar sieraden bewaarde. Beiden verdwenen, mij rillend van angst achterlatend. Ik wist niet wat te doen: naar beneden gaan durfde ik niet, want dan moest ik hun kamer passeren en ik hoorde aan hun stemgeluid dat die deur open stond. Het leek een eeuwigheid te duren voor mijn ouders naar bed kwamen en ik mijn verhaal kwijt kon. Mijn vader besloot wakker te blijven, hij vertrouwde hen voor geen cent. En jawel, ’s nachts om een uur of twee hoorde hij zachtjes hun deur open gaan. Hij deed direct het licht aan, opende de deur en vroeg wat ze in het holst van de nacht wilden doen. Ze mompelden iets over naar de w.c. gaan, verdwenen weer in hun kamer en hebben zich verder koest gehouden. Toen ze de volgende morgen vroegen of ze nog een nacht mochten blijven, weigerde mijn toch o zo goedige vader dat pertinent. Het mannengezicht met de bruine ogen, aan het voeteneind van mijn bed, heeft me jaren achtervolgd. De gordijnen De oorlogsjaren verliepen, alles werd schaarser en schaarser, textielpunten waren schaars en je kon er alleen wat rommel voor kopen; zelfs een klos garen was niet meer te krijgen. Versleten en uitgegroeide kleren waren niet door nieuwe te vervangen, en hoe vindingrijk we ook in het vermaken werden, er bleven toch veel onoplosbare problemen. Een van die problemen was dat Frits en Ton, toen veertien en elf jaar oud, geen draagbare winterjas meer hadden. Terwijl ik een keer bij Tet logeerde en daarover met haar sprak, viel mijn oog op de gordijnen. Ik sprong op en riep blij: ‘Ik weet het, ik weet het, ik laat van de gordijnen jassen maken.’ Ik vond het zelf een reuze idee, ja een geweldig idee. Tet zal het misschien wel vervelend gevonden hebben zonder die gordijnen in d’r huiskamer, maar ze heeft er nooit een woord van gezegd, ze hield ook van de kinderen en had het er voor over wat kaler te zitten. De gordijnen werden afgehaald en meegenomen, de gekleurde rand eraf geknipt en de twee fijne wollen lappen werden opgestuurd naar Palthe in Almelo om donkerbruin geverfd te worden, want dat geelbruin was een onmogelijke kleur voor jongensjassen. Het was eind augustus 1944 toen de lappen naar Almelo gingen en in september kwam de bevrijding voor een gedeelte van Nederland. De hele lange, lange winter bleef ons land boven de grote rivieren bezet, en wat daar al niet gebeurde. Met veel spijt dacht ik vaak aan mijn twee kostbare lappen in Almelo, die ik wel nooit terug zou zien. Enkele dagen na de vrede in mei 1945 kreeg ik tot mijn grote vreugde bericht van Palthe, dat de lappen er nog waren en dat ik ze nu spoedig geverfd zou ontvangen. Zo gebeurde het ook. Een kleermaker in de buurt heeft de jassen ‘gesneden’ en daarna werden ze door onze onvolprezen naaister Juffrouw Aarts in elkaar gezet. Het waren prachtjassen. Veel van alle vroegere kinderkleren ben ik vergeten, maar deze jassen nooit. [± 1913 – 1914] Het dubbeltje Een jaar of acht, negen zal ik geweest zijn, toen de geschiedenis van het dubbeltje een onuitwisbare indruk op me gemaakt heeft. Vroeger, dat is nu meer dan zestig jaar geleden, werden de rekeningen van kleermaker, timmerman, loodgieter, schilder enzovoort altijd in contanten betaald; er was immers nog geen giro of iets dergelijks. Het ging dan zo, dat onze hulp voor dag en nacht op zaterdagavond die rekening of rekeningen mocht gaan betalen. Dat vond ze een fijne avond, want ze ontving dan gewoonlijk een gulle fooi; dat was naar gelang de grootte van de rekening: twee kwartjes of een gulden, soms zelfs nog iets meer. Op een zo’n zaterdagavond mocht ik met haar mee, en toen ze ergens een flinke fooi kreeg, gaf ze aan mij een dubbeltje! Dat was wat voor me, want hoe royaal we het in alle opzichten hadden: ‘snoepcenten’ waren er niet bij. Natuurlijk drukte ze me op het hart niets van dat dubbeltje thuis te vertellen en dat deed ik dan ook niet, maar ik deed iets veel dommers. Op maandagmorgen kocht ik in het snoepwinkeltje wat ik dagelijks op weg naar school passeerde, voor dat hele dubbeltje tegelijk snoep en dat was een zak vol met dropveters, pindabrokken, toverballen enzovoort. Ik zie het winkeltje nog voor me met zijn glazen stopflessen vol heerlijkheden, de stukken drop en spek. Het rinkelende belletje, het kleine vrouwtje at naar voren kwam sloffen, de smalle bruine toonbank, ik ben het nooit vergeten en zou het, als ik tekentalent had, nog zo uit kunnen tekenen. Er waren veel vaste klantjes voor een halve of een hele cent per dag, maar vermoedelijk was ik met mijn dubbeltje die dag toch wel de grootste klant. Ik had een tweed manteltje aan en propte met veel moeite die grote snoepzak in mijn mantelzak, ik liep er natuurlijk mee voor gek, maar daar dacht je als kind niet aan. Thuis gekomen hing ik mijn mantel aan de kapstok en ging eten. Na het eten moest ik me altijd aangekleed nog even laten zien voor ik naar school ging, en, stommeling die ik was, ik vergat de snoepzak eruit te halen. ‘Wat heb jij daar voor een dikte in je mantelzak?’ vroeg moeder verbaasd. ‘Dat is snoep’ zei ik geschrokken. ‘Snoep? Hoe kom je daaraan?’ Toen moest ik voor eigen welzijn Anna wel verraden en zei:’Ik heb zaterdagavond van Anna een dubbeltje gekregen.’ ‘Dat kan ik niet geloven, dat moet ik haar vragen,’ zei moeder, en ze drukte op het belletje naar de keuken, waarop Anna verscheen. ‘Heb jij Bepke zaterdagavond een dubbeltje gegeven?’ ‘Nee, mevrouw,’ loog Anna, die wel in de gaten had dat er heel wat zou zwaaien als ze ‘Ja’ zei. Wat ik daarna ook zei, natuurlijk werd niet het snoepgrage kind geloofd, maar de trouwe gedienstige. Wat had ik een verdriet: niemand die me geloofde, en mijn snoep kwijt! Nog meer verdriet dan ik had mijn moeder. Daags daarna was ze ziek en lag op bed, ik geloof zeker dat het van zorg en ellende was. Had ik al niet eens een cent gestolen voor een ijsje? En wat moest er terecht komen van een kind dat zo jong al stal en loog? Dat het dubbeltje gestolen was zal voor haar wel zeker zijn geweest. Mijn machteloosheid toen ik naast haar bed stond! Dat rotte dubbeltje!!! Mijn arme moeder heeft zich voor niets zorgen gemaakt; ik ben geen dievegge geworden en mijn eerlijkheid is, volgens de kinderen bijna abnormaal te noemen! [±1945] Ik, toch een dievegge? Of er nu bij V&D verbouwd werd, of dat er een oorlogsbeschadiging was geweest, weet ik niet meer, maar er was daar als noodoplossing, in de Sinterklaastijd boven bij de trap een lange tafel neergezet, en daar verkochten ze suikeren beesten in alle kleuren. Ik kocht er diverse voor de somma van f1,48. De Juffrouw maakte er een pakje van, gaf het mij en ik ging rustig de trap af en naar de afdeling fotoalbums. Terwijl ik er wat in stond te neuzen werd ik op mijn schouder getikt en een nijdige stem siste me toe: ‘U hebt niet betaald!’ Dodelijk verschrikt keek ik in het woedende gezicht van de suikerenbeesten-verkoopster en zei: ‘Heb ik niet betaald? Och nee, nou U het zegt, nee, ik heb niet betaald.’ Liefst was ik op dat moment door de V&D vloer gezakt. ‘Ze het nie betaald,’ zei ze nog eens ten overvloede in sappig Nijmeegs tegen de Juffrouw die me met de albums hielp, en haar vinger priemde niet alleen naar mijn persoon, maar ook naar de bontjas die ik droeg, alsof ze wilde zeggen: Dat draagt wel een bontjas, maar betalen: ho maar. Intussen had ik mijn spraak weer terug en vroeg haar mij toch te geloven dat ik het echt niet expres gedaan had. ‘Ik ben een eerlijk mens,’ sloot ik mijn verdediging. ‘Ja, ja,’ zei ze weifelend, terwijl ze alsnog de f1,48 in ontvangst nam. Thuis hebben ze zich slap gelachen. ‘Moeder een dievegge,’ dat was de beste mop van het jaar! Arme naaister Waar de markt in mijn geboortestadje op zijn breedst was, liep, tussen twee herenhuizen door, een smal gangetje, en aan het eind daarvan stond, zomaar achter die grote huizen, een klein arbeidershuisje. In dat huisje woonden de twee vrouwen van mijn herinnering: moeder en dochter. De moeder zag er mager, zorgelijk en verbitterd uit, de dochter was blond en blank en had een lief en rustig gezicht. Deze jonge vrouw was doof, niet stokdoof, maar het was toch wel erg met haar gehoor. Zij verdiende de kost met naaien, wel een schrale kost. Heel wat keren ben ik in dat kleine, propere huisje geweest. Toen ik nog een kind was, bracht ik er verstelgoed van mijn moeder, en later toen ik getrouwd was, liet ik er voor onze eerste baby de lakentjes en sloopjes voor wieg en wagen maken. Aan de moeder legde ik uit hoe ik het wilde hebben, en zij wist het dan haar dochter wel duidelijk te maken. Ze waren blij als er iemand kwam, dat betekende wat afleiding en geld verdienen. Als jong en zorgeloos meisje stond ik er helemaal niet bij stil hoe deze zo aan elkaar verknochte vrouwen leefden. Leden ze gebrek? Ik hoorde wel eens terloops van moeder dat ze arm waren en al zoveel hadden meegemaakt. Op mooie zomeravonden, en ook als er muziek gespeeld werd op de Kiosk die midden op de markt stond, dan stonden ze samen aan de straat en leunden tegen de pui van een huis. Ze zagen dan veel mensen passeren en maakten een praatje met deze en gene. Waren dit de enige piepkleine vreugden in hun leven? Ik vertrok uit Roosendaal en hoorde jaren niets meer over hen, tot het vreselijke gebeurde: naarmate de moeder ouder werd, was ze steeds meer gaan tobben over wat er zou gebeuren met haar dochter, als zij zelf er niet meer zou zijn. Het tobben werd erger en erger en groeide uit tot een ware obsessie. Tijdens die groei naar totale ontreddering gebeurde iets wat voor hen verschrikkelijk was: ze moesten weg uit hun huisje. Weg uit de vertrouwde omgeving, die hen waarschijnlijk ook de meeste klanten leverde. Dat was de druppel die de emmer deed overlopen! De gemeente zegde hun alle steun toe en zou zoeken naar een geschikte andere woning. Het was allemaal toch te veel voor deze arme stakkers, en zeker voor de moeder die al zo ziek van geest was. Op de morgen dat iemand van de gemeente hun kwam vertellen dat er een geschikt huisje gevonden was, vond hij hun deur gesloten. Dat was heel vreemd, want ze waren altijd thuis. Een zolderraampje stond open en als bij intuitie zette hij een ladder tegen het huis en zag tot zijn ontzetting beiden aan een balk hangen. Arme vrouwen toch. Hoe het drama zich heeft afgespeeld zal niemand ooit weten. [1921] De jurk van de zilveren bruiloft Vijftien jaar was ik en op kostschool, toen mijn ouders op 25 juni hun zilveren bruiloft zouden vieren. Het beloofde een grandioos feest te worden, met een uitgebreid diner in een restaurant, voor vele familieleden. Een prettige zorg zal het voor mijn moeder geweest zijn om zichzelf en haar vier dochters voor die dag chique te kleden. Het was haar wel toevertrouwd, ze had smaak en een goede ook. Er was in ons stadje een grote modezaak waar we altijd alles kochten en graag geziene klanten waren. Daar ik op kostschool was zou moeder een jurk voor me uitzoeken en dat vond ik prima. Daags voor het feest mocht ik naar huis en blij toonde moeder me de jurk die ze voor me gekocht had. Ik was perplex: ik vond de jurk afschuwelijk! Heden ten dage zou iedere tiener zeggen: ‘Die jurk doe ik niet aan,’ maar aan zoiets dachten we toen niet. Moeder vond het wel vreemd dat ik niet enthousiast was, maar ze besefte niet hoe die jurk al bij voorbaat veel van mijn feestvreugde bedierf. Natuurlijk weet ik nog heel precies hoe de jurk was: beige shantung met diverse kleuren erin en in een van die kleuren, oranje, was een afhangende lap of ceintuur van crêpe de chine. Op de feestdag zelf hoorde ik talloze keren: ‘Wat heb jij een leuke jurk aan,’ maar dat maakte voor mij niets goed, want ik dacht dat men dat maar uit medelijden zei, om me te troosten. Ik zou onder het dinder een vers opzeggen, en op het feestprogramma stond, ik meen als punt vier: ‘Toespraak door het jongste dochtertje van den huize’. Maar toen het zover was, liet het jongste dochtertje van den huize mooi verstek gaan. Was het verlegenheid? Of de jurk? Tijden heb ik de jurk met tegenzin gedragen, maar heel langzaam aan werd het met die tegenzin toch minder. De complimenten over de ‘enige’ jurk bleven en dat kon toch niet altijd als troost bedoeld zijn! Na lange tijd pas durfde ik me op kostschool ermee te vertonen, daar oogstte ik zoveel bijval, en zelfs een non zei eens: ‘Kind, wat heb je toch een geweldig leuke jurk aan!’ Door dat alles begon ik er toch een andere kijk op te krijgen en toen de eerste tekenen van slijtage kwamen vond ik dat heel erg, want toen vond ik het zelf een beeld van een jurk. [± 1914 en volgende jaren] ‘Kinderen kleden’ Nogal graag zing ik mee in het koor van diegenen die alles van vroeger ‘veel beter’ vinden dan nu. Rustiger was het in ieder geval wel, maar beter? Nou, echt niet altijd, het was gewoon anders en er waren dingen die we toen goed en normaal vonden en waarvan we nu denken: hoe konden we dat toch zo doen? Neem nu het standsverschil: er was een school voor de ‘rijke’ kinderen en een voor de ‘arme’ en daar was een geweldige kloof tussen. Dat verschil in geld hebben leidde al op de lagere school tot een vorm van liefdadigheid die nu gelukkig ondenkbaar is. Ik behoorde tot de rijke kinderen en mocht dus aan die vorm mee doen: het aankleden van arme kinderen. Het was een jaarlijks terugkerende gebeurtenis dat ‘kinderen kleden’. In het begin van de winter bracht ieder rijk kind geld of een nieuw kledingstuk voor een arm kind mee. Omdat mijn moeder rijk aan geld en goedheid was, wilde ze een bepaald kind helemaal aankleden, zij kocht dus onder- en bovengoed voor het kind, en wij gaven dat aan de zusters. Achteraf bedenk ik nu dat het toch een enorm werk voor de zusters geweest is om dat allemaal uit te zoeken en te organiseren voor de tientallen aan te kleden kinderen, maar ja, op een goede dag was het dan zover en begon het ‘kinderen kleden’. Wat zie ik het nog goed voor me. In de grote gymnastiekzaal zaten wij (de rijken) op banken langs de kanten. In het midden stond een hele lange tafel met banken eromheen en op die tafel lagen keurige stapeltjes kleren voor de arme kleintjes met hun naamkaartjes erop. Als we allemaal gezeten waren, ging achter in de zaal de deur open en kwam de lange, lange rij aan te kleden kinderen binnen. Met blote voetjes in de klompen en rillend van kou in hun hemdjes en broekjes, gingen ze bedeesd op hun plaats zitten, met achter hun rug de voor hen bestemde kleren. Mijn ogen zochten direct het meisje, dat jarenlang door moeder helemaal werd aangekleed. Ze heette Paulientje en was een beetje een onnozel wichtje, maar besefte best het geluk dat haar die dag ten deel viel. Dan volgde de ceremonie van het aankleden. Het ‘tingelingeling’ van een belletje kondigde aan dat nu een klas op moest staan, en dat ieder kind van die klas bij het ‘arme’ kind tegenover haar het eerste kledingstuk, de kousen, aan moest trekken. Dat ging allemaal wat stuntelig, we waren immers zelf nog kinderen van de lagere school. Als die klas weer gezeten was, tingelde het belletje opnieuw en kwam een andere klas voor het aantrekken van het onderjurkje. Dat ging zo door tot na diverse belletjes en diverse klassen de kinderen helemaal gekleed waren. Ze zagen er dan toch wel blij en trots uit met hun leuke wollen mutsen, dassen en handschoenen aan. Ze kregen ook nog iets lekkers en zaten te popelen om naar buiten te kunnen gaan en zich te laten bewonderen door hun moeders die al voor de deur dromden. Als ik nu terugdenk aan die jaarlijks terugkerende gebeurtenis, dan vraag ik me af hoe we die kinderen zoiets vernederends aan konden doen. Ik hoop dat ze het niet zo ervaren hebben als ik het nu zie. Popke Driessen Alledrie waren mager en, naar mijn kinderidee, ook oud. Het winkeltje is niet te beschrijven, het was propvol met honderden en honderden artikelen. Op de toonbank stonden schuin aflopende houten bakken met glazen deksels en daarin waren talloze namaak sieraden te bewonderen. Aan lijnen die dwars door de winkel liepen hingen allerlei soorten poppen en verder stond de winkel vol met dozen in allerlei formaten. Als we thuis om iets verlegen zaten zei moeder: ‘Haal het maar gauw bij Popke Driessen.’ Of het nu ging om een dweil, borstel, zeem, knikkers, griffels, lampjes, potloden, schrijfpapier of speelgoed in allerlei vormen, ze hadden het allemaal. Het verwonderde me altijd hoe diegene die hielp zo feilloos datgene wat ik vroeg uit een van de talloze dozen tevoorschijn wist te halen. De twee zusters stierven in de loop der jaren en Popke bleef alleen achter met zijn ‘winkel van Sinkel’. Toen gebeurde iets vreemds. Op een zekere morgen bleef het winkeltje dicht en was Popke nergens te vinden. Het was een levensgroot raadsel. Hij was niet op reis gegaan, hij was niet ziek, hij was er gewoon ineens niet meer, hij was van de aardbol verdwenen. De hele buurt was er vol van, hoe kan iemand plotseling ‘spoorloos’ zijn?? De politie deed alles wat gedaan moest worden, maar zonder resultaat. Nog lange tijd liet men de winkel intact voor het geval dat ..., maar na maanden en maanden werd alles opgedoekt, het huis wat veranderd en aan een ander verhuurd. Familie was er, geloof ik, niet. Popke Driessen raakte in het vergeetboek, zoals zovele dingen die ons eens hevig beroerd hebben, toch langzaamaan bijna uit onze gedachten verdwijnen. Jaren later werd een huisje afgebroken dat aan een korte doorgang achter Popke Driessens huis stond. Onder de vloer van dat huisje vond men het vermoorde lichaam van de arme Popke. De vroegere bewoner van dit huisje, die ook de dader bleek van deze gruwelijke moord, werd opgepakt en gevangen gezet. Hij had gedacht dat Popke rijk was, maar dat zal wel niet het geval zijn geweest. Hoe is het toch mogelijk dat mensen waaraan ik tientallen jaren niet meer gedacht heb, nu ineens voor me gaan leven? Ik zie ze weer helemaal voor me en met het zien komt de behoefte ze te beschrijven. Daar is allereerst: Tante Anna Ze was een tante van mijn vader en woonde op de markt met een trouwe, maar ook wel bazige hulp: Kee. Oorspronkelijk woonden ze met drieën in dat huis, ik herinner me nog vaag een tante Clara en een ‘oncle Louis’, alledrie waren ongetrouwd, maar de twee laatsten zijn blijkbaar gestorven voor mijn opmerkingsgave zich ontwikkelde, want het is alleen tante Anna die ik duidelijk voor me zie. Iedere zondagmorgen ontving ze alle neefjes en nichtjes, en dat waren er veel! Als een indrukwekkende verschijning zat ze achter de tafel, nee, ze zat niet, maar ze ‘zetelde’ op haar stoel, altijd op dezelfde plaats. Breeduit, de gevlochten haren als een kroon op haar hoofd bevestigd, veel ringen en sieraden aan, en in een jurk die momenteel kapitalen aan maakloon zou kosten vanwege de vele ruches, kanten en stiksels, zo zetelde ze en zo leeft ze weer voor me. De opkamer waarin ze ons ontving was niet zo erg groot, als er dus een nieuw groepje neven en nichten binnenkwam, vertrokken de anderen. Waarom gingen we er toch iedere zondag heen? Moesten we dat? Nee, dat kan ik me niet voorstellen. Was het er zo leuk? Nee, ook dat niet, ik was een beetje bang voor haar. Vond zij het prettig, die aanloop? Misschien wel, want achteraf bekeken was ze maar een eenzame ziel, en een goede! Terwijl ik dus over diverse zaken rond tante Anna een vraagteken moet zetten, weet ik een ding zeker: we kregen iedere week een cent en een frou-frou koekje. Gingen we er daarom heen? Nee toch! Of toch wel?? De volgende die voor me is gaan leven is ‘De Vrouw’ Gekleed in een zwart jak, een ruim gerimpelde lange zwarte rok, een omslagdoek om en een bonte schort voor, zo kwam ze iedere vrijdagmorgen bij mijn moeder tot twaalf uur, voor het ‘ruwe’ werk. Dat ruwe werk bestond uit het schoonmaken van de w.c.’s, het schrobben van de ‘stoep’ op straat, en het schuren en dweilen van de andere stenen gangen binnen, en de gangen naar het achterkantoor, dat in de tuin uitliep. Wij zeiden altijd: ‘de vrouw’ komt, en spraken haar ook aan als ‘vrouw’. Nooit heb ik geweten wat haar voor- of achternaam was, en misschien wist ze het zelf amper, want ze was weinig ontwikkeld en kon lezen noch schrijven. Jarenlang is ze bij ons geweest, ze hoorde bij mijn jeugd en haar gezicht zou ik, zo mogelijk, uit kunnen tekenen. Ze was al oud toen ze nog niet echt oud was. Haar haren waren strak weggekamd met een knotje op haar hoofd, haar handen ruw en verweerd, maar het opmerkelijkst was haar gezicht. Een zo doorgroefd gezicht als het hare heb ik nooit meer gezien. Tussen de talloze diepe groeven keken een paar vriendelijk ogen je aan. Om twaalf uur kreeg ze een gulden van moeder, sloeg de omslagdoek om haar schouders en zei: ‘Ik gaon mar wir, oudoe orre.’ Hoe bracht deze tevreden en opgewekte vrouw haar vrije uren (en dat waren er vele) door in haar kleine huisje aan de Kaai? Ik geloof dat ze grove zwarte kousen breidde en verder veel bad. Een hele goede dagvulling! Bang in huis Mijn geboortehuis was mooi en groot en vooral de woonkamer aan het eind van de lange en brede gang was bijzonder sfeervol. Ik herinner me dat er een bijzonder gevoel van welbehagen over me kwam als ik in de winter ’s morgens in die kamer kwam. De haard stond dan roodgloeiend, de tafel was gezellig gedekt en natuurlijk was het licht aan. Deze kamer was groot en donker door de erachter liggende serre; donker was ook het behang en de lambrisering met zijn tientallen koperen en glazen frutsels erop, maar er was een uniek gezellige sfeer, die ik nooit zal vergeten. Waarom ben ik in dit huis toch zo verschrikkelijk bang geweest? En waarvoor was ik bang? Ik weet het echt niet. Ieder kind is bang voor dieven en inbrekers en dat was ik natuurlijk ook wel, maar het was toch anders, ik kan het niet omschrijven. Bij twee gelegenheden (om het zo maar eens uit te drukken) weet ik nog dat ik bijzonder bang was. Dat was als moeder ’s avonds in de huiskamer zei: ‘Och Bep, ga dit of dat eens boven in mijn slaapkamer halen.’ Dan moest ik eerst de gang door, de trap op en op de bovenoverloop aan het kettinkje van de gaslamp trekken. Als het gaskousje dan niet kapot ging en het kleine waakvlammetje wat meer licht gaf, moest ik rechts afslaan, drie slaapkamers passeren waarbij ik steeds meer in paniek raakte. En dan zocht ik in het halfdonker het gevraagde in moeders kamer. Ik holde terug langs de drie deuren, moest weer aan het kettinkje trekken, keek schichtig naar de donkere salon en de trap naar de bovenste verdieping, dan nog de trap af en gang door, en dan werd ik weer rustig in de gezellige kring om de tafel. Een andere bange situatie ontstond als we op zondag in de salon boven thee dronken. Het woord ‘salon’ kent haast niemand meer, maar vroeger had iedereen zijn mooie kamer, zijn ‘salon’, die alleen op zondag en extra feestelijke gelegenheden gebruikt werd. Had ik toch maar tekentalent, ik zie de kamer nog zo goed voor me: links de vleugel (waarachter ik me een keer verstopte om mijn tranen te verbergen die overvloedig stroomden bij het lezen van het boek ‘Alleen op de wereld’) dan de witmarmeren schoorsteen met het bronzen beeld dat nu op mijn schoorsteen prijkt, de Franse stoeltjes en het canapeetje voor verliefde stellen, het kastje met de mooie bibelots, de lamp die uit honderden stukjes kristal bestond die met de schoonmaak een voor een met spiritus werden afgedaan, de crème lambrisering met het oudroze zijden behang erboven, en de erker waarin we de hele markt konden overzien. Wat is dat alles een dierbare herinnering als je oud bent! Maar om op mijn bang zijn terug te komen: er was in die kamer gelukkig ook een gasstelletje om thee te zetten, maar ik moest wel eens naar beneden om melk of suiker te halen. Ontzettend griezelig vond ik het om in zo’n doodse stilte beneden door de gang te lopen, ook al was het zomer en dus licht. De deur van het kantoor passeren was wel het ergste. Zou er niemand in dat kantoor zitten? Een dief of zo! De zaak was toen nog niet zo groot en in die kantoorruimte hingen ook violen. Eens sprong er een snaar terwijl ik door de gang liep en ik verstijfde van schrik. Zelfs het tikken van de gangklok, die nu al jaren en jaren in mijn gang zijn onmisbare melodietjes tingelt, vond ik luguber. Nu gaat zo’n kinderangst gewoonlijk vanzelf over, maar ik ben in dat huis bang gebleven ( al was het wel in mindere mate) tot en met de laatste keer dat ik er logeerde, en toen was ik al ongeveer zestig jaar. Dat is toch vreemd, maar het gekste is dat onze oudste kinderen die dat huis ook goed gekend hebben, dezelfde angst hadden. Nog praten ze erover dat het een mooi, maar griezelig huis was, waarin ze bang waren. Omschrijven waarvoor ze nu eigenlijk zo bang waren, kunnen ze evenmin als ik. Een troost is het voor me dat zelfs Ea bang was, en als Tet op reis was en Ea haar planten ging verzorgen, nam ze altijd iemand mee!! [1919] ‘Vind je het dan zo fijn van ons weg te gaan?’ Noch deze woorden, noch de teleurgestelde, droevige uitdrukking op moeders gezicht terwijl ze die woorden sprak, zal ik ooit kunnen vergeten, en het is toch al ongeveer zestig jaar geleden! Of het ook indruk op me gemaakt heeft! Er gaat natuurlijk een geschiedenis aan vooraf en die zal ik vertellen: Bewust eenzaam ben ik in mijn jeugd nooit geweest, maar onbewust zal ik me misschien wel eens eenzaam gevoeld hebben, want Annie en Tet, de twee zusjes boven mij, waren respectievelijk vier en zes jaar ouder, en die waren altijd samen. Zo onverbrekelijk hevig waren ze aan elkaar verknocht, dat ze door de naaste omgeving in een naam genoemd werden: ‘Anneke-Tet’. Dan was Ea er nog, voor mij de liefste, maar zij was acht jaar ouder en dus geen speelgenootje. Terwijl ik op de lagere school was, waren Annie en Tet een paar jaar op kostschool en natuurlijk hoorden we in de vakanties eindeloze verhalen over die school. Verhalen over de grote en kleine uitstapjes die ze gemaakt hadden, over kersen eten in de boomgaard, over leuke Sinterklaasfeestjes, over de lekkere ‘stroopsoldaten’ van Soeur Elise, over het enorme plezier van al die leeftijdgenootjes onder elkaar, en vooral dat laatste trok me aan. Die school leek me gewoon een paradijs en in mijn hart hoopte ik vurig daar ook eens te komen. Korte tijd voordat ik de lagere school zou verlaten liep ik tegen moeder aan op het portaaltje tussen de twee trappen en toen zei ze: ‘We hebben gisteravond besloten jou naar kostschool te doen.’ ‘Hoi, hoi, wat fijn, wat heerlijk!’ riep ik dolblij uit, en nee, werkelijk nooit vergeet ik haar gezicht waarmee ze toen die woorden sprak: ‘Vind je het dan zo fijn van ons weg te gaan?’ Ik krabbelde wel wat terug, maar mijn eerste blijdschap was zo spontaan geweest, daar kon ik niets meer van terugnemen. Voor mij brak toen een heerlijke tijd aan. Ik ging met moeder op die school kennismaken en merkte, dat zij daar zeer gezien was. Alle namen van de zusters kende ik al uit de verhalen, het was leuk nu ook de gezichten te zien. Het kopen van mijn uitzet, het nummeren van alle linnengoed en jurken met nr. 92, het inpakken en versturen van de grote hutkoffer, het ‘goedendag’ zeggen bij ooms en tantes en daar het nodige snoep incasseren om mee te nemen, het was alles een groot feest voor me. Nooit vroeg ik me af of ik mijn verwachting niet te hoog stelde, en nooit drong het tot me door dat er op een kostschool nog andere dingen zijn en gebeuren dan uitstapjes maken, kersen eten, enzovoort. Nee, inwendig bleef het ‘hoi,hoi, wat fijn’ tot de dag van vertrek begin september, toen ik door een bewogen moeder in Den Bosch op de trein werd gezet: richting Culemborg. 1923; rechts zit ik Boekdelen vol zou ik over die vier kostschooljaren kunnen schrijven, maar daar heb ik geen behoefte aan. Alles viel in het begin natuurlijk heel erg tegen en tot november heb ik dan ook veel heimwee gehad, daarna werd het steeds beter en fijner. Fijn vond ik het vooral in mijn ‘Brabantse’ clubje van zes meisjes, waaruit vriendschappen voor het leven gegroeid zijn. Dat voor drie van ons dat leven omstreeks veertig jaar zou eindigen, konden we toen niet bevroeden. Vier zorgeloze en gelukkige jaren waarin we heel wat afgelachen hebben, maar op zijn tijd ook rustig konden zijn. Hoe vreselijk vonden we het toen binnen een jaar zes meisjes van de school aan tbc stierven, waarvan drie uit onze klas. Dat zoiets toen toch mogelijk was!!! Geen zuster van toen leeft er nog en de school is al lang opgedoekt, maar niet in mijn geheugen. [1925] Onze verloving Al waren Jan en ik helemaal zeker van onze liefde voor elkaar en al was het tussen ons beklonken, toch waren we daarom nog niet echt verloofd, want de toestemming van onze ouders ontbrak nog, zo was het nu eenmaal anno 1925. Eerst schreef Jan naar zijn ouders en vroeg hen zeer nederig of hij zich mocht verloven met de jongste dochter van Tierolff, een degelijk katholiek meisje van negentien jaar. Die brief heb ik nog, een uiterst nerveus geschreven epistel waarin hij onder andere schrijft niet over een nacht ijs te zijn gegaan: om zijn liefde op de proef te stellen was hij een paar dagen naar Den Haag gegaan, maar hij kon het er met alle afleiding die hij er had, toch niet uithouden en moest en zou terug naar mij, dat was toch ook wel een bewijs dat hij me echt niet meer kon missen! De toestemming kwam en toen moest hij nog een onderhoud hebben met mijn vader en moeder. Natuurlijk kenden ze hem al vrij goed, maar voordat ze mij aan hem afstonden, wilden ze toch eerst wat meer van hem weten, onder andere zijn financiële positie en verdere vooruitzichten. Er werd dus een middag vastgesteld waarop Jan met hen zou komen praten. Toen het zo ver was, gingen ze met hun drieën naar boven, naar de salon, en wij, de vier zusjes, bleven min of meer zenuwachtig in de huiskamer wachten. Ik draaide wat rond op de pianokruk en weet nu nog precies wat voor jurk ik droeg: een hele leuke van zwarte tafzijde met grote ruiten erin van diverse kleuren blauw. Waarom was ik nerveus terwijl ik wel zeker wist dat Jan geaccepteerd zou worden?! Bezwaren waren er niet: Jan was een bovenstebeste, zijn liefde voor mij zeer groot en financieel was hij ‘een goede partij.’ Als leraar verdiende hij immers de machtige som van f 280,– per maand, dat was een prachtsalaris in die tijd. Het duurde dan ook niet lang voor ik de salondeur open hoorde gaan en mijn naam roepen. Ik holde naar boven, zag in een flits aan de gezichten dat alles goed was en vloog in Jans armen. Wat waren we toch gelukkig!! Daarna volgden felicitaties van alle huisgenoten en was er een feestelijke stemming. Jan en ik wilden beslist nog een wandeling maken door ons stadje, maar nu gearmd zodat iedereen zou kunnen zien dat we nu echt samen verloofd waren!!! [± 1931] Het matrozenpakje Weinig zelfstandig was ik, toen ik na vier jaar huwelijk en wonen in Roosendaal, naar Nijmegen verhuisde. Nu moest ik voortaan alle belangrijke inkopen alleen doen, zonder moeder. Annemarie, toen nog Annemieke genoemd, was tweeënhalf à drie jaar toen ik met en voor haar een jurkje ging kopen. De naam van de modezaak ben ik al lang vergeten, het was in de Molenstraat. Met een piepkleine lift moesten we naar boven voor de kinderafdeling en daar viel ik in handen van een bijzonder handige verkoopster. ‘Zoekt U een jurk voor Uw dochtertje? Nou, dan heb ik hier iets erg leuks voor haar,’ zei ze, pakte een matrozenpakje uit het rek en begon het Annemieke aan te trekken. Daar stond het arme schaap met een plooirokje tot bijna op haar schoenen en mouwen die ver over de pols hingen. ‘Maar dat is toch veel en veel te groot,’ durfde ik te zeggen. ‘Ja, nu wel, maar dat is helemaal geen bezwaar, dat doen we zo en zo’ en ze begon de mouwen in en om te slaan en te spelden tot ze de goede lengte hadden. ‘En die rok dan?’ ‘O mevrouw, dat is helemaal gemakkelijk! We leggen een paar opnaden in het voeringlijfje boven de plooirok, en iedere keer als het rokje te kort wordt maakt U een naad los zodat het rokje wat langer wordt. U zult zien, ze draagt het jaren en jaren.’ ‘Daar kom ik niet vanaf,’ dacht ik en voelde me doodongelukkig. ‘Wat is eigenlijk de prijs?’ stamelde ik. ‘De prijs is vijftien gulden, mevrouw.’ ‘Vijftien gulden!’ riep ik ontzet. ‘Nee, dat is me veel te duur.’ ‘Te duur mevrouw? Het lukte me niet om ervan af te komen. Ieder bezwaar van mijn kant werd door een golf van tegenargumenten weggespoeld, en het eind van het liedje was dat ik dat matrozenpakje nam, wel moest nemen. Ik durfde Jan haast niet te vertellen dat ik zoiets duurs gekocht had, maar hij nam het nogal goed op. Achteraf heeft de verkoopster toch gelijk gehad: Het stond haar snoezig. De kwaliteit was en bleef prachtig. Ik liet ieder jaar zo’n opnaad zakken en ze heeft het jarenlang gedragen. Het was toch niet te duur geweest, en ik heb er heel veel door geleerd! [± 1977] Mijn reis naar Middelburg Al een paar keer heb ik ervaren dat ik nooit zo word overspoeld door herinneringen, en nooit zo word geconfronteerd met het feit dat alles van vroeger definitief voorbij is, als wanneer ik met de trein naar Annemarie in Middelburg ga en dan Roosendaal passeer. Vanaf Etten-Leur begint dat ‘vroeger’ al te herleven en komt er weemoed over me. Ik denk aan de ontelbaar vele keren dat ik in mijn jeugd dit traject heb afgelegd: als ik van kostschool kwam, en daarna toen ik zang- en vioollessen nam in Breda. In die tijd stopte de trein vijf keer tussen Roosendaal en Breda: in Seppe, Hoeven, Etten-Leur, Liesbosch en Prinsenhagen, en in Breda bracht een paardentram me naar de plaats van bestemming. Dicht bij Roosendaal zie ik door mijn rechtercoupéraam de kerktoren van het dorpje Zegge, een heel klein dorpje waar we in onze jeugd naar toe liepen om er een kapelletje te bezoeken dat bijzonder aan Maria was toegewijd. Voor ons vroeger geen reizen naar Spanje, Italië of welk land dan ook, dat was totaal ondenkbaar, maar wel wandelingen naar Zegge en de Kapelberg, en fietstochten naar Liesbos, Mastbos, Bergen op Zoom en vooral de prachtige Wouwse Plantage, en wat was dat, om het in de huidige term te zeggen toch ‘hardstikke fijn’! Als de trein het station van Roosendaal verlaat, loop ik naar het raampje aan de linkerkant en een korte tijd voel ik mijn hart samenknijpen van ellende, want die hele stationsweg is een weg van herinneringen. Eerst zie ik het huis van vroegere, reeds gestorven vrienden, en dan komt de Ludwigstraat: op die hoek is Annie door een bom gedood en daarachter zie ik haar huis en het onze, dat mijn vader liet bouwen toen we trouwden. Ons huis waar we onze wittebroodsjaren beleefden, waar we het verdriet om een doodgeboren baby leerden kennen, maar ook de vreugde om twee gezonde kinderen. Het huis van een reeds lang overleden oom en tante ligt vlak bij het Oranjeplein, waar nog onveranderd het grote herenhuis staat waar Jan in pension was. Voor f100,– per maand had hij er beneden een pracht zitkamer en boven dito slaapkamer. Ook waren alle prima maaltijden en het doen van zijn was bij de prijs inbegrepen. Tegenover dat huis zie ik in een flits het vervallen gebouw van ‘de Unie’, een zaal waar toneelvoorstellingen, concerten, en onze eigen operettes gegeven werden en waar de ‘bals’ waren, waar we ons erg verliefd, maar zonder maatgevoel tussen de dansparen bewogen. Enkele honderden meters verder passeer ik ‘De schuiven’, de trein rijdt dan al harder en mijn ogen vliegen van Ea’s huis met de grote letters ‘Tierolff Muziekcentrale’ naar het bovenstuk dat ik van mijn ouderlijk huis kan zien. Dan weer gauw aan het andere raampje kijken naar de flat waarin Tet de laatste jaren woonde. Nu heb ik alles gezien, ik ga weer zitten en zou kunnen huilen, huilen om alles van vroeger wat nooit meer terug kan komen, maar vooral huilen om allen die er niet meer zijn, en dat zijn er zo veel, zo veel! Heel alleen ben ik nog van ons hele gezin over en dat is hard, heel hard. Een reis naar Middelburg drukt me meer dan iets anders met mijn neus op dit feit. [± 1950] Ton, de atleet ‘Komen jullie nou ook eens kijken?’ vroeg Ton ons dringend. ‘Vanmiddag is er een wedstrijd hardlopen tussen Gymnasium en HBS en ik loop mee.’ Ja, wat doe je dan als ouders, dan ga je natuurlijk. We wisten wel niets, maar dan ook niets van atletiek af, maar Ton scheen er erg goed in te zijn en dat wilden we nu wel eens zien. Op het afgesproken uur stonden Jan en ik in de Museum Kamstraat te wachten bij de poort waardoor de hardlopers dadelijk naar buiten zouden komen. We hoorden hun opgewonden stemmen en die van hun supporters en begonnen daardoor al een beetje in de stemming te komen. Daar ging de poort open, de lopers stelden zich op straat op en toen het startschot klonk, verdwenen ze als een pijl uit de boog. De route was: Museum Kamstraat uit, rechtsaf Ubbergse Veldweg tot bijna aan het eind, en die hele lengte terug over het terrein van het Canisius College tot het punt van vertrek, en dan nogmaals deze hele afstand. We moesten natuurlijk even wachten voor de jongens, met Ton voorop, ons na de eerste ronde passeerden. Toen als in een flits al die jongensgezichten langs ons vlogen, verbeten van strijdvaardigheid en wilskracht, toen begon het pas goed tot ons door te dringen wat een prestatie dit was, en onze harten begonnen sneller te kloppen in meeleven en hoop voor Ton die de HBS vertegenwoordigde en dat blijkbaar heel goed deed. Voordat de lopers bij de finish in zicht kwamen hoorden we al ontzettend gejoel en geroep van de supporters en kreten als: ‘Het gym ligt voor!’, ‘De HBS wordt eerste!’, ‘Hup Ton, hup’ maakten ons helemaal opgewonden. Daar kwamen ze aan: Ton voorop. Als eerste passeerde hij de eindstreep, viel toen languit op de grond en bleef, totaal buiten adem liggen. Wij schrokken ontzettend, voor ons leek hij meer dood dan levend, en pas toen meerdere jongens tegen de vlakte gingen begrepen we dat dit niet zo erg was als we dachten en het er wat bij hoorde, maar de schrik zat ons goed in de benen! Toen Ton weer wat adem bijeen had gegaard, stamelde hij: ‘Ik….heb…toch… gewonnen!’ We deelden in zijn triomf, waren blij en trots, maar voordat we van de schrik bekomen waren heeft lang geduurd! De brief Plotseling je vrouw verliezen en met tien jonge kinderen in een kast van een huis overblijven, is een verre van benijdenswaardige toestand. Het overkwam mijn grootvader een eeuw geleden, omstreeks1880. Vanzelfsprekend ging hij zoeken naar een vrouw, die de plaats van de overleden moeder in wilde nemen en op een reis door Zeeland ontmoette hij de vrouw die hem hiervoor het meest geschikt leek. Ze was huishoudster op een pastorie in een klein dorpje en behalve diep godsdienstig, was ze ook flink en verstandig. Al gauw vroeg hij haar ten huwelijk, maar dat overrompelde haar blijkbaar, want ze vroeg bedenktijd. Zonder twijfel heeft ze er lang en terdege over nagedacht, maar het resultaat van al dat denken was, dat ze het niet aandurfde zo’n zware taak op zich te nemen. In een brief schreef ze aan mijn grootvader dat haar antwoord ‘neen’ was. In de nacht waarin deze brief bij de post ter verzending klaar lag, stierf plotseling de directeur van dat postkantoor en door alle consternatie en drukte om dat onverwachte sterfgeval, raakte de brief zoek en is nooit op de plaats van bestemming aangekomen. Dat deze brief met haar ‘neen’ zoek raakte, beschouwde zij als een vingerwijzing van God dat ze een verkeerde beslissing had genomen, en dus veranderde zij haar ‘neen’ in ‘ja.’ Uit alles wat ik over haar gehoord heb, bleek ze inderdaad de juiste vrouw op de juiste plaats te zijn geweest. Vervolg van ‘De brief’: Anna de Haas De vrouw uit het vorige stukje intrigeerde me en nu ben ik door toeval (en door haar bidprentje) meer over haar te weten gekomen, of liever gezegd: ik heb bevestiging gekregen van datgene wat ik me vaag uit verhalen over haar van vroeger herinnerde. Anna de Haas was haar naam, en ze werkte op de pastorie in Kwadedamme, een dorpje bij Goes; het was dus daar dat mijn grootvader haar gevonden heeft. Een diep godsdienstige vrouw, die de gewoonte had ’s avonds laat in de kerk haar avondgebed te doen. Toen ze op een zomeravond, in de al donker wordende kerk, weer zat te bidden, zag ze plotseling een man op de preekstoel staan die hevig gesticuleerde. Het was of ze elkaar op ’t zelfde moment ontdekten, en waarschijnlijk schrokken beiden even erg. De man kwam van de preekstoel af, en zij vluchtte de kerk in met de man op haar hielen! Achter in de kerk hing het klokkentouw en daaraan is ze verwoed gaan trekken om hulp en aandacht te krijgen. Voor die hulp op kwam dagen had hij kans gezien haar met een zakmes in het hoofd te steken. (De man bleek een ontvluchte krankzinnige te zijn!) Zij stierf in 1913, het jaar
waarin ik mijn eerste H. Communie deed. Het is wel bijna zeker dat ik op die
Communiedag het bezoek aan haar heb gebracht dat ik me nog goed herinner. Nog
zie ik het grote hemelbed voor me, waarin zij lag. Ze heeft toen ook zeker over
dat voorval in de kerk met me gepraat, want ze heeft haar hoofd naar me
toegebogen, met haar vingers de haren uit elkaar geschoven en toen gezegd:
‘Kijk, hier is het lidteken.’ p.s. Op zondag 2 januari 1983 ben ik met Annemarie naar Kwadedamme naar de kerk geweest. Het was een ware belevenis! We waren daar in een andere wereld en wat ging er veel door me heen; het was in de ware zin van het woord: onvergetelijk. [1924] Jeugdige Overmoed Veel verstandiger had ik met mijn achttien jaar moeten zijn, maar dat was ik nu eenmaal niet en dat waren ook niet de anderen van ons groepje van zes meisjes. Een heel plan hadden we gemaakt: van maandag tot zaterdag in een pension in Soest logeren en van daaruit met de fiets uitstapjes maken. De vijf anderen kwamen uit Boxtel en van daaruit startten we per fiets op maandagmorgen. Het pension (alleen logies met ontbijt) was besproken en we besloten die mevrouw van het pension direct na aankomst voor de hele week te betalen, dan konden we overzien wat we nog over hadden, en we zouden vragen of we met ons zessen op een kamer mochten slapen! Zo gezegd, zo gedaan. Het geld ontving ze graag, maar tegen die slaperij had ze eerst wel bezwaren. Toch kregen we het van haar gedaan, en na wat gesleep met matrassen en dekens hadden we ons in een grote kamer geïnstalleerd en begon een meer dan dolle week. Ja, dolleuk was het, maar we leefden zeer onverstandig. Na het ontbijt stapten we op onze fietsen en reden een tevoren uitgestippelde route en die was vaak met veel hellingen en erg lang. Van regen herinner ik me niets, wel van zware klimpartijen. Tegen een uur of vijf waren we terug in ons pension, deden onder veel gegier en gelach jurken van elkaar aan, gingen per trein naar Utrecht en zochten daar een leuke gelegenheid voor onze warme maaltijd. We hadden het grootste plezier van de wereld, gingen na het eten naar een bioscoop en kwamen met een van de laatste treinen weer in Soest terug. Dan was het nog een eindeloos praten en lachen voor we in slaap vielen. We kwamen veel slaap tekort, vermoeiden ons overdag veel te veel en aten onverstandig, maar voordat je op die leeftijd daar nadelige gevolgen van ondervindt, duurt wel even. Op zaterdagmorgen zou het uit zijn met de pret en ik had met Jan (die ik al heel goed kende en die op die morgen van Groningen weer naar Roosendaal ging) afgesproken dat hij me in Utrecht van een bepaalde trein af zou halen en dat we samen die dag in Utrecht zouden blijven. Toen ik echter die zaterdagmorgen wakker werd voelde ik me bar en bar ellendig en als ik mijn hoofd optilde draaide de hele kamer om me heen. Er was geen sprake van dat ik de afgesproken trein kon nemen, maar Jan wist van niks en ik kon hem geen uren op dat perron laten staan. Hoe ik een van de volgende treinen heb kunnen halen weet ik nog niet. Liefde voor hem en een grote dosis wilskracht hielden me op mijn wankele benen. Een paar uren zijn we in Utrecht gebleven, maar ik dacht maar aan een ding: ‘een bed’ en dan slapen, slapen, slapen. [± 1933] Moeders nieuwe bont Mijn moeder kwam een paar dagen bij ons in Nijmegen logeren en droeg een nieuwe bont. Het zal wel een vos geweest zijn of iets dergelijks; nu worden zulke bonten niet meer op straat gedragen, maar toen was het helemaal ‘in’. Ze verwachtte natuurlijk dat ik direct bij haar aankomst op het station heel enthousiast op dit kledingstuk zou reageren, maar ik zag het helemaal niet, en iedere reactie bleef dus uit. De volgende morgen hebben we samen op een caféterrasje op het Keizer Karelplein koffie zitten drinken, moeder alsmaar pronkend met haar bont, en ik alsmaar blind voor die voor haar zo geweldige aanwinst. Na twee dagen kwam met de morgenpost een kaart van mijn vader voor ons allemaal, en wat las ik daarop?: ‘En vrouwtje, wat zei Bep wel niet van je prachtige bont?’ Ik schaamde me heel erg voor mijn blunder en ging schoorvoetend naar boven, waar moeder nog op bed lag. Toen ik bij haar binnenkwam zei ik: ‘U hebt een nieuwe bont, he moeder?’ ‘Ja, hoe weet je dat nu ineens?’ vroeg ze. ‘Ik lees het op deze kaart,’ antwoordde ik heel timide. Moeder lachte er hartelijk om en zei dat ze al heel wat binnenpret had gehad. ‘Eigenlijk jammer dat je het nu op deze manier toch te weten bent gekomen,’ zei ze, ‘want ik had in Roosendaal die gezichten wel eens willen zien als ik verteld had, dat Bep die mooie bont helemaal niet had opgemerkt!’ [± 1930 tot 1940] Voor een gulden Ja, ik weet wel dat de jeugd helemaal niet graag de oude mensen over vroeger hoort praten, maar ik zelf vind het soms zo leuk uit die tijd kleine voorvallen op te schrijven, en waarom zou ik het dan niet doen? Iedere zaterdag ging ik vleeswaren voor de boterham kopen bij Van den Berg in de Broerstraat. Het was een fijne zaak, en het was er altijd druk. Op een meterslange toonbank lagen tientallen soorten gesneden vleeswaren uitgestald, allemaal stapeltjes van een ons, en achter de toonbank stond een rij bedienden met kraakheldere witte jasjes aan. Voor het weekend kocht ik gewoonlijk vijf verschillende soorten en omdat de zaterdagavond toch altijd een tikkeltje anders was dan andere avonden, werden al die soorten vlees dan op een grote schaal gerangschikt, wat iets feestelijks gaf. Op een zaterdagavond kwam de buurvrouw binnen toen we net aan tafel gingen. Nog zie ik haar staan bij de hoek van de tafel en terwijl ze naar die goed gevulde schaal keek zei ze: ’Nou, nou, dat is wel voor een gulden’. Duidelijk lag in haar stem de afkeuring van: Ze smijten hier maar met geld. Het heeft duidelijk indruk op me gemaakt, want ik zie het nog zo precies voor me. Als ik nú voor zo’n twee gulden mijn halve onsje zoutarm rookvlees haal, dan denk ik er vaak aan en dat is toch geen wonder? [maart 1982] Vroeger ‘Vroeger’ is voor veel ouderen een dierbaar woord, een magisch woord, een woord dat, vaak ten onrechte, heimwee oproept, en een bedrieglijk woord omdat het voor jongeren lijkt alsof er mee bedoeld wordt dat het toen allemaal beter was, en dat is helemaal niet waar! Sommige dingen waren beter dan nu, andere slechter, maar bovenal was alles zo anders, totaal anders. Toen ik vannacht weer eens aan vroeger lag te denken, zag ik zo’n onvoorstelbaar verschil tussen toen en nu, dat het me haast niet mogelijk leek dat ik die overgang zelf heb meebeleefd. Ik kon niet laten sommige dingen van vroeger te noteren en die te vergelijken met nu. Vroeger: geen electriciteit, bad of douche, of centrale verwarming, en dat was geen lolletje: altijd ijskoude slaapkamers en ijskoud water om je mee te wassen. We vonden het heel gewoon, wisten niet beter, maar ik leef, wat dat betreft, heel wat liever in de tijd van nu. De gezelligheid van een haardvuur zal ik echter nooit vergeten, noch die van een potkacheltje met een vuurrood buikje. Ik weet nog goed dat we thuis elektrisch licht kregen. Het was een wonderlijke gewaarwording: je drukte op een knopje en de kamer was verlicht... hoe was het mogelijk! Met de komst van het elektrisch licht verdween de lantaarnopsteker, de man die ik zo vaak vanuit onze erker volgde als hij met zijn lange stok van lantaarn naar lantaarn liep en met een haakje bovenaan zijn stok aan een kettinkje trok waardoor het gasvlammetje aanfloepte. Romantisch! Maar ook onpraktisch! De komst van de telefoon was een gebeurtenis in onze familie, wel een griezelige gebeurtenis, want als hij wel eens overging, durfde haast niemand aan te nemen. Ook dachten we dat we heel hard in die hoorn moesten praten, hoe kon anders de persoon aan het andere eind ons horen? Een van de grootste veranderingen, is wel de komst van ‘de auto voor bijna iedereen’ geweest! Wie had er nu een auto toen ik kind was? Alleen de hele rijken, en aangezien die er in Roosendaal niet veel waren, waren ook de auto’s schaars. Geen gevaar op de weg dus, en ik stond midden op de markt met mijn diabolo te spelen, een kunst die ik bijzonder goed meester was. markt roosendaal ± 1915 Op die geweldige kalender over Roosendaal, die ik 5 december van Ton kreeg, is goed te zien hoe het verkeer op straat toen was: zo stil en rustig, alles reed op een sukkeldrafje met paard en wagen. Dat ‘alles’ waren boerenkarren, groentenkarren, de wagen van Van Gend & Loos, melkwagentjes die door een hond getrokken werden en een enkel luxe rijtuig van luxe mensen. Fietsen waren er wel en veel, maar van een fietsslot had nog nooit iemand gehoord. Hoe zou je een fiets op slot kunnen doen? En waarom zou je het doen? Of iemand van de grote mensen het woord criminaliteit kende, weet ik niet. Er was wel eens een inbraak, of ruzie in een café, en dat was dan voorpaginanieuws; twee keer stond heel Roosendaal op stelten vanwege een moord!!! Een van die moorden was in een drankzaak in de Achterstraat, en ik heb me, met vele anderen, uren staan vergapen aan dat huis, want men zei dat de moordenaar nog binnen was, en zo iemand wilde ik toch wel eens zien, ook uiterlijk moest dat wel een apart mens zijn! Ik heb hem niet gezien. Helemaal onvergetelijk is voor mij: de kermis van vroeger, met die grote stoomcaroussel. Waarom bestaat die niet meer, die was zo geweldig! Het was eigenlijk een draaimolen voor grote mensen: heel groot, heel luxe, met veel verguldsel, geglitter en pluche, en alles wat erop stond bewoog: de paarden en de schuitjes. Je kon ook achter de mooi gepoetste koperen stang gaan staan, en al ronddraaiende, serpentines naar de omstanders gooien. Het geheel stond in een immens grote tent waarin ook de cakewalk was ondergebracht, zodat je voor hetzelfde geld van twee kermisattracties kon genieten. Het best herinner ik me de kermis in de jaren dat ik op kostschool was (omstreeks1921). De kermis duurde van zondag tot en met donderdag en op dinsdag moest ik altijd terug naar school. Mijn vader kocht ieder jaar voor f10,– een abonnement voor die tent en daarvoor kon je vijf dagen lang je in die onvergetelijke stoomcaroussel vermaken. De eerste twee dagen kreeg ik het abonnement, daarna was het voor Annie. De hele dag was ik in die tent, ging alleen naar huis om te eten. De hele dag in de stoomcaroussel! Was er iets heerlijkers te bedenken? Ook op de raar bewegende bruggen van de cakewalk voelde ik me best thuis en ik keek met een zekere minachting naar de mensen die erop stonden te stuntelen. Vroeger, vroeger, vroeger! Het komt toch nooit meer terug dat oliebollen, zuur en kaneelstokken, en een rit in een kinderdraaimolen slechts enkele centen kostten. ‘Vroeger’ vult het leven van oude mensen, een dierbaar woord, ‘vroeger’. [1944
– 1945] Bidden in
oorlogstijd We moesten allemaal in die tijd van oud weer nieuw zien te maken, van een of twee oude en versleten jurken de nog goede stukken afknippen en van al die stukken samen weer iets draagbaars maken; van uitgehaalde sokken en wolrestjes weer andere sokken breien, enzovoort. Natuurlijk is de ene mens handiger en vindingrijker in die dingen, dan de andere. Naar de goede ideeën van die anderen zat ik tussen mijn vingers door te gluren en deed er mijn voordeel mee. Ja, ik had er echt veel aan, zover ik me herinner! Heel oneerbiedig was het, maar ik denk dat God het zo goed begrepen zal hebben van een moeder van vijf kinderen! In oorlogstijd! [± 1948 ?] Bepke en haar step Een paar weken geleden zei iemand terloops: ‘De tram reed hier vroeger toch rakelings langs het trottoir, hè?’ ‘Ja, o ja,’ zei ik en ineens kwam het gebeurde van vijfendertig jaar geleden weer levensgroot op me af. Op een middag dat ik op de divan ging rusten, vroeg Bepke, die toen zo’n vijf jaar was, of ze even mocht gaan steppen. ‘Ja, dat is goed,’ zei ik ‘maar je weet wel, dat je alleen een blokje om mag, en niet van het trottoir af’. Enkele minuten later kwam ze met een lijkbleek snoetje weer de kamer binnen. ‘Wat is er met je? Wat is er gebeurd?’ vroeg ik geschrokken, maar voor ze kon vertellen, ging de telefoon en werd er tegelijk aan de voordeur gebeld: allemaal meelevende buren die gezien hadden wat er gebeurd was: Bepke was met zo’n vaart op haar step uit het poortje gekomen dat ze op het trottoir het stuur niet kon wenden en wel rechtuit moest. Op dat moment naderde in volle vaart de tram. In een verstandige impuls sprong Bepke van de step, die daarna, gelukkig zonder haar, tussen de twee tramwagens vloog! Ze was enorm geschrokken en ik werd koud bij het idee wat had kunnen gebeuren! Tet logeerde in die tijd in een pension in de Kwakkenberg en kwam iedere dag hier. Toen ze de volgende dag weer hier was, kon ik wat er gebeurd was niet over mijn lippen krijgen: ik was inwendig nog te veel overstuur. Maar toen begon zij te vertellen: ‘Een paar dames uit mijn pension hebben gisteren zo iets ergs meegemaakt: ze zaten in de tram en toen vloog op de Berg en Dalseweg een klein meisje bijna met haar step onder die tram, maar gelukkig sprong ze er op het laatste nippertje nog af. De conducteur had hevig geremd en de inzittenden van de tram waren erg geschrokken.’ Pas toen kon ik over mijn lippen krijgen: ‘Weet je wie dat kleine meisje was? Dat was Bepke!’ Mademoiselle Dumont De eerste kennismaking met deze vreemde vrouw was eind 1945. Jan en ik kwamen op een avond laat thuis en vonden een briefje van Annemarie op tafel waarin ze ons vertelde dat een pater van het Canisius College was komen vragen of we die nacht onderdak wilden verlenen aan een vrouw, in het College mochten namelijk geen vrouwen overnachten. Annemarie had natuurlijk ‘ja’ gezegd en had op de kleine slaapkamer een bed voor haar opgedekt met de mooiste geborduurde lakens die ze maar kon vinden en nu sliep die vrouw daar en moest om half acht gewekt worden. De volgende morgen aan het ontbijt maakten we dus kennis met de onvergetelijke figuur: Mademoiselle Dumont. Ze was Française, maar sprak ook goed Nederlands, gelukkig! Ze zal toen ongeveer vijfendertig jaar oud geweest zijn, was zeer eenvoudig gekleed, had grote levendige bruine ogen en had als enige bagage een kleine vierkante ransel op haar rug. Het heugt me niet dat ze die morgen al veel over zichzelf vertelde, maar ze kwam gauw weer terug en bleef toen langer, en langzaam maar zeker merkten we hoe apart ze was. Haar leven bestond uit ‘zwerven’, dag in dag uit, maand in maand uit deed ze niets anders dan lopen, van ’s morgens tot ’s avonds en van het ene land in het andere. Een vreselijk zwaar leven was het: alsmaar lopen door hitte, kou, storm en regen en dikwijls slapen langs de kant van de weg als ze in een boerderij niet kon of mocht overnachten. We vroegen natuurlijk waarom ze zich zelf die ellende aandeed en toen zei ze dat een inwendige stem haar dat oplegde. Ze reisde zonder paspoort door al die landen: ‘Maria droeg haar over de grenzen’. Ze was van goede familie en goed ontwikkeld en verdedigde fanatiek haar denkbeelden, en in de gloed van een gesprek sprong ze over van ’t Nederlands op Frans, die taal lag haar toch beter. In de loop der jaren is ze vrij vaak gekomen, een keer met stukgelopen enkels, die natuurlijk bij ons moesten genezen. Wat een armelijk leven leidde ze toch. Al haar bezittingen zaten in die kleine ransel, die haar tot hoofdkussen diende als ze langs de weg sliep. Kleren wilde ze niet aannemen van ons, wat geld soms wel, maar zeer bescheiden. Bescheiden was ze ook met eten, ze wimpelde haast alles af. Een rauw ei at ze het liefst, ze prikte er met een speld een gaatje in en zoog het leeg onder aandachtig toekijken van alle Nagelkinderen, die zoiets nog nooit gezien hadden en machtig interessant vonden. Dankbaar was ze wel voor alles en uitte die dankbaarheid door wel eens wat mee te brengen voor de kinderen. Het enorm leuke prentenboek ‘Les dix sous de Toto’ herinneren we ons allemaal nog en is nog steeds in het bezit van Liesbeth. Soms zagen we haar jaren niet, en dan stond ze ineens weer voor de deur. Tijdens zo’n periode waarin we haar lange tijd niet gezien hadden, kwam er een pakje uit Frankrijk van een zekere Madame Bremont, die we absoluut niet kenden. In het pak zat een beetje smoezelig kartonnen doosje met twee zakjes amandelen. We braken ons het hoofd erover wie toch die Madame Bremont was? Dat Mademoiselle Dumont misschien getrouwd was en nu Bremont heette leek ons ondenkbaar, maar toch… ja, toch was het zo. Toen ze maanden later voor een begrafenis in Nederland moest zijn, kwam ze bij ons langs en vertelde hoe ze tot dit huwelijk gekomen was: tijdens een zwerftocht door Frankrijk passeerde ze een armelijk boerderijtje en maakte een praatje met de boer die in zijn tuin aan het werk was. Ze vond deze man eenzaam en voelde ineens: ‘Ik moet deze man trouwen’ en had dat toen ook maar gedaan. O, wat een wonderlijke vrouw was ze toch!! Weer tijden later, een paar maanden voor de dood van Jan, kwam ze weer en vroeg of ze een paar dagen mocht blijven om een boek van de Universiteitsbibliotheek te raadplegen. Aarzelend stemden we toe, Jan was al lang niet goed en leidde liefst een rustig leven in een rustig huis. Groot was onze schrik toen ze de eerst dagen iedere keer met een stapel boeken van die bibliotheek thuis kwam. Als ze díe allemaal door moest nemen zou ze wel weken of maanden werk hebben! En dat kon nu toch echt niet. We hebben haar dat ronduit gezegd en toen bracht ze alle boeken weer terug en vertrok. Ongeveer een jaar na de dood van Jan is ze voor het laatst hier geweest, dat is tien jaar geleden en ik denk dat ze nu wel is overleden. Niemand van ons gezin zal haar ooit kunnen vergeten, deze goede en wonderlijke vrouw: Mademoiselle Dumont!!! ![]() Kris-kras door elkaar, volgen allerlei herinneringen aan lang en kort geleden, maar vooral van lang geleden. Ik vind het niet nodig ze naar jaar te schikken. Zo’n allegaartje door elkaar leest misschien wel prettig? Dit is een beetje een dagboek. [22 september 1976] Het ‘landjespak’. Of het nu komt omdat ik gisteren de film gezien heb ‘De slag om Arnhem’, dat weet ik niet, maar vannacht kon ik niet slapen en woelden weer allerlei herinneringen door mijn hoofd, die ik op wilde schrijven, nee, het is of ik het op moet schrijven. Waarom toch? De kleinkinderen, althans de ouderen, heb ik al die herinneringen al verteld, en de nog jongeren zal het waarschijnlijk geen steek interesseren, maar het moet op papier, verscheuren staat later vrij. Omdat vader altijd nog zo’n grote rol speelt in mijn gedachten, was het vooral aan hem dat ik dacht en aan wat hij in die oorlogsjaren 1940–1945 voor zijn gezin deed. We hadden een stukje land gehuurd in de buurt van Weert om er wat groenten te kweken, en als vader daar ging werken had hij een oud pak aan. Al gauw noemden we het zijn ‘landjespak’. Het was een versleten, uitgezakt pak, een klein kriebelruitjesdessin; nu, na tientallen jaren, zijn de kinderen dat pak nog niet vergeten. Na deze dertig jaren weet ik niet meer wat hij er verbouwde, ik weet zelfs niet meer of die groentenkwekerij wel zo’n succes was en of hij wel eens belast en beladen met allerlei producten van zijn landje thuis kwam, maar al is het misschien geen daverend succes geworden (je wordt van wiskundeleraar ook niet zo maar een ervaren tuinder) ieder kropje sla en ieder boontje had hij met zijn zweet betaald. Hij spitte, zaaide en oogstte in zijn ‘landjespak’ en oogstte niet alleen groenten, maar vooral de liefde en dankbaarheid van zijn gezin, waarvoor hij het tenslotte allemaal deed. [augustus 1978] Hartverwarmend in de ware zin van het woord zijn soms kleine voorvallen in ons leven: Kortgeleden ging ik naar Liesbeth in Utrecht. Toen ik haar stille straat indraaide, zag ik in de verte een klein figuurtje met een oranje truitje aan. Toen het kleine mensje mij in de gaten kreeg, en dat was al heel gauw, barstte ze los in blijde kreten en rende, alsmaar joelend, in mijn richting. Dat is vast Eefje dacht ik, maar mijn oude ogen konden nog geen gezichtje onderscheiden. Toen ze binnen gehoorsafstand was, riep ik, geheel ten overvloede: ‘Ben jij ’t, Eefje?’ ‘Jaa – a – a –!‘ riep ze enthousiast en vloog enkele tellen later met stralende bruine ogen in mijn uitgestrekte armen. Ja, toen werd ik echt warm van binnen. [30 september 1978] Jan kwam vandaag per trein met Luukje uit Alkmaar. Zo’n bezoek vind ik altijd reuze fijn en daarom zei ik al gauw na zijn aankomst spontaan: ‘Wat is het toch heerlijk om kinderen te hebben als je oud bent’, waarop Jan direct even spontaan reageerde met: ‘En wat is het toch heerlijk een moeder te hebben als je jong bent.’ Dat was weer hartverwarmend. [november 1979] Zo maar gedachten Wat heb ik er de mond vol van de laatste tijd, dat ik het leven weer fijn en waardevol vind en het denken aan Jan niet meer zo’n pijn doet. Dat is toch waar? Ja, het doet inderdaad geen echte pijn meer, maar ik kan niet loskomen van alle gedachten aan hem. Het is weer winter met lange, lange avonden en waaraan dank ik dan? Aan Jan, aan Jan. Op mijn trouwdag heb ik me werkelijk voor heel mijn leven aan hem verbonden en ik ben en voel me nog getrouwd met hem, ook na zijn dood. Gelukkig dat verreweg de meeste herinneringen mooi en goed zijn, maar er zijn ook stekende gedachten van spijt. Wat jammer toch dat een mens in de bloei van zijn leven nog lang niet zo wijs is als in zijn ouderdom. Als oud mens moet je je mond houden en je nergens mee bemoeien, dat zal wel waar zijn als iedereen het zegt, maar eigenlijk is het vreemd dat iemand met een jarenlange levenservaring en een meestal grote dosis liefde in zich, geen helpende hand kan of mag uitsteken als je jongere mensen zo duidelijk fouten ziet maken. Maar het is natuurlijk ook waar dat ze zelf door ervaring wijs moeten worden. Ik weet het ook niet meer. Ik ben zo ouderwets, want de woorden: zonde – geweten – beheersing – trouw spelen nog zo’n grote rol bij me, en dat zijn vier van de vele woorden die op de helling staan. De eerste twee woorden: zonde – geweten, zijn een tijd, of tijdenlang, te zwaar beladen geweest, dat was ook niet goed, dat is waar. Nee, ik weet het niet meer. [1980] Voor niets ter wereld zou ik weer, of nog, jong willen zijn. En wat meen ik dat voor honderd procent! Oud worden en oud zijn is moeilijk, heel moeilijk soms, en de naderbij komende dood is me, tot nu toe, verre van welkom, maar in deze tijd jong zijn voel ik als veel erger. Ja, dat voelen moet ik toch eens echt uitpluizen en dan proberen onder woorden te brengen. Wat is het precies wat ik nu zo erg vind? [januari 1980] Zoals zo vaak de laatste tijd, zat ik vanmorgen in mijn stoel bij het raam en zag de stad tot leven komen. Het had gesneeuwd vannacht en mijn tuin, de bomen, en de auto’s aan de overkant waren nog met ongerepte sneeuw bedekt! Prachtig! De rijweg begon al modderig te worden; het College had enkele verlichte ramen en al vrij veel mensen repten zich per auto, fiets, of te voet, naar hun werk. Ik keek naar dat alles en dacht weer, zoals zo vaak, dat het heerlijk is om te leven!!! Vroeger ging ik aan dat alles achteloos voorbij, nu ben ik zo blij dat ik het nog zie. [januari 1980] Ik begrijp het niet, nee, ik begrijp bijna niets meer van deze tijd en daarom denk ik toch dikwijls dat het eigenlijk niet erg is om er uit te stappen: ik hoor er niet meer in thuis; voor de maatschappij ben ik een volkomen onnut en duur mens, voor de eigen familiekring een nog hopelijk wel gewaardeerde, maar volkomen ouderwetse moeder. Maar in en met die ouderwetse ideeën leef en denk ik intens; ik ben gelukkig nog niet aan ’t versuffen. De laatste dagen borrel ik over van protesten tegen alles wat ik niet begrijp. Ik loop hardop te praten en heb ’s morgens mijn ogen nog niet open of de gedachten stormen op me af en laten me talloze keren luidop zeggen: ‘ik begrijp het niet, nee, ik begrijp er niets meer van’. Wil ik tot rust komen, dan ken ik al de remedie: alles van me afschrijven. Wat begrijp ik nou allemaal niet? Ik begrijp absoluut niet dat jonge vrouwen met kleine kinderen zo vreselijk graag buitenshuis gaan werken. Ik begrijp niet dat ze niet inzien dat het zorgen voor man en kinderen een geweldige levenstaak is. Ik begrijp wel dat je wel eens hartgrondig genoeg kunt hebben van afwassen, stoffen en luiers wassen, en dan de hele huishouding, desnoods met man en kinderen erbij, een dag naar de maan wenst, maar in welk beroep heb je dat niet? Afleiding moet zo’n vrouw dan ook zeker hebben, maar moet dat zijn door een baan te nemen? Als ik de verhalen hoor over vrouwen die doodop thuis komen en dan nog alles in huis moeten doen! Waarom wordt het de vrouwen aangepraat dat ‘alleen’ je huishouding doen, iets minderwaardigs is! Ik ben bang dat veel huwelijken aan deze moderne ideeën kapot gaan, en dat is toch vreselijk! Het wordt wel eens ontkend, maar het is toch een feit dat een man en een vrouw ieder hun eigen aard hebben; waarom wil een vrouw dan zo graag vaak als een man werken en ‘zijn’, en omgekeerd moet de man dan vrouwenwerk doen? Gelijkschakeling van man en vrouw is de leuze van deze tijd, er zit veel goeds en waars in, maar laat het niet doorslaan. Mannen die in het gezin een handje helpen vind ik echt prachtig, maar als ze zelf een volledige baan hebben moet het toch bij een ‘handje’ blijven en geen volle hand worden. Het minst van al begrijp ik de jeugd. Ik begrijp helemaal niet dat kinderen van zestien of zeventien jaar zichzelf belasten met problemen als liefde en de pil. Ik zou tegen hen willen zeggen, nee, schreeuwen: ‘Besef toch waar je mee bezig bent! En besef toch dat je maar één leven en één lichaam hebt en wees op beiden toch heel, heel zuinig.’ En dit geldt ook voor ouderen. Hè, wat heeft dit geschrijf me opgelucht. Nu mijn gedachten van mijn hoofd naar dit papier verhuisd zijn, voel ik me rustiger worden. Ik weet niet of deze regels ooit door iemand gelezen zullen worden; zo ja, dan hoor ik toch niets meer van de storm van gelach en kritiek, die zonder twijfel los zal barsten. Misschien is er dan een enkeling die denkt: ‘Een klein beetje gelijk had ze wel.’ [1980] Wat is het toch heerlijk bewust te leven. Toen ik enkele dagen geleden naar Liesbeth ging en ’s morgens al om negen uur bij de bushalte stond, dacht ik: ‘Hier sta ik nu nog, ik ga dadelijk in de bus en dan in de trein. Ik zie alles om me heen en ga een heerlijke dag tegemoet. Ik ben bevoorrecht bij vele andere bejaarden. Ik leef en ik leef intens, en dat is geweldig.’ [7 oktober 1980] Oud zijn, ik zou er een boekje over vol kunnen schrijven. Al mijn denken en doen is in enkele jaren zo veranderd, zo heel anders geworden. Ik voel dat ik nu echt bij een andere groep mensen behoor, bij de bejaarden, en dat is een aparte groep. Het is een groep die niet meer volledig meetelt, een groep die aan de kant staat, een groep die soms wat afstotend overkomt door uiterlijk en gedrag. Als ik op de televisie een groep bejaarden zie die zingt, danst of gymnastiek doet, dan vind ik dat een beetje zielig en denk: doen jullie dat nu niet voor de t.v., want men kijkt naar jullie met andere ogen dan naar jonge mensen die hetzelfde doen. Sinds enige tijd voel ik me als ik bij jongere mensen binnenkom zo oud. Zou het verbeelding zijn als ik dan soms een lichte aarzeling bespeur bij diegene die naast me gezet wordt of naast wie ik neerstrijk? Er zijn kleinigheden die zo’n pijn doen! En wat kun je eraan doen? Je sterft niet, en dus kom je bij de bejaarden, bij de oudjes. Ik heb het er wel eens moeilijk mee, maar gelukkig heb ik veel ‘bejaarde’ vriendinnen en daar voel ik me kiplekker bij! Oud zijn heeft echter en gelukkig ook voordelen! Je hoeft niets meer of althans niet veel meer. Je leeftijd ontslaat je van een hoop vervelende dingen en dat is vaak erg prettig. Uitgesproken fijn is het dat je zo veel tijd hebt om te denken. In alle stilte kun je over alles denken, en dat alles omvat zeer veel, omvat leven en dood. Je leeft heel veel in vroeger, in je kinder- en wittebroodsjaren. Allen van vroeger zijn dan om je heen, leven weer, bestaan weer, en ik praat met hen, ja, dat is echt fijn. Je hebt tijd om je volop te verdiepen in alle veranderingen van deze tijd, en dat is me nogal wat. Ja, dat veel tijd hebben is een groot voordeel van het oud zijn. [oktober 1980] Na dagen ben ik er nog zo vol van, dat het weer op papier moet, en waarom zou ik niet opschrijven dat ik op de zilveren bruiloft van Amie en Ferdinand momenten had van intens geluk? Dit klinkt natuurlijk heel overdreven, want intens is zo diep, maar hoe moet ik datgene wat door me heen ging, anders noemen? Daar was Eefje die binnen kwam en toen ze mij zag, lichtte er iets heel blij’s op in haar ogen. Het was een fractie van een seconde, maar het was er zo onmiskenbaar dat het me tot in mijn ziel raakte. Helemaal zielsgelukkig voelde ik me door Jantje. Op een gegeven moment stond hij toevallig naast me, en in een verlangende gedachte aan Jan die dit alles niet meer mocht beleven, drukte ik zijn naamgenootje stevig tegen me aan en zei spontaan: ’O jij, mijn lieve kleine Jantje Nagel’, waarop hij tot twee keer toe heel zachtjes zei: ‘ik vind U lief, ik vind U zo lief’! [16 december 1980] Toen ik zojuist vaders foto bij mijn bord zette, zei ik tegen hem: ‘Ja, ja, nu zit ik er alleen mee.’ En met dat ‘er’ bedoelde ik dat ik weer eens zo bewust mijn aftakeling voelde en dat tegen niemand in huis kwijt kon. Een jong mens kan dat toch niet begrijpen, dat is een onmogelijkheid. Aan een leeftijdgenote vraag ik wel eens: ‘Heb je het daar nu ook niet moeilijk mee om zo te voelen dat je minder wordt en te weten dat het met een aantal jaren zeker bekeken is?’ Gewoonlijk is het antwoord dat ze het daar ook moeilijk mee hebben en dat is dan wel een beetje een troost. De dagen dat ik me echt goed voel (en dat is nog vrij vaak gelukkig) zijn geluksdagen, waarop de dood een stapje terug lijkt te gaan. Ik wil me niet te veel verdiepen in alles wat nog kan gebeuren in de komende jaren, want het loopt dikwijls zo anders dan een mens denkt. Zolang ik het, zoals nu, nog van me af kan schrijven, is het erg prettig. [22 december 1980] Wat bezielt me toch dat ik dit jaar zo graag Kerstavond alleen wil beleven, rustig alleen thuis wil zijn? Waarom wil ik dat eigenlijk? Ik weet het niet. Wat verwacht ik ervan? Ik weet het niet, maar de behoefte is onmiskenbaar. Hoe wil ik de avond indelen? Ik ga heel bijtijds naar de kerk voor de H.Mis van half tien en hoop daar te vinden wat ik ervan verwacht, en dat is heel veel. Met dat vele en de herinneringen aan de tientallen jaren dat ik Kerstmis hier gevierd heb, wil ik in alle stilte alleen zijn. Misschien voel ik me dan gelukkig met al die gedachten en ben ik blij dat ik voor deze eenzame Kerstavond gekozen heb. Misschien denk ik: ‘Dat doe ik nooit meer.’ Misschien ben ik in tranen. Ik ben benieuwd!! Op Eerste Kerstdag ga ik dan graag naar de sfeer en gezelligheid van een gezin, dit keer bij Ton en Truus. [12 februari 1981] Over drie dagen word ik vijfenzeventig jaar. Zo ongeveer de hele dag zijn mijn gedachten bezig met dit feit en het daaraan verbonden feest. Wat leef ik al lang, en wat heb ik veel meegemaakt, ja heel veel, en op alle gebied. Deze dag ga ik vieren temidden van zoveel kinderen en kleinkinderen en dat is heerlijk, maar ik zal vader heel erg missen. Vannacht dacht ik ineens: Ik wil morgen naar het kerkhof, ik wil echt weer eens naar hem toe. Mijn nuchtere verstand zei direct: hoe wil je dat doen, dat kun je niet meer. Dat eind lopen van de bus naar het kerkhof, dat gaat echt niet meer. Ik zou natuurlijk met een taxi kunnen gaan, maar ik moet ook nog terug en dat zou toch met de bus moeten. En waarom zou ik me deze grote emotie en vermoeidheid op de hals halen zo vlak voor het feest waarvoor ik juist wat rust hamster? Ik zie wel in dat het een dwaasheid zou zijn en zal dus maar niet gaan. En toen dacht ik ineens aan Oma Groningen. Toen ze zeventig (of vijfenzeventig) werd, zei ze ineens onder het eten tegen haar kinderen: ‘Vader is hier erbij, ik weet het, hij is erbij,’ en ze was erg geëmotioneerd. ‘Arme oude vrouw,’ dacht ik. Maar nu ik zelf zo oud ben, denk en hoop ik over drie dagen ook het gevoel te hebben: ‘Hij is erbij,’ in ieder geval in onze gedachten. [16 februari 1981 in alle vroegte]. Ik kan dit niet verwerken, nee, ik kan dit niet aan. Ik ben warempel in een zee van tranen en kan de tranenvloed niet stoppen. Het zijn tranen van liefde, tranen van geluk, maar vooral tranen van dankbaarheid om de lawine van liefde en hartelijkheid die gisteren over me is uitgestort. Het is teveel, veel teveel en waar heb ik het helemaal mee verdiend, nee, ik heb het helemaal niet verdiend, want ik ben de meest alledaagse moeder die er bestaat, en maak in overvloed de meest alledaagse fouten die bestaan. En nu dit: Annemarie die met haar zo drukke leven, zoveel tijd besteed heeft aan zoveel liefs en leuks als mijn ‘levensloop’, zo geweldig en origineel! De gedichten van Frits!!! Door toeval heb ik ze gisteren niet ingekeken, ’t was te druk om me heen, van de ene kant een geluk, want hoe kan ik hierop anders reageren dan met tranen. Zoals zo vaak bekijkt hij me door een te gouden bril, maar wat is het geweldig. Ton en Truus hebben zoveel werk gemaakt van mijn ‘troon’, waarop ik me wel als de Koningin van het feest moest voelen! Joke en Jos hebben als centraal punt wekenlang zoveel drukte opgevangen, nú begrijp ik waarom Joke een paar weken geleden een beetje ‘eraan’ was!! Liesbeth met haar mooie kleed met namen, zo origineel en ik ben er zo blij mee! Jan met zijn ‘kalender’ over nu en vroeger! Wat een werk is ook dat geweest. En dan de kleinkinderen met hun vele en lieve gaven, vaak zelfgemaakt; en dan de tekeningen en gedichtjes enzovoort. Lieve, lieve, lieve allemaal, ik dank jullie uit de grond van mijn hart. Deze vijfenzeventigste verjaardag staat met gouden letters in mijn hoofd en hart gegrift en zal ik nooit vergeten. [oktober 1981] Wat voelde ik me een paar dagen geleden, temidden van de jeugd, toch oud, ja ontzettend oud, en ik voelde me niet alleen oud, maar ook helemaal niet meer erbij horen. Een afschuwelijk gevoel van eenzaamheid kwam langzaam over me en deed me verlangen naar de dood. Een generatiekloof is er alle eeuwen door geweest, maar was die wel ooit zo groot, zo onoverbrugbaar als nu?! Ik kan geen oordeel uitspreken over de jeugd, want ik begrijp ze niet, helemaal niet. Ze lachen en halen hun schouders op over dingen die voor mij altijd mooi en waardevol waren en nog zijn. In mijn hart vind ik hen arm, maar dat willen ze natuurlijk helemaal niet horen. Ik vind hen arm omdat ze weinig of geen geloof meer hebben in God, in de liefde, in het huwelijk en het ouderschap. Als je veel dingen die geluk kunnen geven in het leven buitensluit, wáár moet je het dan nog zoeken en vinden?? [Eerste Kerstdag 1981, ’s morgens zes uur]. Nu hoop ik toch inwendig een beetje rustiger te worden als ik opschrijf wat er vannacht in de nachtmis van half tien gebeurde, want ik ben van binnen nog ondersteboven. Pater Beckers had goed gepreekt en had net gezegd dat hij nu de offertafel ging klaar maken, toen een donderend lawaai en geknal de kerk vulde. Het klonk echt alsof achter in de kerk een aantal geweren schoten. Wat gaat er op zo’n moment door iemands hoofd? Wat ging er door mijn hoofd? Ik dacht: Dus zo is het als mensen in een kerk worden overvallen, maar ik wist tegelijk heel zeker dat dat hier natuurlijk niet het geval was. ‘Wat is dat? Wat gebeurt er?’ vroeg ik aan Dr. Michels die naast me zat. ‘Een stel rotjes of zoiets’ zei hij. Een stel rotjes? EEN STEL ROTJES??? Maar hoe krijgt iemand met ook maar een greintje gevoel in zich, het in zijn hoofd daarmee in een kerstdienst de rust te verstoren? Dat kan toch niet! Dat bestaat toch niet! Dat is toch onmenselijk! Dat heeft toch in de verste verte niets met een grap te maken!!! ‘Geen paniek,’ riep de pater vanaf het altaar. De ontreddering om me heen was groot. Veel mensen stonden op en aarzelden duidelijk of ze wel of niet weg zouden gaan; er werd iemand ziek, de ordebewaarders renden van voor naar achter, en op ieders gezicht stond schrik, afschuw en verontwaardiging te lezen, een enkele huilde. Na korte tijd werd de H. Mis vervolgd, maar de goede sfeer die er tevoren geweest was, was weg, helemaal weg. Wat jammer, wat bitter jammer voor al diegenen die zich wekenlang hadden uitgesloofd om er een mooie en sfeervolle dienst van te maken. Op dit ‘vredesfeest’ betrapte ik mezelf erop dat allerlei zeer onchristelijke haatgedachten door mijn hoofd flitsten tegen de jongens die dit gedaan hadden! Bij het verlaten van de kerk zagen we aan de rommel op de grond hoe ontzettend veel rotjes er gebruikt waren in deze Kerstnacht 1981. [januari 1982] De foto’s Al deze jaren na zijn dood, heb ik tegen vaders foto gepraat. Ik vertelde hem het familienieuws en wat ik verder kwijt wilde. Sinds enkele weken praat ik ook tegen een andere foto. Boven de theetafel hangen nu allen samen in een lijst, van ‘vroeger’, van ‘thuis’: mijn vader, moeder en de drie zusjes. Nooit eerder had ik behoefte aan deze familieverzameling, maar nu wel en heel erg. Iedere keer als ik er naar kijk, gaat er zoveel door me heen, en dan denk en zeg ik: ‘Wat zijn jullie allen me toch dierbaar, ontzettend dierbaar!’ [januari 1982] De scheurkalender Voor het eerst na tientallen jaren, ben ik na 5 december. weer in het bezit van een kalender met 365 blaadjes, ik moet er dus iedere dag een afscheuren. De kalender ligt op het tafeltje naast mijn bed en verschaft me genoegen met de kleine puzzeltjes aan de achterkant van ieder blaadje; maar dat is natuurlijk niets bijzonders om op te schrijven. Nee, wat ik op wil schrijven is het feit dat er iedere dag zoveel door me heen gaat als ik weer een blaadje afscheur. Nooit heb ik bij een maandkalender bij het vernieuwen van de maand eraan gedacht dat er weer dertig dagen van mijn leven verstreken waren, hoogstens dacht ik: Wat gaat de tijd toch vlug voorbij, maar nu is het intrigerend zoals ik iedere dag met mijn neus op het feit gedrukt wordt dat er weer een dag voorbij is, en dat ik weer een dag dichter bij de dood ben. Deze dag komt nooit meer terug, denk ik ook wel, of: Hoeveel dagen komen er nog? Ik ben zesenzeventig jaar en heb dus al 27.740 dagen geleefd! Een geweldig aantal! Ik ben er diep dankbaar voor, al waren er heel, heel moeilijke dagen bij, zoals die er in ieder mensenleven wel zullen zijn. Het is goed, heel goed, dat zo’n kleine handeling als het afscheuren van een blaadje me iedere dag erop wijst hoe snel de dagen in het leven voorbij gaan en hoe snel de dood dus naderbij komt. Als je oud bent, is het nodig om vertrouwd te raken met de gedachte aan de dood. Soms denk ik dat ik er al aardig mee vertrouwd ben: ik ben zo rustig als ik bijvoorbeeld adressen bijschrijf op de lijst van de mensen die een overlijdensbericht moeten hebben, of wanneer ik in gedachten sommige dingen in huis al aan ’t verdelen ben. Ik geloof echter ook dat die rust maar bedrieglijk is, en dat ik wel eens heel erg in paniek kan raken als het eenmaal zo ver is, want het leven trekt zo! Ja, het trekt en momenteel leef ik nog graag, maar toch komen er steeds vaker momenten voor dat ik denk: Nee, het is niet erg om weg te gaan, en dat is dan niet alleen omdat ik me in de huidige wereld maar slecht thuis voel, maar vooral omdat ik gewoon bang ben, bang om in de grote familiekring nog erge dingen mee te maken, die natuurlijk in de loop der jaren op welke manier ook, zullen gebeuren. Ik heb geen weerstand meer tegen verdriet, het verscheurt me, ja, dat is het goede woord. Als die dingen later gebeuren kunnen jullie van harte zeggen: ‘Gelukkig dat vader en moeder dood zijn!’ (Hoe is het mogelijk dat het afscheuren van een kalenderblaadje er de oorzaak van is dat deze gedachten op papier komen?) [zondag 28 februari 1982] Ea, mijn liefste zusje! Hoe is het mogelijk! Hoe kan het bestaan! Ik ben er helemaal vol van! Toen daarstraks in de kerk de man die vlak voor me zat een beetje naar links opschoof, keek ik op een vrouwenfiguur drie banken voor me, die sprekend, maar dan ook sprekend Ea was, althans van achteren gezien. Ze droeg dezelfde zwarte hoed, die Ea veel droeg, een zwarte mantel, had helemaal hetzelfde figuur, dezelfde haren, ik kon er mijn ogen niet van af houden. Toen ze even later opzij keek, was het weer precies Ea met bril op. Pas toen ik bij het te Communie gaan, haar goed in het gezicht kon kijken, zag ik dat ze toch een beetje ander gezicht had en het niet haar dubbelgangster was. Alles bij elkaar reden genoeg om diep onder de indruk te komen. [juli 1982] Ergernis Zonder twijfel ergeren massa’s mensen zich dagelijks heel erg aan alles wat momenteel zoal in de wereld gebeurt. Toch wil ik van deze ergernis niet schrijven, maar wel over de grote ergernis die mij als oud mens speciaal treft, als jonge mensen zo’n (goed bedoelde) onzin tegen mij uitslaan, en dat doen ze natuurlijk ook tegen andere bejaarden. Heel vaak wordt mij gevraagd hoe het met mij gaat en hoe het met mijn gezondheid gesteld is. Ik antwoord naar waarheid, heel kort en zeg: ’Ik ben oud aan ’t worden.’ Een goed verstaander zou uit dat zinnetje kunnen distilleren: ‘Ik heb het moeilijk,’ maar zoveel begrip kan en mag ik van een jong iemand natuurlijk niet verwachten en dat doe ik ook niet. Ik verwacht echter ook niet de onzin die ik dan te horen krijg. De een zegt: ‘Och, wat oud? De duvel is oud!’ Een ander: ‘Je bent pas zesenzeventig! Ik heb iemand in de familie van drieënnegentig en die is nog zo goed.’ Weer een ander: ‘Nou dat valt wel mee met jou, je kunt nog zo goed praten.’ Van de meesten hoor ik: ‘Je kunt wel honderd worden en dan de enige honderdjarige in Nijmegen zijn!’ Eigenlijk zou ik om al die onzin, die natuurlijk als troost bedoeld is, moeten lachen, maar het grote onbegrip dat eruit spreekt doet me pijn en ergert me enorm. Zonder twijfel heb ik vroeger niet anders gereageerd dan de jonge mensen van nu; ik heb daar erg veel spijt van! [september 1982] Vijftig jaar Berg en Dalseweg 116 Heel lang geleden hoorde ik een jonge vrouw tegen haar moeder, die er erg tegenop zag haar huis te verlaten, zeggen: ‘Wat is een huis? Een hoop stenen!’ Al was ik nog jong, ik stond toch aan de kant van de moeder en begreep al best dat dat huis voor haar heel wat meer betekende dan een hoop stenen. Maar pas nu ik oud ben begrijp en ervaar ik hoe ontzettend je aan een huis gehecht kunt zijn. Binnenkort woon ik vijftig jaar hier en ik heb er behoefte aan enkele van de tientallen herinneringen, die aan iedere woonruimte verbonden zijn, op te schrijven. Het zijn immers de herinneringen die een huis zo dierbaar maken en als je zo’n huis verlaat zal dat aanvoelen alsof je een stuk van jezelf achterlaat, denk ik. Ik begin boven in het huis met de zolder: een prozaïsche ruimte, gevuld met oude rommel die niemand meer wil. Er staan echter ook een stel kistjes met allerlei schoolherinneringen en spullen van vroeger. Heel vaak gebeurt het dat een zoon, die bij mij op bezoek is, met een van zijn kinderen naar boven sluipt, daar aan van alles zijn hart ophaalt, en dan stralend beneden komt met een oud schrift of voorwerp en het me trots laat zien: ‘Kijk eens moeder, wat ik nu toch gevonden heb!?’ Naast de zolder is het vroegere ‘ dienstbodenkamertje’, het kamertje uit de sprookjestijd van ‘hulp voor dag en nacht’, om die sprookjestijd zal dat kamertje me bijblijven. Heel veel beelden springen naar voren als ik de grote achterslaapkamer voor me zie; bijna alle kinderen hebben er wel eens geslapen en dan denk ik aan onder anderen: Frits en Ton, in kussengevechten gewikkeld, springend op de matrassen, en daarvoor hevig op hun kop krijgend van vader of mij. Frits, groen en geel van pijn en ellende in de nacht van zijn blindedarmontsteking, en nog eens Frits, helemaal overstuur, dwars over het grote bed liggend, alsmaar roepend: ‘ik had blind kunnen zijn, ik had blind kunnen zijn,’ nadat er bij het verbranden van oude rommel een kleine ontploffing was geweest. Een bonkende Joke, dit tot wanhoop van de buren. Ton, zo ziek van een of andere kinderziekte dat hij op Sinterklaasmorgen het tafeltje naast zijn bed niet eens bekeek en niet taalde naar snoep; of hij ook ziek was! Annemarie lag er in oorlogstijd wekenlang met roodvonk, waardoor we vrij bleven van inkwartiering. Nog zo veel meer beelden komen me voor ogen van deze kamer, maar ik kan er geen boekdeel van maken en ga dus maar eens gauw denken aan de kleine slaapkamer (met platje) daarnaast, waar ook diverse kinderen een tijd lang geslapen hebben, er was blijkbaar nog al eens verwisseling van slaperij en dat is ook wel te begrijpen. In ieder geval was dit kamertje lange tijd het domein van Bep en haar vele poppenkinderen. Zoals ze daar mee omging!!! Met mooi weer werden zo’n tien poppenbedjes op het platje gezet in de zon, de dekentjes werden wat teruggeslagen zodat de poppen gezonde, bruine beentjes konden krijgen. Toen ze in die tijd eens bij Tet ging logeren, wilde ze al die poppen meenemen. Ik zei: ‘Nee Bep, dat gaat toch echt niet, laat er nu maar een paar thuis, ik zal er goed voor zorgen.’ En toen haar antwoord: ‘Ja, maar dan krijgen ze geen moederliefde!’ In dat kamertje ook zat ik bij Annemarie op de rand van het bed, toen ze zei dat ze dokter wilde worden, en niets anders, en in die tijd was dat nog heel bijzonder voor een vrouw. Jan jr. was er de laatste langdurige bewoner, daarvan getuigen nog zijn schoolfoto’s aan de muur. Het is nu een beetje zijn logeerkamer als hij met Greetje of/en kinderen komt logeren. Als ik een verdieping lager in de badkamer kom en dat nu ouderwetse bad zie, denk ik aan de honderden keren dat ik in dat bad een kinderlijfje heb gewassen en aan de duizenden voet- en handnageltjes die ik er geknipt heb en niet te vergeten de vele, vele haarwassingen. Echt graag deed ik dat allemaal niet, maar het hoorde nu eenmaal bij de zaterdagse verzorging van de kinderen en ze daarna zo fris schoon in hun pyjama’s om de tafel te zien, gaf wel veel voldoening! Naast de badkamer: vaders studeerkamer. Het is zo moeilijk daarover te schrijven, want het was zo helemaal zijn domein, zijn zo dierbaar domein, waar hij bijzonder aan gehecht was, en ik kan dat zo goed begrijpen! Het was een rustpunt voor hem, hij kon er zich terugtrekken als hij vermoeid was en deed er verder zijn dagelijkse werk: schoolwerk nakijken, lessen prepareren, privaatlessen geven, de boekhouding voor de kerk doen, zijn dierbare boeken lezen en ’s middags zijn dutje doen. ‘Vaders studeerkamer’, wie zal die ooit kunnen vergeten? Achter deze kamer was onze grote, heerlijke slaapkamer met balkon. Er gaat nog zoveel door me heen als ik nu in die kamer kom. De herinneringen zijn talloos, echt talloos, maar ik zal er niet veel van ophalen. Vier van onze zes kinderen zijn in die kamer geboren en wat een belevenis was dat iedere keer! Vader telkens zo onder de indruk, dat hij met moeite zijn tranen kon bedwingen. Wat waren alle kinderen van harte welkom en wat waren we er gelukkig mee; we beleefden onvergetelijke momenten als we na de bevalling samen ons ‘nieuwe kind’ bekeken. Vier keer lag ik als een verwende vorstin in die met veel bloemen versierde kamer, van mijn kraamtijd te genieten, met de wieg binnen handbereik. Al die herinneringen! Niemand kan ze me afnemen, gelukkig niet. Ik vond niets heerlijker dan een baby hebben (werd er door vriendinnen wel eens om uitgelachen), zo’n klein, warm lijfje, je eigen kind, tegen je aan drukken! Het was een stukje van de hemel! Ja, ik weet wel dat er nog heel wat meer bij komt kijken: kindergehuil en vieze luiers bijvoorbeeld, maar een liefde voor dat kleine wezentje, die haast pijn deed, overheerste altijd. Als moeder heb ik in mijn latere leven alle mogelijke fouten van de wereld gemaakt, maar ik weet wel zeker dat ons zestal in hun babytijd niets tekort gekomen is aan liefde, knuffelen en vertroetelen; heel jammer dat ze daar nu natuurlijk niets meer van weten!! Vlak naast mijn bed was een verbindingsdeur naar een kleine slaapkamer, waar altijd het allerjongste kind sliep. Hoe vaak ben ik ’s nachts niet door die deur gegaan, als ik hard of zachtjes had horen roepen: ‘Mama.’ In die tijd, toen ik nog een jonge, gezonde hard werkende vrouw was, kon geen bom me uit mijn diepe, vaste slaap halen, maar een kinderstemmetje dat ‘Mama’ riep, kon dat wel. (Ik denk dat dat bij alle moeders wel zo is!) Was de wieg te klein geworden, dan werd het kinderledikantje tevoorschijn gehaald, en als de peuter een kleuter was geworden, dan kwam het opklapbed aan de beurt. Het opklapbed met de brede plank erboven, waar de talloze kinderboekjes op stonden waaruit ik ’s avonds voorlas en waarop in de meimaand het door de kinderen zelf versierde Mariabeeldje pronkte. Ja, dat kamertje roept veel herinneringen op en dan denk ik onder andere aan de vele, vele keren dat ik ’s morgens vroeg heel zachtjes die verbindingsdeur hoorde openen, en dan wist en voelde ik dat een kindergezichtje vol spanning over me heengebogen stond om te kijken of ik nog sliep. Ik deed dan eerst wel alsof, maar dat duurde maar heel even. Bij de eerste trilling in mijn gezicht werd de deken teruggeslagen en nestelde het kind zich behaaglijk in mijn armen, en we spraken dan heel zachtjes samen, of vielen samen weer in slaap. Van Christine herinner ik me nog hetzelfde als ze als kleutertje hier logeerde! Jan jr. was ook van dit kamertje de laatste bewoner; toen hij al wat groter was, heeft hij een tijdje, heel ingenieus, een gekleurde lamp bij de trap geplaatst, die hij vanaf zijn opklapbed kon bedienen. Het was zijn grootste plezier daarmee te experimenteren als de heren van de Vincentiusvereniging naar boven kwamen voor de vergadering op vaders kamer. Hij kon dan hun verbaasde en bewonderende uitroepen horen en glunderde van plezier. Met de bovenverdieping ben ik klaar en kom nu beneden in de woonkamers, waar vader en ik een groot gedeelte van ons leven, en de kinderen hun jeugd sleten. Barstens vol herinneringen zitten deze kamers, er is geen beginnen aan om die op te schrijven, en het is ook niet nodig, omdat er immers zoveel van in ons hart gegrift staan! Het zijn herinneringen van allerlei aard! Door groot en klein is hier heel veel gelachen, maar ook geschreid, bittere tranen soms, om allerlei redenen. In deze kamers werd immers geleefd en het leven kan moeilijk en verdrietig zijn, ook voor jonge mensen. Er is veel geplaagd en gekibbeld, ja, vreselijk zijn die kinderruzies, maar ze schijnen er in ieder gezin bij te horen, en ze gaan voorbij, gelukkig, en later wordt er alleen maar lachend op terug gezien. Weinig is er in deze vijftig jaar in die kamers veranderd, veel meubels staan er al tientallen jaren; ze zijn al lang niet mooi of modern meer, maar ze vormen samen de uniek gezellige sfeer die ons zo dierbaar is, ik zou ze dan ook voor geen goud willen missen. Veel, heel veel mensen zijn hier te gast geweest voor kortere of langere tijd, iedereen was welkom; en ook veel, heel veel feesten zijn hier gevierd, voor allerlei familiegebeurtenissen en die waren altijd enorm gezellig en prettig, en met uitbundig veel plezier!!! De keuken, de gang, de kelder, ze hebben allemaal een plekje in onze herinnering, en zeker de kelder, omdat we er in de oorlog een half jaar in gewoond hebben. Voortuin, achtertuin en ‘het poortje’, speelterrein voor de hele buurt, onvergetelijk is alles, alles. Ja, jaren en jaren achtereen gaat alles in een gezin zijn gang, en het lijkt of er aan de jaarlijks terugkerende familiegebeurtenissen nooit een eind zal komen, of het altijd zo zal blijven. Er zijn de verjaardagen met steeds hetzelfde ritueel: de jarige moet even in de gang en binnen stelt het rijtje van de overige huisgenoten zich op, met hun cadeautje op de rug. Er zijn de Paas- en Kerstbordjes die met gejuich worden begroet. Er zijn de enorm leuke Sinterklaasavonden. Er zijn de oudejaarsavonden met heel veel gekus om twaalf uur, enzovoort, en niemand staat er bij stil dat dit alles ooit een einde neemt. Als het al eens door mijn hoofd flitste dat dit toch niet altijd door zou duren, dan dacht ik: Och, voor dát verandert, dat duurt nog zo eindeloos, eindeloos lang. En ineens ontdek je, dat ‘eindeloos’ maar heel kort is. De kinderen verlaten een voor een het nest, dat is ’s levens loop, en als je dan nog maar samen bent, ben je een gelukkig mens. Maar op een kwade dag gaat je levenspartner weg en komt nooit en nooit meer terug. Dan blijf je alleen, helemaal alleen in het eens zo volle huis. Voorgoed voorbij is alles, alles en je gaat leven met en van de herinneringen. Je wordt ouder, langzaam in alles en moe, heel erg moe soms, en het doet pijn als de jongeren die moeheid niet begrijpen; ik zou dan willen zeggen: ‘Ik ben moe van zesenzeventig jaar leven, begrijp dat toch!’ De grote lichtpunten in mijn leven zijn de bezoeken van kinderen en kleinkinderen in mijn dierbare huis: Berg en Dalseweg 116. [november 1982] ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’ was de titel van een t.v.-programma dat deze week op een middag werd uitgezonden: Wieteke van Dort zou in een bejaardenhuis oude liedjes komen zingen. Met huiver ga ik zo’n programma bekijken, ik weet al hoe het zal gaan en hoe ik het aan zal voelen. Eerst zag ik al die bejaarden met een kopje thee achter hun tafeltjes zitten. De vrouwen natuurlijk keurig gekapt en gekleed: je komt ook niet iedere dag op de televisie! En toen kwam Wieteke: zo blozend, zo sprankelend, zo gezond en zo jong, een schrijnende tegenstelling met al die oude gezichten. En ze was zo schattig en lief tegen allemaal, en zoiets doet mij dan pijn. Waarom zo lief en kinderlijk met hen praten? Zo in de trant van: ‘Hebt U vroeger zangles gehad, mevrouw? Zullen we dit liedje dan eens samen proberen?’ en na afloop: ‘Wat doet U dat nog goed!’ terwijl we de oude stem amper hadden kunnen horen, en zo ging het maar door. Ik kon wel huilen om dat o zo goed bedoelde optreden en had tegen Wieteke willen zeggen: ‘Doe gewoon, doe niet zo erg schattig. Deze mensen willen niet zielig gevonden worden, ze zijn wel oud in jaren, maar van binnen zijn ze nog heel gewoon: ze zijn alleen nog maar niet dood gegaan!’ [november 1982] ‘Oud Wijf’ Een kostelijk boekje ben ik nu aan het lezen: ‘Laatste verzet’, verhalen van een bejaarde. Het is alleen voor bejaarden zo leuk, denk ik, omdat die er zoveel van hun eigen gedachten, ervaringen en herinneringen in terug vinden. Vooral het stukje: ‘Machteloos’ sprak me aan, omdat ook ik laatst met uitgestrekte armen op het trottoir stond om een hard rijdend meisje op de fiets tegen te houden. ‘Maar kind, ga toch op straat rijden,’ zei ik. Ze gaf geen antwoord, keek me alleen vernietigend aan. Echt heel vaak gebeurt het dat fietsers me op het trottoir rakelings passeren, ze weten natuurlijk wel dat ze daar helemaal niet mogen rijden, maar och, er mag zo veel niet, zullen ze denken. Ik schrik dan altijd wel even en denk: Als ik op dat moment een stap opzij had gezet, was het met me gedaan geweest. Erg? Wel nee, en zeker niet in de ogen van heel jonge mensen! Waarom hebben die vaak zo’n minachting voor oude mensen? Dat moet in ons uiterlijk en manier van doen zitten, denk ik. Toen ik een tijdje geleden op straat liep, passeerde aan de overkant op de fiets twee meisjes van zo’n twaalf jaar. ‘He, oud wijf!’ hoorde ik roepen. Ik keek om me heen, zag niemand en besefte toen dat ze het naar mij geroepen hadden. Ik moet toegeven dat dat wel even pijn deed, maar boos kon ik er niet om zijn; die meisjes kenden me helemaal niet en riepen zomaar wat. Als ik met hen had kunnen praten, zou ik gezegd hebben: ‘Als jullie zelf geen oud wijf willen worden, zul je vroeg dood moeten gaan, want anders word je ook onherroepelijk een ‘oud wijf’. [februari 1983] Verwaand? Nee, dankbaar! Verwaande mensen vind ik soms echt onuitstaanbaar omdat ze zo duidelijk blij zijn met zichzelf. Ik moet nu oppassen dat ik er zelf niet bij ga behoren, na de loftuitingen van Jan vanavond door de telefoon, en die van Ton vorige week. Beiden vinden: dat ik het zo goed doe na vaders dood en Jan zei nog: ‘U was vroeger zo dienstbaar, en hebt Uzelf deze jaren ontwikkeld tot een zelfstandige vrouw, die nog wat van het leven maakt.’ Ze hebben wel gelijk dat ik veranderd ben, dat voel ik zelf ook wel, maar als dat dan zo ten goede is, is dat toch totaal geen verdienste van mij, daar heb ik niets voor gedaan, dat ging vanzelf. Ik leefde door, van dag tot dag, van jaar tot jaar, met mijn eigen aard en karakter en zonder te denken: ik wil alles extra goed doen. Ik ben wel erg blij met hun waarderende woorden, welke moeder zou dat niet zijn? Ik bewaar al veel dierbare gezegdes van mijn kinderen in mijn hart, ze kunnen me zo warm maken, Verwaand zal ik er niet door worden, dat is niets voor mij, maar misschien verdwijnt er iets van mijn minderwaardigheidsgevoel! Mijn dankbaarheid, die momenteel toch al mijn leven overheerst, wordt er wel weer groter door: Dankbaarheid om mijn grote familiekring. Dankbaarheid om mijn financiële welstand. Dankbaarheid dat ik mijn geloof nog heb. Dankbaarheid om mijn nog redelijke gezondheid, ik kan wel niet veel meer en voel heel duidelijk de toenemende slijtage, maar ik LEEF nog, en vind het leven met zijn duizende facetten van vreugde en verdriet een echt Godsgeschenk. p.s. Een maand later zou ik bovengenoemd stukje zeker niet
meer geschreven hebben! Maar het staat er nu eenmaal. Sorry, sorry! [6 maart 1983] Die ‘blije’ Sofietje Liesbeth is pas geleden een week met Greetje naar Engeland geweest. Ik vond het zelf echt fijn dat de twee schoonzusjes van zo’n welverdiende vakantie genoten, en hun kinderen werden goed verzorgd. Ja, daar ontbrak niets aan, de vaders gaven veel aandacht en liefde, maar toch… moeder was er niet en dat dat voor de kinderen toch een groot gemis was, bleek uit een gesprekje met Liesbeth en Sofietje een paar dagen geleden. Ik vroeg Sofietje: ‘Toen Liesbeth terug kwam en jullie al zo vroeg in Utrecht op het perron op haar trein stonden te wachten, wie was er toen het aller- allerblijste, denk je? Liesbeth zelf of jullie?’ Voor ik de zin af had zat ze al hevig op haar borst te kloppen en zei toen, alsmaar kloppende: ‘Ik was de meest blije, Oma! Ik was zo blij; ik heb in die week vijf keer gehuild, ja vijf keer, Oma, en dan zei Eva ‘ik zal je wel troosten’, maar die begon dan zelf ook te huilen.’ In gedachten zag ik dat tweetal zitten, acht en zes jaar oud, verlangend naar hun moeder. Liesbeth zal, evenals ik, wel warm geworden zijn van binnen! [22 augustus 1983 De kinderen De laatste tijd beleef ik iets wat iedere oude moeder meemaakt, maar waarover ik nog nooit zo’n moeder heb horen praten. Hoe is het mogelijk? Mij grijpt het erg aan en doet me zelfs pijn, het is dat ik al diverse van mijn kinderen oud(er) zie worden. Het zijn niet zozeer de grijzer wordende haren, die me aangrijpen, maar de lijnen in het gezicht. De eerste keer dat ik het zie is soms bij een bepaalde belichting van het gezicht, en als een steek gaat het door me heen: ‘Nu begint hij of zij ook al oud(er) te worden.’ Een tijd lang zie ik het dan helemaal niet meer, maar het komt terug, en dan duidelijker. Waarom? vraag ik me af, ja waarom treft het ouder worden van de kinderen me zo? Het lijkt nog helemaal niet zo lang geleden dat ik ze negen maanden bij me droeg, ter wereld bracht, en eindeloos genoot van die kleine, zachte lijfjes! Nu zijn ze al lang volwassen en sommigen hebben de helft van het leven al achter de rug of meer! Dat hun dat is aan te zien doet me pijn. Zelf heb ik al zo lang een oud en rimpelig gezicht en dat heeft me nooit veel kunnen schelen. Ik ken ook de moeilijkheden, die het oud worden met zich meebrengt, zou ik hun die soms willen besparen? Oud worden heeft toch ook zijn voordelen? En alle kinderen hebben, menselijkerwijze gesproken, nog tientallen jaren voor de boeg. Zou ik dan willen dat ze al die jaren met een glad en jong gezicht beleefden?? Wat een gekke moeder ben ik toch!!! [17 september 1983] ‘Simpele ziel’ Ik ben helemaal geen intellectuele vrouw, o nee, ik weet weinig en heb zo goed als niets van de wereld gezien. Mijn leven bestond uit zorgen voor man en kinderen en anders niets. Ik was er gelukkig mee, en vroeg niets meer van het leven. Reizen maken trok me nooit aan, integendeel, op reis zijn betekende: weg zijn van wat mijn Leven was, en dan voelde ik me niet ‘happy’. Zodoende heb ik bar weinig van het vele, vele op de wereld gezien, en ik heb er ook geen verlangen naar. In de zomer ontvang ik kaarten uit vele landen van de wereld, ik bekijk ze met interesse, maar nog nooit heeft een kaart het verlangen in me gewekt van: dat zou ík ook wel eens willen zien, en als ik na de vakantie de vele verhalen hoor, denk ik vaak: ik heb het beste deel verkozen door thuis te blijven. Ik denk dat veel mensen me hierin vreemd vinden: een huismus zonder interesse in kunst; nou ja, ik ben nou eenmaal zo, en niemand heeft er toch last van! Heel erg simpel denk ik over het grote wereldgebeuren. De wereld is momenteel een chaotische bende; iedere avond brengt de televisie alleen maar ellende, en als ik ’s nachts daarover lig te denken, vraag ik me steeds af: Waarom? Ja, waarom toch al die haat, nijd en achterdocht tussen de diverse landen? Waarom kunnen we niet in vrede leven, in vrede handel drijven, en elkaar helpen? Waarom is er altijd strijd over het bezit van land, van olie of andere rijkdommen, en vooral van MACHT? Waarom willen regeerders toch altijd het Machtigste zijn? Na luttele jaren zijn ze zelf tot stof en as vergaan en hun land zit met de ellende, en komt er nog dieper in te zitten als nieuwe regeerders ook machtswellustelingen zijn. Wat wordt er al niet verzonnen en gefabriceerd voor en door die MACHT? Helse machines staan er opgesteld. Met een druk op een knop vliegt er met razende snelheid iets door de lucht wat duizenden kilometers verder neerkomt en daar honderdduizenden mensen doodt! Waarom, o, waarom toch? Kent het op de knop drukkende land al die toekomstige slachtoffers? Al die mannen, vrouwen en kinderen? Welnee! Nooit gezien! Hebben al deze slachtoffers ooit iets gedaan, waardoor ze deze op hen afvliegende dood verdiend hebben?? Nee, absoluut niet, ze willen alleen maar in rust en vrede leven. Waarom moeten ze dan toch zo’n vreselijke dood sterven??? Wordt de macht van de ander er zoveel groter door? Dwaze, dwaze, dwaze wereld toch! Al maanden en maanden is men er nu al over aan het praten (tot nu toe zonder resultaat) of de bedreigde landen nu ook niet wat helse machines zullen plaatsen. Misschien durft men dan in die verre landen niet zo gauw de vinger op de knop te drukken?! Dat lange praten over wel of niet heeft al kapitalen gekost, kapitalen die ieder land zo bitter nodig heeft. Sinds enkele weken houden mijn simpele gedachten zich nog met iets anders bezig. God heeft zo’n prachtige, wondere wereld geschapen, en die was toch voor alle mensen, ja voor allemaal bestemd. De mensen hebben op die wereld hun huizen en steden gebouwd en noemen het dan ‘hun land’. Maar behalve land hebben ze ook zeeën en stukken van het luchtruim tot het hunne verklaard; en daar mag niemand komen, want dat kan hun het leven kosten. Ik denk niet dat dat Gods bedoeling is geweest. Alles wat ik hier opschrijf heeft me vannacht en al vele andere nachten uit de slaap gehouden. Ik lig me dan op te winden en vraag me maar steeds af, hoe het toch mogelijk is dat ooit iemand de verantwoordelijkheid voor zo’n massamoord op zich zal durven nemen? (ik bedoel de atoombom) Kunnen deze mensen nog ooit een oog dicht doen ’s nachts? Zou de absurditeit van waar ze mee bezig zijn dan nooit en nooit tot hen doordringen? Zouden ze werkelijk zo bezeten zijn door hun drang naar MACHT?? Het is niet te geloven maar wel waar! Alle eeuwen door hebben mensen elkaar vernietigd, en ook niet op een kinderachtige manier! Komt daar nooit een eind aan??? Jan gaf me op deze vraag altijd het enige juiste antwoord denk ik: ‘Zolang er geen vrede is in de gezinnen, kun je geen vrede in de wereld verwachten.’ Wie dit later leest zal wel lachend zeggen: wat kinderlijk en simpel, dat is ook waar, maar het komt wel uit mijn ziel: een simpele ziel. [4 maart 1983] Een uurtje langer. Gistermorgen om half tien zou Annemieke na een verblijf van twee dagen weer vertrekken. Het waren fijne en gezellige dagen geweest en niemand kan beseffen hoe geweldig fijn ik het vind als ik duidelijk merk, dat een kleinkind van twintig jaar graag bij me is. Wat is er hier fijn? De rust? Ja, dat zeker, maar verder? Ik ben niet met haar naar de stad geweest en heb ook geen andere leuke dingen gedaan. Ik heb bar ouderwetse ideeën, waar ik geen afstand van kan of wil doen. Ik heb haar niet bedolven onder lekkernijen, want dat wilde ze niet, en toch… ja toch vindt ze het hier fijn; dat zal dan wel zijn omdat we zo gezellig samen kunnen kletsen en ik alle tijd heb naar haar te luisteren. Toen ze bepakt en bezakt, met haar mantel al aan, klaar stond voor vertrek, gooide ze ineens al haar bagage op de grond en zei: ‘Ik blijf lekker nog een uurtje langer!’ Die lieve meid! 14 maart 1984 is voor mij een dag met een gouden randje, want Joke kwam vanmorgen koffie drinken en zei al gauw: ‘Moeder, ik wil U een groot kado geven; ik weet niet of U het nog wel wilt of kunt aannemen, maar ik zou U willen tracteren op een vliegreis naar Lourdes, omdat ik denk dat U daar graag eens naar toe zou gaan. Wilt U liever per trein ergens anders naar toe, is dat natuurlijk ook goed!’ Ik was vanzelfsprekend helemaal perplex. Mijn eerste reactie was er een van diepe, diepe dankbaarheid, niet om de reis, maar om het zo lieve gebaar, ik had er geen woorden voor! De hele dag ben ik er al mee bezig, voel me ontroerd en vraag me vol verwondering af waaraan ik dit te danken heb. Joke en ik hebben in de lengte en de breedte over alle mogelijkheden gepraat, maar zijn er nog lang niet uit. Dat ik haar geweldige aanbod zeer waarschijnlijk niet aan kan nemen omdat ik het niet meer kan op mijn oude dag, vind ik echt, echt jammer, misschien vinden we nog wel een korte, niet vermoeiende reis, maar dat komt allemaal op de tweede plaats, nogmaals: niet de reis zelf, maar het aanbod heeft me zo gelukkig gemaakt. Ik denk dat ik het niet moet doen: ik zou me erg bijzetten om het vol te houden (ik ken mezelf!) en zou daarvoor na een of twee dagen de rekening thuis krijgen, en die is angstig en niet mis, en dat zou voor Joke toch afschuwelijk zijn. Ik vrees dat alleen oude mensen dit zullen begrijpen. Een dag eruit gaat nog goed en ik geniet daar heel erg van, maar daarna is de koek meestal op, helemaal op, en dat iedere keer constateren valt niet mee, geloof me, ja geloof me toch. [april 1980] Het belletje ‘Oma waar hing het belletje?’ vroeg Annemieke vorige week plotseling onder het eten. Ik wist direct wat ze bedoelde. ‘Hier hing het ongeveer,’ zei ik, en wees met mijn hand een tien of vijftien centimeter onder de lamp. ‘Hè toe Oma, vertel eens.’ ‘Lieve Kind, daar heb ik al zo vaak over verteld.’ ‘Dat hindert niet, ik hoor het zo graag, toe vertel nou maar’. En voor de zoveelste maal vertelde ik aan het zoveelste kleinkind over het belletje dat vroeger aan de lamp hing. Het belletje waarop ik onder het eten maar hoefde te drukken om mijn hulp te laten verschijnen, die dan op mijn verzoek de aardappel- of groentenschaal meenam naar de keuken om bij te vullen. Als we klaar waren met het hoofdgerecht belde ik weer en dan werden door haar alle vuile borden en schalen op het grote dienblad gezet, dat ze meenam naar de keuken. Vervolgens voorzag ze ons van alles wat we nodig hadden voor het dessert. Was ook dit dessert verorberd, dan kwam weer het belletje in actie, de gezinsleden verspreidden zich en door de hulp werd alles afgeruimd, het tafelkleed opgevouwen en de eventuele kruimels opgeveegd. ‘En dan Oma, wat deed ze dan?’ vraagt ieder kleinkind in spanning. ‘Nou, dan deed ze de hele afwas en ruimde daarna alles op.’ ‘Helemaal alleen?’ ‘Ja, helemaal alleen!’ Ik zie aan de gespannen gezichten, dat ze het amper geloven; voor ieder kleinkind is dit een sprookje, en iedereen had het ook wel mee willen maken. En ikzelf? Nu, na zoveel jaren lijkt het me soms zelf ook een sprookje, een sprookje dat tientallen jaren een niet genoeg gewaardeerde realiteit was, en nooit meer terugkomt! [september 1982] De tand des tijds Drie weken geleden was er een kleine reünie: zes oude vrouwen tussen vijfenzeventig en tachtig jaar, die elkaar vroeger op kostschool hadden gekend en nu een ontmoeting hadden georganiseerd; ik was een van de zes. Het was een onvergetelijke fijne dag, maar wel een dag met vele facetten. Facetten die varieerden van uitgelaten vrolijkheid tot ontzetting over wat ‘de tand des tijds’ in die jaren had aangericht, en dat gold wel heel bijzonder een vroeger clubgenootje, die van knap en slank was gegroeid naar een gebogen oude vrouw, heel erg oud zelfs. Daar ze al vrij jong in het buitenland was gaan wonen hadden we elkaar in negenenvijftig jaar niet gezien. Nooit zouden we elkaar herkend hebben, natuurlijk niet, maar al pratende zag ik toch weer trekjes van vroeger en een bepaalde twinkeling in haar ogen die alleen zij vroeger had, het greep me erg aan. Allen samen zijn we in een leuke gelegenheid gaan eten en de stemming was opperbest. We spraken over vroeger en voelden ons weer als in die kostschooljaren. Onze oude gezichten met de vele rimpels, en onze grijze haren vervaagden, we voelden ons weer jong, we leken wel zes jolige meisjes, het was in een woord verrukkelijk. Het afscheid was bijzonder hartelijk, ik denk: omdat we het echt als een afscheid ‘voorgoed’ voelden! [september 1987] Het is jaren geleden dat ik wat schreef, maar nu de laatste maanden heb ik er soms weer zo’n zin in. Soms zou ik willen schrijven over oud zijn, hoe moeilijk dat is, maar dat wil ik toch niet te veel doen. Als ik hier en daar lees wat ik vroeger schreef over oud en moe zijn, dan denk ik: Dat was toch lang niet wat ik nu voel, maar ik wil en mag nog niet klagen! [5 september 1987] Madonna Gisteravond heb ik voor het eerst Madonna op de t.v. gezien. Ik hoorde haar naam wel eens noemen, maar wist helemaal niet wie het was. Ik was zo onzettend geslagen, ja, nog maar zelden in mijn leven ben ik zo ontzet geweest: Wat zag ik? Een superordinaire jonge vrouw, die zich onwijs gedroeg en stond te gillen en te krijsen. Ik kon mijn ogen niet geloven, want de enorme mensenmassa die naar haar keek, was uitzinnig van enthousiasme, en dat vond ik het aller-, allerergste!!! Waarom, ja waarom waren deze mensen zo wild van enthousiasme? Dat zou ik zo graag willen weten. Ik weet dat de jonge mensen graag een idool hebben, dat hadden wij vroeger ook; wij dweepten met kaarten van Boileau, met zoetelijke, romantische afbeeldingen; maar dat veel jeugd nu dweept met een vrouw als Madonna (wat een naam voor zo’n vrouw!) is een zeer veeg teken. Wat had ik een diep en groot medelijden met mijn kleinkinderen die in deze tijd opgroeien. Arme, arme jonge mensen, hebben jullie niets anders om zo weg van te zijn?? Ik ben werkelijk helemaal ontdaan en moet het opschrijven. Wat een wereld!!! Dat zoiets mogelijk is!!! [27 augustus 1990] ‘Tel Uw Zegeningen een voor een’ Deze mooie zin heeft nooit zoveel indruk op me gemaakt dat ik er gevolg aan gaf. Tot vandaag! Ineens heb ik weer zin om wat te schrijven en nu eens niet over oud en versleten zijn, maar over de zegeningen van het oud zijn, want die zijn er ook. Aan de grote en kleine hartelijkheden die we toch vaak ervaren, mogen we niet voorbij gaan want ze zijn zo hartverwarmend en dat heeft juist ons oude hart zo nodig! Door een groot toeval viel mijn oog op wat Liesbeth even geleden in een boek schreef dat ze op mijn verjaardag gaf: ‘Voor moeder, een van de mensen die een voorbeeld voor me zal zijn als ik oud ben’. Het ontroerde me diep en een groot geluksgevoel over deze zegening kwam boven! (Met een traan, mag het?) Daarna bedacht ik dat ik veel meer ‘zegeningen’ ervaar en dat ik die nu maar eens op moest schrijven in plaats van schrijven over oud zijn! Ik wil geen namen noemen, stel je voor dat ik iemand zou vergeten, dat zou onvergeeflijk zijn. De allergrootste vreugde voor mij is dat kinderen en kleinkinderen zo vaak komen, en ze wonen toch niet allemaal naast de deur! Ze brengen vaak iets voor me mee waaraan ik kan merken: hier hebben ze echt bij nagedacht: Zou moeder dit nog kunnen gebruiken? Zou Oma hier niet blij mee zijn? Zou ze dit niet lekker vinden? Ja, ook met eten wordt aan me gedacht! Soep met zoutloze soepballetjes, en appelmoes zonder suiker wordt me gebracht en soms komt er een hele zoutarme maaltijd! Dat allemaal en nog veel meer is toch geweldig! Heel recent is het geval van de vijf appelbollen, die me zo maar gebracht werden door mijn banketbakker en die doet al zo veel voor me door me in zijn auto mee naar de kerk te nemen! De vele telefoontjes die ik krijg, vaak lang en hartelijk: een grote zegening! Ook het gesprek met een winkelierster trof me: ‘We brengen het wel thuis, mevrouw Nagel, het waait zo, dat is vast niet goed voor U!’ Ik mag het toch ook wel tot de zegeningen rekenen dat ik zo’n goede en prettige huisarts heb! Aan ALLEN die aan deze ‘zegeningen’ hebben meegewerkt en nog zullen meewerken: Mijn hele grote en warme dank! |
| Er is nog een andere webpagina, met oorlogsherinneringen van mijn moeder uit de periode vanaf september 1944. |