Biodiversity Web

biodiversity.nl About this site Shop "de Valk" sitemap










 

Biotour
Opinions
Encyclopedia
Shop

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
Home >Opinions
-Dr. mr. E.J. de Valk (02-'00)

Jungles in Nederland

Online bijdrage aan een discussie over de aanvulling van het EHS-concept

Als u en ik wandelen in een Nederlands natuurgebied zullen we niet gauw een ontmoeting hebben met een 'groot' roofdier, zoals een gewone wolf (Canis lupus), een gewone lynx (Lynx lynx) of een bruine beer (Ursus arctos): deze  soorten zijn al geruime tijd geheel uit Nederland verdwenen. Ook de otter (Lutra lutra) en de bever (Castor fiber) (1) zullen we op onze wandelingen niet snel tegenkomen, hoewel deze habitat-vormende soorten wel hier en daar - met wisselend succes - opnieuw zijn geïntroduceerd (2). 

Naar mijn mening valt het zeer te betreuren dat deze dierensoorten  - die van nature wel in ons land voorkomen - niet of nauwelijks kunnen worden waargenomen (zien, horen) in Nederland. Daarvoor moeten we dus naar het buitenland. Niet dat in het buitenland veel natuurgebieden te vinden zijn waarin deze soorten voorkomen, maar ze zijn daar gelukkig nog wel. En probleem kan het zijn om de juiste lokatie van die gebieden te achterhalen. Maar daar is nu gelukkig iets op gevonden. Sinds kort wordt op de  website van Wereld Natuur Fonds (WNF) precies getoond waar  we voor wolven, beren, lynxen moeten zijn: in de Groene Jungles van Europa. Wat dacht u bijvoorbeeld van het Abruzzo National Park in Italië;of de Franse Mercantour in de Alpen? Ik vind dat inderdaad twee schitterende domeinen voor Europese wolven, beren en lynxen. Maar toch, hoewel ik WNF wel kan volgen met deze actie, echt ideaal vind ik dat gekoketteer met het 'groene' tourisme toch  niet. Te ver van huis; het werkt het autogebruik in de hand: dus te milieuvervuilend; en bovendien, je mag er niet aan denken wat er met die kleine en kwetsbare wolven - en beren populaties gebeurt als iedereen (met geld) besluit zijn vakantie in of nabij die parken te vieren: zie de ontwikkelingen in en rondom het Amerikaanse Yellowstone National Park. Ik denk dat als die dieren ook in ons land zouden voorkomen er veel minder behoefte zou bestaan die dieren in  buitenlandse 'jungles' op te zoeken.

Toch zie ik u met uw wenkbrauwen fronsen. Bevers en otters zijn prima, maar  beren, wolven en lynxen in Nederland! Moet dat nou echt? Zijn dergelijke grote roofdieren wel in te passen in een land dat zo klein en zo dichtbevolkt is als Nederland? Toegeven, je hebt wat fantasie nodig om je dat te kunnen voorstellen, maar onmogelijk is dat toch niet. Vooropgesteld, dat één of meer natuurgebieden  - al dan niet in samenhang met andere natuurgebieden - in Nederland groot genoeg zijn om voldoende prooidieren, zoals grazers (edelherten, reeën, konikpaarden, heckrunderen, wisenten, e.d) en vogels (fazanten (sic)), andere voedselbronnen en watervoorraden herbergen voor de handhaving van een levensvatbare populatie grote roofdieren. Het is van belang deze vooropstelling goed in de gaten te houden (3). Het is dan ook de vraag of één of meer binnen Nederland gelegen (samenhangende) natuurgebieden wel aan deze voorwaarden voldoen. Naar mijn mening voldoet de Veluwe (Gld, 547 km2) aan deze minimale voorwaarden; zeker als straks alle binnen-hekwerken verdwenen zijn? (4)

U kijkt nog steeds bedenkelijk en ik hoor het u al zeggen: mensen zijn bang voor (het gehuil van) wolven en dus is u hele idee bij voorbaat al politiek en maatschappelijk onhaalbaar. Het bekende verhaal dus. Maar zo snel komt u niet van mij af. Natuurlijk is het zo dat de meeste kinderen voor het eerst van een wolf horen als ze de overbekende sprookjes voorgelezen krijgen. In die sprookjes is de wolf altijd een vals, hongerig en mensetend monster waar iedereen erg bang voor is. Maar iedere bioloog kan u vertellen dat het gekke is dat deze weergave van de wolf absoluut niet klopt met de werkelijkheid. Een wolf zal nooit, ik herhaal, nooit een mens aanvallen, laat staan doden, als hij maar met rust wordt gelaten. Zelfs als de wolf in grote hongersnood verkeert zal hij de mens niet als prooi aanvallen. Toch zijn er zeer veel mensen bang van een wolf. Deze angst is vroeger ontstaan toen de wolf op het land van de boer schapen doodden, en zeer indringend huilden. Juist de wolf  is een zeer sociaal zoogdier. Vanwege zijn sociale aard is het zo dat de afstammelingen van de wolf, de honden - waarvan er overigens al meer dan 1 miljoen in Nederland rondlopen - de meest nauwe band hebben met de mens. Kortom, uw bedenkingen kunnen echt geen excuus vormen voor verstandige en politici en bestuurders met een toekomstvisie over de nieuwe jungles van Nederland. Beschroomdheid, bangheid en gebrek aan een toekomstgerichte visie bij het maken en uitvoeren van natuurbeleidsplannen is verraad plegen aan het land. Zelfs in ons dichtbevolkte Nederland kan de levende natuur niet volledig herstellen van alle vroegere en huidige aanslagen en misslagen in het managment zonder de terugkeer van onze 'grote' roofdieren. Het grootste beletsel voor de herintroductie van grote roofdieren in ons land is de onwil je zo'n herintroductie voor te stellen.(4)

Heb ik u nog niet weten te overtuigen? Neen. Heb ik tenminste uw vaste overtuigingen aan het wankelen gebracht? Zo ja, lees dan door.

U kent natuurlijk het Natuurbeleidsplan (NBP). In het NBP van 1990 werd de ecologische functie van de natuur centraal gesteld. Het belangrijkste doel was echter het tot staan brengen van de achteruitgang van de biodiversiteit. Met dit doel werd en wordt een grote inspanning geleverd om een samenhangend netwerk van natuurgebieden in heel Nederland tot stand te brengen. Inmiddels wordt algemeen erkend dat dit netwerk, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een succesvol concept is in het natuurbeleid. Maar toch heeft dit concept er niet toe geleid dat de genoemde grote roofdieren en habitat-vormende dieren in ons land zijn teruggekeerd. Ik ben bang dat als de EHS straks klaar is, die diersoorten nog steeds niet zijn geariveerd. Onbreekt er dan wat aan het concept van de EHS waar iedereen toch zo tevreden over is? Behoeft het concept wellicht aanvulling, wijziging of versterking? Ik denk van wel, maar voordat ik daaraan toe kom eerst iets over de plannen van onze huidige minister van LNV.

Sinds kort kennen we de nota "Kracht en Kwaliteit": Het LNV beleidsprogramma 1999-2002. Blijkens deze nota  zal de verdere realisering van de EHS bovenaan de maatschappelijke 'natuuragenda' voor de komende jaren staan. "Voor de komende jaren is het de opgave om het succes van de EHS verder te verzilveren en in het verlengde daarvan het natuurbeleid te verbreden en te optimaliseren. Dit kan alleen in samenwerking met anderen: bestuurlijke- en maatschappelijke partners, bedrijfsleven en burgers." Een hele mond vol, maar het komt neer op:
** het verder realiseren van grote(re) eenheden natuur en goede verbindingen tussen natuurgebieden. c.q. de uitbouw van de EHS (verzilveren);
** de aanvulling van ecologische doeleinden met maatschappelijke doeleinden (verbreding);
** een effectieve en efficiëntere uitvoering van het natuurbeleid onder meer door de integratie van natuur-, bos- en landschapsbeleid (optimalisering); en
** de vormgeving van deze verbreding en optimalisering samen met andere bestuurlijke en maatschappelijke partners (samenwerking). 

De nota stelt verder: "Door in te zetten op verbreding, optimalisering en samenwerking wil het Kabinet een nieuwe impuls geven aan het natuurbeleid. Hiervoor heeft het Kabinet in het Regeerakkoord ook extra financiële middelen beschikbaar gesteld. We zullen investeren in behoud en versterking van de Nederlandse natuur. Nieuwe hypotheken op de natuur worden niet toegestaan."

Goede voornemens daar niet van, maar het is voor mij de vraag of deze maatregelen - gericht op behoud en versterking van de Nederlandse natuur - wel in onvoldoende mate zullen bijdragen aan een "duurzame instandhouding (= behoud), herstel en ontwikkeling" van de Nederlandse levende natuur. Is daarvoor niet meer nodig dan een verdere realisering van de EHS e.d., en zo ja, wat zou dat meer dan moeten zijn? Op deze vraag geeft de nota "Kracht en Kwaliteit" uiteraard geen antwoord. Toch is zo'n antwoord dringend noodzakelijk. Bedenk, alleen al tussen 1950 en 1990 is 50 procent van de natuur in Nederland verloren gegaan. Het is dan ook de hoogste tijd dat we dat verlies, maar uiteraard ook het verlies dat reeds vóór 1950 bestond, compenseren met 1) het herstel van de Oude Natuur én 2) de ontwikkeling van Nieuwe Natuur. Naar mijn mening rust er op ieder van ons tenminste een morele plicht tot compensatie. Bovendien gelden binnekort allerelei relevante wettelijke bevoegdheden en verplichtingen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw-98) en  Flora- en faunawet (Ffw).

Zo bepaalt artikel 4 van de Nbw-98 dat het NBL21 dient te zijn gericht op de 'duurzame instandhouding, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden' (biodiversiteit, integriteit). Blijkens dit artikel gaat het in het natuurbeleid dus niet alleen om behoud, maar ook om herstel en ontwikkeling. Bij dit laatste dient naar mijn mening ook te worden gedacht aan mogelijkheden van herintroductie van grote roofdieren en habitatvormende dieren in ons land.
Artikel 4 van de Ffw gaat over de aanwijziging van beschermde inheemse diersoorten. Op grond van het tweede lid van dit artikel worden diersoorten aangewezen die a) in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd en c) uit Nederland zijn verdwenen doch ten aanzien waarvan een gerede kans op terugkeer bestaat. Naar mijn mening zullen de gewone wolf, de bruine beer, de gewone lynx, de otter en de bever dan ook niet mogen ontbreken in de bijlage behorende bij dit aanwijzingsbesluit..
Verder maakt artikel 7 van de Ffw het mogelijk dat voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van  in ons land van nature voorkomende bedreigde en kwetsbare dierensoorten Rode Lijsten worden vastgesteld en dat voor Rode Lijst-soorten inrichtingsmaatregelen, beheersmaatregelen e.d. worden getroffen en beschermingsplannen worden vastgesteld. (Zie MvA, II, 1995-1996, 23 147, nr. 7, pag. 44-45). Dit artikel en de wetsgeschiedenis sluiten niet uit dat onder meer de gewone wolf, de gewone lynx en de bruine beer op de "Rode Lijst voor bedreigde  en kwetsbare zoogdieren" worden opgenomen en dat reintroductiemaatregelen en - plannen voor deze roofdieren worden vastgesteld.

Het zou te ver voeren uitgebreid stil te staan bij de verdere tekortkomingen van de nota "Kracht en Kwaliteit" en op de mogelijkheden van de Nbw-98 en de Ffw, daarom volsta ik hier met een enkele opmerking en suggestie. 

Mijn opmerking betreft het verder realiseren van grote(re) eenheden natuur en goede verbindingen tussen natuurgebieden. Dit op zich zelf loffelijk streven miskent naar mijn mening een groots en nieuw idee binnen de moderne natuurbeschermingsbeweging. Ik doel op 'rewilding': het wetenschappelijk argument voor het herstel en de ontwikkeling van grote wildernis gebieden gebaseerd op de regulerende rol van grote predators (wolf, lynx, gieren, e.d.) en habitatvormende diersoorten. 'Rewilding' is volgens Michael Soulé en Reed Noss (5) gefundeerd op drie onafhankelijke verschijnselen:

* Grote, strikt beschermende kerngebieden (core reserves);
* Verbindingszones (connectivity)
* Hoeksteensoorten (keystone species) 

In het Engels worden deze drie verschijnselen aangeduid als de drie C's: Cores, Corridors and Carnivores. Over Cores and Corridors zal ik het hier verder niet hebben: daar zijn we middels het concept van de EHS wel mee vertrouwd.

Hoeksteensoorten (hierna keystone soorten) zijn soorten waarvan de invloed op het functioneren van ecosystemen en de bio-verscheidenheid zeer groot is terwijl zij in het veld slechts in geringe aantallen voorkomen. Er bestaat derhalve bij keystone soorten een mate van disproportionaliteit tussen invloed op het ecosysteem en voorkomen binnen ecosystemen. In de literatuur - zo stellen Soulé en Noss - wordt deze kritische rol van de keystone soorten meer en meer geaccepteerd. Toch moet worden bedacht - zo stellen zij -  dat het hier nog steeds gaat om een hypothese, waarvan de gelding afhangt van de ecologische context en van de mate waarin grote roofdieren en grazers zich binnen een bepaald ecosysteem weten te handhaven. In ieder geval - zo besluiten zij - staat de hypothese van de keystone soorten centraal binnen het argument van de 'rewilding'.

Keystone soorten versterken het funtioneren van ecosystemen op een unieke wijze, aldus Soulé en Noss (5). Het ontbreken van deze soorten kan dan ook - zeker op termijn - leiden tot het verdwijnen van habitats, de uitroeiing van andere soorten en de toename van kleine (plaag)roofdieren (vossen, ratten, e.d.). Bij keystone soorten denken we in eerste instantie aan de in Nederland van nature voorkomende grote roofdieren (wolf, lynx, e.d), maar percé noodzakelijk is dat niet. Bij keystone soorten kan ook worden gedacht aan soorten die kritische hulpbronnen verschaffen of die landschappen transformeren zoals otters en bevers.

In het kort komt de gedachte van 'rewilding' er op neer dat grote roofdieren nodig zijn voor het behoud en herstel van de integriteit van ecosystemen; maar dat ook omgekeerd (grote) roofdieren grote gebieden en verbindingszones nodig hebben. 'Rewilding' wordt dan ook gezien als een kritische stap naar het herstel van het zelf-regulerend vermogen van planten- en dierengezelschappen. Zodra grote roofdieren zijn geïntroduceerd, zullen vele - zo niet alle - andere keystone - en habitat-vormende soorten (bevers, otters,e.d.) en keystone ecosystemen, natuurlijke regimes van verstoring en andere processen vanzelf terugkeren en herstellen. 

Volgens Soulé en Noss (5) draagt rewilding ook bij aan de erkenning van de intrinsieke waarden van dieren. Overigens is deze erkenning van de intrinsieke waarde van het dier ook als uitgangspunt in de considerans van de Ffw verwoord. Verder draagt rewilding bij aan het streven naar het minimaliseren van de noodzaak van intensief  - dus kostbaar - natuurbeheer. Tenslotte levert rewilding een positieve bijdrage aan het subjectieve gevoel van 'schoonheid', 'wild',  en wildernis' en het subjectieve 'jungle-gevoel'. 

De reintroductie van 'grote' roofdieren (en habitatvormende dieren) zal overigens niet altijd en overal vanzelf gaan: de laatste populaties van deze dieren zijn thans alleen te vinden in de randgebieden en hooggebergten van Europa en daarbij komt dat de ecologische netwerken in Duitsland, België en elders in Europa (NATURA 2000) dermate onsamenhangend zijn dat die grote roofdieren niet uit zich zelf  van daaruit naar Nederland kunnen terugkeren. We zullen ze dan ook een handje moeten helpen. 

Naar verwachting zal de herintroductie van met name de 'grote' roofdieren (wolf, lynx) in de grote kerngebieden en verbindingzones (hier en daar) op maatschappelijke weerstand stuiten. En in ieder geval zullen ná de herintroductie slachtoffers vallen. Begrijp me goed; niet onder mensen, maar onder loslopende huisdieren, schapen, geiten (zie hiervoor de Yellowstone Wolf News Page en een bijdrage in de Volkskrant over de Franse Pyreneeën) en de grote roofdieren zelf (illegale beheersjacht, stroperij, aanrijdingen, e.d.). Het is dan ook te hopen dat geintroduceerde dierensoorten dergelijke aanslagen duurzaam zullen weten te overleven. Zeker is dat allerminst, want grote roofdieren leven lang, werpen weinig jongen, voeden hun jongen gedurende lange tijd en hun vermogen tot herstel van slachtingen is relatief klein. Deze kwaliteiten maken het ook extra noodzakelijk te helpen bij de herintroductie. Maar het kan natuurlijk niet zo zijn dat we keer op keer  - na iedere slachting - tot herintroductie overgaan. In zo'n geval kunnen we beter stoppen, ter voorkoming van verder dierenleed. Mijns inziens zullen we dan ook van alles uit de kast moeten halen om de maatschappelijke weerstand tegen de herintroductie van grote roofdieren om te buigen in een roofdiervriendelijke richting. Voorlichting en onderwijs en natuurlijk ook inspraak en wellicht zelf-management (dit in navolging van het project inzake de herintroductie van de Grizzly beer in Idaho) zijn daarbij essentieel.

Ik hoop duidelijk te hebben aangetoond dat de voorgenomen verdere realisering van de EHS zoals bepleit in de nota "Kracht en Kwaliteit" en de hier bepleitte zogenoemde 'rewilding' niet twee elkaar uitsluitende paradigma's, maar juist twee elkaar aanvullende stategieën zijn. Maar toch, dat gezegd hebbende, het zal duidelijk zijn dat beide stategieën in Nederland niet overal en ook niet op elk moment kunnen worden toegepast. Daarvoor is ons land domweg te klein en de bevolkingsdichtheid te hoog. Maar als we onze fantasie gebruiken en moed betonen  komen we vast een heel eind. 

Mijn suggesties zien op de realisering van "Jungles in Nederland". Ze zijn gericht op de minister van LNV:

** Besteed in het komende NBP21 ruimschoots aandacht aan de verbreding van het EHS-concept met de idee van 'rewilding';
** Erken dat een dergelijke verbreding van het EHS-concept nodig is voor een duurzaam behoud, herstel én ontwikkeling van de levende natuur in ons land
** Geef  een nieuwe impuls aan het natuurbeleid door te investeren in behoud, herstel én ontwikkeling van een duurzame levende natuur ('jungles'); 
** Neem 'grote' roofdieren en habitatvormende dieren op in de bijlage van uw aanwijzingsbesluit ex art. 4 Ffw en in de Rode Lijst voor bedreigde en kwetsbare zoogdieren ex art art. 7 Ffw;
** Maak duidelijk wat  in de natuurbeschermingspraktijk de extra (financiële) mogelijkheden zullen zijn voor de (experimentele) toepassing van dit verruimde EHS-concept (bijvoorbeeld op de Veluwe).

Ik eindig hier met de slotwoorden van Soulé en Noss (4): 

"A cynic might describe rewilding as an atavistic obsession with the resurrection of Eden. A more sympathetic critic might label it romantic. We contend, however, that rewilding is simply scientific realism, assuming that our goal is to insure the long-term integrity of the land community.
Rewilding with extirpated carnivores an other keystone species is a means as well as an end. The 'end' is the moral obligation to protect wilderness and to sustain the remnants of the Pleistocene - animals and plants - not only for human enjoyment, but because of their intrinsic value. The 'means' refers to the vital roles of keystone species in maintaining the ecological structure, diversity, and resilience of the entire fabric of living nature. It is not helpful, however, to claim that rewilding, or any other conservation tool, is the only means we have to protect and heal the wounds of the land. In a project as complex as saving living nature, a diversity of approaches, often complementary and context dependent, will be needed".
------------------------------------------------------------------------------

Want to read more opinions of Dr.mr. E.J. de Valk? Jump to Opinions

1) Door biotoopvernietiging en de jacht is de bever in 1826 uitgestorven. 

2) In 1988 is men begonnen met het uitzetten van bevers in Nederland en het lijkt erop dat de bever langzamerhand een vaste plek in onze fauna heeft heroverd

3) Zo is uit Amerikaanse literatuur (Shaffer, 1980), over de verhouding tussen populatie-grootte en de mogelijkheid van uitsterven, al lang bekend dat een populatie van bijvoorbeeld de grizzle bear (Ursus arctos) ter groote van 35 tot 70 beren een gebied nodig heeft van tenminste 700 tot 1000 km2.

4) Aan de buitenzijde en rondom bewoningskernen kunnen we die hekken beter laten staan. Het is niet gewenst dat die 'grote' roofdieren komen op plaatsen waar ze niks hebben te zoeken. Een ideale maatregel vormen die fysieke hekken niet. Het moet toch mogelijk zijn met behulp van  moderne apparaten en bijvoorbeeld met ultrasoon-trillingen die dieren binnen het Veluwe-park te houden.

5) Michael Soulé and Reed Ross, Rewilding and Diversity: Complementary Goals for Continental Conservation , 1999. Overigens, veel wetenschappelijke en andere argumenten neergelegd in deze bijdrage zijn ontleend aan dit artikel: een 'must' voor iedereen die het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de levende natuur in Nederland na aan het hart ligt.

 

 

De Valk Webpages. Copyright '98/'99 © "De Valk  Environmental Law" (devalk@biodiversity.nl)