Vanuit de patatzaak fietste ik naar huis. Lekker patatje eten, daar komt een mens van bij, daar wordt een mens vrolijk van. Zoiets pompt gewoon direct mijn algehele gevoel van vrolijkheid op tot ongekend niveau. Ik straalde. Wat een vrouw, wat een uitstraling. Op de fiets passeerde ik twee jongens. Zo van die jongens dat je denkt : die gaan wat tegen me zeggen. In de trend van: ‘Hee schatje’, ‘Lekkerrrrr’ of misschien zelfs een ouderwetse ‘Dag schoonheid!’. Maar nee. Zelfs simpele geneugten bestaan bij de gratie van de verdoemenis. Want toen onze blikken elkaar kruisten, zei de rechter enkel ‘Zozo.’.
Daar moest ik het mee doen! Met een ‘Zozo!’. Hoe freaking denigrerend is dat! ‘Zozo’, dat is om en nabij een 7! Dat is een ‘je hebt zojuist een nette voldoende gescoord’! Ik ben geen nette voldoende, kom nou zeg, ik ben top of de bill, queen of beauty! Nou ja, u snapt, ik overdrijf, maar toch….’Zozo’….
Godzijdank bestaat er bij de gratie van ellende en verdoemenis altijd meer ellende om je op te vrolijken... (via meisjemeisje)
Haastig lopen we samen door de druilregen. De kleine moslima naast de lange blonde Hollandse. Ze duwt de buggy voort, die ze gebruikt om haar boodschappen in te doen. Onze tijd is bijna om. We hebben een goede dag gehad samen, en dat hadden we hard nodig. Gesprekken over haar geloof, en dat ze zo graag wil dat ik ook in Allah zou geloven. Ze gunt me best een plekje in de hemel. Ze lacht lief als ze dat zegt. En nu, in de regen, met mij, begint ze ineens ongedwongen een kinderliedje te zingen. ‘We zijn er bij-na, we zijn er-bijna’. Ik zet in. ‘Maar nog niet helemaal, koppie krauw’. Maar zij zingt iets anders dan ik doe. De laatste woorden komen me vreemd voor. Stug zingen we door. ‘We zijn er bij-na, we zijn er bij-na, maar nog niet helemaal…. Kontje Blauw!’. Ze giechelt en prevelt de laatste twee woordjes nog een paar keer, als ware het een stiekeme toverspreuk. ‘Kontje blauw, hihi, kontje blauw’. Een kind in Allah’s grote doe-het-goed-snoepwinkel, die zichzelf voor één keer toe staat een vies grapje te maken. Ge-wel-dig.
’T Was als de eerste keer - het lukte zomaar weer -
Met bonkend hart en ijskoude klamme handen stond ik voor de deur. ‘Oscar’ stond er naast de zoemer. Daar moest ik wezen. ‘Hou je rustig, rustig, rustg, hou je rustig kalm, stil’, zongen Bassie en Adriaan bezwerend in mijn hoofd. Ik ademde diep in en drukte op de bel. Een jongen van mijn leeftijd deed de deur open. Hij zag er ook wat nerveus uit. Misschien wel nerveuzer dan ik. ‘Oscar, toch?’ vroeg ik. ‘Klopt…Kris?’. Dat antwoord wist ik gelukkig, godzijdank, praise the lord: ‘Ja’. ‘Kom binnen, let niet op de rommel.’. En zo trad ik de woning binnen, liep via een half verrotte trap naar boven en stapte over een stapel oud papier de kamer binnen. ‘Ga zitten’. Ik schoof mijn billen op de bank en ontspande. Dit was best een aardige kerel, het zou wel meevallen allemaal. Oscar ging naast me zitten en pakte de spullen erbij, ik graaide in mijn tas naar die van mij en stalde het uit op de bank. ‘Zullen we maar beginnen dan?’, vroeg Oscar. Ik zag dat zijn handen trilden.
Mijn auditie begon. De aller-aller-allereerste auditie die ik deed na het stoppen met de toneelacademie Maastricht. Een half jaar niet geacteerd. Maar we gingen beginnen, zoveel was duidelijk, en ik kon niet meer terug. Oscar vertelde me de strekking van het script, en gaf aan welke rol hij voor mij zag weggelegd. Of we even een paar scčnes door konden nemen. Tuurlijk kan dat Oscar, geen enkel probleem Oscar, zei ik, uiterlijk onbewogen (innerlijk een enorme hoeveelheid nuances angst uitpoepend en mezelf ratelbandiaans tot de orde manend: ‘Je kan het! Je bent leuk! Je bent een topper!). Maar vanaf het moment dat hij begon de regieaanwijzingen voor te lezen, was ik er en ging ik ervoor. Vanaf het moment dat de eerste tekst mijn lippen overstroomde was er geen toneelacademie meer. Geen afgang meer, geen angst. Er was alleen nog maar ik die deed wat ik weet dat ik kan. Ik deed wat ik leuk vind. En dat was ik vergeten. En Oscar kende mijn geschiedenis niet. En Oscar vond me hartstikke leuk, en goed, en gepassioneerd. En Oscar pakte gelijk het script voor zijn andere film. En vroeg of ik daar toevallig ook een leuke rol in zag weggelegd voor mezelf. En hij was enthousiast. En hij zou snel wat van zich laten horen en ik maakte een goede kans, zei hij.
En ik zweefde over de stapel oud papier, vloog van de trap af, greep mijn fiets en danste op mijn zadel. Ik was weer begonnen.
Met dank aan Boy van Bleu-Rivage heb ik weer een werkende computer. Op sterven na dood heb ik haar aan hem overhandigd en hij is lief voor haar geweest. Hij heeft haar de behandeling gegeven die ze verdiende en zo hard nodig had. Liefde en toewijding in de vorm van een nieuwe voeding, een vervangen stekker en een nieuwe D-schijf van 80 giga. Ze is weer prachtig en zoemt tevreden. Dus, even met z’n allen, luidkeels en in koor: Boy…Bedankt!!
“Kris! Hij begint! Rennen!”, gilde mijn vriendin. Ik sprintte met een bak thee in mijn handen van keuken naar woonkamer. Vriendin, vriend en ik nestelden ons in comfortabele posities, wat ons betreft kon de pret beginnen. Îles flottantes (“Drijvende eilanden”) op Nederland drie, over drie vrouwelijke dertigers in de problemen. Smullen, vonden ik en vriendin. Maar vriendje was er tijdens de aftiteling in vijf woorden en een grimas klaar mee.