Bijgewerkt op

13 januari 2014

 

 

Stadsgeschiedenis

 

Deel II

 

 

Algemeen

Er zijn Romeinse bouwwerken, die nog - min of meer - in volle glorie hun grootsheid tonen: Colosseum, Curia, Pantheon, Markt van Trajanus, Mausoleum van Augustus, Thermen van Caracalla, Mausoleum van Cecilia Metella.

Er zijn er ook die tot ruďnes zijn vervallen: het Forum Romanum en de Palatijn.

Soms zijn de restanten van gebouwen terug te vinden ver onder de grond: woonhuizen onder een kerk: bijvoorbeeld de San Clemente, de Santi Giovanni e Paolo, de Santa Pudenziana.

Ook zijn er Romeinse bouwwerken, die nog steeds in gebruik zijn: Pantheon, het Mausoleum van Hadrianus en het Mausoleum van Constanza.

 

 

Spolia

In het verleden zijn in Rome paleizen, kerken en woningen gebouwd door gebruik te maken van stenen, zuilen, architraafbalken van oudere gebouwen, die buiten gebruik waren gesteld, in verval waren geraakt, verwoest of afgebrand; de vakterm voor het her-gebruikte materiaal is spolia.

De Romeinse bouwwerken (vooral die op het Forum Romanum, maar ook elders in de toenmalige stad) fungeerden als het ware als een steengroeve. Het gehele Middeleeuwse Rome is gebouwd met klassieke steenblokken, zuilen, architraven, en dergelijke. Alles waarmee werd gebouwd, was in feite hergebruikt materiaal.

Bekende voorbeelden zijn: het Palazzo Venezia, Palazzo Farnese en de nieuwe Sint Pieter; alle zijn gebouwd met blokken travertijn, afkomstig uit het Colosseum.

Overal in het zogenaamde Centro Storico kunt u allerlei panden tegenkomen waarin spolia zijn verwerkt: bijvoorbeeld als deur- of raamkozijn. Een aardig voorbeeld daarvan is de Casa Bonadies, gelegen op de hoek van Piazza Ponte Sant’ Angelo en de Via di Banco di San Spiritu, waarvan de toegang aan de zijstraat wordt gesteund door zuilen en een architraafbalk.

 

Ook treft u in bijna alle kerken zuilen aan, welke afkomstig zijn van Romeinse tempels; zelden wordt in kerken in Rome gebruikt gemaakt van gemetselde pijlers zoals bij de kerken elders in Europa.

 

Zelfs de oude Romeinen werkten op deze wijze: de Boog van Constantijn is samengesteld uit delen van oudere, vervallen of afgebroken monumenten. De Romeinen bewaarden zuilen, architraafbalken, friezen van in verval geraakte of afgebroken gebouwen. Zij voegden deze toe aan de voorraden nieuw materiaal waarvan het beheer lag bij de staat. De Romeinse Staat hield in depots (in Ostia) voorraden aan met zuilen van allerlei lengte, diameter en steensoort. Door import werd deze voorraad op peil gehouden. Deze voorraden waren zo groot dat de pausen daaruit nog konden putten ten tijde van Renaissance.

 

Hoewel – met de ogen van nu – dit systeem aan te duiden zou zijn als zuinigheid, moet toch eerder gedacht worden aan het (wederom) pronken met kostbare steensoorten en hoogstaande producten als teken van rijkdom en grandeur: een Romein (een echte, maar ook de Romein van de Middeleeuwen en van de Renaissance) wil aan een ander laten zien wat hij bezit.

Ook kon met behulp van spolia de betekenis van het oude gebouw worden overgenomen in de nieuwe context, waardoor als het ware de geschiedenis en betekenis ervan wordt door-gegeven. Hierdoor maakt het verleden in Rome deel uit van het heden.

Een mooi voorbeeld daarvan is te vinden in de huidige Sint Pieter.

Bijna alle zuilen uit de oude Sint Pieter zijn overgebracht naar de nieuwe Sint Pieter en zijn paarsgewijs geplaatst ter zijde van de ingangen van het atrium en langs de zij-altaren.

Ook de gedraaide zuilen die vroeger om het graf van Petrus stonden, zijn nu verwerkt in de vier kolossale koepelpijlers ter hoogte van de balkons. Zie ook Stadsgeschiedenis V (Sint Pieter in zijn Vaticaanse omgeving), waar in punt 6 (Basilica di San Pietro) dit item verder wordt uitgewerkt.

 

Het woord spolia betekent letterlijk afgestroopte huid en in overdrachtelijke zin buitgemaakte wapenuitrusting, aan de vijand ontnomen buit of in het algemeen: buit of roof. In de architectuurgeschiedenis is het gaan gelden als term om hergebruikt materiaal aan te duiden.

 

 

Ophogingen

In de loop van de eeuwen is Rome een aantal meters is opgehoogd.

 

Rome heeft vele malen te kampen gehad met overstromingen van de rivier de Tiber, waardoor veel gebouwen werden verwoest; eerst na 1870 zijn de kades opgehoogd en de kademuren gebouwd!
Op verschillende plekken in het gebied van de Tiberbocht zijn bordjes aan muren bevestigd waarop staat vermeld tot welk niveau het water in een bepaald jaar is gestegen.

Een goed voorbeeld hiervan is de gevelmuur van de kerk Santa Maria sopra Minerva.

 

Ook werd Rome geteisterd door invallen, plunderingen en vernielingen door allerlei barbaren (Vandalen in 455, Goten in 546, Noormannen in 1084 en de troepen van keizer Karel V in 1527). Na zulke gebeurtenissen werd alles in geval van een complete verwoesting weer opgebouwd op de fundamenten van het vorige bouwwerk. Het was Romeinse gewoonte om een oud gebouw gedeeltelijk met aarde en puin op te vullen, om zo een stevig fundament te krijgen voor een volgende constructie.

Een goed voorbeeld daarvan is de San Clemente.

 

Op een aantal plekken is het mogelijk om het straatniveau uit de Romeinse periode te aanschouwen:

·      bij de Piramide van Cestius / Cimiterio Accatolico;

·      bij de Borsa (Tempel van Hadrianus);

·      bij het Pantheon (achterzijde en aan de linker zijkant);

·      bij het Vittoriano (insula);

·      de kerk van Santa Pudenziana;

·      op Stazione Termini (de benedenwinkelgalerij nabij het restant van de Republikeinse Muur);

·      het Auditorium van Maecenas;

·      de weg tussen het Teatro di Marcello en Portico d' Ottavia;

·      de kerk van San Vitale (aan de Via Nazionale naast Palazzo Esposizione).

 Het Forum Romanum en de keizerfora liggen op het niveau van het jaar 0.

Ook de opgegraven restanten van de Republikeinse tempels op het Largo Torre Argentina staan op het Romeinse straatniveau.

 

Een aantal kerken is gebouwd bovenop een Middeleeuwse kerk of op een Romeinse woonhuis, waarin in de beginjaren van het Christendom een kerk was ondergebracht. In de vakliteratuur wordt deze laatste vorm aangeduid met titulus (huiskerk) (titulus is Latijns en betekent o.a. opschrift); zo'n huiskerk bleef vaak bekend onder de naam van de eigenaar van het pand.

Deze zogenaamde onderkerk dient niet te worden verward met een crypte. Zie voor de uitleg van het begrip titulus: Stadsgeschiedenis IV.

Naast San Clemente (met drie niveaus) (titulus Clementis) beschikken ook Santa Cecilia (titulus Caeciliae), San Crisogono (titulus Chrysogoni), San Martino ai Monti (titulus Equitii), Santi Giovanni e Paolo (titulus Byzantis / Pammachii) over zo’n – ook voor de toerist – toegankelijke onderkerk / titulus.

 

De huidige San Pietro is gebouwd over de vorige, door keizer Constantijn neergezette basiliek. De crypte van de San Pietro, aangeduid als Grotte Vaticani (de plaats waar verschillende, niet zalig of heilig verklaarde pausen liggen begraven), is in feite de vloer van de kerk van Constantijn en is regulier te bezoeken.

Constantijn heeft de kerk – zo is uit onderzoek gebleken – gebouwd bovenop een Romeinse begraafplaats, waar sinds het jaar 200 een herinneringsgedenkteken voor de apostel Petrus was ingericht. Deze zogenaamde Necropoli Vaticani is ook te bezoeken, maar heeft een separate, ruim van te voren aan te vragen toegangsregeling.

Het altaar in de huidige Sint Pieter, waaraan alleen de paus de mis mag vieren, bevindt zich exact boven het graf van Petrus, waarmee dus de binding tussen de huidige paus en Petrus tot stand wordt gebracht.

Voor een integrale beschrijving van alles wat met de Sint Pieter te maken heeft en de invloed op de omgeving, wordt verwezen naar het hoofdstuk Stadsgeschiedenis V (Sint Pieter in zijn Vaticaanse omgeving).

 

Hoe Rome er uit zag in de Middeleeuwen, is terug te vinden in de oude benamingen van de toeristische hoogtepunten van nu.

Het Forum Romanum diende tot de Napoleontische tijd als een wei voor runderen, waaraan het de bijnaam van Campo Vaccino (Koeienveld) te danken heeft. Sindsdien is men begonnen met het vrijleggen en uitgraven van de gebouwen van het Forum.

De Capitool-heuvel, waar de geiten graasden, werd Monte Capra (Geitenheuvel) genoemd.

Dit is tevens een illustratie van het feit dat de bewoners van Rome zich hadden teruggetrokken in de Tiber-bocht en dat ze hun vee lieten grazen in het niet-bewoonde gedeelte van Rome.

 

 

Elektronisch adres: zoveelsteromesite@gmail.com

 

 

Inhoudsopgave

Volgende pagina

Vorige pagina