![]() |
Even voorstellen ... Mijn naam is Adri Gerritsen en ik ben geboren op 17 oktober 1959. Mijn interesse voor de sterrenkunde werd gewekt toen mijn ouders voor mij op 8 jarige leeftijd het boekje De maan kochten tijdens één van onze vele uitstapjes naar Zandvoort. De fraaie plaatjes spraken onmiddellijk tot mijn verbeelding: er ging een nieuwe wereld voor mij open. Het boekje bevatte prachtige tekeningen van maankraters, de Jupitermanen, een ringvormige zonsverduistering, noem maar op. Avond aan avond baande ik mij vol verwondering een weg door de nieuwe wereld, die voor mij open was gegaan. |
Veel begreep ik er destijds nog niet van, maar ik vond het allemaal prachtig. Wat mij nog helder voor de geest staat, was het feit dat ik als klein kind grote moeite had met een aantal controversiële opvattingen van de schrijver. Zo werd bijvoorbeeld uitgelegd dat de maan zich door de eeuwen heen steeds verder van de aarde zou verwijderen. Op enig moment zou dit proces echter tot staan gebracht worden. Vervolgens zou er een soort van rampscenario in werking treden waarbij de maan de aarde langzaam maar zeker weer zou naderen totdat onze satelliet, als gevolg van de zwaartekracht, gedoemd was uit elkaar te spatten als een bom en voortaan als een ring de nachtelijke hemel zou opsieren. Naarstig bladerde ik door het boekje om antwoord te krijgen op de vraag welk afschuwlijk fenomeen verantwoordelijk was voor het noodlot dat onze naaste buur in de verre toekomst te wachten stond. Het antwoord op deze vraag heb ik overigens nooit gevonden ... |
![]() |
![]() |
Ondanks dat ik in Amsterdam ben opgegroeid, beleefde ik veel plezier aan het kijken naar de nachtelijke hemel. Veel sterren zag ik niet, maar dat maakte niet zo veel uit: het bleef een indrukwekkend gezicht. Toen Niels Armstrong in 1969 voet op de maan zette, werd mijn belangstelling verder aangewakkerd. Het was ook de tijd dat mijn vader in het bezit kwam van een verrekijker. Vanaf dat moment bleef dan ook geen heldere avond meer onbenut om, gebruik makend van dit fraaie stukje optiek, de hemel af te speuren. De jaren gingen voorbij. In 1976 kwam mijn moeder op het idee om het boekje Sterrenkunde voor iedereen (Bruno Ernst) aan te schaffen. Alhoewel dit leesvoer, dat ik in korte tijd verslond, verstoken was van fraaie kleurenplaatjes, raakte ik mateloos geïnspireerd door de mogelijkheden van een bescheiden telescoop. |
Zo zouden de meest fantastische dingen zichtbaar worden: de manen van Jupiter, de schijngestalten van Venus, de ringen van Saturnus én, niet te vergeten, de kraters op de maan. In de tropische zomer van 1976 was er volop gelegenheid om van de sterrenhemel te genieten, hetgeen de drang naar méér alleen maar groter maakte. Een eigen telescoop; het idee liet me niet meer los ... Vrijwel dagelijks probeerde ik me voor te stellen hoe de ringen van Saturnus er uit zouden moeten zien en fantaseerde ik over de aanblik van een met kraters bezaaid maanoppervlak. Op 19 augustus 1977 werd mijn geduld eindelijk beloond, toen ik met het verdiende vakantiegeld, en een flinke sponsoring van mijn ouders, een telescoop kon aanschaffen bij Ganymedes. De 15 cm Newton telescoop, luisterend naar de codenaam Mizar, kostte in die tijd een klein vermogen voor een 17e jarige: er was niet minder dan fl. 3000,= nodig om de aanschaf rond te krijgen. Eenmaal thuisgekomen, bereikte het jarenlange wachten een climax, toen ik voor het eerst de meegeleverde zoeker (4 cm) op de maan kon richten. De overweldigende indruk die ik vervolgens kreeg van de maan, heb ik nooit meer kunnen evenaren: mijn mond viel open van verbazing bij het zien van al die kraters ... Onervaren als ik was, stelde ik de telescoop op in de huiskamer teneinde gerieflijk van achter het glas de sterren te kunnen gadeslaan. Zorgvuldig had ik het kapje, dat normaal gesproken wordt gebruikt om af te diafragmeren, verwijderd. De rest van de plaat, zo dacht ik, moest blijven zitten, omdat anders het inwendige van de telescoop beschadigd kon worden. Ik heb nog nooit zo weinig sterren op een heldere avond gezien. Teleurgesteld zette ik de telescoop weer aan de kant en belde daags erna met Ganymedes om te vragen wat ik toch allemaal verkeerd gedaan had. Welnu, dat bleek zo'n beetje alles te zijn geweest. Tegen het einde van de maand had ik mijn leven gebeterd. Het was op een heldere ochtend, zo'n half uur voor zonsopkomst, dat ik hoog in het zuiden een heldere stip ontwaarde. Toen ik eenmaal de telescoop op het mysterieuze object gericht had, zag ik tot mijn stomme verbazing een viertal heldere lichtpunten nabij een bolletje waarop duidelijk strepen te zien waren. Op dat moment had ik nog geen benul van wat ik wérkelijk gezien had, totdat ik me achteraf realiseerde oog in oog te hebben gestaan met de grootste planeet van ons zonnestelsel: Jupiter! De weken erna wierp ik een blik op Venus en Saturnus, planeten die ik tot dan alleen uit boekjes kende. Maar ook de sterrenhemel mocht er wezen. Zo maakte de Orionnevel een onbeschrijflijk diepe indruk door de telescoop. Gebruik makend van de sterrenkaartjes die in het boek De mens en het heelal (Chriet Titulaer) stonden, probeerde ik patronen aan de sterrenhemel te herkennen. Soms lukte dat, soms niet. De mislukkingen waren voornamelijk te wijten aan het feit dat ik er niet bij stilstond dat er een verband was tussen de oriëntatie van de kaartjes en het moment waarop ik keek. De inspiratie werd alleen maar groter, toen ik in de loop van 1977 een abonnement op Zenit nam. De prachtige sterrenfoto's die je in vrijwel elk nummer tegenkwam, deden mij ertoe besluiten om het ook eens te gaan proberen. Gewapend met een fototoestel van Olympus en een arsenaal aan spullen waarmee je zelf foto's kon ontwikkelen én afdrukken, ging ik het hemelgewelf te lijf. De eerste opnamen van de maan waren ronduit teleurstellend, aangezien de negatieven geen enkel detail vertoonden. Na verloop van tijd kreeg ik echter in de gaten hoe de vork in de steel zat. Ook werd al snel duidelijk dat de seeing een beperkende factor is en dat je vanuit Amsterdam geen wonderen kan verwachten als het gaat om detailrijke sterrenfoto's: de opnamen bevatten veelal meer stadslicht dan sterren. |
In 1981 verscheen in het aprilnummer van Zenit een artikel van de hand van Kik Velt en Wim de Kort. In het bewuste artikel werd een beschrijving gegeven van een computergestuurd televisieplanetarium dat de schrijvers zelf hadden ontworpen en gebouwd. Vanaf dat moment had ik er een nieuwe obsessie bij: het voorspellen van de positie van de hemellichamen met behulp van een computer. Het, zeker voor die tijd, stukje innovatieve elektronica, stond jarenlang opgesteld in het planetarium, dat in 1982 ter gelegenheid van de Floriade in Amsterdam Zuid-Oost was gebouwd. Regelmatig fietste ik vanuit het ouderlijk huis over een afstand van zo'n 25 kilometer naar het planetarium aan de Gaasperplas om het kunstwerkje te kunnen bewonderen én te bedienen. Door weer en wind: ik had het er allemaal graag voor over. |
![]() |
Nog datzelfde jaar nam ik het besluit om een homecomputer aan te schaffen. De keuze viel op een zogeheten BBC-computer met een snelheid van maar liefst 2 MHz en een intern geheugen van 16 KB. Vol trots liet de verkoper weten dat ik hier voorlopig wel genoeg aan had. Veel keus had je in die tijd nog niet, want de PC zoals wij die thans kennen, stond nog in de kinderschoenen.
Een computer kopen is één, zo'n onding programmeren is iets anders. Op basis van de begeleidende Basic handleiding, die de syntax van de taal alleen in alfabetische volgorde behandelde, was er namelijk geen touw aan vast te knopen. Natuurlijk, de voorbeelden in het boek werkten prima. Ik had alleen geen idee waar ik nu eigenlijk precies mee bezig was. De aanschaf leek een vergissing te zijn geweest. Voordat ik de handdoek echter in de ring zou gooien, besloot ik in een laatste wanhoopspoging een écht boek over Basic aan te schaffen. Aanvankelijk ging het met vallen en opstaan. Maar naarmate de grote lijnen duidelijker werden, werd het plezier groter: ik had er zowaar zin in gekregen.
|
![]() |
De tijd voor het meer serieuze werk was nu aangebroken. In 1983 kocht ik een boek van Jean Meeus, getiteld Astronomical Formulae for Calculators. In heldere bewoordingen werd stap voor stap uitgelegd hoe je, met hoge nauwkeurigheid, de positie van maan en planeten kon uitrekenen zonder dat in detail werd ingegaan op allerlei theoretisch geneuzel waar anderen zich het liefst mee bezig houden (deze man verdient in mijn ogen alleen al hiervoor een standbeeld). Al spoedig kwam het eerste programmaatje van de grond en kon ik met eigen ogen datgene aanschouwen waarvoor ik al die tijd naar het planetarium in Amsterdam Zuid-Oost was gefietst. Niet lang daarna kreeg ik een grote fascinatie voor zonsverduisteringen. In het boek van Jean Meeus waren hiervoor helaas geen formules te vinden. Op zich niet zo verwonderlijk, omdat het daarmee minstens twee keer zo dik zou zijn geworden. |
In het uit 1961 daterende standaardwerk Explanatory Supplement To The Astronomical Ephemeris, bleken deze gelukkig wél opgenomen te zijn. Na een bezoek aan het Sterrenkundig instituut te Amsterdam, keerde ik vol trots met de kopieën van de formules huiswaarts. Erg eenvoudig was het allemaal niet, maar gelukkig bevatte dit boekwerk de nodige uitgewerkte rekenvoorbeelden, zodat het altijd achteraf mogelijk was precies na te gaan in welk stadium van de berekeningen er eventuele fouten waren ingeslopen. In de maanden die volgden, werd het programma met de dag groter, totdat uiteindelijk de resultaten van de voorspellingen vergeleken konden worden met die uit de professionele almanakken. Het gaf een ongelooflijke kick toen duidelijk werd dat mijn berekeningen, uiteraard binnen de grenzen van de op dat moment haalbare nauwkeurigheid, overeen bleken te komen met die uit de gerenommeerde boekwerken. |
Het 16 KB geheugen van de BBC-computer bleek inmiddels al lang niet meer toereikend voor de steeds groter wordende programma's en werd derhalve uitgebreid tot een onvoorstelbare 32 KB. De volgende stap bestond tevens uit het opvoeren van de nauwkeurigheid van de gebruikte formules. Omdat in het boek van Jean Meeus stond dat voor het berekenen van de positie van maan en planeten vele honderden storingstermen nodig zijn, indien je de hoogst mogelijke nauwkeurigheid wilt bereiken, besloot ik de stoute schoenen aan te trekken en het erop te wagen. |
![]() |
Aanvankelijk was het een soort van drempel waar ik overheen moest, voordat ik besloot het icoon Jean Meeus aan te schrijven met de vraag of hij mij wellicht aan deze formules kon helpen.
In de week die daarop volgde, trof ik in de brievenbus van mijn ouders een dik pak papier aan met als afzender, jawel, Jean Meeus. Dit pak was werkelijk té dik voor een simpele afwijzing. Nauwelijks bekomen van de eerste emoties, ontvouwden zich vervolgens tientallen pagina's met formules voor mijn ogen. De formules waar ik zo wanhopig naar op zoek was. Voor de BBC-computer werd het daarna al snel een beetje te veel van het goede. In een uiterste wanhoopspoging om van de nieuwe reeks sinussen en cosinussen gebruik te kunnen maken, zat er niets anders op: de vele honderden storingstermen moesten handmatig op een tweetal floppies worden gezet, zodat er niet langer een aanslag werd gepleegd op het té kleine interne geheugen van de computer. Het enige nadeel van zonsverduisteringen is natuurlijk dat ze zeer gering in aantal zijn. Ik was daarom op zoek naar hemelverschijnselen die veel vaker optraden en bovendien de mogelijkheid boden om de voorspelling op basis van de praktijk te controleren. Al snel kwamen mijn gedachten op het fenomeen sterbedekkingen terecht. Er zijn immers sterren in overvloed en je hoeft er ook niet voor op pad te gaan. De formules van het programma zouden slechts een geringe aanpassing behoeven, omdat de sterren in feite zonnen zijn op een "oneindig" grote afstand. Aldus geschiedde. Al snel bleek deze aanpak een groot succes te zijn: het was mogelijk om sterbedekkingen te voorspellen. Maar, zoals zo vaak het geval is, was er ook nu weer een beperkende factor: de maanrand. Omdat deze gekarteld is, wordt het tijdstip van een bedekking merkbaar beïnvloed. Het gevolg is dat het werkelijke bedekkingstijdstip vaak meerdere seconden af kan wijken van het tijdstip dat je krijgt door uit te gaan van een gladde maanbol. Het boek The Marginal Zone Of The Moon (C.B. Watts) bood echter uitkomst. Het is zonder enige twijfel het meest saaie boek dat ik ooit onder ogen heb gehad: vele honderden kaartjes met allerlei hoogtelijnen, die voor verschillende positiehoeken en libratiewaarden de correcties geven voor het maanprofiel. Saai, dat wel, maar tegelijkertijd ook ontzettend nuttig. |
|
Een afbeelding uit het boek The Marginal Zone Of The Moon van C.B. Watts (1963).
In dit boek worden voor diverse zogeheten Watts angles, een hoek die wordt gemeten vanuit de noordpool van de maan, rasters gegeven op basis waarvan de hoogte van het maanprofiel kan worden bepaald. Door gebruik te maken van de libratie in lengte en breedte, respectievelijk uitgezet op de horizontale- en verticale as, kan de afwijking t.o.v. de gemiddelde maanrand worden opgezocht. De diverse waarden zijn gegeven in tienden van een boogseconde, waarbij de gestreepte lijnen negatieve waarden voorstellen. Tegenwoordig zijn alle kaarten, 1800 stuks in getal, in een digitale database opgeslagen. Met de recentelijke komst van de Kaguya data, is de Watts database inmiddels definitief achterhaald. |
Dat de maanrand in de voorspellingen een niet te verwaarlozen factor is, bleek al snel toen ik in diverse artikelen las hoe leden van de Werkgroep Sterbedekkingen met de regelmaat van de klok werden geconfronteerd met missers tijdens een van hun vele expedities naar rakende sterbedekkingen. Tijdens zo'n rakende bedekking ben je namelijk volledig afhankelijk van de nauwkeurigheid waarmee het maanprofiel bekend is. Maak je tijdens de berekeningen een fout, dan kan het gebeuren dat meerdere waarnemers worden getracteerd op een nauwe conjunctie tussen ster en maan, in plaats dat ze getuige zijn van een adembenemend spannend schouwspel: het meerdere malen -vaak onverwacht- uitdoven en oplichten van de ster. De teleurstelling is in dergelijke gevallen vaak groot, temeer daar er voor rakende sterbedekkingen doorgaans ver moet worden gereisd.
Hiermee was de link tussen theorie en praktijk een feit. Omdat ik niet over één nacht ijs wilde gaan, besloot ik om met terugwerkende kracht berekeningen te maken en deze te vergelijken met de resultaten die tijdens de expedities naar rakende sterbedekkingen waren verkregen. Het patroon werd al snel duidelijk: telkens wanneer het maanprofiel ónder het gemiddelde niveau lag, werden er missers gerapporteerd. Op 3 november 1985 schreef ik een brief aan de secretaris van de Werkgroep Sterbedekkingen met het verzoek mij in te schrijven als lid, hetgeen op 14 mei 1986 werd bevestigd. Aanvankelijk leefde ik in de veronderstelling dat mijn aanvraag door een soort van ballotage-commissie moest worden behandeld, omdat het antwoord lang op zich liet wachten. De verklaring was evenwel veel trivialer: mijn brief was per abuis op de stapel beantwoorde post terecht gekomen. Uiteindelijk werd de vergissing opgemerkt en kwam alles toch nog goed. In het voorjaar van 1987, op 8 mei om precies te zijn, werd ik in de gelegenheid gesteld om met eigen ogen een rakende sterbedekking te aanschouwen die vlak vóór zonsondergang zou plaatsvinden. De ster, Sigma Leonis, was met zijn magnitude 4.1 echter helder genoeg om goed zichtbaar te zijn. De voorbereidingstijd was helaas te kort om zelf op voorhand een beeld te krijgen van de vorm van het maanprofiel. Eenmaal aangekomen in het Noord-Hollandse plaatsje Middenmeer, leken de omstandigheden uitermate gunstig. Maar het noodlot sloeg nog diezelfde avond toe: de plaats die ik kreeg toebedeeld, gaf zicht op een fraaie samenstand tussen ster en maan. Niet minder, maar zeker ook niet méér. Mijn eerste rakende bedekking, én ontgoocheling, was daarmee een feit. Nog in dat zelfde jaar verhuisde ik naar Amstelveen en trad in het najaar toe tot het bestuur van de Werkgroep Sterbedekkingen. De verbeterde voorspellingen zorgden er al snel voor dat het aantal missers afnam. Toch bleek op 30 september 1988, tijdens de gedenkwaardige rakende sterbedekking te Gorredijk, nog maar eens wat het gezegde garbage in garbage out betekent. Omdat de gebruikte positie van de betreffende ster de plank behoorlijk missloeg, hadden de meeste deelnemers aan de expeditie het nakijken. In dit geval zat dus niet de maanrand, maar de ster behoorlijk dwars. Op voorspraak van Henk Feijth, werd de BBC-computer in 1991 vervangen door de ATARI-ST. Het interne geheugen van 4 MB bood, in combinatie met de twee harde schijven, ongekende mogelijkheden. Ook de formules voor het berekenen van de positie van zon, maan en planeten werden verder opgepoetst. Op basis van de meest moderne bewegingstheorieën van het Bureau des Longitude (Parijs), bestaande uit vele tienduizenden storingstermen, kon de positie van deze hemellichamen met ongekende nauwkeurigheid worden uitgerekend. Ook in dit geval bood Jean Meeus de helpende hand. Toen niet lang daarna de posities van de sterren en de Watts kaarten digitaal beschikbaar kwamen, kon het hele proces van het berekenen en reduceren van sterbedekkingen worden geautomatiseerd. Dit had tot gevolg dat we als Werkgroep Sterbedekkingen niet langer afhankelijk waren van externe bronnen die ons, vaak op niet al te regelmatige basis, tot dan toe van informatie hadden voorzien. In 1994 mocht ik, als blijk van waardering voor het verzette werk én de popularisering daarvan in het buitenland, de Dr. J. van der Bilt prijs in ontvangst nemen. De prijs werd in het najaar in Vught uitgereikt. Het werd in meerdere opzichten een dag om nooit te vergeten ... Twee jaar later, in 1996, ben ik verhuisd naar Amstelveen-Zuid, alwaar de waarnemings omstandigheden iets beter zijn dan in de onmiddellijke nabijheid van Amsterdam. Toegegeven, voor deep-sky werk moet je hier niet zijn, maar voor het waarnemen van sterbedekkingen valt het allemaal nog reuze mee. Een deel van de broncode van de voorspellingen en reducties van sterbedekkingen heeft inmiddels zijn weg gevonden naar het programma LOW. De geestelijke vader, Eric Limburg, kreeg hiervoor op zijn beurt in 2003 de Dr. J. van der Bilt prijs toegekend. Een deel van de code is hiermee feitelijk dus twéé keer in de prijzen gevallen. Als programmeertaal is Basic inmiddels al enige tijd in onbruik geraakt. Werden de laatste paar jaar de programma's namelijk nog geschreven in de taal C, vanaf nu is dat de objectgeoriënteerde taal Visual C++. Door de code in zogeheten classes onder te brengen, wordt de doorlooptijd van de systeemontwikkeling aanzienlijk verkort. Bovendien ontstaat hiermee code die niet alleen robuuster is, maar in de regel ook minder gevoelig zal blijken te zijn voor allerlei bugs. Tegenwoordig maak ik gebruik van een zelf gebouwde PC bestaande uit een Intel i7 3.07 GHz CPU voorzien van 12 GB intern geheugen en vier harddisks met in totaal 4 TB opslagcapaciteit draaiend op Windows 7 Ultimate 64 bit. Op een gegeven moment lachen we daar natuurlijk ook weer om, maar voorlopig is het nog ruim voldoende. |
Als mede auteur van de Sterrengids, lever ik sinds 1992 jaarlijks, met veel plezier, een bijdrage aan de rubriek Sterbedekkingen. Daarnaast schrijf ik ook zo nu en dan voor het tijdschrift Zenit en, bij gelegenheid, voor ons eigen blad Occultus. Ook ben ik regelmatig spreker op amateurbijeenkomsten. Artikelen die ooit in Zenit werden gepubliceerd, zijn Balanceren op de rand van totaliteit (oktober 2001, invloed van het maanprofiel op zonsverduisteringen) en Een druppel op een gloeiende plaat (april 2004, Venusovergang 8 juni 2004). Recentelijk zijn diverse projecten opgestart die verband houden met het registreren van bedekkingsverschijnselen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van zowel de webcam als de meest moderne videotechnieken. Het is de bedoeling om mijn waarnemingen, die de laatste jaren op een laag pitje hebben gestaan, hiermee weer een nieuwe impuls te geven. Elders op deze website treft u met betrekking tot deze onderwerpen meer informatie aan. |
![]() |
Daarnaast ben ik uiteraard nog steeds actief als rekenaar. Mijn voornaamste specialismen betreffen het voorspellen en reduceren van sterbedekkingen, Mercurius- en Venusovergangen, maansverduisteringen, zonsverduisteringen en aanverwante eclipsen. Het behalen van de hoogst mogelijke nauwkeurigheid staat bij mij in dit verband voorop. Het is opvallend dat sterrenkunde vaak als een koele, louter op cijfers gebaseerde wetenschap wordt bedreven, waarbij het niet zelden om ego's en tegengestelde belangen gaat, terwijl het emotionele aspect nauwelijks enige aandacht krijgt. In het begin van de jaren tachtig heeft Carl Sagan op onnavolgbare wijze met dit onrecht afgerekend door in een 13-delige televisieserie, getiteld Cosmos, de andere kant van de medaille te laten zien. De serie heeft destijds een diepe indruk op mij gemaakt, niet in de laatste plaats vanwege de zeer zorgvuldig gekozen muzikale omlijsting. Waarom juist déze serie nooit is herhaald, zal altijd wel een raadsel blijven. Tegenwoordig zijn de afleveringen van Cosmos verkrijgbaar op DVD, ondertiteld in het Nederlands. Natuurlijk is het tijdsbeeld gedurende de afgelopen dertig jaar op een aantal fronten ingrijpend gewijzigd, maar als geheel heeft de serie aan kracht niet ingeboet. Een tijdloos document. Hopelijk heeft u hiermee een beeld gekregen van wie ik ben en wat ik doe. Rest mij nog u veel plezier toe te wensen bij het verdere bezoek aan mijn homepage ... Adri Gerritsen |







